BIJNA-DOODERVARINGEN WIJZEN OP
                                        EINDELOZE VERBONDENHEID.
CARDIOLOOG PIM VAN LOMMEL: ‘WE MOETEN LIEF ZIJN VOOR ONS ZELF, VOOR ELKAAR EN VOOR DE NATUUR’.
Volgens onderzoeker Pim van Lommel zijn bijna-doodervaringen te verklaren met onze verbondenheid met een non-lokaal bewustzijn, waarin tijd en plaats er niet toe doen. In zijn bestseller Eindeloos Bewustzijn legt hij uit hoe het werkt, en wat wij van het oneindige non-lokale bewustzijn kunnen leren.

In 2001 plaatste het gerenommeerde medisch tijdschrift The Lancet een artikel over het onderzoek naar bijna-dood ervaringen van de Nederlandse cardioloog Pim van Lommel en zijn mede-onderzoekers Ruud van Wees, Vincent Meyers en Ingrid Elfferich. De onderzoekers concludeerden  dat 18% van de 344 ondervraagde patiënten, die een hartstilstand hadden overleefd, herinneringen had aan de tijd dat ze klinisch dood waren. In alle onderzochte gevallen ging het om een prettige ervaring. Mensen voelden zich opgenomen in een onvoorwaardelijke liefde, soms nadat ze hun eigen lichaam van buitenaf gezien hadden, een tunnel hadden doorkruist of in contact waren gekomen met overleden bekenden. In de jaren die op deze ‘bijna dood ervaring’ (BDE) volgden, ondergingen veel van deze mensen grote persoonlijke veranderingen: ze waren bijvoorbeeld niet meer bang voor de dood, waren veel intuïtiever geworden en hadden een veel grotere interesse in spiritualiteit.

Transcendente theorie:
Was het aantonen van het hebben van herinneringen aan een tijd waarin de hersenen levenloos zouden zijn nog niet controversieel genoeg, het onderzoeksteam ging nog een stapje verder door te stellen dat hun bevindingen niet te verklaren waren met puur fysieke verklaringen zoals zuurstoftekort. Volgens de onderzoeker zetten de bijna-dood ervaringen het idee dat bewustzijn volledig afhankelijk is van de hersenen op losse schroeven. Verder onderzoek, schreven ze, moet bij het zoeken van een verklaring voor dergelijke ervaringen aandacht besteden aan de transcendente theorie. Die stelt dat identiteit, kennis en emotie onafhankelijk van het bewusteloze lichaam voorkomen en dat je ook zonder zintuigen kan waarnemen.

Met deze controversiële voorstellen riepen Van Lommel en zijn medewerkers veel weerstand op vanuit de gevestigde wetenschap. Sceptici noemden de cardioloog een kwakzalver. De mensen die zijn team geïnterviewd had, zouden gemanipuleerd zijn geweest door de manier waarop de vragen werden gesteld. Volgens de cardioloog is het onderzoek echter correct uitgevoerd. Waren de onderzoeksmethoden omstreden geweest, redeneert hij, dan was hun artikel nooit in zo’n gerenommeerd wetenschappelijk blad als The Lancet gepubliceerd.

Nieuwe vorm wetenschap:
‘Wat de kerk in de zestiende eeuw tegenhield, is wat de materialistische wetenschap nu tegenhoudt’,  zegt hij zeven jaar later in zijn studeerkamer. ‘Instituten hebben altijd hun eigen waarheid in pacht, en elk instituut wil overheersen.’ De tegenstand zit niet in de religie, maar in de kerk, en niet in de wetenschap maar in de universiteiten en de onderzoeksinstituten. Echte wetenschap laat zich echter niet belemmeren door vooroordelen, zegt hij, maar staat open voor nieuwe suggesties. Dat is het soort wetenschap at hij wil bevorderen. ‘De materiële visie heeft ontzettend veel opgeleverd’, zegt Van Lommel, ‘maar ze is niet de enige. Ik zie het als mijn taak een andere vorm van wetenschap aan te moedigen: een wetenschap die openstaat voor afwijkende ideeën, die zich niet laat beperken tot materialistische verklaringen.
Om dat te bereiken reist Van Lommel de wereld af om lezingen te geven aan studenten, zorgverleners, wetenschappers en mensen die zelf bijna-dood ervaringen hadden. Ook het grote publiek smult van zijn werk: zijn boek
Eindeloos Bewustzijn is sinds het verschijnen in november 2007 in Nederland al vele malen herdrukt en wordt voor diverse landen vertaald.

Non-lokaal bewustzijn:
In zijn bestseller beschrijft de onderzoeker het ‘non-lokaal bewustzijn’, een fenomeen dat teruggrijpt op begrippen uit de kwantumfysica. Daaruit stamt het idee dat er behalve de tijd- en plaatsgebonden ruimte die wij kennen, ook een ‘non-lokale’ ruimte is waarin materie geen vaste meetbare eigenschappen heeft, maar golven van waarschijnlijkheden. Via ons lichaam en onze zintuigen reduceren wij dit golfaspect tot een tijd en plaatsgebonden ‘deeltje’, dat ons in staat stelt sinaasappels, dekbedden en vazen te herkennen, maar ook gezichten, mensen en emoties. Het bewustzijn dat we daarmee dagelijks ervaren, is echter maar een klein deel van het ‘oneindige bewustzijn’, waarin alles ligt verankerd wat in ons hele universum ooit kon, kan of zal kunnen: mogelijkheden en ervaringen, maar ook emoties, gedachten en materie.

‘Bij een hartstilstand stopt door het optredende zuurstoftekort tijdelijk de functie van de hersenen, waardoor (….) de interface tussen ons bewustzijn en ons fysieke lichaam, wordt onderbroken’, schrijft Van Lommel in
Eindeloos Bewustzijn, ‘zo ontstaat de mogelijkheid het oneindig en verruimd bewustzijn buiten het lichaam te ervaren (het golfaspect van het bewustzijn), en dit is wat een BDE wordt genoemd’. Een hartstilstand is niet de enige manier om een bijna-dood ervaring te ervaren, schrijft de onderzoeker. Uit andere onderzoeken blijkt dat ze zich niet alleen kunnen voordoen tijdens situaties waarbij de patiënt al hersendood is, maar bijvoorbeeld ook tijdens diepe meditatie.
De tijdelijke toegang tot een oneindige bron van informatie verklaart bijvoorbeeld waarom mensen tijdens hun BDE hun biologische vader kunnen herkennen, terwijl ze bij leven nooit wisten geadopteerd te zijn. Of waarom ze overleden broers of zussen ontmoeten, waarvan ze het bestaan nooit vermoed hebben. Opvallend genoeg manifesteren deze figuren zich vaak niet zoals op de leeftijd waarop ze overleden zijn, maar bijvoorbeeld als tiener of dertiger. Ouderen zijn jonger geworden, en kinderen zijn opgegroeid. In Van Lommels anekdoten zijn zij vaak degenen die de BDE’er op zijn of haar tocht bijstaan met advies rondom de keus door te gaan en een onomkeerbare grens te passeren, of terug te keren naar het wereldlijk bestaan. Veel van de respondenten keren terug met het gevoel nog een bepaalde taak te moeten vervullen. Wie hen die taak stelt, blijft onduidelijk.

