BIJNA-DOODERVARINGEN WIJZEN OP
EINDELOZE
VERBONDENHEID.
CARDIOLOOG PIM VAN LOMMEL: ‘WE MOETEN LIEF ZIJN VOOR ONS ZELF, VOOR
ELKAAR EN VOOR DE NATUUR’.
Volgens onderzoeker Pim van Lommel zijn bijna-doodervaringen
te verklaren met onze verbondenheid met een non-lokaal bewustzijn, waarin tijd en
plaats er niet toe doen. In zijn bestseller Eindeloos Bewustzijn legt hij uit hoe
het werkt, en wat wij van het oneindige non-lokale bewustzijn kunnen leren.
In 2001
plaatste het gerenommeerde medisch tijdschrift The Lancet een artikel over het onderzoek
naar bijna-dood ervaringen van de Nederlandse cardioloog Pim van Lommel en zijn mede-onderzoekers
Ruud van Wees, Vincent Meyers en Ingrid Elfferich. De onderzoekers concludeerden
dat 18% van de 344 ondervraagde patiënten, die een hartstilstand hadden overleefd,
herinneringen had aan de tijd dat ze klinisch dood waren. In alle onderzochte gevallen
ging het om een prettige ervaring. Mensen voelden zich opgenomen in een onvoorwaardelijke
liefde, soms nadat ze hun eigen lichaam van buitenaf gezien hadden, een tunnel hadden
doorkruist of in contact waren gekomen met overleden bekenden. In de jaren die op
deze ‘bijna dood ervaring’ (BDE) volgden, ondergingen veel van deze mensen grote
persoonlijke veranderingen: ze waren bijvoorbeeld niet meer bang voor de dood, waren
veel intuïtiever geworden en hadden een veel grotere interesse in spiritualiteit.
Transcendente
theorie:
Was het aantonen van het hebben van herinneringen aan een tijd waarin de
hersenen levenloos zouden zijn nog niet controversieel genoeg, het onderzoeksteam
ging nog een stapje verder door te stellen dat hun bevindingen niet te verklaren
waren met puur fysieke verklaringen zoals zuurstoftekort. Volgens de onderzoeker
zetten de bijna-dood ervaringen het idee dat bewustzijn volledig afhankelijk is van
de hersenen op losse schroeven. Verder onderzoek, schreven ze, moet bij het zoeken
van een verklaring voor dergelijke ervaringen aandacht besteden aan de transcendente
theorie. Die stelt dat identiteit, kennis en emotie onafhankelijk van het bewusteloze
lichaam voorkomen en dat je ook zonder zintuigen kan waarnemen.
Met deze controversiële
voorstellen riepen Van Lommel en zijn medewerkers veel weerstand op vanuit de gevestigde
wetenschap. Sceptici noemden de cardioloog een kwakzalver. De mensen die zijn team
geïnterviewd had, zouden gemanipuleerd zijn geweest door de manier waarop de vragen
werden gesteld. Volgens de cardioloog is het onderzoek echter correct uitgevoerd.
Waren de onderzoeksmethoden omstreden geweest, redeneert hij, dan was hun artikel
nooit in zo’n gerenommeerd wetenschappelijk blad als The Lancet gepubliceerd.
Nieuwe
vorm wetenschap:
‘Wat de kerk in de zestiende eeuw tegenhield, is wat de materialistische
wetenschap nu tegenhoudt’, zegt hij zeven jaar later in zijn studeerkamer. ‘Instituten
hebben altijd hun eigen waarheid in pacht, en elk instituut wil overheersen.’ De
tegenstand zit niet in de religie, maar in de kerk, en niet in de wetenschap maar
in de universiteiten en de onderzoeksinstituten. Echte wetenschap laat zich echter
niet belemmeren door vooroordelen, zegt hij, maar staat open voor nieuwe suggesties.
Dat is het soort wetenschap at hij wil bevorderen. ‘De materiële visie heeft ontzettend
veel opgeleverd’, zegt Van Lommel, ‘maar ze is niet de enige. Ik zie het als mijn
taak een andere vorm van wetenschap aan te moedigen: een wetenschap die openstaat
voor afwijkende ideeën, die zich niet laat beperken tot materialistische verklaringen.
Om
dat te bereiken reist Van Lommel de wereld af om lezingen te geven aan studenten,
zorgverleners, wetenschappers en mensen die zelf bijna-dood ervaringen hadden. Ook
het grote publiek smult van zijn werk: zijn boek Eindeloos Bewustzijn is sinds het
verschijnen in november 2007 in Nederland al vele malen herdrukt en wordt voor diverse
landen vertaald.
Non-lokaal bewustzijn:
In zijn bestseller beschrijft de onderzoeker
het ‘non-lokaal bewustzijn’, een fenomeen dat teruggrijpt op begrippen uit de kwantumfysica.
Daaruit stamt het idee dat er behalve de tijd- en plaatsgebonden ruimte die wij kennen,
ook een ‘non-lokale’ ruimte is waarin materie geen vaste meetbare eigenschappen heeft,
maar golven van waarschijnlijkheden. Via ons lichaam en onze zintuigen reduceren
wij dit golfaspect tot een tijd en plaatsgebonden ‘deeltje’, dat ons in staat stelt
sinaasappels, dekbedden en vazen te herkennen, maar ook gezichten, mensen en emoties.
Het bewustzijn dat we daarmee dagelijks ervaren, is echter maar een klein deel van
het ‘oneindige bewustzijn’, waarin alles ligt verankerd wat in ons hele universum
ooit kon, kan of zal kunnen: mogelijkheden en ervaringen, maar ook emoties, gedachten
en materie.
‘Bij een hartstilstand stopt door het optredende zuurstoftekort tijdelijk
de functie van de hersenen, waardoor (….) de interface tussen ons bewustzijn en ons
fysieke lichaam, wordt onderbroken’, schrijft Van Lommel in Eindeloos Bewustzijn,
‘zo ontstaat de mogelijkheid het oneindig en verruimd bewustzijn buiten het lichaam
te ervaren (het golfaspect van het bewustzijn), en dit is wat een BDE wordt genoemd’.
Een hartstilstand is niet de enige manier om een bijna-dood ervaring te ervaren,
schrijft de onderzoeker. Uit andere onderzoeken blijkt dat ze zich niet alleen kunnen
voordoen tijdens situaties waarbij de patiënt al hersendood is, maar bijvoorbeeld
ook tijdens diepe meditatie.
De tijdelijke toegang tot een oneindige bron van informatie
verklaart bijvoorbeeld waarom mensen tijdens hun BDE hun biologische vader kunnen
herkennen, terwijl ze bij leven nooit wisten geadopteerd te zijn. Of waarom ze overleden
broers of zussen ontmoeten, waarvan ze het bestaan nooit vermoed hebben. Opvallend
genoeg manifesteren deze figuren zich vaak niet zoals op de leeftijd waarop ze overleden
zijn, maar bijvoorbeeld als tiener of dertiger. Ouderen zijn jonger geworden, en
kinderen zijn opgegroeid. In Van Lommels anekdoten zijn zij vaak degenen die de BDE’er
op zijn of haar tocht bijstaan met advies rondom de keus door te gaan en een onomkeerbare
grens te passeren, of terug te keren naar het wereldlijk bestaan. Veel van de respondenten
keren terug met het gevoel nog een bepaalde taak te moeten vervullen. Wie hen die
taak stelt, blijft onduidelijk.
