JONGEN HERINNERT ZICH DE MOORD OP THOMAS BECKET.
Als bijzondere traktatie nam zijn tante Rosemary de kleine Philip van tweeeneenhalfjaar een dagje mee op stap naar Oxford. Het kind was nooit eerder in zijn leven in Oxford geweest, en Rosemary was er één keer tijdens een busreis doorheen gereden.
Ze waren nog niet in Oxford aangekomen of de kleine Philip vroeg zijn tante: Gaan we ook naar de klok kijken, tante Rosie?
Denkend dat het kinderpraat was ging Rosemary erin mee door te zeggen dat ze naar alle waarschijnlijkheid onderweg wel een klok tegen zouden komen. Philip antwoordde: Maar ik bedoel die gekke klok. Zijn tante vroeg hem:

Welke gekke klok? Philip gaf haar vervolgens een gedetailleerde beschrijving van een grote klok opzij van een oude kerk met vreemde tekens op de wijzerplaat.
Ik ging altijd naar de gekke klok kijken, zei Philip. Rosemay legde hem uit dat hij geen klok in Oxford gezien kon hebben omdat hij er nooit eerder was geweest. Het kind zei: Ik heb hem gezien toen ik hier woonde en Andrew was.
Ik dacht natuurlijk dat hij een hoop onzin sprak, zei Rosemary, vooral omdat de klok die hij beschreef zo vreemd was. Door wat hij zei, leek het voor mij meer op een zonnewijzer.

Vervolgens stelde Rosemary voor te gaan winkelen, maar Philip raakte compleet overstuur, begon te huilen en zei dat hij toch echt zijn klok terug wilde zien. Hij keek zo bedroefd dat ik me begon af te vragen wat hem dwars zat.
Philip was niet te vermurwen, hoewel ze hem een snoepje en een ijsje beloofde. Hij wilde alleen maar zijn klok zien, die aan de oude kerk vastzat, herhaalde hij.  Ik voelde me machteloos omdat ik niet wist wat ik moest doen of waar ik heen moest, dus zei ik tegen Philip: Ik weet niet waar je klok is, lieverd. Philip klaarde op en antwoordde: Ik wel. Ik zal de weg wel wijzen. Philip nam z'n tante bij de hand en leidde haar door allerlei steegjes en achterafstraatjes van Oxford. Hij leek zo vastbesloten zijn klok te vinden en hij was zo zeker van alle straatjes waar hij me doorheen loodste, dat ik me er maar aan overgaf. En plotseling... daar was zij. De oude kerk met de meest vreemdsoortige klok die ik in mijn leven heb gezien. Ik kon mijn ogen niet geloven.

Philip had zijn tante Rosemary naar de klok gebracht, die er precies zo uitzag als hij haar had beschreven. Rosemary verklaart: Het was hoogst merkwaardig, vooral omdat ik veronderstelde dat Philips eerdere beschrijving waarschijnlijk van geen kant klopte, daar ik ervan uitging dat hij één en ander door elkaar haalde, maar hij had helemaal gelijk. Op de wijzerplaat van de klok was, naast de gebruikelijke wijzers en cijfers, een grote zonnewijzer aangebracht. Daarom had Philips beschrijving zo verward geklonken!
Toen Rosemary Philip vroeg hoe hij van het bestaan van de klok afwist, was zijn stellig antwoord dat hij zich haar herinnerde uit een vorig leven, waarin hij een jongetje was dat Andrew heette.
Rosemary heeft nooit aan iemand verteld wat Philip haar allemaal zei - zelfs niet aan zijn ouders. Ik was me ervan bewust dat het zo vergezocht klonk, dat ze waarschijnlijk zouden denken dat ik getikt was.

Toen Rosemary ongeveer een jaar later op Philip paste, zei hij plotseling: Toen ik Andrew was, zag ik de moordaanslag op Thomas Becket.
Rosemary was stomverbaasd. Hoewel het Andrew verhaal geen nieuwtje voor haar was, kon zij niet geloven dat ze de woorden 'Thomas Becket' - en 'moordaanslag' had gehoord. Dit soort woorden paste niet binnen de vocabulaire van een driejarig jongetje en van een dergelijk historisch feit kon hij niets afweten. Ik kon bijna geen woord uitbrengen, zo geschrokken was ik, zegt Rosemary. Philip vertelde zijn tante dat hij als Andrew groter was dan nu, omdat hij toen zes jaar oud was en schrijven kon.  
 Philip zegt: Ik schreef alles op wat ik zag. Ik had toen een heleboel notitieboekjes, maar ik geloof dat ze kwijtgeraakt zijn. Het kind herinnert zich om de een of andere reden vanuit zijn woonplaats Oxford meegenomen te zijn naar Canterbury, waar de aartsbisschop tijdens dat bezoek werd vermoord.

Hij herinnert zich gezien te hebben hoe een massa mensen heen en weer rende en hij herinnert zich vooral dat er veel soldaten in de stad waren. Hij zegt: De soldaten hadden reuzenzwaarden en grote, lange schilden met tekeningen erop en ze droegen rare maskers. Sommigen waren te paard en anderen hingen wat rond. Ze waren heel lawaaierig en schreeuwden.
Philip zegt dat hij op het moment van de moord daadwerkelijk in de kathedraal van Canterbury was. Er waren heel veel mensen , zegt hij. Hij herinnert zich de kleren die men droegen korte jurken en de vrouwen lange. '
 hoewel hij op dat moment pas zes jaar was, was het jongetje zich kennelijk duidelijk bewust dat er iets verschrikkelijks gebeurde. Hij zegt: Ik wist dat het iets heel ergs was en daarom heb ik het in mijn boekje opgeschreven. Er was een hoop lawaai en gegil in de kerk. Het was er heel donker en ik kon niet goed zien.

Ik werd samen met alle andere mensen platgedrukt. Ik kon Thomas Becket niet zien, omdat de grote mensen voor me stonden, maar ik weet dat hij er was en dat de soldaten hem vermoordden en toen naar buiten renden. Daarna was iedereen aan het duwen en schreeuwen en iedereen was bang.  
Na deze beschrijving van Philip twijfelde zijn tante er niet aan dat haar neefjes herinneringen echt waren en dat hij eerder had geleefd in de twaalfde eeuw. Geen enkel kind van zijn leeftijd zou op de hoogte kunnen zijn geweest van gebeurtenissen die zo lang geleden plaatsvonden. We hebben het nooit over geschiedenis of zo - zo'n familie zijn we gewoon niet - en bovendien zouden we nooit in het bijzijn van een kind van drie over een moord praten. Wat Thomas Becket betreft, ik denk dat niemand van ons iets over hem weet. Mij is alleen bekend dat hij eens heeft geleefd en dat hij werd vermoord, maar ik heb geen idee over het hoe en waarom. Ik weet eigenlijk niets over de man.
 
Rosemary zegt: Ik vind het allemaal een beetje griezelig. Wat me het meest verbaast, is dat Philip de eerste keer dat hij het over Thomas Becket had, het woord moordaanslag gebruikte in plaats van moord, wat een kind eerder zou zeggen. Hij scheen bovendien precies te weten wat moordaanslag betekent.
Er is een verband met Oxford in het verhaal over Thomas Becket. Robert van Cricklade, die van 1140 tot 1180 prior was van de St. Frideswidekerk in Oxford, beschreef het leven van Becket, maar aangezien hij niet getrouwd geweest kon zijn is het zeer onwaarschijnlijk dat hij op het moment van de moord in het gezelschap was van een jongetje van zes. Het ligt meer voor de hand dat Andrew behoorde tot degenen die op die noodlottige avond in 1170 voor de dienst bijeengekomen waren. De gebeurtenissen van die avond maakten zo'n indruk op zijn jonge geest dat zij meer dan achthonderd jaar later nog steeds levend zijn.
P.H.M.K.
 
