Uit zij die terugkeerden uit de dood.
Heb geen angst voor de dood, het eeuwige leven is in u.  Blz. 8

Maar zij, die liefde bezitten en open staan voor het leven zoals het tot hen komt, zij zijn de gelukkigen aan gene zijde en zullen licht zien en veel liefde ontvangen, die zij in hun leven op aarde aan zovelen hebben gegeven. 9 b.m.
Zij, die op aarde zijn gestorven en tot ons terugkeerden, kennen al die heiligen en zij weten hoe wij moeten leven, om ons die heiligheid eigen te maken.  13 o.m.
De lessen die ik uit de geest ontvang, behandelen steeds die vraagstukken, welke het mensdom het meest bezig houden, dat is het geloof en de liefde. Zij wijzen mij hoe ik moet leven, wil ik in het leven na de dood geluk en licht bezitten.  14 b.
Mensen, die op de geestelijke weg zijn en daarvan aan anderen vertellen, zijn priesters.  15 m.
Door hem leerde ik Gods heilige liefde waarderen, zover die te waarderen in mijn macht is, want ik ben immers maar een mens?  16 m.
Is het niet heerlijk om de mensen over een eeuwig voortleven te vertellen, zoals je het zelf hebt beleefd? Zij kunnen zich daaraan vastklampen, want zij hebben een steun nodig.  17 b.m.
Er bestaat nog altijd zoiets als een hel en zij die daarin leven, zullen een lange weg hebben af te leggen en zichzelf stuk voor stuk moeten afbreken. En dat afbreken is niet zo eenvoudig, daarvan hebben de mensen geen begrip. Wij mensen voelen ons over het algemeen nog te veel.  17 m.o.

Deze grote en volwassen mensen waren als kleine kinderen. Maar kinderen kunnen meer voelen dan grote en geleerde mensen. Zij, die zich in het leven na de dood verdiepten en er naar leefden, waren de gelukkigen aan gene zijde.  22 m.
Het geestelijk leven is moeilijk te bereiken. Maar wanneer men het voelt, dan brengt het geluk en eeuwige waarheid, een groot en krachtig vertrouwen en het bezit van een geheiligd leven. Het brengt liefde, reine en zuivere liefde.  22 m.o.
Deze priester had de mensen lief met al hun fouten en zonden. Hij kende de hartstochten en begreep, omdat hij wilde begrijpen. Hij wilde geen fouten zien en gaf steeds met volle handen. Nooit waren die handen gesloten geweest en wie aan zijn zielewoning klopte werd binnen gelaten.  23 m.o.
Hij wist en bezat de kracht en verstond de kunst en had de kennis die er voor nodig was, om zijn geestelijke woning schoon te houden, zodat God op het onverwachtste ogenblik kon binnentreden. Hij bezat die grote kracht en droeg ze en diep, heel diep in hem lag die reine liefde.  Nee, zijn zielehuisje konden de mensen niet besmeuren. Een zee van liefde spoelde het schoon, niets bleef op zijn plaats en de vlammen van zijn onuitputtelijke liefde droogden het. Geen mens kende zijn geheim, maar zij wilden het ook niet kennen.  24 m.o.
In u vlamt het, het is God die u zijn liefde toezendt, die u allen in leven houdt. Dat wat gij ziet, wat gij uiterlijk zijt en verzorgt, dát gaat dood. Maar in u leeft er iets, dat voortleeft, steeds voortleven zal en dat oneindige diepten zal leren kennen.  28 b.

