HIER STAAT EEN DEEL UIT HET SCHITTERENDE BOEK EEN BLIK IN HET HIERNAMAALS, WAARIN JOZEF RULOF MET MEESTER ALCAR EEN BEZOEK BRENGT AAN DE DONKERE SFEREN. WIJ RADEN IEDEREEN AAN DIT MACHTIGE EN VERHELDERENDE BOEK HELEMAAL TE LEZEN ZODAT U BIJ UZELF KUNNEN NAGAAN WAT UW AFSTEMMING IS, INDIEN U OP DIT MOMENT ZOU KOMEN TE OVERLIJDEN, EN DAT ER LEVEN IS NA DE DOOD!
KLIK OP ONDERSTAANDE LINK VOOR INFORMATIE.
UITTREDEN: HET GEESTELIJK LEVEN IN DE SFEER DER AARDE.

André was op zijn kamer, daar hij van Alcar bericht had ontvangen dat hij zou uittreden. Op zijn laatste tocht naar de hemel en de hel had zijn leider hem toestanden en afstemmingen getoond; op deze reis zou hij het geestelijk leven leren kennen. Hij voelde zich gelukkig dat hij de sferen weer mocht bezoeken. Nu reeds verlangde hij naar het ogen- blik dat hij zijn leider zou zien, horen en spreken en zijn liefde zou mogen voelen. Wat zou hij thans weer beleven? Waarheen zou zijn leider hem voeren? Verre verten, diepe diepten waren hem reeds in de geest getoond. Stil was het om hem heen, hij hoorde nog niets van Alcar. Toch voelde hij dat er op hem werd ingewerkt, daar de stilte des geestes in hem kwam. Deze was niet van de aarde. Op aarde kende men die stilte niet. Wat hij voelde was geestelijk bezit, liefdesuitstraling van een wezen, dat aan Gene Zijde leefde. Een zacht, heerlijk geluk stroomde zijn ziel binnen. Hoorde hij goed? Ja, het was Alcar die hem zei te luisteren.

André maak je gereed, in een flits zal ik je van je stoflichaam bevrijden. Het uittreden was een groot, zalig geluk. Zijn laatste uittreding had hij bewust beleefd, thans was dit schijnbaar niet meer nodig. Hij ging op bed liggen, rechtuit, op zijn rug, concentreerde zich op zijn leider en wachtte af wat zou geschieden. Spoedig voelde hij zich in de geest wegzinken, daarna werd hij opgetrokken en zag hij zichzelf boven zijn stoflichaam zweven, waarna zijn leider hem in zijn armen opving. Thans was hij één met Alcar. Zie, mijn jongen, weer zullen we voor lange tijd samen zijn. Deze reis is nog moeilijker dan alle andere die wij hebben gemaakt. Je zult thans het leven aan deze zijde leren kennen, zo ook verschillende kunsten, als de beeldende, de muziek en de schilderkunst, doch eerst wanneer wij in de hogere gebieden zijn aangekomen. Voordat we echter de hogere sferen zullen bezoeken, zul je in de sfeer der aarde de voordierlijke, de dierlijke, de grofstoffelijke en stoffelijke afstemmingen leren kennen, waarna we de aarde verlaten, om in de donkere sferen af te dalen. Daar zullen we de heersers, de genieën en de meesters in het kwaad bezoeken. Je zult zien hoe zij ook daar feestvieren, waardoor het je duidelijk zal worden dat de mens die de aarde heeft verlaten aan deze zijde zijn vreselijk aards leven voortzet. In de sfeer der aarde, dus hier waar we nu zijn, zal ik je het leven laten zien; wezens die zich aan de mens die zich op hen afstemmen verzadigen. Dan zullen we in de zelfmoordenaarsfeer afdalen; ook die toestand zul je zien, waardoor de mens een duidelijk beeld ontvangt hoe zijn leven zal zijn, wanneer hij zelf een einde aan zijn aardse leven maakt. Verschrikkelijke waarheden zal ik je moeten duidelijk maken. Ik vraag je daarom sterk te zijn; vooreerst zijn we hier niet terug. Veel schoons zul je beleven, André, maar tevens diepe duisternis en ellende. Vraag mij zoveel je wilt, ik zal je naar mijn krachten en vermogen antwoorden.
Zie, daar ligt je stofkleed, we zijn thans alle overgangstoestanden overschreden die je de vorige maal hebt beleefd.