           MEISJE HERINNERT ZICH DAT ZIJ VERPLEEGSTER WAS
                                     IN DE NEGENTIENDE EEUW.
Angela Mahony werd geboren in Cork in het zuiden van Ierland en toen ze bijna twee was, verhuisden haar ouders naar Poole in Dorset, Engeland. Dit was de eerste keer dat Angela en haar ouders buiten Ierland kwamen. De kleine Angela was zelfs nog nooit buiten haar geboorteplaats geweest. Het kostte het gezin een aantal dagen om hun nieuwe huis op orde te krijgen, maar op de derde dag besloot Angela's moeder, Kathleen, wat winkels te gaan bekijken en het meisje voor een wandeling mee te nemen.
Op dat allereerste tochtje kwamen ze langs Barclay House, het grote bankgebouw. Het kind raakte helemaal opgewonden en begon luidkeels te roepen: Kijk mamma, dat is mijn ziekenhuis. Daar was ik verpleegster.

Haar moeder legde haar uit dat het grote gebouw geen ziekenhuis was, maar het kantoor van een grote bank. Ze legde Angela uit dat de mensen in de bank voor het geld van andere mensen zorgen. Vervolgens zei ze tegen haar dochter: Dus zijn er hier geen verpleegsters, Angie.
Angela wilde niets horen van haar moeders uitleg, maar raakte zo mogelijk nog meer opgewonden en herhaalde haar eerste verklaring: Het is een ziekenhuis. Het gebouw aanwijzend voegde ze eraan toe: Ik was daar verpleegster toen ik vroeger hier was.
Haar moeder vroeg wat ze bedoelde, en wees Angela erop dat ze nog maar drie dagen geleden hier aangekomen waren en dat dit de eerste keer was dat zij beiden langs deze weg liepen. Angela's reactie was: Toen ik verpleegster was, liep ik altijd langs deze weg, met mijn lange jurk aan en mijn verpleegsterskap op. Ze omschreef haar uniform als een lange jurk, met daaroverheen een eveneens lang wit schort en een vreemdsoortig kapje.

Kathleen ging met het kind naar huis en dacht niet meer aan wat de kleuter had gezegd, maar toen ze een paar dagen later opnieuw langs Barclay House kwamen raakte Angie weer erg opgewonden en herhaalde dat zij hier vroeger als verpleegster had gewerkt.
Deze keer was ook Angela's vader, Desmond, erbij. Toen hij zijn dochtertjes opmerkingen hoorde, wendde hij zich tot zijn vrouw en vroeg: Waar heeft zij het over? Kathleen vertelde hem wat zich had voorgedaan op hun vorige wandeling langs de bank.
Maar dat is belachelijk, zei Desmond. Hoe komt ze aan die onzin?
Kathleen vertelde haar man dat ze net zo perplex stond als hij en merkte verder op dat ze onder hun familie of vrienden geen verpleegsters hadden, die Angela daarover iets verteld zouden kunnen hebben. Bovendien, zei Kathleen, lijkt het alsof ze deze buurt herkent en blijft ze volhouden dat er hier eigenlijk een ziekenhuis zou moeten zijn.

Desmond is een man die graag de dingen tot op de bodem uitzoekt, dus vroeg hij aan Angela: Wat heb je mamma allemaal voor gekke dingen verteld, Angie? Je weet dat je nooit verpleegster bent geweest, lieve schat. Heb je met je poppen verpleegstertje gespeeld?
Angela's antwoord was heel duidelijk. Ze zei tegen haar vader: Niet met mijn poppen, pappa, met grote mensen. Vervolgens wees ze weer naar het bankgebouwen zei: Het was daar in dat gebouw, toen ik hier de vorige keer was. Ik was daar verpleegster.
Vanaf die dag vertelde ze iedere keer wanneer ze langs het gebouw kwamen hetzelfde verhaal. Naarmate de maanden verstreken en Angela steeds beter leerde praten, kon ze veel meer bijzonderheden over haar vorige leven aan haar verbijsterde ouders vertellen. Ze zei dat er een heleboel zieke mensen waren waarvoor ze moest zorgen, en dat ze lange dagen maakte. Angela herinnert zich ook nachtdienst te hebben gehad en ze zei tegen haar moeder:

Soms moest ik de hele nacht opzitten om voor de zieke mensen te zorgen. Het was heel donker en ik vond er niets aan. Omdat Angela nooit van haar verhaal afweek, vraagt haar moeder zich af of er iets van waarheid kan schuilen in de herinneringen  van haar dochtertje. Kathleen zegt: Wat me aan het denken zet is het feit dat Angela nooit een ander verhaal dat hiermee vergelijkbaar is ophangt. Als ze altijd maar verhalen over zichzelf zou vertellen, zou ik het allemaal kunnen toeschrijven aan een levendige fantasie. Maar ze geeft altijd weer hetzelfde verslag van haar tijd als verpleegster en heeft nooit vergelijkbare verhalen over andere levens verteld. Ik ben dus geneigd te geloven dat ze zich echt iets uit haar verleden herinnert.
Kathleen zegt dat alle moeders zich wel bewust zijn van het feit dat hun kinderen kunnen vervallen in kleine dagdroompjes en dan soms met de meest vergezochte verhalen op de proppen kunnen komen. Wat hierbij opvalt, zegt Kathleen, doelend op Angela's relaas, is dat kinderen normaal gesproken altijd wel iets vergeten, stukken weglaten, of in hun eigen verhaal verstrikt raken en dan uiteindelijk vier of vijf verschillende varianten vertellen.

Daarmee vallen ze dan door de mand. Maar Angie's relaas over haar verpleegstersschap verandert nooit. Daarom heb ik het gevoel dat haar herinneringen echt zijn en ze alles niet zomaar verzint.
Toen Angela's verhaal nader onderzocht werd, kwam aan het licht dat er vroeger naast het huidige Barc1ay House een oud armenhuis was - iets dat de ouders absoluut niet wisten. Het stond bekend als het Verenigd Armenhuis en werd gebouwd in 1838. Zoals in alle armenhuizen waren er natuurlijk verpleegsters in dienst om voor de zieken te zorgen. Vervolgens bleek dat het armenhuis in 1900 werd omgebouwd tot hospitaal. In de archieven is terug te vinden dat de beheerders van het hospitaal zeer kritisch waren ten aanzien van de kwaliteit van de aangestelde verpleegsters.
Het hospitaal maakte uiteindelijk deel uit van het oude ziekenhuis in Poole, dat in die tijd bekend stond als: Het Comelia Ziekenhuis, genoemd naar Lady Comelia Wimborne, die het financierde.

Het is dus heel goed mogelijk dat Angela als verpleegster in een van de drie instellingen heeft gewerkt - het armenhuis, het hospitaal of het Comelia Ziekenhuis. Door het systeem van de Armenwet waaronder het armenhuis en het hospitaal vielen, was er een aanzienlijk verloop in het verplegend personeel. De minimale leeftijd voor verpleegsters in het armenhuis was in 1873 gesteld op vijfentwintig jaar. Vanaf 1900 toen het armenhuis veranderde in hospitaal, werd deze leeftijd tot tweeëntwintig jaar verlaagd, en de verpleegsters mochten niet in dienst blijven als zij trouwden.
Hoewel de algemene omstandigheden in de Armenwetinstellingen door het hele land zeer ongunstig waren voor zowel de patiënten als het verplegend personeel, stond het armenhuis in Poole beter bekend dan de meeste andere. De kinderen werden er iets beter behandeld dan in vele andere armenhuizen en kregen meer individuele aandacht. Zij leerden netten maken, die gebruikt werden voor de belangrijke vishandel van Poole met Newfoundland en Labrador.