 In u ligt een vonk van eeuwig leven, in u ligt de eeuwige waarheid. Laat, o mens, uw leven door mijn naam niet vergallen. Ik ben niet dood, ik ben leven en wie mij kent zal gelukkig zijn.  28 b.m.
Een eeuwige band van liefde bindt ons, verbindt alle mensen met hun geliefden die aan deze zijde leven en hen zullen opwachten, wanneer ook zij zullen overgaan.  32 m.o.
Ik roep u en alle mensen van deze zijde toe: heb geen angst voor de dood, wij leven in hemelse schoonheid. U zult licht zien, wanneer het in u licht is. Dit alles is liefde, heilige liefde. 33 b.
Gij leeft in de stof en hebt eeuwige afstemming. Het eeuwige leven brandt in uw zielen, de dood smelt en verdampt, ja lost op en gaat verder, hoger en hoger, totdat het leven de hoogste hoogten zal hebben bereikt en het God voelt.  34 o.m.
Er is geen dood, er is niets dan leven! 35 b.
Moet de dood blijven bestaan, blijven voortgaan het geluk  van de mensen te vergallen? Is het dan geen geluk de waarheid reeds op aarde te mogen ontvangen en juist door bemiddeling van hen die vóór ons heengingen? Zet uw huis toch open en ontvangt het leven! Het kan uw kind, zuster, broeder, vader of moeder zijn die vraagt om te mogen binnentreden. Geeft deze zekerheid ons niet de kracht om alles wat God ons te dragen geeft op onze schouders te nemen? Geeft het ons geen antwoord op onze vraag: Waar zijn onze doden? Leven zij? Hoelang heeft zich de mens dit niet afgevraagd? Nu ontvangen wij bericht van hen, van onze geliefden. Zegt het ons niet dat de liefde ons verbondt en eeuwig zo verbonden zal laten blijven? 35 m.

In zijn ogen lag nu een glans, die ik in de sferen van licht, bij de engelen die daar vertoefden, had waargenomen. Deze glans kon men ook bij kinderen zien; de reinheid van ziel straalde uit de kleine wezens.  36 m.
Ik voelde de stilte des geestes en in deze toestand kon men alleen maar voelen, het gesproken woord zou de rust verstoren.  37 b
Aanvaardt gij dat gij eeuwig leeft? Dat wij steeds verder zullen gaan en onze weg zullen vervolgen, dat gij van de ene planeet naar de andere zult evolueren? Voelt u dat het leven op aarde reeds de eeuwigheid is? Dat het eeuwige leven in ons ligt? Tonen deze bewijzen u niet dat zij die op aarde zijn gestorven, in een andere toestand leven? Het ligt aan ons of zij ons die bewijzen kunnen geven. Wij moeten ons openstellen, de deuren van onze zielewoningen openen. Dan zullen wij ontvangen, veel ontvangen, heel veel schoons. Onze geliefden zullen terugkeren om ons in de laatste uren bij te staan. Zij geven ons bewijzen dat zij ons opwachten. Lach dus niet om een wetenschap die gij niet in u voelt of kent. Lach om geen andere godsdienst en vervloek geen ander mens, want gij vervloekt uw eigen eeuwige afstemming.

Leef een leven in de geest en de schatten des geestes zullen u worden toegeworpen. Dan zullen de poorten van de hel voor u niet ontsloten worden, want de sferen van licht wachten u op. Maar de mens vervloekt zichzelf, als hij alleen aan zijn stofleven denkt en zijn innerlijk, dat eeuwige lichaam, laat sterven van geestelijke honger.  40 m.
Zijn zij niet liefdevol die tot ons terugkeren? Is dit alles niet de moeite waard om er eens over na te denken? 41 o.
Steek uw geestelijke voelhorens uit en tast in dat onzichtbare leven; er zijn er duizenden die u zullen helpen. Door te voelen gaat u zien en dit zien is gelijk weten. Dan eerst breekt een mensenhart en buigt de mens zijn hoofd. 41 o.
Die diepte van een ziel kan de mens niet peilen. Het onzichtbare leven kan hij niet aanvaarden en toch leeft het in hem, ja, hij is zelf dat grote probleem. 42 b.m.
Wanneer geesten tot ons terugkeren, die dat eeuwige leven hebben leren kennen, moeten wij dan daarvoor onze ogen sluiten? 42 m.
Wie zich meester noemt op aarde, is de leerling aan gene zijde.  45
Er is geen dood, er is slechts leven. 46

Innerlijk droeg zij een grote schat, ze was eenvoudig en vol liefde voor iedereen die tot haar kwam; zacht in gevoel en gereed om anderen te helpen.  47 b.m.
Heerlijk daar te zijn, te weten dat je leeft en nog alles van je aardse leven weet, vind je niet? 47 o.
O, als de mensen eens wisten hoe natuurlijk het leven aan gene zijde is, hoe reëel, hoe menselijk; zij zouden dan anders gaan leven en zichzelf willen leren kennen. 48 m.
Het kon hier zo mooi zijn als de mensen wisten, ja wisten, dat ze zouden verder leven en zich op dat andere leven wilden afstemmen.
49 b.m.
Als de mensen over mij praatten of wanneer zij mij kwaad maakten, ging ik heen en stoorde mij er niet aan. Dan blijf je jezelf, zie je en kunnen ze je niet vatten, want dan ben je ze de baas.  49 m.
Ieder mens ziet licht en ontvangt zijn plaats, zoals hij heeft geleefd. Hij wijst zichzelf een eigen plaats in het Hiernamaals aan.  49 o.
‘God kent’, vervolgde ik, ‘alle mensen. Niet één kan zich verbergen. 49 o.
‘Het leven onder de ogen zien’, zei mijn morder, ‘en niet beangst zijn als de dingen niet komen zoals wij ze willen’.  50 b.