Levensfilm:
Een ander aspect van non-lokaal bewustzijn
is de intensieve verbondenheid met gevoelens en gedachten van anderen, terwijl de
eigen identiteit volgens Van Lommel wel heel duidelijk blijft bestaan. Tijdens een
uittreding uit het lichaam ziet de patiënt bijvoorbeeld niet alleen alle aanwezige
personen in de operatiekamer en de omliggende ruimten, maar ervaart hij ook al hun
gevoelens en kent hij al hun gedachten.
Door zich te concentreren op een bepaalde
plaats of een persoon, is hij daar direct in verplaatst. Muren en andere obstakels
staan daarbij niet in de weg, zoals tijdens een lichamelijke ervaring. Vaak verplaatsen
BDE’ers zich door het dak en een zandloperachtige ‘tunnel’ naar een niet-werkelijke
omgeving.
Een deel van de respondenten zegt tijdens hun BDE een soort levensfilm te
hebben gezien.
Niet alleen doorlopen ze in korte tijd een aantal ervaringen die ze
tijdens hun leven opdeden, ze zien soms ook wat hun reactie bij anderen teweeg bracht
en wat er gebeurd zou zijn als ze anders gereageerd hadden. Het wordt hun duidelijk
hoe alles met elkaar is verbonden. Hoewel andere onderzoeken wel BDE’s met angstige
ervaringen rapporteren, melden de respondenten in Van Lommels onderzoek alleen positieve
ervaringen. Het inzicht in hun levensloop ging niet gepaard met verwijten, maar met
inzicht. In de onwereldlijke omgeving werden ze niet veroordeeld voor de dingen die
ze anderen hadden aangedaan, maar voelden ze zich opgenomen in een onvoorwaardelijke
liefde.
Ondanks de pijn en de teleurstelling die hen vaak wachtte na hun terugkeer
in ons dagelijks bestaan, zeggen ze de kleine dingen van alledag achteraf meer te
waarderen dan mensen die geen BDE rapporteerden. Ook na hun herstel, blijven ze vaak
veel intuïtiever. Deze verhoogde gevoeligheid kan tot grote sociale problemen leiden.
Daar komt bij dat veel van hen de materiële standaarden van onze maatschappij na
hun BDE verwaarlozen.
Verbondenheid:
Het non-lokaal bewustzijn verklaart volgens Van
Lommel niet alleen veel aspecten van een bijna-dood ervaring, maar ook andere onverklaarbare
zaken als sterfbedvisioenen, helderziendheid, telepathie en telekinese. Er zijn Chinese
experimenten bekend waarbij hoogspirituelen erin slaagden insecten en kleine radio’s
ongeschonden door materiële wanden en deksels heen te verplaatsen. De Amerikaanse
inlichtingendienst CIA zou een imponerende hoeveelheid onderzoek op het gebied van
helderziendheid in huis hebben, dat hen moet helpen bij het op afstand bespioneren
van vijandelijke troepen.
Van Lommel haalt een aantal voorbeelden aan die suggereren
dat wij ook in ons dagelijks wereldse bestaan veel sterker verbonden zijn, dan we
zelf vaak denken. Zo bleken de witte bloedlichaampjes in het bloed van een Amerikaanse
oorlogsveteraan in een kweekmedium in een laboratorium op 12 kilometer afstand nog
simultaan te veranderen met de geestelijke toestand van de man zelf. Terwijl de veteraan
door het kijken naar een film herinnerd werd aan de Japanse dreiging, veranderde
zijn huidweerstand, en op datzelfde moment veranderde ook de ‘weerstand’ tussen zijn
witte bloedlichaampjes op 12 kilometer afstand.
Ook de herinneringen die orgaanontvangers
soms krijgen aan het leven van hun donor, suggereert dat niet alleen onze hersenen,
maar alle delen van ons lichaam met ons bewustzijn in contact staan. Het mag dan
ook niet verbazen dat genetisch verwante familieleden onderling vaak beter niet-zintuigelijk
kunnen communiceren dan mensen die weinig met elkaar te maken hebben.
Zulke effecten
worden niet alleen gezien in en tussen mensen, maar ook in de rest van de natuur.
Sinds 1982 hebben verschillende proeven op het gebied van de natuurwetenschappelijke
kwantumfysica aangetoond dat losse microdeeltjes uit dezelfde bron, zo ‘verstrengeld’
zijn dat ze elkaar zelfs op grote afstand nog onmiddellijk beïnvloeden. Zelfs kleine
deeltjes licht in glasvezelkabels die zich op vijftig kilometer afstand van elkaar
bevinden, vertonen nog parallel gedrag.
Aboriginals:
Die verbondenheid mag voor de
verrationaliseerde, geïndividualiseerde Westerlingen dan heel opzienbarend lijken,
voor andere culturen is het dagelijkse kost. “Voor Aboriginals is het doodnormaal
dat ze over grote afstanden nog met elkaar kunnen communiceren’’, zegt de schrijver.
“Wij hebben daar mobieltjes voor nodig, maar zij weten het gewoon als ze ver weg
op jacht zijn en er is iets aan de hand in hun dorp. Ze draaien zich om en lopen
terug, soms honderden kilometers.” Veel niet-Westerse samenlevingen kennen niet alleen
een veel sterkere gemeenschapszin, ze communiceren ook veel bewuster met de overledenen,
de natuur en de kosmologie in hun directe leefomgeving.
Toch hoef je niet ver te reizen
om mensen te ontmoeten die van nature veel meer contact hebben met het non-lokaal
bewustzijn, zegt Van Lommel. Kinderen tot zes jaar staan er sowieso nog voor open;
zij moeten nog leren zich te beperken tot de zintuiglijke waarneming waarop ons materiële
wereldbeeld gestoeld is. Door hun reactie op de veelheid aan invloeden die ze daardoor
binnen krijgen, worden ze nog al eens ten onrechte gediagnosticeerd met een ziekte
als ADHD, vreest de onderzoeker.
Ook binnen het onderzoek naar bijna-doodervaringen
nemen kinderen een speciale plaats in: uit diverse studies blijkt dat mensen vaker
een BE rapporteren naarmate ze jonger zijn. Meldde slechts 18% van Van Lommels vaak
gepensioneerde hartinfarctpatiënten een BDE, bij studies met kinderen loopt dat percentage
op tot 85%.
‘Newton was een mysticus’.
Heel nieuw lijkt de theorie rondom het non-lokaal
bewustzijn niet. In Eindeloos Bewustzijn presenteert Van Lommel een tekening waarop
de zeventiende eeuwse Engelse arts-filosoof Robert Fludd al aangeeft hoe het menselijk
lichaam in contact zou staan met ‘externe’ zaken als dromen, herinneringen, emoties
en God. Ook bijna-dood ervaringen lijken niet nieuw: schilderijen van de 15e eeuwse
Jeroen Bosch tonen de veelbesproken tunnel van licht, en Dante’s dertiende eeuwse
beschrijving in de Goddelijke Komedie doen verdacht veel denken aan e rapportages
van BDE’ers.