Een jong meisje dat in die tijd voor het verpleegstersberoep koos, kon ofwel in een ziekenhuis als leerling worden aangenomen, waar zij een driejarige cursus volgde, of naar het armenhuis gaan en meteen ongeschoold assistente worden.
Het zal interessant zijn te zien of de kleine Angela Mahony het verpleegstersberoep kiest wanneer ze volwassen is. Nu is ze pas vier jaar oud en te jong om zelfs maar te denken over wat haar toekomstige baan zou kunnen zijn.
Zou ze inderdaad verpleegster worden dan zal ze wel een heel andere levensstijl kennen dan die van verpleegsters in de negentiende-eeuwse armenhuizen.
Angela is heel intelligent en gehoorzaam en schijnt een heel eigen zelfdiscipline te hebben, wat nogal ongewoon is voor zo'n jong kind. Vanaf haar derde kon ze al lezen en schrijven en ze heeft een opmerkingsvermogen waar de meeste volwassenen versteld van staan.

Kathleen zegt: Het is meer dan eens gebeurd dat mensen me op straat aanhouden wanneer ik met Angie boodschappen doe en opmerken hoe ouderwets ze is. En meestal draait het wel op hetzelfde uit en zeggen ze: O, maar die is hier al eens eerder geweest. Angie's moeder glimlacht stilletjes wanneer ze deze opmerkingen hoort.
Ze vraagt zich af wat die onbekende mensen zouden zeggen als ze Angie's verhaal horen dat ze in haar vorige leven verpleegster was.
A.M.P.
 
                                        JONGEN HERINNERT ZICH
              EEN DUITSE GEVECHTSPILOOT TE ZIJN GEWEEST.
Wanneer de jonge Carl Edon met zijn speelgoedvliegtuigen speelt geloven zijn ouders dat het niet alleen maar kinderspel is, maar dat het voor Carl een terugblik is naar de periode waarinCarl volgens zijn herinnering piloot bij de Duitse luchtmacht is geweest.
Vanaf moment dat hij kon praten vertelde hij ons regelmatig dat hij op een keer met zijn vliegtuig neerstortte tegen de ramen van een gebouw, zegt zijn moeder Valerie. We leidden uit zijn verhalen af dat hij uiteindelijk overleed aan de vele verwondingen die hij bij deze botsing opliep. We vonden het vreemd dat hij een dergelijk verhaal vertelde, want als kleine kleuter was zijn belangstelling voor avontuurlijke verhalen niet echt groot geweest, en hij keek ook niet graag naar oorlogsfilms en dergelijke.

Valerie Edon vertelde verder dat naarmate hij ouder werd en beter leerde praten, het verhaal gedetailleerder en dat hij het op zo'n overtuigende toon vertelde dat zij en haar man vonden dat ze het niet langer konen afdoen als de dagdroom van een kleuter.
Een voorval dat de Edons er pas echt van overtuigde dat er grond van waarheid school in Carls verhaal. deed zich voor toen hij leerde tekenen en kleuren. Zoals de meeste kleine kind maakte hij eerst de fase door waarin hij met zijn kleurpotloden experimenteerde en de gebruikelijke kleurboeken had en kinderpuzzeltjes maakte waarbij hij van punt naar punt lijntjes trok om plaatje te krijgen. Op een dag zat hij met zijn kleurtjes en kleurboek voor zich, maar in plaats van de plaatjes in te kleuren had hij, zo merkte zijn moeder op, vreemdsoortige insignes en motieven, verspreid over het hele blad, zitten tekenen.

Vooral de nauwkeurigheid van de tekening trok Valerie's aandacht. In tegenstelling tot het normale gekras van een driejarige waren Carls tekeningetjes duidelijke, exacte voorbeelden van verschillende insignes en onderscheidingstekens, die Valerie, met uitzondering van een klein tekeningetje, volkomen vreemd voorkwamen. In de bovenhoek van zijn kleurboek had Carl een perfect Duits hakenkruis binnen een cirkel getekend, waardoor het op insigne leek. Er waren ook andere kleine insignes, die met de vaardigheid van een professionele kunstenaar waren getekend.
Toen Valerie haar zoon ernaar vroeg, antwoordde hij: Zo waren de insignes op mijn uniform, dat ik aanhad wanneer ik mijn vliegtuig vloog.
 
Er wachtten nog meer verrassingen, en wel toen Carl vlak na zijn vijfde verjaardag de cockpit van zijn vliegtuig tekende. Hij wist zich precies de plaatsing van alle verschillende bedieningspanelen te herinneren en hij legde aan zijn onthutste ouders de functie van iedere hendel, wijzer en elk meetinstrument uit. Hij wist zelfs waar het knopje zat, waarvan hij zich herinnert dat hij erop moest drukken om de bommen af te werpen.

Carls vader was geïntrigeerd door de hoeveelheid minutieuze details in de tekeningen van zijn zoontje, vooral omdat hij wist dat Carl nooit echt in een vliegtuig was geweest, laat staan in een cockpit. Ik begrijp niet hoe hij aan de informatie gekomen kon  zijn, zegt zijn vader. Hij kan het zeker niet uit een platenboek hebben gehaald, omdat hij dan het onderwerp zo nauwkeurig had moeten bestuderen dat het ons zou zijn opgevallen, maar afgezien daarvan had hij ook geen boek met afbeeldingen van Duitse vliegtuigen of een cockpit.
De jongen weet nog hoe hij zich bij de Luftwaffe, de Duitse Luchtmacht, aanmeldde toen hij negentien jaar oud was en dat hij gelegerd was op een uitgestrekte luchtmachtbasis, met een groot aantal barakken in lange rijen. Carl vertelt: Deze barakken hadden wasbakken, maar geen waterkranen. Het water kwam uit een pomp. De jongen herinnert zich dat hij en zijn kameraden allemaal een eerste-hulp-opleiding kregen, en dat iedereen die gewond was door de mannen zelf werd behandeld. Iedereen was verplicht deze taak op zich te nemen.

Valerie en haar echtgenoot waren verbouwereerd toen hun jonge zoon hen plotseling vertelde dat hij had moeten salueren voor een ingelijst portret van Hitler. Ik kon mijn oren niet geloven, zegt Valerie. 'Ik wist absoluut niet dat hij de naam Hitler kende of gehoord had. Hij was binnen ons gezin beslist nooit een onderwerp van gesprek geweest. 
Volgens Carl moesten de troepen zich in een grote aula verzamelen. Hij zegt: Er hing een portret van Hitler aan de muur en we moesten allemaal met onze voeten stampen en voor zijn afbeelding salueren. Hij kan het stampen en salueren demonstreren alsof ze hem van nature zijn aangeboren.
 In antwoord op zijn moeders vraag naar wat hij in de aula aanhad, zegt hij:

Een grijze broek in kniehoge leren laarzen gestopt en een zwart jasje. Zijn ouders konden niet geloven dat hun zoon echt een Duits uniform beschreef, dus gingen ze, zonder zijn medeweten, naar de plaatselijke bibliotheek en zochten daar in diverse boeken één en ander op, om tot de ontdekking te komen dat Carl een nauwkeurige beschrijving had gegeven van zijn uniform, insignes en de cockpit van zijn vliegtuig.
Zijn ouders slaagden erin zelfs de kleinste details van Carls tekeningen te controleren aan de hand van foto' s die zij in een oud boek over Duitse vliegtuigen uit de laatste oorlog vonden.
Met ijzingwekkende nauwkeurigheid kan Carl het verongelukken van zijn vliegtuig tegen de ramen van het gebouw reconstrueren. Hij vloog laag over een aantal gebouwen heen en is vermoedelijk een paar seconden buiten bewustzijn geweest. Hij beschrijft: Alles werd even helemaal zwart. Toen hij in de cockpit van zijn vliegtuig weer bijkwam, zag hij in een enorme vaart een gebouw op zich afkomen. Uit alle macht trok hij aan de stuurknuppel, maar het was al te laat. Als een bulldozer ging het vliegtuig dwars door de ramen van het gebouw heen.