Grondstoffelijke en dierlijke afstemming:
Kom André, onze reis neemt een aanvang. Luister nu goed naar wat ik je zal zeggen. In de toestand waarin wij ons nu bevinden, dus op deze plaats, leven de voordierlijke wezens en tevens de Goddelijke, met andere woorden, hier bevinden zich de hoogste en de laagste sferen. Ik zal je straks alles duidelijk maken, wanneer we ons verbinden. Je weet dat een hogere geest de diepere sferen kan bezoeken die onder zijn eigen afstemming liggen. Op onze vorige tochten hebben we alles vanuit onze eigen afstemming bezien, doch thans zul je iedere afstemming beleven. Is je dat duidelijk? Ja Alcar, maar André beefde en was zenuwachtig bij de gedachte wat hij thans weer zou beleven.
Alcar voelde het en zei: Geen angst, mijn zoon, niets zal je geschieden. De ongelukkige geesten die je zo aanstonds zult zien, dwalen en dolen in de sfeer der aarde rond om zich aan de mens die zich van niets bewust is te vergrijpen. Wanneer wij afdalen, zullen er ongelukkigen tot ons komen en ons aanspreken, weer anderen zullen ons aanvallen. Dit alles is mogelijk, maar laat alles dan aan mij over en spreek geen woord wanneer wij ons onder hen bevinden. Wij samen spreken de gevoelstaal, waarvan je je reeds eerder hebt mogen bedienen; in gedachten zal alles tot je komen omdat we innerlijk één zijn. Wanneer we worden aangesproken en zij ons willen meenemen, zullen we meegaan om toch naar eigen inzichten en krachten te handelen. Aan alle kanten dreigt hier gevaar. Wanneer ik je een boodschap doorgeef, dan handel je vanuit je eigen afstemming, dus niet uit die waarin we ons bevinden.

Dat is nu eenmaal niet mogelijk, daar zij je zien, horen en voelen, omdat je met hen bent verbonden. Ook kan het mogelijk zijn dat wij elkaar uit het oog verliezen, maar ook dan zul je mij voelen en  zul je naar het gevoel dat in je komt, handelend optreden. Je weet, sterke wil en concentratie zijn aan deze zijde verbinding. Dit alles moest ik je uitleggen, opdat je wanneer het nodig mocht zijn jezelf weet te beschermen.. We zullen thans afdalen, maar tevens terugkeren in onze eigen toestand. André voelde dat een andere sfeer hem opnam, daar hem een vreselijke koude overviel en ook het licht waardoor hij zo-even had kunnen waarnemen was verdwenen. Hij schrok geweldig, want daar voor hem stond een verschrikkelijk wezen en hij maakte zich reeds gereed om in zijn eigen toestand terug te keren. Waar kwam dat wezen zo ineens vandaan? Op hetzelfde ogenblik dat hij wilde verdwijnen, hoorde hij zeggen: Blijf André, ik ben het. Maar hoe is dat mogelijk, dacht hij. Is dat Alcar?

Herkent mijn zoon mij niet?
Neen, André zou zijn leider niet hebben herkend, wanneer hij niet tot hem had gesproken. Wat daar voor hem stond, was een grofstoffelijk wezen. Ben ik niet veranderd, André?
Verschrikkelijk, wat ziet u eruit. Hoe kan dat?
Dit is mijn geesteslichaam, maar kun je mij ook nu nog als een geest van het licht herkennen? Begrijp je nu wat verbinding in de geest betekent? Het zegt je tevens dat men hier niet zomaar kan binnenvallen. Zij die in de sfeer der aarde willen werken, die uit de hogere sferen zijn neergedaald om hier ongelukkigen te helpen, moeten ontwikkeld zijn en de krachten ervoor bezitten; ze zullen zich anders niet staande kunnen houden. Hier is inspanning en een heilige overtuiging voor nodig en vooral liefde voor ons werk. Ik zal je thans iets anders tonen. Ik trek je terug in je eigen toestand, maar zal je in de geest laten uittreden, wat slechts een manifestatie is, dus een gedachte-uittreding. Ook deze krachten heb ik je op visionaire wijze getoond; maar om je dit nog duidelijker te maken, wil ik je laten zien dat wij ons in al die diepere afstemmingen kunnen manifesteren omdat die toestanden onder de onze liggen, om dan toch in mijn eigen sfeer te blijven. Het komt dus hier op neer dat je in de geest je eigen beeld kunt waarnemen. Zijn onder mij vier verschillende sferen, dan kan ik mij in al die sferen manifesteren zonder mijn toestand te verlaten. Voel je wat ik bedoel? Let op, ik trek je nu terug, waardoor je een beeld zult zien, waarop je concentratie is gericht.
André voelde dat hij lichter werd en tevens dat hij met die andere sfeer verbonden bleef. Voor zich zag hij een schim van zichzelf, ook hij was een vreselijk monster. Was hij nog een mens of was hij een dier?