Wanneer je alles van een ander weet, voel je eerst hoe gelukkig je nog bent en kun je alles weer dragen en is dat dragen lichter geworden zonder dat je er erg in hebt.  50 o.m.
Wanneer de geesten een boodschap te geven hebben, moeten zij dat zelf willen. Ik stel mij dan open en ontvang en geef door wat zij mij te zeggen hebben. Om mij goed en duidelijk te kunnen openstellen, is niet zo eenvoudig, maar dat heeft mijn leider mij geleerd. 56 m.o.
Wanneer wij overgaan, zullen wij het eerst aan hen denken die wij het innigst liefhebben. Liefdebanden verbinden ons en die geestelijke krachten zullen wij eerst in dit leven leren kennen. 57 o.
Ik voelde echter waarom zij zo zeker in alles was. Steeds meer naderde zij haar reis en hoe meer die tijd naderde, des te gevoeliger werd zij. Het was heel natuurlijk, zo moesten alle mensen zijn; ze zouden zich moeten overgeven, dan was de dood geen kwelling, maar een reis naar de eeuwigheid’. 62 m.o.
De mens bouwt zich in de sferen zijn eigen woning. Op aarde zijn we daar reeds aan begonnen, tenminste, zij die zich geestelijk willen verrijken. Anderen leven in duisternis en koude en hebben geestelijke armoede. 62 o.
Ik voel je zo echt als een broer en omdat ik je zo voel, kan ik je, als ik over ben  gemakkelijk bereiken. Het is alsof ik je mijn gehele leven heb gekend en toch zijn het eerst enkele maaden. Je bent zo eigen, zo open, Jozef, je geeft je geheel, je bent als een kinden toch een groot en volwassen mens. 63 b.

Sedert ik echter alles weet, is het leven vor mij anders en voller geworden en voel ik de betekenis van het leven op aarde. Voordien was ik levend dood. Geestelijk was ik in een onwerkelijke toestand, nu eerst begin ik te leven, nu, nu mijn einde nadert. 64 o.
Mens, mens der aarde, weet gij dat gij eeuwig leeft? Voelt gij, dat wij eens voor Gods heilige troon zullen verschijnen? Dat wij naakt zullen staan, zodat iedereen zal zien hoe wij zijn, hoe wij voelen?  69 o.
Voel je de stilte, Jozef? Die heerlijke rust waarover wij hebben gesproken? O, het is hier zo rustig, maar je moet die innerlijk dragen en bezitten. Het is de kracht der liefde.  82 m.
Hier weet men een mens te waarderen en te dragen. Hier kun je niets verbergen; zij zien in je leven en zelf zie je in dat van hen en gaat in elkaar over. Hier worden je goede daden gewaardeerd en begrijpt en voelt men hoe je het bedoelt; hier ben je tot in het diepst van je ziel open.  87 b.
Mensen, die zich op aarde één voelen, zullen elkaar aan deze zijde terugzien. Hun afstemming houdt hen verbonden.  87 m.o.
Geleerdheid kennen wij hier niet. Wie veel liefde bezit en voelt, is wijs, want hij ziet en zien is weten en betekent geestelijke wijsheid. 
88 m.

Diep, heel diep in mij voelde ik die kracht, want je kunt hier niets op aanraden van anderen doen, wanneer je het zelf niet voelt.  88 o.
Wie het eeuwige leven ‘voelt’, voelt zich veilig.  94
Het was, alsof men hem had geroepen en gezegd: ‘Kom vriend, zie en neem waar, zie of gij dood zijt, of er een eeuwig leven is. Neem waar, gij mens der aarde, hier valt niets te verbergen; hier zult gij u zelf leren kennen. Zie en voel aan, dat het eeuwige leven in u is. 99 o.
Zij die op aarde hadden geleefd en aan gene zijde voortleefden, kenden geheimen en waarheden die voor ons aardse mensen verborgen bleven totdat ook wij dat leven zouden binnentreden. Dan eerst gingen wij in al die geheimen over. Dan waren problemen en wonderen geen problemen en wonderen meer, daar leerden wij de waarachtige werkelijkheid kennen. Zij die vóór ons waren heengegaan, leefden in dat machtige leven achter de sluier, die voor hen was opgelicht, zij hadden zichzelf en dat leven leren kennen. Mij werd de waarheid geopenbaard, dat weten en wijsheid van de geest is. 103 b.