Carl herinnert zich het gevoel van afgrijzen dat hem overviel toen hij besefte dat zijn rechterbeen was afgerukt. Als gevolg van de shock veroorzaakt door de botsing, het verlies van een van zijn ledematen te samen met een aantal andere verwondingen, overleed hij kort daarna.
De fatale slag trof treurig genoeg niet alleen Carl, maar ook een lieftallig jong meisje uit het dorp waar Carl in Duitsland woonde en met wie hij verloofd was en zou gaan trouwen. Zij kenden elkaar al sinds hun prille jeugd en waren samen opgegroeid, hoewel zij een paar jaar jonger was dan hij. Hij herinnerde zich zijn gedachten vlak voordat hij stierf en hoe hij een intens medelijden had met zijn jonge verloofde, wetend dat zij uiteindelijk het verpletterende nieuws van zijn dood zou vernemen. Met de wijze van spreken die hem zo eigen is, zei Carl: Ik had zo met haar te doen.

Hoewel Carl zich niet veel kan herinneren van wat er gebeurde nadat hij stierf, weet hij zeker dat hij een jongere broer had, die ook piloot was, en het vreemde is dat hij ervan overtuigd is dat deze broer overleed kort nadat hij tussen de verwrongen wrakstukken van zijn verongelukt vliegtuig doodbloedde.
Hij herinnert zich ook nog zijn vader, die Fritz heette. Kennelijk was Carl zeer gesteld op deze man, die naar het schijnt een joviaal karakter had. Over hem vertelt Carl: Hij was zo grappig dat hij me altijd aan het lachen maakte, en we maakten samen prachtige wandelingen in de bossen. Hij vertelde Carl alles over de bomen, planten en bloemen die zij op hun tochten door de bossen vlakbij hun huis in Duitsland tegenkwamen. Het dorpje waar zij woonden was schilderachtig, en lag temidden van heuvels en malse weilanden. Het was maar een klein dorpje, zegt Carl, en toch hield ik ervan.

Zijn moeder deelde in het gezin de lakens uit en Carl herinnert zich dat zij klein en gezet was, met donker, krullend haar en een brilletje op het puntje van haar neus. Ze was een beetje bazig, zegt de jongen, en ik moest altijd gehoorzaam zijn.
Hij moest zijn steentje bijdragen aan het huishouden, en hij herinnert zich dat een van zijn vaste taken bestond uit het sprokkelen van hout voor de grote open haarden in hun huis. Hij heeft heldere herinneringen aan het hakken van lange boomstammen tot kleinere blokken, die hij vervolgens in zijn kruiwagen naar huis bracht en opstapelde. De geur van pas gekapt hout heeft op de jongen een diepe indruk gemaakt. Hij omschrijft hem als een lekkere verse geur, die me altijd aan de bossen doet denken.
De geuren die ook in het bewustzijn van Carl zijn blijven hangen, zijn die van het koken. Hij herinnen zich hoe hij een soort soep te eten kreeg. Ze was niet zoals de soep die ik nu krijg, zegt hij, maar donkerrood van kleur en behoorlijk dik. Mijn moeder maakte ze bijna iedere dag. Lachend voegde Carl hieraan toe: Ik kreeg ook andere dingen te eten, maar ik kan me niet herinneren wat dat voor dingen waren. Maar ik weet dat ik ze kreeg, net zoals de soep.

Valerie Edon vraagt zich af of er enig verband zou kunnen bestaan tussen Carls herinneringen aan zijn vorig leven en andere familieleden. Mijn schoonzusje is Duitse van geboorte en haar vader was tijdens de oorlog piloot. Ze vraagt zich af of het slechts toeval is dat deze man ook tijdens de gevechten omkwam toen hij door de Britten in zijn vliegtuig werd neergehaald.
Toen dit schoonzusje nog een baby was, hertrouwde haar moeder in Duitsland met een Engelsman en verhuisde later naar Engeland, waar het gezin sindsdien woont. De baby werd door haar Engelse stiefvader geadopteerd. Valerie vraagt zich wel eens af of zij, door de een of andere vreemde wending van het lot, het kind baarde dat eigenlijk bestemd was voor haar schoonzusje.

Valerie' s twee andere kinderen, Darren en Angela, verschillen volkomen van hun broer Carl. Beiden zijn fors gebouwd met donker haar en een bruine teint, terwijl Carl klein is met blonde haren en blonde wimpers.
De Edons vragen zich nog steeds af waarom zij de behoefte hadden hun zoontje Carl te noemen. Het is hoogst merkwaardig, zegt Valerie, want we besloten hem Carl te noemen zonder natuurlijk iets te weten over zijn band met Duitsland.
Tijdens een recent bezoek aan Carls school ter gelegenheid van een ouderavond sprak Valerie met Carls lerares die zei: Hij heeft vreemde ogen, en wanneer ik met hem praat kijken zijn ogen dwars door me heen. De lerares vertelde Valerie verder dat wanneer ze Carl een som opgeeft, hij haar in een mum van tijd het juiste antwoord geeft. Wanneer ik hem vraag hoe hij het antwoord heeft gevonden, reageert hij gewoon niet. Het lijkt alsof hij denkt dat het geen zin heeft allerlei berekeningen uit te voeren als hij het antwoord toch al weet.

Carl, nu een slimme jongen van negen, heeft een perfectionistisch trekje dat niet bij zijn leeftijd past. Hij is in zijn doen en laten uiterst precies, en is voor wat betreft zijn uiterlijk en zijn kleren uitgesproken nauwgezet. Zijn moeder doet erg haar best om hem hierin tegemoet te komen: de kragen van zijn overhemden moeten glad gestreken zijn, en alles moet smetteloos schoon zijn. Zou dit een overblijfsel kunnen zijn van de periode dat hij aan strenge militaristische regels gebonden was?
Laatst hadden we theevisite, vertelt Valerie lachend, en Carl maakte het arme mens behoorlijk aan het schrikken toen hij haar plechtstatig en tot in de kleinste details van alles vertelde over Adolf Hitler, inclusief paradepas en saluten.

Naarmate hij ouder wordt, zegt Valerie, vertelt Carl echter niet meer zoveel over zijn mysterieuze vorige leven. Het is of hij zich alleen zo nu en dan losse flarden herinnert. Het is zijn moeder opgevallen dat hij niet bijster geïnteresseerd is in het kijken naar oorlogsfilms op de televisie, maar á1s hij kijkt dan kan het gebeuren dat hij een opmerking maakt over het feit dat er iets niet klopt aan een Duits uniform. Een keer wees hij op een acteur die de rol speelde van een Duitse onderofficier en zei: Hij lijkt precies op mijn sergeant.
Het is heel goed mogelijk dat de reden voor Carls gebrek aan enthousiasme voor oorlogsfilms te maken heeft met het feit dat zij hem te veel aan de werkelijkheid herinneren. Wie kan hem ongelijk geven als hij zich die afschuwelijke van geweld en dood vervulde dagen niet meer bewust wil herinneren?
C.E.M.
 