Alcar zei: Thans zal ik je verbinden, doch op langzame wijze, waardoor je deze overgang met jezelf beleeft. Het is dus het terugkeren in je vorige toestand.
Duidelijk zag hij naast zich een ander lichaam en herkende zichzelf maar hij was een verschrikkelijk beest. Hoe diep was zijn geestelijk lichaam in deze duisternis afgedaald? Hij rilde ervan, wanneer hij eraan dacht dat hij in deze toestand zou moeten blijven leven. Hoe diep waren de mensen gezonken die in deze sfeer leefden. Een duidelijker beeld had hem niet beter kunnen overtuigen. Nu wist hij tevens dat hij voor alle wezens 
onherkenbaar zou zijn. Geen vrees was er meer in hem.
Je ziet hoe wij in gedachten kunnen uittreden, ook al hebben wij het aardse lichaam afgelegd. Alles is concentratie en sterke wil, in de geest is concentratie licht en door licht bouwen, verbinden en beleven wij alle toestanden waarmee wij één willen zijn.
Hoe verschrikkelijk ziet u eruit, Alcar!

Waarom verschrikkelijk? Ben ik niet dezelfde? Mijn bezit draag ik innerlijk, niemand die mij iets kan ontnemen.  André dacht aan Alcars geestelijke uitstraling, die hij in de hogere sferen had mogen aanschouwen. Waar was zijn prachtig kleed en alles wat hem verlichtte? Welke wonderen beleefde hij. Wie zal mij veranderen, André? Ik wil hun leven immers niet; geen van hen kan en zal mij beïnvloeden. Wanneer ik aan hun dierlijk leven zou deelnemen, ben ik één der hunnen, maar ik blijf wie ik ben omdat ik hun leven niet moet en niet wil; ik blijf in mijn eigen afstemming.
Alcars schone handen waren in klauwen veranderd en zijn prachtige ogen hadden hun schitterende glans verloren. Alle liefdesglans was verdwenen, hij en ook hijzelf waren diep rampzalige wezens. Welke krachten bezat de mens die aan deze zijde leefde? Hoe groot was zijn macht dit alles te kunnen. Wie zou hem thans nog herkennen als een gelukkige geest? André wist dat zijn leider zijn gedachten had overgenomen.
Zo, dacht je dat, André? Een hogere afstemming zal mij aanvoelen en weten welke afstemming ik bezit. Doch alles zal je straks duidelijk worden doordat je het zult beleven. En thans op weg.

Zij waren nog maar even verwijderd of André voelde dat andere wezens om hen heen waren. Geesten Alcar, fluisterde hij zacht.
Als in een flits kwam tot hem: Wat hebben wij zo-even afgesproken, André?
Wij maken gebruik van onze taal, de taal der gedachten. André begreep. Iedere gedachte die wordt uitgesproken, horen zij en dan moeten wij terugkeren, omdat zij ons herkennen en ons zullen aanvallen. Daardoor wordt ons werk bemoeilijkt. Wees dus voorzichtig en weet je krachten te gebruiken. André had goed gevoeld, daar waren enige wezens die op hen afkwamen. Een zeer groot iemand, een vreselijk monster sprak hen aan. Achter hen waren er nog enigen, die een vijftal meters van hen vandaan bleven staan wachten.