Het lijkt erop dat wij in West-Europa een deel van onze kennis vergeten
zijn, denkt Van Lommel. ‘Waarschijnlijk heeft Descartes’ voorgestelde scheiding van
lichaam en geest bijgedragen aan het geloof dat wat je niet kan meten en zien, ook
niet bestaat.’ Toch waren er in die tijd ook veel mensen die wel oog hadden voor
buitenzintuiglijke waarnemingen. Beroemde componisten als Mozart en Brahms gaven
bijvoorbeeld herhaaldelijk aan dat ze het idee hadden dat ze de muziek niet zelf
componeerden, maar enkel noteerden wat in hun hoofd opkwam. Hun verbondenheid met
het non-lokaal bewustzijn zou verklaren waarom zulke genieën hun ideeën vaak als
plotselinge ingevingen ervaren.
Ook de gerenommeerde wetenschappers die wij nog steeds
eren vanwege hen baanbrekende ideeën, hadden volgens Van Lommel vaak meer oog voor
non-materiële zaken dan wij ons tegenwoordig realiseren. ‘Newton was een mysticus,
maar dat weet bijna niemand’, zegt de onderzoeker. ‘Toch is die conclusie onvermijdelijk
als je zijn theorieën goed doordenkt. Ook uit zijn persoonlijke correspondentie blijkt
dat: hij schreef bijvoorbeeld dat de zwaartekracht in het hele universum werkte,
en dat er een soort medium of ‘ether’ was waardoor alles wordt doorgegeven.’
De materiële
wetenschap mag zich dan beperken tot de zintuiglijke, meetbare waarnemingen waar
we als mens toe in staat zijn, uiteenlopende ‘gnostische’ stromingen als het soefisme
en antroposofie stellen zich al tijden vragen over zaken als het non-lokaal bewustzijn.
Maar ook de materialistische wetenschappers zelf willen vaak meer weten dan ze met
hun beperkte meetinstrumenten kunnen achterhalen. N plaats van hun zoektocht met
andere middelen voort te zetten, vreest Van Lommel, maken ze dan vaak de fout zich
over te geven aan de verleidingen van de overinterpretatie.
‘In mijn boek wijs ik
er herhaaldelijk op dat gedragspatronen niets zeggen over denken en voelen’, zegt
de onderzoeker. Hersenonderzoek mag dan kunnen aantonen welke hersengebieden actief
zijn bij op bepaalde prikkelingen, het zegt niets over de inhoud van de resulterende
gedachten of het gepaard gaande gevoel. Toch leggen sommigen van zijn collegae soms
verbanden in die richting. Als zulke conclusies al iets aantonen, suggereert Van
Lommel, dan is het dat de onderzoeker meer wil weten dan zijn apparatuur kan aantonen.
Een
kritiek punt in Van Lommels conclusie dat het bewustzijn onafhankelijk van de hersenen
voorkomt, is de vraag of onze huidige apparatuur wel in staat is alle hersenactiviteit
te meten. Als dat niet zo is, hoeft de diagnose ‘hersendood’ volgens de machine niet
per se te betekenen dat de hersenen ook echt volledig non-actief zijn. In zijn Eindeloos
Bewustzijn legt de cardioloog uit dat het mogelijk is dat hersencellen in kritieke
situaties als zuurstofgebrek overschakelen op een soort onmeetbare waakvlamtoestand,
waaruit ze binnen een bepaalde tijd weer kunnen herstellen. Onder normale omstandigheden
bedraagt die tijd zo’n vijf tot tien minuten, maar als het hoofd wordt onderkoeld
kan die periode worden opgerekt tot een half uur. Toch wordt deze techniek in Nederland
nauwelijks toegepast.
‘Dood’:
‘Dood’ mag dan klinken als een definitief begrip, in
praktijk hangt de vaststelling of iemand dood is of leeft, sterk af van de gehanteerde
definities. Als adviseur van de Stichting Bezinning Orgaandonatie benadrukt Van Lommel
dat mensen die al ‘hersendood’ verklaard zijn, nog steeds kinderen kunnen baren en
narcose nodig hebben voordat ze geopereerd kunnen worden, bijvoorbeeld om organen
voor donatie uit het verder nog levende lichaam te halen. De hersenactiviteit mag
dan onmeetbaar zijn, zonder narcose geeft de rest van het lichaam nog afweerreflexen
die het mes van de chirurg tegenhouden.
Zelfs nadat de hersenen klinisch dood zijn,
kunnen er dagen overheen gaan voordat de rest van het lichaam ook sterft. Weefsels
als hoornvlies kunnen nog gebruikt worden als het lichaam volledig gestorven is,
zegt Van Lommel, maar de organen moet snel na het uitroepen van de hersendood verwijderd
worden. Het verwijderen van organen draagt daarmee bij aan het versnellen van het
sterfproces, terwijl de eerste stadia daarvan veel minder onomkeerbaar blijken dan
we vaak enken.
De onderzoeker hoorde veelvuldig verhalen van mensen die tijdens de
schijnbaar bewusteloze periode duidelijk waarnamen dat de artsen hun reanimatiepogingen
wilden staken, of nabestaanden vroegen of ze de stekker eruit moesten trekken. Uit
alle macht wilden ze hen duidelijk maken dat ze nog niet dood waren of wilden, maar
met hun hersendode lichaam konden ze dat niet duidelijk maken. Opvallend is dat veel
van de details die ze later vertellen, controleerbaar zijn en vaak blijken te kloppen.
Zo kon één van Van Lommels respondenten de verpleging na reanimatie feilloos vertellen
waar ze zijn verloren gewaande kunstgebit tijdens de reanimatie hadden neergelegd.
Elitair
Onderzoek:
Het zijn fenomenen waar de man op straat vaak heel geïnteresseerd in is,
denkt Van Lommel, maar waarnaar een groot deel van de wetenschap geen oren heeft.
De reacties van zijn oud-collega’s in ziekenhuis Rijnstate, waar hij tot zijn pensionering
werkte als cardioloog waren dan ook gemixt. ‘Hoewel ook een deel van de artsen openstond
voor mijn bevindingen over bijna-dood ervaringen staat de verpleging er wat dichterbij
dan de artsen’.
‘De Engelse bioloog Rupert Sheldrake zei het al: “Als 4 procent van
het geld voor onderzoek gestoken zou worden in onderzoek dat aangedragen wordt door
de man op straat, zou de wetenschap een stuk verder zijn”, zegt Van Lommel. Het beschikbare
geld wordt echter verdeeld door politici, wetenschappers en grote bedrijven, die
heel andere belangen en interesses hebben dan de doorsnee burger. Geld voor onderzoek
naar ‘onmeetbare’ zaken zoals BDE of het non-lokaal bewustzijn is er nauwelijks,
behalve van geïnteresseerde particulieren. Ook hun eigen onderzoek moest het doen
zonder enige financiële ondersteuning vanuit de officiële instanties.