                                             JONGEN HERINNERT ZICH
                     DAT HIJ IN EEN VORIG LEVEN AUTOMONTEUR WAS.
Toen Jonathan drieëneenhalf jaar oud was verhuisden zijn ouders van Hulbridge in Essex naar de wijk Priory Park in Prittlewell vlakbij Southend-on-Sea. De eerste keer dat zijn moeder Anne Jonathan meenam voor een wandeling door het park had het kereltje dolle pret toen hij door het dikke tapijt van rode en roestbruine bladeren rende die van de bomen waren gewaaid. Het was een prachtige middag en de zon scheen door de bomen, waardoor de natuurlijke schoonheid van de herfstbladeren werd geaccentueerd. Er hing een pittige geur van brandend hout in de lucht, en Anne zag een groepje mannen, dat bezig was takken en bladeren te vergaren en op een knappend vuur te gooien.

Jonathan keek Anne aan en met een brede grijns van herkenning zei hij: Toen ik tien was kwamen we hier altijd heen, en stookten een vuurtje. Een politieagent kwam en joeg ons weg.
Anne ging ervan uit dat de verbeelding van het jongetje op hol was geslagen door het zien van het vuur, en hij daardoor verzon dat hij eerder in het park was geweest. Ze hechtte verder geen waarde aan de opmerking en zei er ook niets over tegen haar echtgenoot.
Enige tijd later was Anne aan het strijken. Het was vroeg in de avond, en de kleine Jonathan zat in zijn pyjama naar haar te kijken. Hij had die avond een beetje langer dan normaal mogen opblijven, maar aangezien het nu echt allang bedtijd was geweest, besloot zijn vader Tom dat het tijd was om zijn zoon mee naar boven te nemen en hem lekker onder de wol te stoppen. Na zijn moeder een nachtkus gegeven te hebben, klom Jonathan op de rug van zijn vader die hem naar boven droeg.

Op weg naar boven zei het jochie tegen zijn vader: Toen ik de laatste keer een jongetje was, streek mijn andere mamma ook. Tom was op z'n zachtst gezegd verbaasd, maar hij reageerde heel rustig. Ik herinner me dat ik in eerste instantie dacht dat ik Jonathan verkeerd had verstaan of dat hij niet zo goed kon uitdrukken wat hij precies wilde zeggen.
Tom vroeg Jonathan: Bedoel je dat je hebt zitten kijken toen mamma aan het strijken was? Het kind antwoordde: Niet deze mamma, maar mijn andere mamma. Zijn vader vroeg: Welke mamma? Jonathan antwoordde: De mamma die ik had toen ik hier eerder was. Tom zegt: Hij klonk zo overtuigd dat ik verbaasd was, dus vroeg ik hem wat hij bedoelde toen hij zei dat hij hier eerder was geweest. Jonathan vertelde zijn vader: Ik woonde hier in de buurt met mijn andere vader en moeder toen ik de laatste keer een jongetje was.

Omdat Tom Jonathan nooit eerder iets in die richting had horen zeggen, begon hij zich nu toch echt enigszins ongemakkelijk te voelen. Hij zegt: Ik Stopte hem in bed, en ik herinner me dat ik me heel vreemd voelde. Ik zag hoe hij daar heel ontspannen lag, één en al glimlach, alsof dat wat hij had gezegd de gewoonste zaak van de wereld was. Ik zag dat het hem absoluut niet dwars zat dat hij eerder hier was geweest. Vervolgens stopte Tom zijn zoontje in en gaf hem een kus. Op het moment dat hij bij de deur was, riep Jonathan naar zijn vader: Pappa, als mijn andere mamma aan het strijken was liet ze me zien hoe ik een vouw in mijn broek kon strijken.

Een verwarde Tom ging naar beneden naar zijn vrouw. Hij vertelde Anne alles wat Jonathan had gezegd, waarop zij hem vertelde over de opmerkingen van hun zoon tijdens hun wandeling in het park, dat hij daar eerder was geweest toen hij tien was.
 De ouders van Jonathan ,konden zich nog iets voorstellen bij een opmerking van een jongetje over een vuur, en dat hij had zitten kijken naar het strijken, maar waar ze helemaal niets van begrepen was hoe Jonathan wist te vertellen over het strijken van vouwen in een broek. Tom draagt in huis altijd een spijkerbroek, en als een van zijn pantalons geperst moet worden, gebeurt dat bij de stomerij. Anne zegt: Ik zou niet eens een poging durven wagen om zijn goeie broek te persen, uit angst er niets van terecht te brengen. Ze heeft van haar leven geen broeken geperst, en Jonathan, die pas drie jaar is, draagt al helemaal geen broeken die geperst moeten worden.

Anne zegt verder: Alle kinderkleding is tegenwoordig kreukvrij. Ze waren dus verbaasd dat Jonathan het woord 'vouw' zelfs maar kende.
 Kon daarna zat Anne met Jonathan in de bus, toen ze langs heel grote witte huizen in Chalkwell reden. Opeens wees Jonathan naar de huizen en zei: Daar woonde Angela. Anne vroeg hem wie Angela was en hij antwoordde: Zij was mijn vrouw. Anne kon haar oren niet geloven. Ze zei tegen Jonathan: Hoe kun je nu een vrouw hebben. Je bent pas drie jaar. Jonathan antwoordde: Ja, maar toen ik de laatste keer hier was, werd ik een grote man en was Angela mijn vrouw.

Vervolgens vertelde het kind dat hij toen hij eerder had geleefd, een zoon en een dochter had en dat het meisje ook Angela heette, net zoals haar moeder. Jonathan herinnerde zich dat zijn dochtertje allemaal pijpenkrullen had die in twee staartjes met strikken waren samengebonden. Dit leek in zijn geheugen gegrift te zijn. Hij vertelde Anne dat zijn vrouw het haar van het kind altijd borstelde voordat de kleine Angela naar bed werd gebracht en er dan, zoals hij het beschreef, lange repen van stof indraaide. Hij beschreef verder hoe Anne's haar één en al pijpenkrul was wanneer de papillotten er 's morgens werden uitgehaald.

Later op diezelfde dag reden ze op de terugweg door Chalkwell Avenue en toen ze bij een bepaald kruispunt kwamen, raakte Jonathan erg geagiteerd en keek heel bedrukt. Anne hield hem in de gaten, maar zei niets. Plotseling keek hij haar aan en zei: Daar is mijn dochtertje verongelukt. Anne zegt: Hij keek echt verdrietig en ik dacht dat hij zou gaan huilen. Ik vroeg hem of het ging en hij knikte en zei: Mijn kleine Angela werd daar door een auto aangereden.
Na die eerste busreis zei Jonathan altijd weer hetzelfde over het dodelijk ongeluk van zijn dochtertje, en iedere keer als zij in de bus door die straat reden, wees hij naar die plek bij het kruispunt. Hij veranderde nooit van gedachte en kwam nooit in de war met een andere straat. Hij herinnerde zich dat de kleine Angela de straat was opgerend en dat zij op slag dood was geweest.

Een andere keer, ook weer toen ze in de bus zaten, wees Jonathan naar een grote garage met het opschrift Earl's Hall Motors en zei: Daar werkte ik als automonteur. Hij vertelde zijn moeder dat hij alle auto's moest repareren en dat hij wist hoe motoren in elkaar zaten.
Jonathan heeft twee jongere zusjes, Elizabeth en Louise, en toen Anne op een dag de meisjes in bad deed, zei Jonathan tegen haar: Zo deed ik Angela ook in bad. Zijn zusjes waren toen één en twee jaar oud en Elizabeth, de oudste, vroeg Jonathan wie Angela was. Giechelend vroeg ze: Is zij jouw popje? Door die vraag raakte Jonathan uitgesproken verontwaardigd en met een mannelijke stem zei hij vanuit de hoogte tegen zijn zusje: Ik had geen poppen. Angela was mijn dochtertje. Elizabeth had natuurlijk geen idee waar haar broertje het over had, en spetterde vrolijk om zich heen, maar Anne begreep wat hij bedoelde. Ze zei tegen Jonathan: Had je echt een klein meisje dat Angela heette? Hij antwoordde vastberaden: Ja, en ze is verongelukt. Anne vroeg hem vervolgens: En je zoontje dan? Jonathan zei: Ik kan me niet herinneren hoe hij heette. Ik kan me alleen Angela's naam herinneren omdat mijn vrouw ook zo heette.