Zo, zei hij en in dat woord lag alles, zijn bezit en zijn gehele persoonlijkheid. Hij sprak hen aan als zijn gelijken. Waar gaat de reis naartoe?
André wist zich geen raad en wist niet wat hij moest zeggen, terwijl de vraag tot hem was gericht. Doch Alcar antwoordde voor hem: Waar wij heen gaan? Ja, waar zullen wij heen gaan, we weten het zelf niet. Ook de anderen kwamen bij hen; ook zij waren ongelukkigen in een dierlijke toestand.
Mijn vriend en ik, begon Alcar, zijn nog maar kort aan deze zijde.
Hoe ben je hier aangekomen? De vraag werd plotseling weer tot André gericht. Hij wist zich voor de tweede maal geen raad, maar onder Alcars spreken door, ving hij diens gedachtentaal op en wist hij dat hij niets moest zeggen en maar moest afwachten hoe alles zou gaan.
Wij zijn gevallen, verongelukt. Ons beroep is schilder.
Aha, bracht het wezen uit, jullie zijn dus naar beneden gestort?
Ja, zo moet het gebeurd zijn.

André vroeg zich af of zij wisten dat zij op aarde waren gestorven. Hoevelen wisten daar niets vanaf! Weer kreeg hij innerlijk antwoord, dat zij reeds lang over waren en daarvan door anderen waren overtuigd. Toch voerde Alcar met hem een gesprek, maar André voelde dat hij zich op Alcar moest concentreren, dan ging alles vanzelf en bleven zij onkundig daarvan. Hoe groot waren de krachten van een hoger afgestemd wezen. Ze waren niet te peilen. Geen van hen had van hun gesprek iets gevoeld, noch verstaan en hij begreep de betekenis van al deze gevoelstoestanden en hoe al die afstemmingen waren.
Wie heeft je verteld dat je aan deze kant was? vroeg de man weer aan Alcar. Dat hebben mensen ons duidelijk gemaakt, maar we weten niet wie zij zijn. O neen, maar wij weten het wel, het zijn natuurlijk zwarten geweest,
niemand anders. Wij kennen hun praatjes. Ze zijn hier overal te vinden. Ik weet niet wie zij waren, zei Alcar hem, maar zij gaven ons goede raad wat we zouden moeten doen om een ander leven te bereiken.
Hij is reeds ingepalmd, liet het monster daarop volgen en begon vreselijk te grinniken.
Wat bedoelt u daarmee? vroeg Alcar hem. Allen begonnen te lach U? Zeg maar jij tegen mij, verstaan?

André beefde, wat waren het ruwe, vreselijke schepsels.
Die wilden je natuurlijk overhalen, vervolgde hij die het gesprek had gevoerd. Is je niet verteld dat hierboven mensen leven?
Alcar bevestigde dat het zo was.
Bij ons zijn ze zo vaak geweest, maar we hebben hen niet nodig. laat je niet inpalmen, het is vergif.
Alcar zei hem dat het goed was bedoeld, want door hen wisten zij dat zij op aarde waren gestorven.
Hij ging onmiddellijk verder: Wat doe je nou? Weet je dan niet dat je ook hier van de aarde kunt profiteren? Hier kun je nog meer beleven, zien, voelen en horen dan in het leven daar. Kom, ga maar mee, dan zul je eens zien hoe prachtig het hier is. Heb je trek in een borrel?
Wat zegt dat wezen daar, dacht André? Een borrel? Alcar zei tegen hem: Maar je houdt ons voor de gek!
Neen, het is de zuivere waarheid, ga maar mee, je zult het zien. Je kunt hier drinken waar je zin in hebt, beleven wat je wilt. Hier kun je alles; geen beter leven dan hier is er te vinden. Ongevraagd kom je overal binnen, nergens worden we er uitgegooid. We leven hier vrij, de mensen op aarde weten daarvan niets af, anders zouden ze vreemd opkijken. Ze weten zich voor ons niet te verbergen, wij vinden hen toch wel. Er zijn er die een damp om zich heen hebben; die zijn voor ons niet te bereiken. Alle anderen lopen vanzelf in onze vallen omdat ze dit leven niet kennen. Ja man, hier is het zo saai niet als jullie wel denken. Het enige wat wij niet hebben is licht; steeds die diepe duisternis, altijd nacht.