Jezelf moeten afleggen?  Dat heb ik eerst moeten leren, want ik kon het niet. Er is mij niets geschonken. Niets voor niets, zegt men op aarde, maar aan deze zijde leer je dat eerst goed beseffen.  105 b.
Het is niet zo eenvoudig, om je het eeuwige leven eigen te maken. Heerlijk is het, grond van eeuwige substantie te voelen, een wereld te kennen, waar je nooit wakker hoeft te worden en waar de stilte des geestes je vertroetelt, zoals de moeder haar kind. Waar je niets dan licht ziet en het eeuwig zo zal blijven en je alleen ontwaakt voor nog hogere en schonere sferen die op de wachten, wachten op ieder kind dat zich een kind Gods wil noemen. Sferen die je toelachen, waar je in opgenomen wordt en waar God over je waakt, steeds waken zal. 106 m.
Nu weet ik dat op aarde reeds de eeuwigheid heerst. Dat voor ogen houdend kun je alles verdragen en verwerken.  107 b.m.
Het is de eeuwige waarheid, dat de mens zal leren en zijn hoofd zal buigen wanneer de waarheid hem wordt getoond, totdat zijn persoonlijkheid tot de kern geknakt en gebroken is. 108 b.m.
Zo zullen veel mensen hun dood van te voren voelen en dit toch niet begrijpen omdat zij onnatuurlijk zijn en die natuurkrachten hebben gesmoord.Dat alles komt omdat wij het geestelijke leven niet willen leren kennen. De eeuwige vlam die in ons is kan niet branden, omdat we haar geestelijk voedsel geven. Dan is de mens een levende  dode.  110 b.
Ieder mens die tot het laatst bewust is, zal schimmen zien. Dat zien en waarnemen is de verbinding met het leven aan gene zijde.112 m.o.
Ik leefde in de geest, maar ik dacht als op aarde. Het hield mij gevangen, het was mijn leven en ik zat zodoende in mijn eigen kluis en kon niet anders denken. 117 o.

Ik vraag u dus, dit voor een ogenblik te aanvaarden. Wanneer de mens op aarde sterft, gaat hij in dit leven over. U leeft dus in de eeuwigheid, maar aan sterven heeft u nog niet gedacht.’ ‘Hoe zou ik dat kennen’, onderbrak ik hem,’ ik leef. ‘Juist, u leeft en toch bent u gestorven. |Heeft u op aarde nooit van een eeuwig voortleven horen spreken?’ 120 o.m.
‘Ik wil dus trachten u van uw eigen toestand, die u onbekend is, te overtuigen. Maar alles ligt aan u zelf, u heeft uw eigen geluk en uw leven in handen, zo ook uw ellende. 122 o.
‘Maar ik weet,’ vervolgde hij, ‘dat het zeer moeilijk is om uw aardse leven ineens af te leggen; daar is tijd voor nodig. Doch u moet aanvaarden dat u op aarde bent gestorven, anders blijft u in een kringetje rondlopen.’ 123 m.
U bent niet zo ruw als u schijnt en wilt zijn. Ook dit moet u trachten af te leren. Hoe reiner de mens denkt, zoveel te schoner is zijn omgeving aan deze zijde.  123 o.m.
U ziet dat u leeft en eeuwig zult blijven leven. Geleidelijk zult u dit leven leren kennen en u eigen maken. Het overgaan en binnentreden in deze sfeer, te voelen dat gij eeuwig leeft, dat alles zult u nog niet kunnen, doch straks zal het u duidelijk worden. 124 b.
God  straft geen kind en geen kind Gods gaat verloren. 124 o.