Jonathan vertelde zijn moeder dat ze verhuisden naar een van de grote witte huizen in de wijk Chalkwell toen hij met Angela trouwde. Hij zei dat hij een fijne grote tuin had en dat hij daarin veel bloemen en groenten had staan. Hij kon zich het juiste adres of huisnummer niet herinneren, maar hij was er zeker van dat het ergens in Chalkwell was.
Omdat het gezin nog maar net was verhuisd, was het Anne een raadsel hoe Jonathan de naam Chalkwell kende, laat staan dat hij wist van het bestaan. van de wijk. Het hele gebied was hun totaal onbekend en Jonathan was nooit eerder in Chalkwell geweest, afgezien van de paar keer dat hij er met zijn moeder in de bus doorheen was gereden.

Hoewel er in die buurt vier garages zijn, zijn drie ervan eigenlijk alleen maar benzinestations. Earl's Hall Motors, de oudste garage van de buurt, is de enige waar men automonteurs in dienst heeft. Omdat Jonathan zich zijn vorige naam niet meer kan herinneren is het moeilijk na te gaan of daar ooit een monteur in dienst is geweest die past bij de beschrijving van de man die Jonathan denkt geweest te zijn.
De belangrijkste aanwijzing was het feit dat zijn dochten je bij een ongeluk was omgekomen op een kruispunt van Chalkwell Avenue. Op dit ogenblik woont er in die buurt niemand die zich een ongeluk kan herinneren waarbij een klein meisje dat Angela heette, betrokken zou zijn geweest. Omdat een achternaam niet bekend is, is het wat dit betreft moeilijk voor mensen terug te denken. Vaak is het zo dat de mensen zich het voorval zullen herinneren aan de hand van de achternaam, zoals bijvoorbeeld: het meisje Jansen, of Billy Smiths dochtertje, wanneer een klein kind bij een auto ongeluk omkomt. Zij herinneren zich niet zo makkelijk de voornamen van kinderen.

In de jaren voor 1960 was de politie van Southend een onafhankelijke eenheid, maar daarna werd zij aan het provinciale corps toegevoegd, en werd het oude archief van het Southend bureau in kluizen opgeborgen. Het ontbreken van een datum of achternaam zou het ook in dit geval tot een onmogelijke taak maken om gegevens van een dergelijk fataal ongeluk te achterhalen. Eén agent echter, met een lange staat van dienst, Agent Ernie Dark van de Southend verkeersbrigade, kan zich nog een fataal ongeluk op precies die plek ongeveer dertig jaar geleden voor de geest halen, waarbij een kind betrokken was, en hij herinnert zich dat het kind dat verongelukte een meisje was.
 J.P.L.
 
                      HET VERHAAL VAN EEN TURKS JONGETJE.
Dr. Jürgen Keil, een Oostenrijks psycholoog, luisterde naar Kemal Atasoy, een zesjarig Turks jongetje, dat hem vol overtuiging vertelde over de details van een vorig leven waaraan hij beweerde herinneringen te hebben. Ze ontmoetten elkaar bij de jongen thuis, een comfortabel huis in een betere middenklasserwijk. Bij de ontmoeting waren de tolk van dr. Keil en de ouders van Kemal aanwezig, een goed opgeleid echtpaar dat van tijd tot tijd geamuseerd leek door het enthousiasme waarmee de jongen zijn verhaal deed. Kemal vertelde dat hij in Istanbul had gewoond, 500 kilometer verderop. Hij had als achternaam Karakas gehad en was een rijke Armeense christen die in een groot huis met drie verdiepingen had gewoond. Het huis, zei hij, lag naast dat van een vrouw die Aysegul heette, een bekendheid in Turkije, die vanwege problemen met justitie het land had verlaten. Kemal zei dat zijn huis aan het water stond, dat er boten lagen aangemeerd en dar er een kerk achter stond. Hij vertelde dat zijn vrouwen kinderen Griekse voornamen hadden. Verder zei hij dat hij vaak rondliep met een grote leren tas en dat hij maar voor een deel van het jaar in het huis woonde.

Toen Kemal dr. Keil in 1997 ontmoette, wist niemand of zijn verhaal waar was. Zijn ouders kenden niemand in Istanbul. Kemal en zijn moeder waren daar zelfs nog nooit geweest, en zijn vader had de stad slechts tweemaal voor zaken bezocht. Bovendien kende het gezin geen Armeniërs. Zijn ouders waren alevieten, aanhangers van een moslimstroming, die in reïncarnatie geloven. Ze leken echter weinig waarde te hechten aan de uitspraken die Kemal van tijd tot tijd deed sinds hij nog maar een peuter van twee was.
Dr. Keil ging na of de details van Kemals verhaal inderdaad op waarheid berustten. Na een grondig onderzoek naar het bestaan van de persoon die Kemal beweerde te zijn geweest, werd duidelijk dat Kemal nooit toevallig geweten kon hebben van de details van het leven van de man in kwestie.
 Nadat dr. Keil en zijn tolk naar Istanbul waren afgereisd, vonden ze het huis van Aysegul, de vrouw over wie Kemal hun had verteld. Daarnaast bevond zich een leegstaand herenhuis met drie verdiepingen dat precies overeenkwam met Kemals beschrijving: het stond aan de waterrand, waar boten lagen aangemeerd, met een kerk erachter. Het kostte dr. Keil vervolgens flink wat moeite om bewijzen te achterhalen dat daar ooit iemand had gewoond die overeenkwam met Kemals beschrijving.

Er woonden in die tijd geen Armeniërs in dat deel van Istanbul, en dr. Keil kon niemand vinden die zich herinnerde dat dat ooit wel het geval was geweest. Toen hij later dat jaar naar Istanbul terugkeerde, sprak hij met functionarissen van de Armeense kerk, die zeiden niet te weten of er ooit een Armeniër in het pand had gewoond. Er waren geen kerkregisters waaruit dat viel op te maken, maar een groot deel daarvan was dan ook door een brand verwoest. Dr. Keil sprak met een oudere man uit de buurt die zei dat er heel lang geleden inderdaad een Armeense familie in het huis had gewoond en dat de kerkfunctionarissen domweg te jong waren om zich dat verre verleden nog te herinneren.
Gewapend met die kennis besloot dr. Keil zijn zoektocht naar informatie voort te zetten. Het jaar daarop reisde hij voor de derde keer af naar Istanbul en sprak een gerespecteerd plaatselijk historicus. Tijdens dit gesprek lette dr. Keil er welbewust op dat hij de man geen antwoorden in de mond legde of hem een bepaalde kant op stuurde. De historicus vertelde een verhaal dat opvallende overeenkomsten vertoonde met het verhaal van Kemal. Hij zei dat er inderdaad een rijke Armeense christen in het huis had gewoond; hij was de enige Armeniër in de streek geweest en het gezin had Karakas geheten. Zijn vrouw was Grieks-orthodox en haar familie keurde het huwelijk niet goed. Het echtpaar had drie kinderen, Maar de historicus wist niet hoe die heetten.