Hoewel Eindeloos
Bewustzijn veel interessante bevindingen noemt die Van Lommels theorie over het non-lokaal
bewustzijn lijken te steunen, blijft het vaak bij incidenten. Tijdens hun eigen onderzoek
probeerde het team verslagen van buitenlichamelijke ervaringen te controleren door
de reanimatieruimtes te voorzien van een teken op een plaats die vanuit de normale
lichamelijke posities niet te zien was. Geen van de patiënten meldde het teken tijdens
hun uittreding gezien te hebben, hoewel de genoemde meneer met het kunstgebit wel
andere controleerbare herinneringen meldde. Behalve de plaats waar de verpleging
het gebit had opgeborgen, kon hij ook vertellen waarover het medisch team tijdens
zijn ‘hersendode’ periode gepraat had. Hoewel dat soort dingen vaker voorkomen, zijn
bruikbare statistieken daarover vaan niet voor handen.
Subjectiviteit als verrijking:
Het
is jammer dat de wetenschap zich zo vaak beperkt tot de ‘objectief’ waarneembare
werkelijkheid, denkt Van Lommel, terwijl de subjectiviteit juist als verrijking kan
dienen. Dat die beperking niet noodzakelijk is om grote successen te boeken, bewijst
bijvoorbeeld de Chinese geneeskunst. Daarin wordt de mens niet beschouwd als een
verzameling losse lichamelijke onderdelen, maar als een wezen in context, inclusief
energiebanen en zijn of haar persoonlijke omgeving.
Dat veel Westerse collega-artsen
en wetenschappers moeite hebben met de verklaringen waarop zulke methoden berusten,
kan hij goed begrijpen. ‘Vroeger had ik ook moeite met dit soort dingen. Op school
worden we grootgebracht met het geloof dat wat je niet kan meten, ook niet bestaat.’
Toch is het na jaren vooruitgang op technisch gebied, volgens hem tijd om ook te
gaan kijken naar de mens in al zijn verbondenheid: met materiële dingen, maar ook
met de niet-waarneembare zaken die ons voortdurend beïnvloeden, zonder dat we het
per se zelf weten.
De levensveranderingen die mensen na een BDE rapporteren, concludeert
Van Lommel in Eindeloos Bewustzijn, ‘komen vooral voort uit het inzicht dat liefde
en aandacht voor zichzelf, anderen en de natuur belangrijke levensvoorwaarden zijn’.
Het is een veranderd bewustzijn dat als het aan hem ligt niet beperkt moet blijven
tot de mensen die een bijna-dood ervaring hadden, maar ons allemaal kan veranderen.
Zolang we denken dat alles ophoudt met de dood, schrijft hij, hebben we de neiging
te investeren in het tijdelijke, het materiële. Het bewustzijn dat het leven niet
ophoudt met de dood, motiveert ons ook om aan de toekomst van het milieu en onze
kleinkinderen te denken. ‘We moeten lief zijn voor ons zelf, voor elkaar en voor
de natuur’, stelt de onderzoeker. Daarmee verbeteren we niet alleen de wereld, we
houden onszelf ook gezonder.
K. J.
‘ALLES WAT IK MEEMAAKTE WAS ZO VERRUKKELIJK,
EN ONBESCHRIJFELIJK’
In een vorig artikel
plaatsten wij een schrijven over cardioloog Piet van Lommel Eindeloos Bewustzijn.
Nu een artikel van de Amerikaanse psychiater Raymond A. Moody genaamd: Leven na dit
Leven: ‘Moody’s baanbrekende werk is de aanzet geweest voor al het wetenschappelijk
onderzoek dat later wereldwijd van de grond is gekomen. Zonder zijn stimulerende
bijdrage zouden de mensen die een bijna-doodervaring hebben meegemaakt, nooit de
herkenning en de erkenning hebben ervaren die hen tegenwoordig steeds meer ten deel
valt. Al moet worden erkend dat vanuit de reguliere wetenschap er nog steeds een
uiterste terughoudendheid wordt betracht om de in hun ogen vergaande conclusies van
Moody te accepteren.
Nu volgen een aantal fragmenten uit het boek Leven na dit Leven,
te beginnen met passages uit vijf vraaggesprekken met mensen die een bijna-doodervaring
meemaakten.
1:
Ik verloor in een bocht de macht over het stuur, waarop mijn auto van
de weg afraakte en de lucht in schoot. Ik herinner me dat ik de blauwe lucht zag
en ook zag ik dat de auto recht op een greppel afvloog. ‘Ik verongelukte’, zei ik
bij mezelf, en daarna verloor ik zo’n beetje elk gevoel van tijd en ook het contact
met mijn lichaam. Mijn wezen of mijn geest, of hoe u het ook maar noemen wilt, steeg
als het ware door mijn heen op naar buiten. Dat ging volstrekt niet met pijn gepaard,
het steeg gewoon, tot het boven mijn hoofd hing.
Het was of mijn wezen een zekere
dichtheid had, niet die van een vast lichaam, meer zoiets als van, tja, ik weet niet,
van trillingen of zo, alsof het elektrisch geladen was. In elk geval had het iets.
Het was klein, zo’n beetje rond, zonder duidelijke contouren. Je zou het met een
wolk kunnen vergelijken. Het leek wel alsof het een eigen omhulsel had. Toen het
mijn lichaam verliet, scheen een groot uiteinde het eerst te ontsnappen en het kleine
eindje het laatst. Het was een heel licht gevoel. Op mijn (stoffelijke) lichaam werd
geen enkele druk uitgeoefend; daar stond het gevoel volkomen los van. Mijn lichaam
was gewichtloos.
Wat me gedurende mijn ervaring het meest trof, was het moment waarop
mijn wezen boven mijn voorhoofd zweefde, haast alsof het trachtte uit te maken of
het nu weg zou gaan of blijven. Het leek wel alsof de tijd stilstond. De eerste en
de laatste fase van het ongeluk verliepen heel snel, maar de periode daartussenin,
toen mijn wezen boven me hing en de auto over de dijk vloog, leek eindeloos te duren.
En in die tijd maakte ik me nauwelijks druk om de auto, of om het ongeluk, of om
mijn eigen lichaam – ik werd geheel en al in beslag genomen door mijn geest. Mijn
wezen had geen stoffelijke kenmerken en toch moet ik het in stoffelijke bewoordingen
beschrijven.
Maar al doe ik dat op nog zo veel manieren, met nog zo veel woorden,
dan nog sla ik de plank volkomen mis. Het valt zo ontzettend moeilijk te beschrijven.
Uiteindelijk raakte de auto dan toch de grond en hij kantelde, maar ik liep als enige
verwonding een verrekte nek op en een gekneusde voet.
2:
Toen ik mijn lichaam verliet,
was het alsof ik ergens anders inging; ik ging niet in het ‘niets’ op. Ik bevond
me in een ander lichaam, maar geen normaal menselijk lichaam. Anders, maar ook weer
geen grote klomp materie. Het had een vorm, maar geen kleuren. En ik weet dat ik
nog steeds iets als handen had. Ik kan het niet beschrijven.
Ik werd dermate geboeid
door alles om me heen – het zien van mijn eigen lichaam – en zo dat ik niet nadacht
over het soort lichaam waar ik in terecht was gekomen. En het ging allemaal zo vlug!
Tijd scheen geen werkelijke factor te zijn, maar was dat eigenlijk wel. Alles schijnt
sneller te gaan als je buiten je lichaam bent.