Maar weet dat het uw innerlijk leven is, zoals u denkt en voelt en liefde bezit. Liefde, mijn broeder, liefde te bezitten, is licht en geluk aan deze zijde. Wanneer ik u zeg dat hier mensen leven die de prachtigste tempels en gebouwen bezitten en deze hun geestelijke woning mogen noemen, dan voelt gij wel hoe ver wij hiervan nog verwijderd zijn. Naar uw liefde, uw afstemming, is dus dit wat u waarneemt is uw geestelijk licht. 128 b
‘Uw leven op aarde was niet geestelijk en toch waart gij geen slecht mens. Gij wilde het geestelijke leven niet, want het was te moeilijk. Aards te leven, stoffelijk te voelen, dat kost geen strijd. Gij leefde uw leven en voelde niets van dat grote en machtige leven.’ 128 m.
Nu vraag ik u, waarom kon u de uitgang niet vinden en kon ik, niettegenstaande er geen opening was, toch binnentreden? Die uitgang was voor u niet zichtbaar, omdat gij u niet innerlijk voor dit leven hebt geopend. U heeft u dus zelf afgesloten; geestelijk sloot gij u in een kooi en u wilde dit, omdat u niet geestelijk wilde leven. 129 b.
Ik leefde, maar was een levend dode! Zeer stellig voelde ik dat het niet aanvaarden van alles wat mij was medegedeeld mij noodlottig zou worden. Het was alsof ik voor een hoge berg stond en daar overheen moest om aan de andere zijde het licht te zien. 130 b.m.

Hij zou mij helpen om mijn weg uit al die onnatuurlijke wegen te vinden. De weg die ik op aarde bewandelde was de verkeerde. In de broeder zag ik het licht waarmee ik in deze duisternis mijn pad kon verlichten. 130 m.
Erg vreemd was de broeder, zoals hij zichzelf noemde. Maar om en in hem lag een kracht zo natuurlijk, als ik nog nooit had gekend. Mijn gedachte dat hij een waanzinnige was, moest ik terugnemen. Kwam hij maar weer bij mij, want ik zou die onbekende grootheid voor niets willen missen. 130 o.m.
Het leven op aarde dient om ons geestelijk te ontwikkelen en ons tot God te doen terugkeren. Wij allen die reeds hier zijn en op aarde leefden, hebben ons die krachten eigen moeten maken; ik bedoel, de overtuiging van ons eeuwig voortleven. Doch reeds op aarde had dit moeten geschieden. 131 o.
Op aarde dacht ik aan God als alle mensen, aan een grote onbekende macht, en omdat die kracht zo groot en ver weg was, ging ik er niet dieper op in. Ik vond het zo goed en deed geen moeite om die God te leren kennen.  133 b.m.
Ja, ik moest God leren kennen, anders kwam ik niet verder en ik wilde immers verder, naar die sferen waar de broeder mij van verteld had. Ik was een deel van God, mijn leven was eeuwig, ik leefde in het universum en dat universum was ik. 133 o.
O, mensen der aarde, vreemd zult gij opzien, als gij aan deze zijde uw paradijs vindt! Maar het is daar niet zoals u denkt.  134 m.

Uw leven is God, het kan Goddelijk zijn, dus u heeft met God te maken, ook wanneer u denkt.  134 o.
Iets in u stemt zich af op dat machtige leven, dat God is. Maar ieder mens, elk leven ziet en voelt anders, en duizenden weer zoals zij. Liefde, ik zei het u reeds, is licht en veel, heel veel licht te bezitten is geluk, is uw paradijs aan deze zijde.135 b.m.
Wanneer gij op aarde wat meer geestelijk was gaan leven door liefde te geven aan alles wat leeft, zou u in de eerste sfeer zijn binnengetreden. 136 o.
U staat nog steeds niet op eigen benen, want op eigen krachten te kunnen leven betekent wakker te zijn in deze wereld. U valt nog steeds in slaap; toch zult u telkens wakker worden, net zolang totdat u de eerste sfeer hebt bereikt. 137 o.m.
Vele mensen op aarde denken liefde te bezitten, doch alles is eigenliefde en deze heeft aan deze zijde geen betekenis. ‘Hoe moeilijk is dit leven,’ zei ik. Doch werkelijk en natuurlijk. In dit leven kunt gij u niet vergissen. Wanneer gij dit ernstig wilt, zal uw omgeving veranderen en zullen u de schatten des geestes worden toegeworpen. Dan nog dit: denk vooral niet aan ruwe dingen. Ruw te denken en te spreken, doet u op andere toestanden afstemmen en wel op de duistere sferen.  137 o.
Allen, die zich op aarde voelen, zichzelf ‘voelen’, zijn nieten in de geest.  138 o.
Toen ik bij mijn eerste patient binnentrad, zag ik Gerhard en mijn leider naast mij. Alcar toonde hem hoe de mens van gene zijde kon geholpen worden. Door de magnetische bestraling hielden ziekten op te bestaan doordat het stoflichaam weer begon te werken. Gerhard wist het, maar hij had het nog niet meegemaakt. Hij was zeer verwonderd toen hij waarnam dat het menselijk lichaam door Alcars uitstraling werd verlicht. 140 o.