Hij zei dat de Karakas-clan in een ander deel van Istanbul woonde en in lederwaren handelde, en dat de man in kwestie zich vaak had vertoond met een grote leren tas. Hij vertelde bovendien dat de man alleen tijdens de zomermaanden in het pand had gewoond. Hij was in 1940 of 1941 overleden.
Hoewel dr. Keil niet kon achterhalen of de vrouwen de kinderen zoals Kemal had gezegd Griekse voornamen hadden, was de vrouw wel afkomstig uit een Griekse familie. De voornaam die Kemal de man had gegeven, bleek het Armeense woord voor 'aardige man' te zijn. Dr. Keil wist niet of mensen meneer Karakas daadwerkelijk zo hadden genoemd, maar het verraste hem wel dat Kemal een naam had genoemd die meneer Karakas heel goed zou kunnen hebben getypeerd, hoewel niemand in Kemals omgeving het woord kende. Hoe kon deze kleine jongen, die in een stad 500 kilometer verderop woonde, zoveel weten over een man die vijftig jaar voor Kemals geboorte in Istanbul was gestorven? Het was onwaarschijnlijk dat hij ooit iets had gehoord over de man over wie dr. Keil pas na veel moeite informatie wist te achterhalen. Hoe viel dit te verklaren?

Kemal gaf op die vraag een heel simpel antwoord: hij beweerde dat hij in een vorig leven die man was geweest.
Kemal staat met zijn uitspraken niet alleen. Kinderen over de hele wereld hebben herinneringen aan vorige levens beschreven. Al meer dan 40 jaar proberen onderzoekers dergelijke verhalen na te trekken. In dossiers die liggen opgeslagen bij de Division of Personality Studies van de universiteit van Virginia worden meer dan 2500 cases beschreven. Sommige kinderen beweren dat ze overleden familieleden zijn en andere beschrijven vorige levens van onbekenden. Vaak gaat het zo: een heel jong kind vertelt over herinneringen aan een ander leven. Het kind is overtuigd van de echtheid van zijn herinneringen en wil op zoek gaan naar zijn andere familie. Wanneer het kind namen noemt, of voldoende details over die andere plek geeft, kan de andere familie worden getraceerd, en vervolgens ontdekt men dat de verhalen van het kind overeenkomen met het leven van iemand die in het recente verleden is overleden.
Herinnerden Kemal en die andere 2500 kinderen zich inderdaad wat ze zich meenden te herinneren: gebeurtenissen uit vorige levens? Die vraag houdt onderzoekers al jarenlang bezig.
 D. J. K.
 
                                              LEVEN NA DE DOOD.
Angela Rigg-Milner, echtgenote van een arts, is een zeer rationele, nuchtere vrouw, die met beide benen op de grond staat en zich niet inlaat met allerlei fantasieverhalen. Op een dag raakte Angela's auto samen met nog twee andere auto's betrokken bij een auto-ongeluk. Het jongste dochtertje van Angela, de vijf jaar oude Samantha, liep ernstig hoofdletsel op, en drie dagen later stierf het kind.
Angela was ontroostbaar en had toentertijd geen religieuze overtuiging. Ondanks haar hartverscheurend verdriet weigerde Angela ten tijde van Samantha's overlijden kalmeringstabletten in te nemen die haar waarnemingsvermogen zouden kunnen beïnvloeden. Ze wist dat ze op de één of andere manier zelf uit het diepe dal moest zien te komen, zonder op medicijnen of drank terug te vallen. Ze werd door schuldgevoelens achtervolgd en voelde zich voortdurend schuldig aan de dood van haar dochter en hield zichzelf steeds voor dat dit nooit gebeurd zou zijn als ze de kinderen op die bewuste dag niet in de auto had meegenomen.

Dapper probeerde ze de situatie te aanvaarden en omwille van haar man en beide andere kinderen deed ze haar uiterste best de draad van het leven weer op te pakken. Ze besefte dat ook zij het moeilijk genoeg hadden, en wilde hen niet nog verder belasten door in te storten. Als echtgenote van een arts kende ze maar al te goed de gevaren van een depressie en ze was vastbesloten haar best te doen en gewoon door te gaan, ondanks haar verdriet en wanhoop.
Toen gebeurde er iets wonderbaarlijks dat Angela's leven totaal veranderde. Op een nacht, zo'n zes weken na het overlijden van Samantha, had ze door het huis lopen ijsberen. Ze kon niet slapen en voelde zich rusteloos en gespannen. Ze ging terug naar bed en zag op haar wekker dat het half zes was. Ze weet niet waarom, maar ze draaide zich om en keek in de richting van haar kaptafel in de hoek van de slaapkamer. En daar stond Samantha naar mij te kijken, zegt Angela. Ze droeg haar roze met witte lievelingsnachtjapon.

Van Angela mocht Samantha die nachtjapon niet vaak aan, omdat hij van nylon was. Ze wist dat hij keurig opgevouwen in de laden- kast in de kinderkamer lag, en nu stond Samantha in die nachtpon voor haar.
Angela zegt: Ze keek nogal verward en leek verloren. Ik stapte weer uit bed, liep naar het voeteneind en ging daar zitten, terwijl ik voortdurend naar Samantha keek. Ze stond nu nog maar een halve meter bij me vandaan.
Toen zei Angela tegen haar dochter: Dag liefje. Je bent helemaal niet dood, is het wel? Samantha antwoordde: Ik ben zo moe, . mam. Angela zegt: Ik opende mijn armen en ze kwam naar me toe lopen. Het was het meest ongelooflijke wat je je maar kunt voorstellen. Ze zat op mijn schoot en was heel warm, heel tastbaar, en heel levend. Ik streelde haar lange zijdeachtige haar en ze voelde In elk opzicht echt aan zoals elk ander kind.

Angela besefte maar al te goed dat er iets wonderlijks plaatsvond. Daarom heeft ze heel nadrukkelijk een van Samantha's armen opgetild om te controleren of het wel echt was. Ze zegt: Haar arm voelde warm en volkomen normaal aan. Ik heb haar van top tot teen aangeraakt en ze was overal even echt als jij en ik.
Angela vroeg Samantha vervolgens of ze het lekker zou vinden om even bij haar ouders in bed te kruipen voor een knuffel. Ze riep haar man, zodat ook hij Samantha kon zien, maar kreeg hem niet wakker. Ze zegt: Ik wilde niet te hard roepen, uit angst dat het lawaai of de onrust Samantha zou verjagen. Toen ik hem niet wakker kon krijgen, besloot ik dat ik hem beter kon laten slapen. Daarna nam ze Samantha bij de hand, liep naar haar kant van het bed en samen kropen ze erin.

Angela zegt: Ze nestelde zich heel vanzelfsprekend lekker dicht tegen me aan, zoals ze dat altijd deed. Opnieuw streelde ik haar lange haar, dat op het kussen lag, en het voelde precies zoals voorheen.
Na een paar minuten zei Samantha: Ik ben moe. Ik moet nu gaan, mamma. Terwijl Samantha dit zei zag Angela dat ze naar de hoek van de kamer keek waar ze was verschenen: Ze zegt: Het was alsof Samantha naar iemand keek, en alsof haar werd gezegd dat ze moest terugkomen. Ik kon daar helemaal niets zien, maar ik weet zeker dat mijn dochter de aanwijzingen van iemand opvolgde.

Angela vroeg haar dochtertje: Kom je nog eens terug om me op te zoeken? maar het kind antwoordde niet.
Angela zegt: Het volgende moment verdween ze gewoon. Ik keek meteen weer op de klok en het was precies twintig voor zes in de ochtend. Het had alles bij elkaar tien minuten geduurd.  
Angela's herinneringen aan haar gevoelens van dat moment zijn heel levendig. 'Ik zal nooit vergeten hoe ongelooflijk opgelucht ik me voelde. Vanuit de hel van mijn verdriet kwam ik in die onvoorstelbare vrede, in de wetenschap dat er leven na de dood is.
Deze ervaring heeft Angela's visie op het leven totaal veranderd. Ze verklaart het als volgt: Ik moet bekennen dat ik zeer materialistisch was ingesteld en geen echt religieuze overtuiging had, maar sinds ik Samantha heb gezien nadat ze was gestorven, weet ik zeker dat het leven ná de dood niet ophoudt. Het was onvermijdelijk dat mijn opvattingen zich drastisch wijzigden.
A. R. M. 
 