Levensfilm:
Een ander aspect van non-lokaal bewustzijn is de intensieve verbondenheid met gevoelens en gedachten van anderen, terwijl de eigen identiteit volgens Van Lommel wel heel duidelijk blijft bestaan. Tijdens een uittreding uit het lichaam ziet de patiënt bijvoorbeeld niet alleen alle aanwezige personen in de operatiekamer en de omliggende ruimten, maar ervaart hij ook al hun gevoelens en kent hij al hun gedachten.
Door zich te concentreren op een bepaalde plaats of een persoon, is hij daar direct in verplaatst. Muren en andere obstakels staan daarbij niet in de weg, zoals tijdens een lichamelijke ervaring. Vaak verplaatsen BDE’ers zich door het dak en een zandloperachtige ‘tunnel’ naar een niet-werkelijke omgeving.
Een deel van de respondenten zegt tijdens hun BDE een soort levensfilm te hebben gezien.

Niet alleen doorlopen ze in korte tijd een aantal ervaringen die ze tijdens hun leven opdeden, ze zien soms ook wat hun reactie bij anderen teweeg bracht en wat er gebeurd zou zijn als ze anders gereageerd hadden. Het wordt hun duidelijk hoe alles met elkaar is verbonden. Hoewel andere onderzoeken wel BDE’s met angstige ervaringen rapporteren, melden de respondenten in Van Lommels onderzoek alleen positieve ervaringen. Het inzicht in hun levensloop ging niet gepaard met verwijten, maar met inzicht. In de onwereldlijke omgeving werden ze niet veroordeeld voor de dingen die ze anderen hadden aangedaan, maar voelden ze zich opgenomen in een onvoorwaardelijke liefde.
Ondanks de pijn en de teleurstelling die hen vaak wachtte na hun terugkeer in ons dagelijks bestaan, zeggen ze de kleine dingen van alledag achteraf meer te waarderen dan mensen die geen BDE rapporteerden. Ook na hun herstel, blijven ze vaak veel intuïtiever. Deze verhoogde gevoeligheid kan tot grote sociale problemen leiden. Daar komt bij dat veel van hen de materiële standaarden van onze maatschappij na hun BDE verwaarlozen.

Verbondenheid:
Het non-lokaal bewustzijn verklaart volgens Van Lommel niet alleen veel aspecten van een bijna-dood ervaring, maar ook andere onverklaarbare zaken als sterfbedvisioenen, helderziendheid, telepathie en telekinese. Er zijn Chinese experimenten bekend waarbij hoogspirituelen erin slaagden insecten en kleine radio’s ongeschonden door materiële wanden en deksels heen te verplaatsen. De Amerikaanse inlichtingendienst CIA zou een imponerende hoeveelheid onderzoek op het gebied van helderziendheid in huis hebben, dat hen moet helpen bij het op afstand bespioneren van vijandelijke troepen.
Van Lommel haalt een aantal voorbeelden aan die suggereren dat wij ook in ons dagelijks wereldse bestaan veel sterker verbonden zijn, dan we zelf vaak denken. Zo bleken de witte bloedlichaampjes in het bloed van een Amerikaanse oorlogsveteraan in een kweekmedium in een laboratorium op 12 kilometer afstand nog simultaan te veranderen met de geestelijke toestand van de man zelf. Terwijl de veteraan door het kijken naar een film herinnerd werd aan de Japanse dreiging, veranderde zijn huidweerstand, en op datzelfde moment veranderde ook de ‘weerstand’ tussen zijn witte bloedlichaampjes op 12 kilometer afstand.

Ook de herinneringen die orgaanontvangers soms krijgen aan het leven van hun donor, suggereert dat niet alleen onze hersenen, maar alle delen van ons lichaam met ons bewustzijn in contact staan. Het mag dan ook niet verbazen dat genetisch verwante familieleden onderling vaak beter niet-zintuigelijk kunnen communiceren dan mensen die weinig met elkaar te maken hebben.
Zulke effecten worden niet alleen gezien in en tussen mensen, maar ook in de rest van de natuur. Sinds 1982 hebben verschillende proeven op het gebied van de natuurwetenschappelijke kwantumfysica aangetoond dat losse microdeeltjes uit dezelfde bron, zo ‘verstrengeld’ zijn dat ze elkaar zelfs op grote afstand nog onmiddellijk beïnvloeden. Zelfs kleine deeltjes licht in glasvezelkabels die zich op vijftig kilometer afstand van elkaar bevinden, vertonen nog parallel gedrag.

Aboriginals:
Die verbondenheid mag voor de verrationaliseerde, geïndividualiseerde Westerlingen dan heel opzienbarend lijken, voor andere culturen is het dagelijkse kost. “Voor Aboriginals is het doodnormaal dat ze over grote afstanden nog met elkaar kunnen communiceren’’, zegt de schrijver. “Wij hebben daar mobieltjes voor nodig, maar zij weten het gewoon als ze ver weg op jacht zijn en er is iets aan de hand in hun dorp. Ze draaien zich om en lopen terug, soms honderden kilometers.” Veel niet-Westerse samenlevingen kennen niet alleen een veel sterkere gemeenschapszin, ze communiceren ook veel bewuster met de overledenen, de natuur en de kosmologie in hun directe leefomgeving.

Toch hoef je niet ver te reizen om mensen te ontmoeten die van nature veel meer contact hebben met het non-lokaal bewustzijn, zegt Van Lommel. Kinderen tot zes jaar staan er sowieso nog voor open; zij moeten nog leren zich te beperken tot de zintuiglijke waarneming waarop ons materiële wereldbeeld gestoeld is. Door hun reactie op de veelheid aan invloeden die ze daardoor binnen krijgen, worden ze nog al eens ten onrechte gediagnosticeerd met een ziekte als ADHD, vreest de onderzoeker.
Ook binnen het onderzoek naar bijna-doodervaringen nemen kinderen een speciale plaats in: uit diverse studies blijkt dat mensen vaker een BE rapporteren naarmate ze jonger zijn. Meldde slechts 18% van Van Lommels vaak gepensioneerde hartinfarctpatiënten een BDE, bij studies met kinderen loopt dat percentage op tot 85%.