De natuur is zoals gij u zelf voelt: er is leven, doch er is geen geestelijke liefde en geen bewustzijn. Daarom is alles grijs en mistig en bent u, evenals zij, innerlijk ziek. 145 m.o.
Zij die zichzelf zoeken, wikken en wegen en scheiden de goede eigenschappen van de verkeerde, totdat zij hun stoffelijke gevoelens hebben afgelegd en in die van de geest hebben omgezet. 147 b.
Alles wat gij u op aarde eigen maakte, heeft aan deze zijde slechts waarde, indien gij liefde bezit.  147 o.m.
Ik wilde rustig zijn en denken, maar het gelukte mij niet, hoe ik dit ook wilde. Het was reeds te laat, ik had mijn zelfbeheersing verloren en voelde mij alsof ik heen en weer werd geslingerd. 150 o.
‘U heeft geen dorst en geen honger en er is geen ziekte! U behoeft niet ziek te zijn, want u leeft in de geest en u bent op aarde gestorven!’. Uw leven is een leven in gedachten, als u dit wilt ervaren’. 153 b.m.

Als ik dan toch dood was, wat konden mij die praatjes op aarde dan nog schelen? Ik was daar toch niet meer en er werd daar immers altijd door achter de rug van de mensen gesproken? De mensen waren gemeen en moest ik mij daarom kwaad maken? Ging mij dit nog iets aan? 154 b.m.
Het leven op aarde ging mij niet meer aan, dus moest ik ook dat leven laten varen en anders gaan denken en als ik anders dacht, voelde ik mij gelukkig. Dan was ik bevrijd van ziekte en dorst en alle andere kwellingen. Ja, dat was het, ik had verkeerd gedacht. Ik had mijzelf in deze toestand gebracht, omdat ik mij niet beheerste. 155 b.
Maar er was iets dat mij gelukkig stemde; diep in mij lag het. Als ik er in stilte naar luisterde, dan voelde ik het en als ik het voelde kon ik het horen. Was het iets schoons? Was dit het geluk? Ik was dood, maar ik leefde; dat was het geluk, dat ik voelde. Ja, o God, ik voel het; ik had iets overwonnen en door dat gevecht had ik mijn aardse leven afgelegd. Ik voelde mij los, geheel los van de aarde en was nu bevrijd. 155 m.
Wie durft op aarde van zichzelf te zeggen, dat hij zich kent? Hoe had ik daarvoor moeten lijden! O, als de mens voor het beslissende ogenblik komt te staan, dan zullen zij alles verwensen, evenals ik deed, om dat toch later alles weer te moeten aanvaarden. Iedereen moet zichzelf overwinnen en ik had mij nu, althans gedeeltelijk, overwonnen. Want dat voelde ik wel, er waren nog meer van die verkeerde eigenschappen in mij die ik in de geest zou moeten overwinnen en veranderen. 156 m.
Het leed dat ik had overwonnen, en waarvoor ieder wezen zal komen te staan, is dat men zichzelf overwinnen moet. Daaraan zal niemand ontkomen, hetzij hier in dit leven of op aarde. Wie op aarde daar al aan beginnen, behoren tot de groten van geest.  156 o.m.
‘Dit moest gij zelf uitvechten, ik kon u daarbij niet helpen; gij moest ontwaken. Allen die hier binnentreden voeren telkens en telkens weer eenzelfde gevecht, totdat zij aanvaarden. Twee eigenschappen hebt gij afgelegd, beide behoorden tot de aarde. De één was de dood, de ander onbeheerstheid. Zelfbeheersing hebt gij u thans eigengemaakt. God zal u belonen voor iedere overwinning, op u zelf behaald. Gij hebt geleden, maar de dood gaf u het eeuwige leven daarvoor in de plaats en de zelfbeheersing gaf u die heerlijke rust, die de rust des geestes is. De één voerde u langs duistere wegen en liet u afgronden zien en voelen, de ander verbrandde uw haat en smoorde al uw gewelddadige gevoelens. 157 m.