3:
Ik herinner me dat ik naar de operatiezaal
werd gereden; de volgende paar uren waren kritiek. In die periode verliet ik herhaalde
malen mijn stoffelijke lichaam en dan kon ik het rechtstreeks daarboven zien. Toch
bevond ik me nog steeds in een lichaam – geen stoffelijk lichaam, maar iets wat ik
het best kan beschrijven als een krachtveld. Als ik het nader moet omschrijven, zou
ik zeggen dat het doorschijnend was, onstoffelijk in tegenstelling tot een stoffelijk
wezen. Toch bestond het pertinent uit verschillende onderdelen.
4:
Toen mijn hart stilstond,
voelde ik me alsof ik in een ronde bol was, bijna alsof ik deel uitmaakte van een
planetenstelsel. Ik kan het gewoon niet onder woorden brengen.
5:
Ik bevond me buiten
mijn lichaam en keek ernaar vanaf ongeveer tien meter afstand, maar ik dacht nog
steeds, net als in het stoffelijke leven. En ik dacht vanuit wat ongeveer mijn normale
lichaamslengte is. Ik bevond met niet in een lichaam als zodanig. Ik voelde wel iets,
een soort capsule, in een doorzichtige vorm. Ik kon het niet waarnemen; het leek
transparant, maar dat was het eigenlijk toch ook weer niet. Ik was er gewoon – als
energie misschien, een bolletje energie. En ik was me werkelijk geen enkel lichamelijk
gevoel bewust, zoals temperatuur of iets dergelijks.
Ook anderen hebben in hun verslagen
gewag gemaakt van de gelijkenis van vorm tussen hun stoffelijke en hun nieuwe lichaam.
Een vrouw vertelde me dat ze, terwijl ze zich buiten haar stoffelijk lichaam bevond,
nog steeds een volledige lichaamsvorm voelde. ‘Benen, armen, alles, en toch was ik
tegelijkertijd gewichtloos.’
een dame die de opwekkingspogingen van haar lichaam gadesloeg
vanuit een positie vlak, onder het plafond zegt: ‘Ik bevond me nog steeds in een
lichaam, een uitgestrekt lichaam en ik keek naar beneden. Ik bewoog mijn benen en
merkte dat het ene warmer aanvoelde dan de andere.’
Behalve dat je je in deze geestrijke
toestand ongehinderd kunt bewegen, kun je ook ongehinderd denken, herinneren sommigen
zich. Herhaalde malen hebben informanten mij verteld, dat ze, als ze eenmaal aan
hun nieuwe situatie gewend waren, helderder en sneller dachten dan tijdens hun stoffelijk
bestaan. Zo vertelde een man me:
Dingen die nu niet mogelijk zijn, zijn het dan wel.
Het prettige is, dat je heel helder van geest bent. Mijn geest werkte al mijn indrukken
in één keer voor me uit, zonder nog eens terug te hoeven grijpen. Zo kreeg alles
wat ik ervoer direct een wezenlijke betekenis voor me.
Het waarnemingsvermogen binnen
het nieuwe lichaam is in zekere zin gelijk, in zekere zin ongelijk aan dat binnen
het stoffelijke lichaam. In bepaalde opzichten kent het geestelijke lichaam meer
beperkingen. Zoals we zagen in kinesthesie als zodanig afwezig. In enkele gevallen
hebben mensen me verteld dat ze geen temperatuur voelden, terwijl meestal gevoelens
van behaaglijke ‘warmte’ worden gemeld. Geuren of smaken zijn voor zover ik weet
door geen van de ondervraagden in onstoffelijke toestand waargenomen.
Aan de andere
kant zijn de zintuigen die overeenkomen met het fysieke gehoor- en gezichtsvermogen,
in het geestelijke lichaam zeer zeker intact; ze schijnen zelfs scherper en volmaakter
te zijn dan in het stoffelijke leven. Zo zegt een man dat zijn gezichtsvermogen tijdens
zijn ‘dood’, ongelooflijk veel scherper was; in zijn eigen woorden: ‘Ik kan gewoonweg
niet begrijpen hoe ik zo ver heb kunnen zien.’
En een vrouw zegt erover: ‘Het was
alsof dat geestelijke zintuig geen grenzen kende, alsof ik overal naar toe kon kijken
en alles zou kunnen zien.’ Dit verschijnsel wordt heel levendig beschreven in het
nu volgende gedeelte van een vraaggesprek met een vrouw die zich na een ongeval buiten
haar lichaam bevond:
Er was een drukte van jewelste en allerlei mensen liepen af en
aan. Telkens als ik naar iemand keek omdat ik me afvroeg wat zijn of haar gedachten
waren, was het net alsof ik door een zoomlens keek. Ik zag zo iemand dan van vlakbij,
terwijl mijn ‘geest’ zich in feite nog steeds op dezelfde plaats bevond, enkele meters
van mijn lichaam vandaan. Als ik iemand in de verte wilde zien, was het alsof er
een gedeelte van mij naar die persoon toe ging. En het kwam mij toen voor dat ik
op die manier alles kon zien wat er in de wereld gebeurde.
Het ‘geestelijke’ gehoor
kan kennelijk alleen naar analogie zo genoemd worden: de meesten zeggen dat ze gen
werkelijke fysieke stemmen of geluiden horen. Ze schijnen veeleer de gedachten van
de hen omringende personen op te vangen en zoals we later zullen zien, kan een dergelijke
rechtstreekse gedachteoverdracht een belangrijke rol spelen in een latere stadia
van een doodervaring.
Een dame stelde het zo:
Ik zag overal om me heen mensen en ik
begreep wat ze zeiden. Ik hoorde ze niet zoals ik u nu hoor. Het was meer alsof ik
precies wist wat ze dachten, maar alleen in mijn geest, niet in hun eigen woorden.
Een seconde voor ze hun mond opendeden om te spreken, ving ik de boodschap op.
Ten
slotte blijkt, op grond van een uniek en zeer interessant verslag, dat zelfs zeer
ernstige lichamelijke verwondingen geenszins een ongunstige invloed hebben op het
geestelijke lichaam. De man die me dit verslag deed, raakte bij een ongeluk dat zijn
klinische dood tot gevolg had, het grootste gedeelte van zijn been kwijt. Dit merkte
hij direct, omdat hij op enige afstand zijn gehavend lichaam, onder behandeling van
een dokter, duidelijk waarnam. Doch terwijl hij zich buiten zijn lichaam bevond:
Ik
kon mijn lichaam voelen en dat was puntgaaf. Dat weet ik zeker. Ik voelde me gaaf,
en helemaal heel, hoewel dat dus niet zo was.
Iemand die zich buiten zijn lichaam
bevindt, is afgesneden van de rest van de wereld. Hij kan andere mensen zien en hun
gedachten volledig begrijpen, maar zij op hun beurt kunnen hem niet zien en niet
horen. Alle contact met andere menselijke wezens wordt radicaal verbroken, zelfs
het contact door aanraking, aangezien een geestelijk lichaam geen vastheid heeft.