‘Newton was een mysticus’.
Heel nieuw lijkt de theorie rondom het non-lokaal bewustzijn niet. In
Eindeloos Bewustzijn presenteert Van Lommel een tekening waarop de zeventiende eeuwse Engelse arts-filosoof Robert Fludd al aangeeft hoe het menselijk lichaam in contact zou staan met ‘externe’ zaken als dromen, herinneringen, emoties en God. Ook bijna-dood ervaringen lijken niet nieuw: schilderijen van de 15e eeuwse Jeroen Bosch tonen de veelbesproken tunnel van licht, en Dante’s dertiende eeuwse beschrijving in de Goddelijke Komedie doen verdacht veel denken aan e rapportages van BDE’ers.
Het lijkt erop dat wij in West-Europa een deel van onze kennis vergeten zijn, denkt Van Lommel. ‘Waarschijnlijk heeft Descartes’ voorgestelde scheiding van lichaam en geest bijgedragen aan het geloof dat wat je niet kan meten en zien, ook niet bestaat.’ Toch waren er in die tijd ook veel mensen die wel oog hadden voor buitenzintuiglijke waarnemingen. Beroemde componisten als Mozart en Brahms gaven bijvoorbeeld herhaaldelijk aan dat ze het idee hadden dat ze de muziek niet zelf componeerden, maar enkel noteerden wat in hun hoofd opkwam. Hun verbondenheid met het non-lokaal bewustzijn zou verklaren waarom zulke genieën hun ideeën vaak als plotselinge ingevingen ervaren.

Ook de gerenommeerde wetenschappers die wij nog steeds eren vanwege hen baanbrekende ideeën, hadden volgens Van Lommel vaak meer oog voor non-materiële zaken dan wij ons tegenwoordig realiseren. ‘Newton was een mysticus, maar dat weet bijna niemand’, zegt de onderzoeker. ‘Toch is die conclusie onvermijdelijk als je zijn theorieën goed doordenkt. Ook uit zijn persoonlijke correspondentie blijkt dat: hij schreef bijvoorbeeld dat de zwaartekracht in het hele universum werkte, en dat er een soort medium of ‘ether’ was waardoor alles wordt doorgegeven.’
De materiële wetenschap mag zich dan beperken tot de zintuiglijke, meetbare waarnemingen waar we als mens toe in staat zijn, uiteenlopende ‘gnostische’ stromingen als het soefisme en antroposofie stellen zich al tijden vragen over zaken als het non-lokaal bewustzijn. Maar ook de materialistische wetenschappers zelf willen vaak meer weten dan ze met hun beperkte meetinstrumenten kunnen achterhalen. N plaats van hun zoektocht met andere middelen voort te zetten, vreest Van Lommel, maken ze dan vaak de fout zich over te geven aan de verleidingen van de overinterpretatie.

‘In mijn boek wijs ik er herhaaldelijk op dat gedragspatronen niets zeggen over denken en voelen’, zegt de onderzoeker. Hersenonderzoek mag dan kunnen aantonen welke hersengebieden actief zijn bij op bepaalde prikkelingen, het zegt niets over de inhoud van de resulterende gedachten of het gepaard gaande gevoel. Toch leggen sommigen van zijn collegae soms verbanden in die richting. Als zulke conclusies al iets aantonen, suggereert Van Lommel, dan is het dat de onderzoeker meer wil weten dan zijn apparatuur kan aantonen.
Een kritiek punt in Van Lommels conclusie dat het bewustzijn onafhankelijk van de hersenen voorkomt, is de vraag of onze huidige apparatuur wel in staat is alle hersenactiviteit te meten. Als dat niet zo is, hoeft de diagnose ‘hersendood’ volgens de machine niet per se te betekenen dat de hersenen ook echt volledig non-actief zijn. In
zijn Eindeloos Bewustzijn legt de cardioloog uit dat het mogelijk is dat hersencellen in kritieke situaties als zuurstofgebrek overschakelen op een soort onmeetbare waakvlamtoestand, waaruit ze binnen een bepaalde tijd weer kunnen herstellen. Onder normale omstandigheden bedraagt die tijd zo’n vijf tot tien minuten, maar als het hoofd wordt onderkoeld kan die periode worden opgerekt tot een half uur. Toch wordt deze techniek in Nederland nauwelijks toegepast.

‘Dood’:
‘Dood’ mag dan klinken als een definitief begrip, in praktijk hangt de vaststelling of iemand dood is of leeft, sterk af van de gehanteerde definities. Als adviseur van de Stichting Bezinning Orgaandonatie benadrukt Van Lommel dat mensen die al ‘hersendood’ verklaard zijn, nog steeds kinderen kunnen baren en narcose nodig hebben voordat ze geopereerd kunnen worden, bijvoorbeeld om organen voor donatie uit het verder nog levende lichaam te halen. De hersenactiviteit mag dan onmeetbaar zijn, zonder narcose geeft de rest van het lichaam nog afweerreflexen die het mes van de chirurg tegenhouden.
Zelfs nadat de hersenen klinisch dood zijn, kunnen er dagen overheen gaan voordat de rest van het lichaam ook sterft. Weefsels als hoornvlies kunnen nog gebruikt worden als het lichaam volledig gestorven is, zegt Van Lommel, maar de organen moet snel na het uitroepen van de hersendood verwijderd worden. Het verwijderen van organen draagt daarmee bij aan het versnellen van het sterfproces, terwijl de eerste stadia daarvan veel minder onomkeerbaar blijken dan we vaak enken.
De onderzoeker hoorde veelvuldig verhalen van mensen die tijdens de schijnbaar bewusteloze periode duidelijk waarnamen dat de artsen hun reanimatiepogingen wilden staken, of nabestaanden vroegen of ze de stekker eruit moesten trekken. Uit alle macht wilden ze hen duidelijk maken dat ze nog niet dood waren of wilden, maar met hun hersendode lichaam konden ze dat niet duidelijk maken. Opvallend is dat veel van de details die ze later vertellen, controleerbaar zijn en vaak blijken te kloppen. Zo kon één van Van Lommels respondenten de verpleging na reanimatie feilloos vertellen waar ze zijn verloren gewaande kunstgebit tijdens de reanimatie hadden neergelegd.

Elitair Onderzoek:
Het zijn fenomenen waar de man op straat vaak heel geïnteresseerd in is, denkt Van Lommel, maar waarnaar een groot deel van de wetenschap geen oren heeft. De reacties van zijn oud-collega’s in ziekenhuis Rijnstate, waar hij tot zijn pensionering werkte als cardioloog waren dan ook gemixt. ‘Hoewel ook een deel van de artsen openstond voor mijn bevindingen over bijna-dood ervaringen staat de verpleging er wat dichterbij dan de artsen’.
‘De Engelse bioloog Rupert Sheldrake zei het al: “Als 4 procent van het geld voor onderzoek gestoken zou worden in onderzoek dat aangedragen wordt door de man op straat, zou de wetenschap een stuk verder zijn”, zegt Van Lommel. Het beschikbare geld wordt echter verdeeld door politici, wetenschappers en grote bedrijven, die heel andere belangen en interesses hebben dan de doorsnee burger. Geld voor onderzoek naar ‘onmeetbare’ zaken zoals BDE of het non-lokaal bewustzijn is er nauwelijks, behalve van geïnteresseerde particulieren. Ook hun eigen onderzoek moest het doen zonder enige financiële ondersteuning vanuit de officiële instanties.
Hoewel
Eindeloos Bewustzijn veel interessante bevindingen noemt die Van Lommels theorie over het non-lokaal bewustzijn lijken te steunen, blijft het vaak bij incidenten. Tijdens hun eigen onderzoek probeerde het team verslagen van buitenlichamelijke ervaringen te controleren door de reanimatieruimtes te voorzien van een teken op een plaats die vanuit de normale lichamelijke posities niet te zien was. Geen van de patiënten meldde het teken tijdens hun uittreding gezien te hebben, hoewel de genoemde meneer met het kunstgebit wel andere controleerbare herinneringen meldde. Behalve de plaats waar de verpleging het gebit had opgeborgen, kon hij ook vertellen waarover het medisch team tijdens zijn ‘hersendode’ periode gepraat had. Hoewel dat soort dingen vaker voorkomen, zijn bruikbare statistieken daarover vaan niet voor handen.