                                                      WIEGENDOOD.
Debbie Neesden verloor haar baby van een paar maanden oud als gevolg van wiegendood. In de eerste week na het overlijden van het kind was het verdriet van Debbie nágenoeg ondraaglijk. Toen gebeurde er iets waardoor ze werd getroost en haar lijden werd verzacht.
Ze vertelt: Een week na het overlijden van mijn baby had ik een vreemde droom. Daarin verscheen ogenschijnlijk uit het niets een vrouw die in haar armen een klein bundeltje droeg. Ik kon haar gezicht door het tegenlicht niet zien, maar ik Wist dat ze mijn zoontje bij zich had. Ik zag dat hij precies dezelfde haarinplant rond zijn voorhoofdje had. In de droom liep Debbie naar de vrouw, die niets zei, maar de omslagdoek waarin ze het kind droeg opzij deed en Debbie haar baby liet zien. Debbie vroeg de vrouw haar de baby te geven, en de vrouw stemde aarzelend toe. Debbie nam het kleintje over, hield het dicht tegen zich aan en kuste het keer op keer.

Debbie zegt: Ik vroeg de vrouw toen of ik de baby mee mocht nemen, maar ze schudde haar hoofd, strekte haar armen uit en nam mijn zoontje over. Op dat moment werd ik wakker en merkte ik dat ik huilde.
Een maand later had Debbie nog een droom, waarin ze in een loods rondliep die vol kratten stond. Ze hoorde een geluid, draaide zich om en stond oog in oog met dezelfde onbekende vrouw uit de vorige droom. Debbie herinnert zich: Onze blikken kruisten elkaar, en zij wenkte mij haar te volgen, wat ik deed. Ze liep met mij achter een stel kratten om, stopte bij een ervan en gebaarde me erin te kijken. Dat deed ik en daar, in het kratje, lag mijn  zoontje. Hij leek veel ouder dan op het moment van zijn sterven. Hij zag eruit als een baby van ongeveer zeven maanden en was veel groter dan ik had verwacht. Hij herkende mij en strekte zijn armen naar me uit.

Net toen Debbie de baby wilde oppakken, schudde de Vrouw het hoofd, pakte hem zelf op en liep met hem weg. Debbie raakte hierdoor zo van streek dat ze de vrouw nariep te stoppen, maar die bleef gewoon doorgaan en liep tussen alle kratten door om haar te ontwijken, tot Debbie uitriep: Waarom tart je me zo? Ik wil hem alleen maar vasthouden. Toen verdween de vrouwen Debbie werd helemaal ontdaan wakker.
Een aantal weken daarna had ze een droom die nog het wonderlijkst was. Ze bevond zich buiten een winkelcentrum en zag bij een winkel haar kinderwagen staan. Ze liep er naartoe, keek erin en zag haar prachtige baby liggen, die heerlijk tegen zichzelf lag te kletsen. Opnieuw herkende hij Debbie en lachte tegen haar. Ze zegt: Hij leek ongeveer even oud als de keer daarvoor.

Dezelfde vrouw kwam vervolgens de winkel uit en glimlachte tegen me. Ik herkende haar wel uit de twee vorige dromen, maar er was nog iets anders aan haar dat me bekend voorkwam. Ik had het gevoel haar ergens anders van te kennen, maar ik kon maar niet bedenken wie ze kon zijn. Ze was ongeveer zeventig en had wit haar. Ik aaide mijn baby over zijn bol en hij lachte tegen me, en ik begon te huilen. De vrouw nam me in haar armen en zei me dat ik niet hoefde te huilen omdat zij nu voor hem zorgde en dat hij heel gelukkig was bij haar.
De vrouw. vertelde Debbie dat de dromen weldra niet meer zouden terugkeren en dat ze haar baby niet meer zou zien, maar dat alles in de volgende droom aan haar zou worden uitgelegd. Debbie accepteerde dit, kuste haar baby vaarwel en werd toen wakker. Deze keer was ze veel meer ontspannen en voelde ze zich lang niet zo verdrietig en gefrustreerd als de keren daarvoor.

Het was haar alleen opgevallen dat haar baby niet had gehuild omdat hij bij haar wilde zijn.
Ongeveer vijf maanden daarna had Debbie de laatste droom. Ze bevond zich op een strook gras langs een beekje. Er was een bruggetje over het water en ze zag een vrouw met een kind over de brug op haar af komen. Het kind was een prachtig blond jongetje, dat aan de hand van de vrouw liep. Toen ze dichterbij kwamen viel het haar op, herinnert Debbie zich, dat het kind wankel op zijn beentjes stond, alsof het net had leren lopen.
Debbie zegt: Toen ze vlakbij me waren, herkende ik ze allebei. De ene was mijn geliefde baby Lee Michael John en de vrouw was mijn dierbare grootmoeder die tien jaar eerder was gestorven.
 Ik pakte mijn zoon vast, die me warm omhelsde, zegt Debbie. Hij moet ongeveer een jaar oud zijn geweest. Hij was gewoon gekleed, net zoals ieder ander kind in de zomer gekleed zou zijn, en praatte op zijn eigen manier honderduit.

Grootmoeder vertelde Debbie dat Lee Michael John een lief kind was en dat het niet de bedoeling was geweest dat hij was geboren bij aardse ouders, maar was voorbestemd als spiritueel kind. De oude dame verzekerde Debbie ervan, dat het goed was zoals het was gegaan, ook al was haar hart van verdriet bijna gebroken, want als de baby niet aan wiegendood was overleden, zou God hem vlak voor zijn derde verjaardag tot zich hebben geroepen. Debbie zou binnenkort opnieuw zwanger worden en een meisje krijgen. Vervolgens zei ze dat Lee Michael John nu zover was dat hij een ander gebied kon gaan betreden en dat zij hem daar zelf naar toe zou brengen. Ze legde Debbie uit dat haar dromen geen gewone dromen waren, maar dat hetgeen zij had ervaren, astrale projectie was geweest en dat ze in wezen de wereld der geesten was binnengetreden terwijl haar fysieke lichaam sliep.

Debbie vernam dat ze haar zoon niet meer zou zien, totdat zij zelf, was overgegaan naar het rijk der geesten, maar haar grootmoede beloofde het kind lief te hebben en hem alles te leren wat Debbie anders gedaan zou hebben. Debbie zegt: Ik knikte en gaf met tranen in mijn ogen Lee Michael John terug aan grootmoeder. kuste hem innig en toen liep grootmoeder met hem terug naar brug. Ik zwaaide ze na en ze liepen de brug over en verdwenen het zicht. Vreemd genoeg kwam ik niet in de verleiding hen achterna te lopen. Het volgende moment was ik wakker. Achteraf beschouwd heeft Debbie het gevoel dat ze deel uitmaakte van één of ander wonderbaarlijk plan. Ze zegt: Lee was geen kind van deze aarde. Hij leek eerder engelachtig.
Na de dromen, die nu niet meer voorkomen, is Debbie weer zwanger geraakt en ze verheugt zich op de geboorte van haar nieuwe baby. Ze zegt: Voor mijn gevoel werd alles wat zich heeft voorgedaan heel zorgvuldig zó gearrangeerd, dat het goed voor me was. Ik ben blij met de astrale projectie die ik heb ervaren en het heeft me enorm getroost. Ik weet dat er leven na de dood is en dat er goed voor mijn zoon wordt gezorgd. Alleen zou ik meer mensen zo'n wonderbaarlijke ervaring toewensen.
D. N.  

 

HOME.
PAGINA 4.