Daarom is het niet verwonderlijk dat zo iemand zich, na een tijdje in deze toestand
verkeerd te hebben, eenzaam en buitengesloten begint te voelen. Een man vertelde
me, dat hoewel hij in het ziekenhuis allerlei mensen om zich heen had – artsen, verpleegsters
en andere leden van de staf – elk contact hoe dan ook onmogelijk bleek, en dus zegt
hij: ‘Ik voelde me hopeloos alleen.’ Ook vele anderen hebben me de intense gevoelens
van eenzaamheid beschreven waarmee ze in dit stadium te kampen hadden.
Alles wat ik
zag en meemaakte was zo verrukkelijk, maar ook zo onbeschrijfelijk! Ik wilde dat
anderen het samen met mij ook zagen, want ik had het gevoel dat ik nooit in staat
zou zijn iemand te beschrijven wat ik zag. Ik voelde me eenzaam omdat er niemand
bij me was die dit alles samen met mij kon ervaren, maar ik besefte tegelijkertijd
heel goed, dat er niemand anders bij kon zijn, omdat ik me in een heel eigen wereldje
bevond. Dat maakte me echt neerslachtig.
Een ander zegt:
Ik was niet in staat om dingen
aan te raken, niet in staat om te communiceren met de mensen om mij heen. Dat gaf
me een vreselijk eenzaam gevoel, een gevoel van een volledig isolement. Ik besefte
dat ik helemaal alleen was, helemaal op mezelf.
Weer een ander vertelt:
Ik was alleen
maar verbaasd. Ik kon niet geloven dat het werkelijk gebeurde. Ik was helemaal niet
bezorgd of van streek, in de geest van ‘hemeltje, nu ben ik dood en nu blijven mijn
ouders alleen achter, en wat zullen ze verdrietig zijn, en nu zal ik ze nooit meer
zien.’ Dergelijke gedachten kwamen in de verste verte niet bij me op.
Wel was ik er
voortdurend van doordrongen dat ik alleen was, heel alleen – bijna alsof ik een bezoeker
van een andere planeet was. Het was alsof alle banden waren doorgesneden.
Ja, alsof
er helemaal geen liefde was. Alles was zo technisch.
Onbegrijpelijk.
De gevoelens van
eenzaamheid verdwijnen echter naarmate de stervende dieper in zijn ‘dood’-ervaring
raakt, want op een gegeven moment komen er anderen naar hem toe om hem in zijn overgang
bij te staan. Deze kunnen de vorm aannemen van andere geesten, vaak die van overleden
familieleden of vrienden van de stervende. In een groter aantal gevallen verschijnt
echter een geestelijk wezen van een heel andere aard. In de volgende stukken zullen
we nader ingaan op dergelijke ontmoetingen.
Verschillende mensen hebben me verteld
dat ze op een bepaald punt in hun doodervaring – soms in het begin, soms pas nadat
andere gebeurtenissen hadden plaatsgevonden – andere geestelijke wezens in hun omgeving
gewaar werden, wezens die kennelijk aanwezig waren om hen de overgang naar de dood
gemakkelijk te maken, of, in twee gevallen, om te vertellen dat het hun tijd nog
niet was om te sterven en dat ze in hun stoffelijke lichaam moesten terugkeren.
Ik
heb dit ervaren toen ik een kind baarde. Het was een zware bevalling, waarbij ik
heel veel bloed verloor. De dokter gaf me op en vertelde mijn familie dat ik stervende
was. Maar ik was door de hele .bevalling heen heel helder van geest en precies op
het moment dat ik hem dit hoorde zeggen, voelde ik hoe ik bijkwam. Toen dat gebeurde
besefte ik dat er allemaal mensen langs de zoldering zweefden, een enorm aantal naar
het scheen. Het waren allemaal menen die ik in het verleden had gekend, maar die
reeds overleden waren. Ik herkende mijn grootmoeder en een schoolvriendinnetje en
vele andere familieleden en vrienden. Het scheen alsof ik voornamelijk hun gezichten
zag en hun aanwezigheid voelde. Ze leken allemaal verheugd te zijn. Het was een blij
weerzien en ik voelde dat ze gekomen waren om me te beschermen of te begeleiden.
Het was haast alsof ik thuiskwam en zij daar waren om mij te begroeten of te verwelkomen.
En al die tijd had ik een gevoel alsof alles om me heen licht en mooi was. Het was
een wonderschoon en heerlijk ogenblik.
Een man herinnert zich:
Enkele weken voor ik
bijna stierf was er een goede vriend van mij, Bob, overleden. Op het moment dat ik
buiten mijn lichaam kwam, had ik het gevoel dat Bob daar stond, vlak naast me. Ik
zag hem in mijn geest voor me en ik voelde zijn aanwezigheid, maar het vreemde was
dat ik hem niet in zijn stoffelijke lichaamsvorm zag. Toch zag ik hem duidelijk,
zijn uiterlijk, alles. Begrijpt u me? Hij was er, maar hij had geen stoffelijk lichaam.
Hij had een soort doorzichtig lichaam en ik was me bewust van elk deel ervan – armen,
benen, enzovoort, maar ik zag het niet stoffelijk.
En op dat ogenblik kwam me dat
helemaal niet vreemd voor, omdat ik hem helemaal niet hoefde te zien met mijn ogen.
Ik had trouwens geen ogen.
Herhaaldelijk vroeg ik hem: ‘Bob, waar ga ik nu heen? Wat
is er gebeurd? Ben ik dood of niet?’ En hij gaf me niet eenmaal antwoord, hij zei
geen boe of bah. Maar tijdens die periode in het ziekenhuis was hij er vaak en telkens
vroeg ik hem weer: ‘Wat gebeurt er?’ Maar hij antwoordde nooit. En op de dag dat
de artsen zeiden dat ik zou blijven leven, ging hij weg. Ik heb hem niet teruggezien,
nog zijn aanwezigheid gevoeld. Het was bijna alsof hij wachtte tot ik die laatste
grens voorbij zou zijn; dan zou hij spreken en me precies vertellen wat er gaande
was.
Misschien was het meest ongelooflijke gemeenschappelijke element in de verslagen
die ik bestudeerd heb en zeker het element dat op eenieder het meest indruk heeft
gemaakt, is de ontmoeting met een bijzonder helder licht. Kenmerkend is, dat dit
licht bij de eerste verschijning flauw is maar spoedig helderder wordt, tot het een
bovenaardse schittering krijgt. Doch hoewel de schittering van dit – gewoonlijk als
‘wit’ of ‘helder’ bestempelde – licht onbeschrijflijk is, maken velen er speciaal
melding van dat het op geen enkele manier pijn doet aan hun ogen, of hen verblindt,
of hen verhindert om andere dingen om hen heen te zien (misschien omdat ze op dit
punt geen fysieke ‘ogen’ hebben die verblind kunnen raken).
Ondanks de ongewone openbaring
van het licht, twijfelt geen van mijn informanten eraan dat het een wezen is, een
wezen van licht. En niet alleen dat, het is bovendien een wezen met een duidelijk
omlijnde persoonlijkheid. De liefde en warmte die dit wezen uitstraalt zijn niet
onder woorden te brengen en de stervende mens wordt er geheel door omringd en vervuld;
hij voelt zich in tegenwoordigheid van dit wezen volkomen op zijn gemak en erkend.