Subjectiviteit als verrijking:
Het is jammer dat de wetenschap zich zo vaak beperkt tot de ‘objectief’ waarneembare werkelijkheid, denkt Van Lommel, terwijl de subjectiviteit juist als verrijking kan dienen. Dat die beperking niet noodzakelijk is om grote successen te boeken, bewijst bijvoorbeeld de Chinese geneeskunst. Daarin wordt de mens niet beschouwd als een verzameling losse lichamelijke onderdelen, maar als een wezen in context, inclusief energiebanen en zijn of haar persoonlijke omgeving.
Dat veel Westerse collega-artsen en wetenschappers moeite hebben met de verklaringen waarop zulke methoden berusten, kan hij goed begrijpen. ‘Vroeger had ik ook moeite met dit soort dingen. Op school worden we grootgebracht met het geloof dat wat je niet kan meten, ook niet bestaat.’ Toch is het na jaren vooruitgang op technisch gebied, volgens hem tijd om ook te gaan kijken naar de mens in al zijn verbondenheid: met materiële dingen, maar ook met de niet-waarneembare zaken die ons voortdurend beïnvloeden, zonder dat we het per se zelf weten.
De levensveranderingen die mensen na een BDE rapporteren, concludeert Van Lommel in
Eindeloos Bewustzijn, ‘komen vooral voort uit het inzicht dat liefde en aandacht voor zichzelf, anderen en de natuur belangrijke levensvoorwaarden zijn’. Het is een veranderd bewustzijn dat als het aan hem ligt niet beperkt moet blijven tot de mensen die een bijna-dood ervaring hadden, maar ons allemaal kan veranderen. Zolang we denken dat alles ophoudt met de dood, schrijft hij, hebben we de neiging te investeren in het tijdelijke, het materiële. Het bewustzijn dat het leven niet ophoudt met de dood, motiveert ons ook om aan de toekomst van het milieu en onze kleinkinderen te denken. ‘We moeten lief zijn voor ons zelf, voor elkaar en voor de natuur’, stelt de onderzoeker. Daarmee verbeteren we niet alleen de wereld, we houden onszelf ook gezonder.
K. J.

              ‘ALLES WAT IK MEEMAAKTE WAS ZO VERRUKKELIJK,
                                             EN ONBESCHRIJFELIJK’
In een vorig artikel plaatsten wij een schrijven over cardioloog Piet van Lommel
Eindeloos Bewustzijn. Nu een artikel van de Amerikaanse psychiater Raymond A. Moody genaamd: Leven na dit Leven: ‘Moody’s baanbrekende werk is de aanzet geweest voor al het wetenschappelijk onderzoek dat later wereldwijd van de grond is gekomen. Zonder zijn stimulerende bijdrage zouden de mensen die een bijna-doodervaring hebben meegemaakt, nooit de herkenning en de erkenning hebben ervaren die hen tegenwoordig steeds meer ten deel valt. Al moet worden erkend dat vanuit de reguliere wetenschap er nog steeds een uiterste terughoudendheid wordt betracht om de in hun ogen vergaande conclusies van Moody te accepteren.
Nu volgen een aantal fragmenten uit het boek Leven na dit Leven, te beginnen met passages uit vijf vraaggesprekken met mensen die een bijna-doodervaring meemaakten.

1:
Ik verloor in een bocht de macht over het stuur, waarop mijn auto van de weg afraakte en de lucht in schoot. Ik herinner me dat ik de blauwe lucht zag en ook zag ik dat de auto recht op een greppel afvloog. ‘Ik verongelukte’, zei ik bij mezelf, en daarna verloor ik zo’n beetje elk gevoel van tijd en ook het contact met mijn lichaam. Mijn wezen of mijn geest, of hoe u het ook maar noemen wilt, steeg als het ware door mijn heen op naar buiten. Dat ging volstrekt niet met pijn gepaard, het steeg gewoon, tot het boven mijn hoofd hing.

Het was of mijn wezen een zekere dichtheid had, niet die van een vast lichaam, meer zoiets als van, tja, ik weet niet, van trillingen of zo, alsof het elektrisch geladen was. In elk geval had het iets. Het was klein, zo’n beetje rond, zonder duidelijke contouren. Je zou het met een wolk kunnen vergelijken. Het leek wel alsof het een eigen omhulsel had. Toen het mijn lichaam verliet, scheen een groot uiteinde het eerst te ontsnappen en het kleine eindje het laatst. Het was een heel licht gevoel. Op mijn (stoffelijke) lichaam werd geen enkele druk uitgeoefend; daar stond het gevoel volkomen los van. Mijn lichaam was gewichtloos.

Wat me gedurende mijn ervaring het meest trof, was het moment waarop mijn wezen boven mijn voorhoofd zweefde, haast alsof het trachtte uit te maken of het nu weg zou gaan of blijven. Het leek wel alsof de tijd stilstond. De eerste en de laatste fase van het ongeluk verliepen heel snel, maar de periode daartussenin, toen mijn wezen boven me hing en de auto over de dijk vloog, leek eindeloos te duren. En in die tijd maakte ik me nauwelijks druk om de auto, of om het ongeluk, of om mijn eigen lichaam – ik werd geheel en al in beslag genomen door mijn geest. Mijn wezen had geen stoffelijke kenmerken en toch moet ik het in stoffelijke bewoordingen beschrijven.

Maar al doe ik dat op nog zo veel manieren, met nog zo veel woorden, dan nog sla ik de plank volkomen mis. Het valt zo ontzettend moeilijk te beschrijven. Uiteindelijk raakte de auto dan toch de grond en hij kantelde, maar ik liep als enige verwonding een verrekte nek op en een gekneusde voet.

2:
Toen ik mijn lichaam verliet, was het alsof ik ergens anders inging; ik ging niet in het ‘niets’ op. Ik bevond me in een ander lichaam, maar geen normaal menselijk lichaam. Anders, maar ook weer geen grote klomp materie. Het had een vorm, maar geen kleuren. En ik weet dat ik nog steeds iets als handen had. Ik kan het niet beschrijven.

Ik werd dermate geboeid door alles om me heen – het zien van mijn eigen lichaam – en zo dat ik niet nadacht over het soort lichaam waar ik in terecht was gekomen. En het ging allemaal zo vlug! Tijd scheen geen werkelijke factor te zijn, maar was dat eigenlijk wel. Alles schijnt sneller te gaan als je buiten je lichaam bent.