Gij moest u zelf verliezen, gij legde alles af en ge hebt gewonnen. Ik, Gerhard, brak u doormidden, zodat nu uw aardse voetstuk is verdwenen. 158 o.m.
Hoe eenvoudig was alles, maar toch zo moeilijk. Wat hadden dan de mensen niet af te leggen, die maar raak leefden, en dan zij die nergens liefde voor voelden? Wat hadden ze veel goed te maken. Nu reeds had ik medelijden met hen, het waren arme mensen wanneer zij hier zouden aankomen. 159 m.
Hoe meer strijd men op aarde ontving, des te gelukkiger zou de mens aan deze zijde zijn. 160 m.
Hoe schoon is de mens toch, wanneer hij geestelijk bezit in zich draagt en op gene zijde afstemming kan vinden.  173 o.m.
Dat er een liefde bestaat, die boven alles uitstijgt, zodat je jezelf vergeet en verliest. Dit alles doet je sidderen van heilig ontzag voor dat machtige en het doet je de kleinheid en nietigheid van jezelf beseffen.  175 m.
Het afdalen in de donkere gebieden is het moeilijkste werk dat wij aan deze zijde kennen, maar u leert daar in drie maanden meer, dan waarover u in andere toestanden drie jaren doet.  177 m.o.
Zij, die zich op aarde op ons leven afstemden en er naar leefden, leven allen in de hogere sferen. Zij hebben de eerste en tweede sfeer bereikt en zijn gelukkigen in de geest.  180 m.

Als ik nog eenmaal datzelfde leven mocht beleven, hoe anders zou ik dan leven. Ik zou mij niets dan liefde eigen maken, want liefde betekent licht en geluk.  181 b.m.
Nu leefde ik; op aarde echter was ik in slaap gevallen. Aan mijn innerlijke toestand en mijn afstemming had ik nooit gedacht.  181 o.
Men moet het leven liefhebben, anders staat men er naast en voelt men niets van dat, wat God in alles heeft neergelegd.  182 b.
Zij, die verlangen koesteren naar huiselijk geluk, als man en vrouw elkander begrijpen, van het aardse leven iets willen maken en wanneer zij een kind bezitten en mogen opvoeden, dát is wel het hoogste geluk en tevens de grootste genade, die God de mens kan schenken.  195 m.
Zet uw bloemen naast hun portret in de kamer waar zij hebben geleefd en gewerkt en met u hebben gesproken, maar leg niet die kostbare bloemen op de graven, waarin niets dan beenderen rusten.  203 b.m.
Strooi bloemen op menselijke paden, wanneer zij nog in leven zijn. Geef liefde aan alles wat leeft, dan eerst voelt u het eeuwige leven.  204 o.
Want wie aan onze zijde van de hel hoort vertellen en voelt dat hij zich geestelijk wil verrijken, zal, zoals ik, afdalen en al die toestanden willen leren kennen. Want het is geestelijke wijsheid, dit alles te weten.  216 b.
Ik heb uw moed en wil om vooruit te komen bewonderd en besloot daarom u te helpen. Van uw leven weet ik af en hen die ernstig willen, zullen wij steunen met al de krachten die in ons zijn.  222 b.
Ik leerde u en vergeet vooral niet - met wie u ook in verbinding treedt - om u op uw eigen afstemming te concentreren. Daardoor voelt u het leven van een ander en weet u hoe te handelen.  222 m.

Wanner men geestelijke afstemming heeft, is men tevens aan een orde verbonden. Die orde leidt alles, stuurt hen naar de aarde, en zij zijn op aarde met duizenden, nee, miljoenen geesten in verbinding, die allen één doel voor ogen hebben en dat is om de mensheid uit alle narigheid te verlossen en vooral om hen te overtuigen van een eeuwig voortleven.  227 o.
Schrijf, Jozef, velen moeten het weten. Wanneer er enkelen de ogen zullen open gaan, zijn de meesters tevreden en gelukkig en is ons gemeenschappelijk werk beloond.  229 m. 
'Heb geen angst voor de dood, want het eeuwige leven is in u.’  230.


Google Analytics Alternative