Ook voelt hij een onweerstaanbare magnetische aantrekkingskracht tot dit licht. Hij
wordt er onontkoombaar naar toe getrokken.
Terwijl bovenstaande beschrijving van het
wezen van licht volslagen onveranderlijk is, blijkt de identificatie van het wezen
van geval tot geval te verschillen; hetgeen grotendeels in verband schijnt te staan
met de godsdienstige achtergrond, opleiding of overtuiging van de betrokken persoon.
Zo identificeren de meeste mensen die naar geloof of opvoeding christenen zijn, het
licht als Jezus en ze trekken soms vergelijkingen met de Bijbel ter ondersteuning
van hun interpretatie. Een joodse man en vrouw identificeerden het licht als een
‘engel’. Het is echter in beide gevallen duidelijk dat mijn informanten daarmee
niet wilden aangeven dat het wezen vleugels had en op een harp speelde, of zelfs
een menselijke gedaante had. Er was niets dan licht. Wat elk probeerde duidelijk
te maken was, dat zij het wezen als een afgezant of als gids zagen.
Een man die voorafgaande
aan zijn ervaring geen enkel geloof of godsdienstige opvoeding had gehad, identificeerde
hetgeen hij zag eenvoudig als ‘een wezen van licht’. Dezelfde benaming werd gebruikt
door een dame van het christelijke geloof, die zich desondanks blijkbaar geenszins
genoopt voelde om het licht ‘Jezus’ te noemen.
Kort na verschijning neemt het wezen
contact op met de stervende. Dit contact heeft dezelfde rechtstreekse aard als de
al eerder beschreven gedachteovergang van iemand in een geestelijk lichaam. Want
ook hier weren beweren mijn zegslieden dat het wezen geen stem, of ander geluid voortbrengt
en dat ze het wezen ook geen hoorbaar antwoord gaven. Veeleer vindt er een rechtstreekse
onbelemmerde overdracht van gedachten plaats; en wel op zo duidelijke wijze dat er
geen enkele mogelijkheid bestaat om iets mis te verstaan, of om het licht om de tuin
te leiden.
Hoewel deze onbelemmerde gedachtewisseling zelfs niet in de moedertaal
van de betrokkene plaatsvindt, verstaat en begrijpt hij toch alles goed en onmiddellijk.
Toch kan hij de uitwisseling van gedachten die tijdens zijn doodervaring plaats heeft
gehad niet vertalen in de menselijke taal die hij nu, na weer tot het leven te zijn
teruggekeerd, moet spreken. De volgende fase van de ervaring illustreert duidelijk
de moeilijkheid deze ongesproken ‘taal’ te vertalen. Het wezen richt vrijwel onmiddellijk
een zekere gedachte tot de stervende, een gedachte die mijn informanten persoonlijk
als vraag formuleren. Tot de varianten die ik gehoord heb, behoren: ‘Ben je bereid
te sterven?’ ‘Ben je gereed om te sterven?’ ‘Wat heb je in je leven gedaan dat je
mij kunt laten zien?’ ‘Heb je iets in je leven gedaan dat je voldoening schenkt?’
Tussen twee haakjes, alle informanten beweren ten stelligste dat de vraag, hoe groot
het effect ervan ook mag zijn, geenszins een veroordeling inhoudt. Het wezen stelt
hun de vraag niet om hen te beschuldigen of te bedreigen, want ze voelen nog steeds
de alomvattende liefde en erkenning die het uitstraalt, ongeacht hun antwoord. De
vraag schijnt veeleer bedoeld te zijn om ze tot nadenken te stemmen. Het is, zo u
wilt, een socratische vraag, niet gesteld om inlichtingen in te winnen, maar om de
ondervraagde een duwtje te geven op de weg naar de waarheid. Laat ons eens kijken
naar enkele ooggetuigenverslagen over dit wonderlijke wezen.
1:
Ik hoorde de artsen
zeggen dat ik dood was en toen kreeg ik een gevoel alsof ik door een duisternis,
een soort omsloten ruimte, tuimelde, of liever zweefde. Ik kan dit eigenlijk niet
onder woorden brengen. Alles was in en in duister, op dat licht na, dat ik, heel
in de verte, kon zien. Het was een schitterend licht, maar aanvankelijk niet groot.
Het werd groter naarmate ik er dichterbij kwam. Ik probeerde bij dat licht aan het
eind te komen, omdat ik voelde dat het Jezus was, en ik trachtte dat punt te bereiken.
Het was geen angstwekkende ervaring, eerder min of meer plezierig, want omdat ik
een christen ben, bracht ik dat licht onmiddellijk in verband met Jezus, die immers
een gezegde heeft: ‘Ik ben het licht der wereld.’ Ik zei bij mezelf: Als dit het
is, als ik nu ga sterven, dan weet ik wie er aan het einde, daar in dat licht, op
me wacht.
2:
Ik stond op en liep de hal in om iets te drinken te halen en op dat ogenblik,
zo bleek later, sprong mijn blindedarm. Ik voelde me reuzeslap worden en viel. Ik
ervoer een zweverig gevoel, een bewegen van mijn ware wezen in en uit mijn lichaam
en ook hoorde ik prachtige muziek. Ik zweefde de hal door en de deur uit, naar de
afgeschutte veranda. Daar was het of wolken, of liever rozige nevels, me omhulden
en ik zeefde recht door de schutting heen, eenvoudig alsof die er helemaal niet stond,
naar boven, een zuiver, kristalhelder licht tegemoet, een wit licht. Het was prachtig
en zo stralend, zo schitterend, maar toch deed het geen pijn aan mijn ogen. Het is
niet het soort licht dat je in aardse termen kunt beschrijven. Ik heb niet werkelijk
iemand gezien in dat licht en toch heeft het zeer zeker een bepaalde identiteit.
Het is een licht, vol van volmaakte liefde en volmaakt begrip.
Ik ving de gedachte
op: ‘Houd je van mij?’- niet precies in de vorm van een vraag, maar een opmerking
met die strekking: ‘Als je van me houdt, ga dan terug, en maak af wat je in je leven
begonnen bent.’ En al die tijd voelde ik me omringd door een overweldigende liefde
en erbarmen.
3:
Ik wist dat ik ging sterven en dat ik daar niets tegen kon doen omdat
niemand me kon horen. Ik was buiten mijn lichaam, dat staat vast, want ik kon het
op de operatietafel zien liggen. Mijn ziel was eruit! Dat alles bezorgde me eerst
een akelig gevoel, maar toen kwam dat licht, een heel helder licht. Eerst was het
wat flauwtjes, maar het groeide aan tot een enorme lichtstraal. Ik zag niets dan
licht, ongelooflijk veel licht. En het straalde warmte af – ik voelde me warm worden.