3:
Ik herinner me dat ik naar de operatiezaal werd gereden; de volgende paar uren waren kritiek. In die periode verliet ik herhaalde malen mijn stoffelijke lichaam en dan kon ik het rechtstreeks daarboven zien. Toch bevond ik me nog steeds in een lichaam – geen stoffelijk lichaam, maar iets wat ik het best kan beschrijven als een krachtveld. Als ik het nader moet omschrijven, zou ik zeggen dat het doorschijnend was, onstoffelijk in tegenstelling tot een stoffelijk wezen. Toch bestond het pertinent uit verschillende onderdelen.

4:
Toen mijn hart stilstond, voelde ik me alsof ik in een ronde bol was, bijna alsof ik deel uitmaakte van een planetenstelsel. Ik kan het gewoon niet onder woorden brengen.

5:
Ik bevond me buiten mijn lichaam en keek ernaar vanaf ongeveer tien meter afstand, maar ik dacht nog steeds, net als in het stoffelijke leven. En ik dacht vanuit wat ongeveer mijn normale lichaamslengte is. Ik bevond met niet in een lichaam als zodanig. Ik voelde wel iets, een soort capsule, in een doorzichtige vorm. Ik kon het niet waarnemen; het leek transparant, maar dat was het eigenlijk toch ook weer niet. Ik was er gewoon – als energie misschien, een bolletje energie. En ik was me werkelijk geen enkel lichamelijk gevoel bewust, zoals temperatuur of iets dergelijks.

Ook anderen hebben in hun verslagen gewag gemaakt van de gelijkenis van vorm tussen hun stoffelijke en hun nieuwe lichaam. Een vrouw vertelde me dat ze, terwijl ze zich buiten haar stoffelijk lichaam bevond, nog steeds een volledige lichaamsvorm voelde. ‘Benen, armen, alles, en toch was ik tegelijkertijd gewichtloos.’
een dame die de opwekkingspogingen van haar lichaam gadesloeg vanuit een positie vlak, onder het plafond zegt: ‘Ik bevond me nog steeds in een lichaam, een uitgestrekt lichaam en ik keek naar beneden. Ik bewoog mijn benen en merkte dat het ene warmer aanvoelde dan de andere.’
Behalve dat je je in deze geestrijke toestand ongehinderd kunt bewegen, kun je ook ongehinderd denken, herinneren sommigen zich. Herhaalde malen hebben informanten mij verteld, dat ze, als ze eenmaal aan hun nieuwe situatie gewend waren, helderder en sneller dachten dan tijdens hun stoffelijk bestaan. Zo vertelde een man me:

Dingen die nu niet mogelijk zijn, zijn het dan wel. Het prettige is, dat je heel helder van geest bent. Mijn geest werkte al mijn indrukken in één keer voor me uit, zonder nog eens terug te hoeven grijpen. Zo kreeg alles wat ik ervoer direct een wezenlijke betekenis voor me.

Het waarnemingsvermogen binnen het nieuwe lichaam is in zekere zin gelijk, in zekere zin ongelijk aan dat binnen het stoffelijke lichaam. In bepaalde opzichten kent het geestelijke lichaam meer beperkingen. Zoals we zagen in kinesthesie als zodanig afwezig. In enkele gevallen hebben mensen me verteld dat ze geen temperatuur voelden, terwijl meestal gevoelens van behaaglijke ‘warmte’ worden gemeld. Geuren of smaken zijn voor zover ik weet door geen van de ondervraagden in onstoffelijke toestand waargenomen.

Aan de andere kant zijn de zintuigen die overeenkomen met het fysieke gehoor- en gezichtsvermogen, in het geestelijke lichaam zeer zeker intact; ze schijnen zelfs scherper en volmaakter te zijn dan in het stoffelijke leven. Zo zegt een man dat zijn gezichtsvermogen tijdens zijn ‘dood’, ongelooflijk veel scherper was; in zijn eigen woorden: ‘Ik kan gewoonweg niet begrijpen hoe ik zo ver heb kunnen zien.’

En een vrouw zegt erover: ‘Het was alsof dat geestelijke zintuig geen grenzen kende, alsof ik overal naar toe kon kijken en alles zou kunnen zien.’ Dit verschijnsel wordt heel levendig beschreven in het nu volgende gedeelte van een vraaggesprek met een vrouw die zich na een ongeval buiten haar lichaam bevond:

Er was een drukte van jewelste en allerlei mensen liepen af en aan. Telkens als ik naar iemand keek omdat ik me afvroeg wat zijn of haar gedachten waren, was het net alsof ik door een zoomlens keek. Ik zag zo iemand dan van vlakbij, terwijl mijn ‘geest’ zich in feite nog steeds op dezelfde plaats bevond, enkele meters van mijn lichaam vandaan. Als ik iemand in de verte wilde zien, was het alsof er een gedeelte van mij naar die persoon toe ging. En het kwam mij toen voor dat ik op die manier alles kon zien wat er in de wereld gebeurde.

Het ‘geestelijke’ gehoor kan kennelijk alleen naar analogie zo genoemd worden: de meesten zeggen dat ze gen werkelijke fysieke stemmen of geluiden horen. Ze schijnen veeleer de gedachten van de hen omringende personen op te vangen en zoals we later zullen zien, kan een dergelijke rechtstreekse gedachteoverdracht een belangrijke rol spelen in een latere stadia van een doodervaring.
Een dame stelde het zo:

Ik zag overal om me heen mensen en ik begreep wat ze zeiden. Ik hoorde ze niet zoals ik u nu hoor. Het was meer alsof ik precies wist wat ze dachten, maar alleen in mijn geest, niet in hun eigen woorden. Een seconde voor ze hun mond opendeden om te spreken, ving ik de boodschap op.

Ten slotte blijkt, op grond van een uniek en zeer interessant verslag, dat zelfs zeer ernstige lichamelijke verwondingen geenszins een ongunstige invloed hebben op het geestelijke lichaam. De man die me dit verslag deed, raakte bij een ongeluk dat zijn klinische dood tot gevolg had, het grootste gedeelte van zijn been kwijt. Dit merkte hij direct, omdat hij op enige afstand zijn gehavend lichaam, onder behandeling van een dokter, duidelijk waarnam. Doch terwijl hij zich buiten zijn lichaam bevond:

Ik kon mijn lichaam voelen en dat was puntgaaf. Dat weet ik zeker. Ik voelde me gaaf, en helemaal heel, hoewel dat dus niet zo was.

Iemand die zich buiten zijn lichaam bevindt, is afgesneden van de rest van de wereld. Hij kan andere mensen zien en hun gedachten volledig begrijpen, maar zij op hun beurt kunnen hem niet zien en niet horen. Alle contact met andere menselijke wezens wordt radicaal verbroken, zelfs het contact door aanraking, aangezien een geestelijk lichaam geen vastheid heeft. Daarom is het niet verwonderlijk dat zo iemand zich, na een tijdje in deze toestand verkeerd te hebben, eenzaam en buitengesloten begint te voelen. Een man vertelde me, dat hoewel hij in het ziekenhuis allerlei mensen om zich heen had – artsen, verpleegsters en andere leden van de staf – elk contact hoe dan ook onmogelijk bleek, en dus zegt hij: ‘Ik voelde me hopeloos alleen.’ Ook vele anderen hebben me de intense gevoelens van eenzaamheid beschreven waarmee ze in dit stadium te kampen hadden.

Alles wat ik zag en meemaakte was zo verrukkelijk, maar ook zo onbeschrijfelijk! Ik wilde dat anderen het samen met mij ook zagen, want ik had het gevoel dat ik nooit in staat zou zijn iemand te beschrijven wat ik zag. Ik voelde me eenzaam omdat er niemand bij me was die dit alles samen met mij kon ervaren, maar ik besefte tegelijkertijd heel goed, dat er niemand anders bij kon zijn, omdat ik me in een heel eigen wereldje bevond. Dat maakte me echt neerslachtig.

Een ander zegt:
Ik was niet in staat om dingen aan te raken, niet in staat om te communiceren met de mensen om mij heen. Dat gaf me een vreselijk eenzaam gevoel, een gevoel van een volledig isolement. Ik besefte dat ik helemaal alleen was, helemaal op mezelf.

Weer een ander vertelt:
Ik was alleen maar verbaasd. Ik kon niet geloven dat het werkelijk gebeurde. Ik was helemaal niet bezorgd of van streek, in de geest van ‘hemeltje, nu ben ik dood en nu blijven mijn ouders alleen achter, en wat zullen ze verdrietig zijn, en nu zal ik ze nooit meer zien.’ Dergelijke gedachten kwamen in de verste verte niet bij me op.
Wel was ik er voortdurend van doordrongen dat ik alleen was, heel alleen – bijna alsof ik een bezoeker van een andere planeet was. Het was alsof alle banden waren doorgesneden.
Ja, alsof er helemaal geen liefde was. Alles was zo technisch.
Onbegrijpelijk.

De gevoelens van eenzaamheid verdwijnen echter naarmate de stervende dieper in zijn ‘dood’-ervaring raakt, want op een gegeven moment komen er anderen naar hem toe om hem in zijn overgang bij te staan. Deze kunnen de vorm aannemen van andere geesten, vaak die van overleden familieleden of vrienden van de stervende. In een groter aantal gevallen verschijnt echter een geestelijk wezen van een heel andere aard. In de volgende stukken zullen we nader ingaan op dergelijke ontmoetingen.

Verschillende mensen hebben me verteld dat ze op een bepaald punt in hun doodervaring – soms in het begin, soms pas nadat andere gebeurtenissen hadden plaatsgevonden – andere geestelijke wezens in hun omgeving gewaar werden, wezens die kennelijk aanwezig waren om hen de overgang naar de dood gemakkelijk te maken, of, in twee gevallen, om te vertellen dat het hun tijd nog niet was om te sterven en dat ze in hun stoffelijke lichaam moesten terugkeren.

Ik heb dit ervaren toen ik een kind baarde. Het was een zware bevalling, waarbij ik heel veel bloed verloor. De dokter gaf me op en vertelde mijn familie dat ik stervende was. Maar ik was door de hele .bevalling heen heel helder van geest en precies op het moment dat ik hem dit hoorde zeggen, voelde ik hoe ik bijkwam. Toen dat gebeurde besefte ik dat er allemaal mensen langs de zoldering zweefden, een enorm aantal naar het scheen. Het waren allemaal menen die ik in het verleden had gekend, maar die reeds overleden waren. Ik herkende mijn grootmoeder en een schoolvriendinnetje en vele andere familieleden en vrienden. Het scheen alsof ik voornamelijk hun gezichten zag en hun aanwezigheid voelde. Ze leken allemaal verheugd te zijn. Het was een blij weerzien en ik voelde dat ze gekomen waren om me te beschermen of te begeleiden. Het was haast alsof ik thuiskwam en zij daar waren om mij te begroeten of te verwelkomen. En al die tijd had ik een gevoel alsof alles om me heen licht en mooi was. Het was een wonderschoon en heerlijk ogenblik.

Een man herinnert zich:
Enkele weken voor ik bijna stierf was er een goede vriend van mij, Bob, overleden. Op het moment dat ik buiten mijn lichaam kwam, had ik het gevoel dat Bob daar stond, vlak naast me. Ik zag hem in mijn geest voor me en ik voelde zijn aanwezigheid, maar het vreemde was dat ik hem niet in zijn stoffelijke lichaamsvorm zag. Toch zag ik hem duidelijk, zijn uiterlijk, alles. Begrijpt u me? Hij was er, maar hij had geen stoffelijk lichaam. Hij had een soort doorzichtig lichaam en ik was me bewust van elk deel ervan – armen, benen, enzovoort, maar ik zag het niet stoffelijk.

En op dat ogenblik kwam me dat helemaal niet vreemd voor, omdat ik hem helemaal niet hoefde te zien met mijn ogen. Ik had trouwens geen ogen.
Herhaaldelijk vroeg ik hem: ‘Bob, waar ga ik nu heen? Wat is er gebeurd? Ben ik dood of niet?’ En hij gaf me niet eenmaal antwoord, hij zei geen boe of bah. Maar tijdens die periode in het ziekenhuis was hij er vaak en telkens vroeg ik hem weer: ‘Wat gebeurt er?’ Maar hij antwoordde nooit. En op de dag dat de artsen zeiden dat ik zou blijven leven, ging hij weg. Ik heb hem niet teruggezien, nog zijn aanwezigheid gevoeld. Het was bijna alsof hij wachtte tot ik die laatste grens voorbij zou zijn; dan zou hij spreken en me precies vertellen wat er gaande was.


Misschien was het meest ongelooflijke gemeenschappelijke element in de verslagen die ik bestudeerd heb en zeker het element dat op eenieder het meest indruk heeft gemaakt, is de ontmoeting met een bijzonder helder licht. Kenmerkend is, dat dit licht bij de eerste verschijning flauw is maar spoedig helderder wordt, tot het een bovenaardse schittering krijgt. Doch hoewel de schittering van dit – gewoonlijk als ‘wit’ of ‘helder’ bestempelde – licht onbeschrijflijk is, maken velen er speciaal melding van dat het op geen enkele manier pijn doet aan hun ogen, of hen verblindt, of hen verhindert om andere dingen om hen heen te zien (misschien omdat ze op dit punt geen fysieke ‘ogen’ hebben die verblind kunnen raken).

Ondanks de ongewone openbaring van het licht, twijfelt geen van mijn informanten eraan dat het een wezen is, een wezen van licht. En niet alleen dat, het is bovendien een wezen met een duidelijk omlijnde persoonlijkheid. De liefde en warmte die dit wezen uitstraalt zijn niet onder woorden te brengen en de stervende mens wordt er geheel door omringd en vervuld; hij voelt zich in tegenwoordigheid van dit wezen volkomen op zijn gemak en erkend. Ook voelt hij een onweerstaanbare magnetische aantrekkingskracht tot dit licht. Hij wordt er onontkoombaar naar toe getrokken.