Het
was fel geelwit van kleur, meer naar het witte toe. En het was ontzettend helder
– ik kan het u niet beschrijven. Het scheen alles te bestralen en toch verblindde
het me niet. Het belette me niet alles om me heen te zien: de operatiezaal, de artsen
en verpleegsters, alles. Eerst wist ik niet wat me overkwam toen het licht verscheen,
maar toen vroeg het me zo ongeveer of ik gereed was om te sterven. Het was alsof
ik met iemand sprak, maar er was niemand. Het was het licht dat tegen me sprak, met
een soort stem. Ik geloof wel dat het licht wist dat ik nog niet gereed was om te
sterven; het wilde me gewoon op de proef stellen. Toch voelde ik me, vanaf het moment
dat het me toesprak, reuze prettig – veilig, en bemind. De liefde die ervan uitging
is gewoon onvoorstelbaar, onbeschrijflijk. Het was prettig gezelschap! En het had
beslist gevoel voor humor!
R. A. M.
BEZOEK AAN HET HIERNAMAALS.
De term bijnadoodervaring
is eigenlijk te beperkt. Vele mensen beleven soortgelijke ervaringen zonder dat ze
in een levensbedreigende situatie zijn. Bijvoorbeeld in een periode van veel verdriet
door het overlijden van een geliefde.
Een vrouw kan het plotselinge overlijden van
haar man niet kon verwerken. In haar wanhoop kon ze niet bedenken hoe ze verder moest
leven zonder haar geliefde. Alles herinnerde haar aan de gestorvene, ze piekerde
zich gek, en draaide in een kringetje rond.
Ze stelde zichzelf voortdurend dezelfde
vragen: Waarom moest hij sterven? Waarom stierf hij, en moest zij verder leven? Waarom
is het leven zo onrechtvaardig? Achteraf zag ze hoe ze zichzelf in die tijd ziek
maakte. Door haar getob en gepieker legde ze te veel druk op het zenuwstelsel. Dat
ging een tijdje goed, maar toen de weerstand van haar lichaam verminderde en ze deze
neerwaartse spiraal niet kon doorbreken, bezweek ze. Ze vond geen kracht meer om
door te gaan. En pas toen de nood het hoogst was, toen ze al haar eigen krachten
had verbruikt, was de redding nabij.
Toen ze uiteindelijk oververmoeid in slaap viel,
gebeurde er iets wat ze zelf niet had kunnen bedenken. In het leven van de geest
kent men haar verdriet. Wanneer ze haar eigen krachten heeft verbruikt, kan haar
geestelijke begeleider haar verder helpen. Hij kan door zijn sterke concentratie
een uittreding tot stand brengen. Deze uittreding gebeurt dus niet door een lichamelijke
schok of ziekte, zoals bijeen bijnadoodervaring, maar door de wilsconcentratie van
een geestelijke begeleider.
Door de uittreding kan de gids haar naar de weide brengen,
een verbindingssfeer tussen de Aarde en het hiernamaals. Haar geliefde is voordien
reeds op de hoogte gebracht van haar komst. Deze nacht beleven ze het geluk van een
tijdelijk weerzien, en kunnen ze enige tijd met elkaar doorbrengen. Nu ervaart ze
dat haar geliefde niet dood is, maar springlevend.
Ze weet nu waar de reis straks
naar toe gaat als haar aardse tijd afgelopen is.
Bij het ontwaken herinnert ze zich
het nachtelijke weerzien als een intense droom. Het geluksgevoel vertelt haar dat
haar geliefde leeft en gelukkig is. Hierdoor zal ze minder treuren, wat ook haar
geliefde ten goede komt. Als ze in verdriet aan hem blijft denken, dan bereiken deze
zware gedachten hem in het hiernamaals en belemmeren ze zijn voortgang.
Door deze
uittreding heeft de gids beide mensen geholpen om met nieuwe moed op weg te gaan,
elk in hun eigen leven.
Wayti.
BIJNA-DOODERVARINGEN.
Tienduizenden
mensen hebben een bijnadoodervaring gehad. deze ingrijpende ervaring veranderde hun
kijk op leven en dood. Ze zeggen dat ze hierdoor een inzicht gekregen hebben in wat
essentieel is voor hun leven.
Velen van hen verwoorden dit als onvoorwaardelijke
liefde, het besef dat het enorm belangrijk is liefde en aandacht te geven aan de
medemens en al het leven waarmee ze verbonden zijn.
Doordat ze hebben ervaren dat
de dood eigenlijk niet bestaat, gaan ze anders leven: Geld, carrière en maatschappelijk
aanzien vinden ze vaak minder belangrijk.
Velen beschouwen de ervaring als een gunst,
een tweede kans om iets van hun leven te maken. Ze hebben ervaren dat het aardse
lichamelijke bestaan slechts tijdelijk is, en dat het geestelijke bestaan de dood
overleeft.
Velen herbeleven in een flits hun hele leven, waarbij ze helder voelen
wanneer ze liefde hebben gegeven, maar ook welke kansen ze hebben laten liggen.
Ze
vliegen door een donkere tunnel met aan het eind een helder, niet verblindend licht.
Ze treden uit hun lichaam, waarbij ze merken dat hun gedachten gewoon doorgaan; hun
waarnemen, bewustzijn en gevoelens blijven hetzelfde. Wanneer ze hun stoffelijk lichaam
zien liggen, beseffen ze pas dat ze voor de Aarde dood zijn.
Ze blijven verbonden
met hun stoffelijk lichaam door een levenskoord. Zolang die verbinding tussen geest
en lichaam niet verbroken is, kunnen ze nog terug in hun aardse lichaam als het hart
weer begint te kloppen. Als dit koord gebroken is, kunnen ze niet meer terug. Dan
heeft de reanimatie geen kans van slagen.
De uitgetreden mens ervaart dat zijn geestelijk
lichaam niet gezien of gevoeld wordt. Hijzelf voelt zich echter niet anders dan op
Aarde, zijn geestelijk lichaam lijkt op zijn stoffelijk lichaam, met dit verschil
dat hij nu geen pijn meer voelt. Hierdoor kan hij helder denken en waarnemen.
Sommigen
zien een wereld van ongelooflijke schoonheid. Ze spreken van prachtige landschappen,
bloemen en schitterende kleuren. Ze horen hemelse muziek, mooier dan ze ooit op Aarde
hebben gehoord. Dit alles staat in schril contrast met de stoffelijke wereld waar
voor hun leven wordt gevochten.
Soms zien ze in de geestelijke wereld overleden familieleden
en bekenden.
Maar dan wordt hun een grens getoond, die ze niet kunnen overgaan. Ze
voelen dat het hun tijd nog niet is, dat ze op Aarde nog een taak hebben. Ze weten
nu wel, dat wanneer ze de Aarde verlaten, ze afgehaald zullen worden door hun geliefden.
Wanneer het levenskoord hen terugtrekt in hun stoffelijk lichaam, vinden ze dit dikwijls
moeilijk omdat ze opnieuw de pijn van het hartinfarct voelen, of de pijn van de ernstige
ziekte. In eerste reactie zijn ze meestal niet blij dat ze terug moeten komen. In
de andere wereld was het zo vredig en rustig.
In enkele minuten is hun gevoel over
leven en dood compleet veranderd, hun geliefden op Aarde herkennen hen dikwijls niet
meer terug. Tijdens de levensflits hebben ze ervaren dat elke handeling, elke daad,
maar ook elke gedachte invloed heeft op hun omgeving en op henzelf. Hierdoor is voor
hun gevoel onvoorwaardelijke liefde voor anderen en voor het leven essentieel geworden.
Wayti.