Terwijl bovenstaande beschrijving van het wezen van licht volslagen onveranderlijk is, blijkt de identificatie van het wezen van geval tot geval te verschillen; hetgeen grotendeels in verband schijnt te staan met de godsdienstige achtergrond, opleiding of overtuiging van de betrokken persoon. Zo identificeren de meeste mensen die naar geloof of opvoeding christenen zijn, het licht als Jezus en ze trekken soms vergelijkingen met de Bijbel ter ondersteuning van hun interpretatie. Een joodse man en vrouw identificeerden het licht als een ‘engel’.  Het is echter in beide gevallen duidelijk dat mijn informanten daarmee niet wilden aangeven dat het wezen vleugels had en op een harp speelde, of zelfs een menselijke gedaante had. Er was niets dan licht. Wat elk probeerde duidelijk te maken was, dat zij het wezen als een afgezant of als gids zagen.

Een man die voorafgaande aan zijn ervaring geen enkel geloof of godsdienstige opvoeding had gehad, identificeerde hetgeen hij zag eenvoudig als ‘een wezen van licht’. Dezelfde benaming werd gebruikt door een dame van het christelijke geloof, die zich desondanks blijkbaar geenszins genoopt voelde om het licht ‘Jezus’ te noemen.
Kort na verschijning neemt het wezen contact op met de stervende. Dit contact heeft dezelfde rechtstreekse aard als de al eerder beschreven gedachteovergang van iemand in een geestelijk lichaam. Want ook hier weren beweren mijn zegslieden dat het wezen geen stem, of ander geluid voortbrengt en dat ze het wezen ook geen hoorbaar antwoord gaven. Veeleer vindt er een rechtstreekse onbelemmerde overdracht van gedachten plaats; en wel op zo duidelijke wijze dat er geen enkele mogelijkheid bestaat om iets mis te verstaan, of om het licht om de tuin te leiden.

Hoewel deze onbelemmerde gedachtewisseling zelfs niet in de moedertaal van de betrokkene plaatsvindt, verstaat en begrijpt hij toch alles goed en onmiddellijk. Toch kan hij de uitwisseling van gedachten die tijdens zijn doodervaring plaats heeft gehad niet vertalen in de menselijke taal die hij nu, na weer tot het leven te zijn teruggekeerd, moet spreken. De volgende fase van de ervaring illustreert duidelijk de moeilijkheid deze ongesproken ‘taal’ te vertalen. Het wezen richt vrijwel onmiddellijk een zekere gedachte tot de stervende, een gedachte die mijn informanten persoonlijk als vraag formuleren. Tot de varianten die ik gehoord heb, behoren: ‘Ben je bereid te sterven?’ ‘Ben je gereed om te sterven?’ ‘Wat heb je in je leven gedaan dat je mij kunt laten zien?’ ‘Heb je iets in je leven gedaan dat je voldoening schenkt?’

Tussen twee haakjes, alle informanten beweren ten stelligste dat de vraag, hoe groot het effect ervan ook mag zijn, geenszins een veroordeling inhoudt. Het wezen stelt hun de vraag niet om hen te beschuldigen of te bedreigen, want ze voelen nog steeds de alomvattende liefde en erkenning die het uitstraalt, ongeacht hun antwoord. De vraag schijnt veeleer bedoeld te zijn om ze tot nadenken te stemmen. Het is, zo u wilt, een socratische vraag, niet gesteld om inlichtingen in te winnen, maar om de ondervraagde een duwtje te geven op de weg naar de waarheid. Laat ons eens kijken naar enkele ooggetuigenverslagen over dit wonderlijke wezen.

1:
Ik hoorde de artsen zeggen dat ik dood was en toen kreeg ik een gevoel alsof ik door een duisternis, een soort omsloten ruimte, tuimelde, of liever zweefde. Ik kan dit eigenlijk niet onder woorden brengen. Alles was in en in duister, op dat licht na, dat ik, heel in de verte, kon zien. Het was een schitterend licht, maar aanvankelijk niet groot. Het werd groter naarmate ik er dichterbij kwam. Ik probeerde bij dat licht aan het eind te komen, omdat ik voelde dat het Jezus was, en ik trachtte dat punt te bereiken. Het was geen angstwekkende ervaring, eerder min of meer plezierig, want omdat ik een christen ben, bracht ik dat licht onmiddellijk in verband met Jezus, die immers een gezegde heeft: ‘Ik ben het licht der wereld.’ Ik zei bij mezelf: Als dit het is, als ik nu ga sterven, dan weet ik wie er aan het einde, daar in dat licht, op me wacht.

2:
Ik stond op en liep de hal in om iets te drinken te halen en op dat ogenblik, zo bleek later, sprong mijn blindedarm. Ik voelde me reuzeslap worden en viel. Ik ervoer een zweverig gevoel, een bewegen van mijn ware wezen in en uit mijn lichaam en ook hoorde ik prachtige muziek. Ik zweefde de hal door en de deur uit, naar de afgeschutte veranda. Daar was het of wolken, of liever rozige nevels, me omhulden en ik zeefde recht door de schutting heen, eenvoudig alsof die er helemaal niet stond, naar boven, een zuiver, kristalhelder licht tegemoet, een wit licht. Het was prachtig en zo stralend, zo schitterend, maar toch deed het geen pijn aan mijn ogen. Het is niet het soort licht dat je in aardse termen kunt beschrijven. Ik heb niet werkelijk iemand gezien in dat licht en toch heeft het zeer zeker een bepaalde identiteit. Het is een licht, vol van volmaakte liefde en volmaakt begrip.
Ik ving de gedachte op: ‘Houd je van mij?’- niet precies in de vorm van een vraag, maar een opmerking met die strekking: ‘Als je van me houdt, ga dan terug, en maak af wat je in je leven begonnen bent.’ En al die tijd voelde ik me omringd door een overweldigende liefde en erbarmen.

3:
Ik wist dat ik ging sterven en dat ik daar niets tegen kon doen omdat niemand me kon horen. Ik was buiten mijn lichaam, dat staat vast, want ik kon het op de operatietafel zien liggen. Mijn ziel was eruit! Dat alles bezorgde me eerst een akelig gevoel, maar toen kwam dat licht, een heel helder licht. Eerst was het wat flauwtjes, maar het groeide aan tot een enorme lichtstraal. Ik zag niets dan licht, ongelooflijk veel licht. En het straalde warmte af – ik voelde me warm worden.
Het was fel geelwit van kleur, meer naar het witte toe. En het was ontzettend helder – ik kan het u niet beschrijven. Het scheen alles te bestralen en toch verblindde het me niet. Het belette me niet alles om me heen te zien: de operatiezaal, de artsen en verpleegsters, alles. Eerst wist ik niet wat me overkwam toen het licht verscheen, maar toen vroeg het me zo ongeveer of ik gereed was om te sterven. Het was alsof ik met iemand sprak, maar er was niemand. Het was het licht dat tegen me sprak, met een soort stem. Ik geloof wel dat het licht wist dat ik nog niet gereed was om te sterven; het wilde me gewoon op de proef stellen. Toch voelde ik me, vanaf het moment dat het me toesprak, reuze prettig – veilig, en bemind. De liefde die ervan uitging is gewoon onvoorstelbaar, onbeschrijflijk. Het was prettig gezelschap! En het had beslist gevoel voor humor!
R. A. M.

 

                                 BEZOEK AAN HET HIERNAMAALS.
De term bijnadoodervaring is eigenlijk te beperkt. Vele mensen beleven soortgelijke ervaringen zonder dat ze in een levensbedreigende situatie zijn. Bijvoorbeeld in een periode van veel verdriet door het overlijden van een geliefde.
Een vrouw kan het plotselinge overlijden van haar man niet kon verwerken. In haar wanhoop kon ze niet bedenken hoe ze verder moest leven zonder haar geliefde. Alles herinnerde haar aan de gestorvene, ze piekerde zich gek, en draaide in een kringetje rond.

Ze stelde zichzelf voortdurend dezelfde vragen: Waarom moest hij sterven? Waarom stierf hij, en moest zij verder leven? Waarom is het leven zo onrechtvaardig? Achteraf zag ze hoe ze zichzelf in die tijd ziek maakte. Door haar getob en gepieker legde ze te veel druk op het zenuwstelsel. Dat ging een tijdje goed, maar toen de weerstand van haar lichaam verminderde en ze deze neerwaartse spiraal niet kon doorbreken, bezweek ze. Ze vond geen kracht meer om door te gaan. En pas toen de nood het hoogst was, toen ze al haar eigen krachten had verbruikt, was de redding nabij.

Toen ze uiteindelijk oververmoeid in slaap viel, gebeurde er iets wat ze zelf niet had kunnen bedenken. In het leven van de geest kent men haar verdriet. Wanneer ze haar eigen krachten heeft verbruikt, kan haar geestelijke begeleider haar verder helpen. Hij kan door zijn sterke concentratie een uittreding tot stand brengen. Deze uittreding gebeurt dus niet door een lichamelijke schok of ziekte, zoals bijeen bijnadoodervaring, maar door de wilsconcentratie van een geestelijke begeleider.
Door de uittreding kan de gids haar naar de weide brengen, een verbindingssfeer tussen de Aarde en het hiernamaals. Haar geliefde is voordien reeds op de hoogte gebracht van haar komst. Deze nacht beleven ze het geluk van een tijdelijk weerzien, en kunnen ze enige tijd met elkaar doorbrengen. Nu ervaart ze dat haar geliefde niet dood is, maar springlevend.

Ze weet nu waar de reis straks naar toe gaat als haar aardse tijd afgelopen is.
Bij het ontwaken herinnert ze zich het nachtelijke weerzien als een intense droom. Het geluksgevoel vertelt haar dat haar geliefde leeft en gelukkig is. Hierdoor zal ze minder treuren, wat ook haar geliefde ten goede komt. Als ze in verdriet aan hem blijft denken, dan bereiken deze zware gedachten hem in het hiernamaals en belemmeren ze zijn voortgang.
 Door deze uittreding heeft de gids beide mensen geholpen om met nieuwe moed op weg te gaan, elk in hun eigen leven.
Wayti.

 

                                                 BIJNA-DOODERVARINGEN.
Tienduizenden mensen hebben een bijnadoodervaring gehad. deze ingrijpende ervaring veranderde hun kijk op leven en dood. Ze zeggen dat ze hierdoor een inzicht gekregen hebben in wat essentieel is voor hun leven.
Velen van hen verwoorden dit als onvoorwaardelijke liefde, het besef dat het enorm belangrijk is liefde en aandacht te geven aan de medemens en al het leven waarmee ze verbonden zijn.
Doordat ze hebben ervaren dat de dood eigenlijk niet bestaat, gaan ze anders leven: Geld, carrière en maatschappelijk aanzien vinden ze vaak minder belangrijk.

Velen beschouwen de ervaring als een gunst, een tweede kans om iets van hun leven te maken. Ze hebben ervaren dat het aardse lichamelijke bestaan slechts tijdelijk is, en dat het geestelijke bestaan de dood overleeft.
Velen herbeleven in een flits hun hele leven, waarbij ze helder voelen wanneer ze liefde hebben gegeven, maar ook welke kansen ze hebben laten liggen.
Ze vliegen door een donkere tunnel met aan het eind een helder, niet verblindend licht.
Ze treden uit hun lichaam, waarbij ze merken dat hun gedachten gewoon doorgaan; hun waarnemen, bewustzijn en gevoelens blijven hetzelfde. Wanneer ze hun stoffelijk lichaam zien liggen, beseffen ze pas dat ze voor de Aarde dood zijn.

Ze blijven verbonden met hun stoffelijk lichaam door een levenskoord. Zolang die verbinding tussen geest en lichaam niet verbroken is, kunnen ze nog terug in hun aardse lichaam als het hart weer begint te kloppen. Als dit koord gebroken is, kunnen ze niet meer terug. Dan heeft de reanimatie geen kans van slagen.
De uitgetreden mens ervaart dat zijn geestelijk lichaam niet gezien of gevoeld wordt. Hijzelf voelt zich echter niet anders dan op Aarde, zijn geestelijk lichaam lijkt op zijn stoffelijk lichaam, met dit verschil dat hij nu geen pijn meer voelt. Hierdoor kan hij helder denken en waarnemen.
Sommigen zien een wereld van ongelooflijke schoonheid. Ze spreken van prachtige landschappen, bloemen en schitterende kleuren. Ze horen hemelse muziek, mooier dan ze ooit op Aarde hebben gehoord. Dit alles staat in schril contrast met de stoffelijke wereld waar voor hun leven wordt gevochten.
Soms zien ze in de geestelijke wereld overleden familieleden en bekenden.
Maar dan wordt hun een grens getoond, die ze niet kunnen overgaan. Ze voelen dat het hun tijd nog niet is, dat ze op Aarde nog een taak hebben. Ze weten nu wel, dat wanneer ze de Aarde verlaten, ze afgehaald zullen worden door hun geliefden.

Wanneer het levenskoord hen terugtrekt in hun stoffelijk lichaam, vinden ze dit dikwijls moeilijk omdat ze opnieuw de pijn van het hartinfarct voelen, of de pijn van de ernstige ziekte. In eerste reactie zijn ze meestal niet blij dat ze terug moeten komen. In de andere wereld was het zo vredig en rustig.
In enkele minuten is hun gevoel over leven en dood compleet veranderd, hun geliefden op Aarde herkennen hen dikwijls niet meer terug. Tijdens de levensflits hebben ze ervaren dat elke handeling, elke daad, maar ook elke gedachte invloed heeft op hun omgeving en op henzelf. Hierdoor is voor hun gevoel onvoorwaardelijke liefde voor anderen en voor het leven essentieel geworden.
Wayti.
 


 


 

HOME.