Een floers overviel het monster, het stond even te peinzen. Maar het vervolgde onmiddellijk: Vooruit kom, volg mij, en trok hen aan de armen mee.
Je weet toch, vervolgde Alcar het gesprek, dat er andere landen zijn dan deze?
Maar natuurlijk, als het tenminste zo is als de zwarten zeggen. Weten doen we het niet, maar we hebben het al zo vaak gehoord. Maar wat heb je daaraan? Ik zou dit leven niet uit willen, ik heb het hier veel te goed. Zo vrij in mijn doen en laten ben ik nog nooit geweest. Waarom zou ik naar een ander land vertrekken? Is het daar zo goed? Weten doen we het zelf niet. Eerst zien en dan geloven, was mijns vaders spreekwoord! Ik ben net als hij en doe niet anders. Neen man, straks zul je wel zien, waarom ik hier niet vandaan wil. En als ik je één raad mag geven, zoek je dan een mens uit, die iedere dag zijn zelfde leven leeft, anders brandt het van binnen in je.
Wat bedoel je daarmee? vroeg Alcar hem.

Wat ik daarmee bedoel? Dat zul je gauw genoeg zelf ondervinden. Heb je dan geen dorst en al dat andere?
Maar ik begrijp je niet, zei Alcar tegen hem, spreek eens wat duidelijker. De man keek Alcar met zijn bloeddoorlopen ogen aan en zweeg; deze geheimen waren de zijne, geen woord daarvan kwam over zijn lippen, het dier verraadde zich niet. 
André had het gehele gesprek kunnen volgen; hij was en bleef met zijn leider verbonden. Vreselijk, waar zou dat heengaan? Hoe verdierlijkt waren deze mensen. Vele astrale wezens zag hij voorbijgaan die door de aardse mensen heen wandelden en het zeer gewoon vonden. Op zijn andere tochten had hij dergelijke tonelen gezien, doch thans bevond hij zich in hun midden. Uit allen straalde hartstocht en hun ogen waren met bloed doorlopen, zodat ze op wilde dieren leken. In een drukbevolkte straat traden zij een groot huis binnen. Hij die Alcar had toegesproken, zei tegen hem: Ziezo, nu krijgen wij tenminste weer een borrel en nog veel meer; hier zijn we aan ons adres.
Ze stapten een café binnen. Vreselijk, dacht hij, in de geest nog jenever: Dachten die mensen aan geen ander leven? Was dit hun geluk? Droevig was alles; geen sprankje licht zou deze duisternis binnendringen. Hij volgde Alcar op de voet.

Een innerlijke stem zei hem: Je ziet, mijn zoon, dat het mogelijk is; zo aanstonds zal alles bewaarheid worden. Toch zullen we niet aan hun hartstochten deelnemen. Blijft bij mij en houd je concentratie op mij gericht. Een vreselijke stank kwam hem tegemoet. Met één blik zag hij waar hij zich bevond. Hier vertoefden geen rijken van de aarde. Hij zag tevens wat het monster met die damp bedoelde, dat waren zij die nog niet zo slecht waren, waardoor zij zich schijnbaar met hen niet konden verbinden. Het café was druk bezet; overal zaten de aardse mensen bijeen. Het was een hels lawaai, een geschreeuw en gekrijs alsof wilden bijeen waren. Hartstocht en geweld; de mens van de aarde met zijn vele genoegens en in het genot van een dierlijk vocht, dat hun zielen verbrandde. Hier wist men niet van ophouden. Vlammend vuur straalden zij uit; hun geestelijke glans was de weerkaatsing van de diepe duisternis. Het trok hem door zijn hele wezen, omdat zij allen aan demonen overgeleverd en in handen dierlijke wezens waren.

Verschrikkelijk was het hier; grofstoffelijke mensen waren hier bijeen. Ongure wezens zag hij en enkelen waren voor honderden jaren verloren. Op de aardse mens zag hij astrale wezens hangen die hun levenssappen uitzogen. Zij hielden zich vastgeklampt en konden dit omdat de mens het zelf wilde. Onbewust was de mens verbonden. Hoe duidelijk was thans voor hem het leven aan Gene Zijde, de betekenis van op aarde te moeten leven en wat men ervan moet maken. Als in een open boek keek hij in hen. De aardse mensen voelden niets van dit afgrijselijk leven; zij waanden zich alleen, maar toch had een ander wezen, een mens die eens in de stof leefde maar het stofkleed had afgelegd, zich met hen verbonden. Zo kon de astrale mens zijn hartstochten botvieren.
Die, riep het beestmens dat in alles de leiding had, is de mijne, om zich onmiddellijk bovenop een mens te storten. André rilde bij hetgeen hij waarnam. Het dier wierp zich op de mens, hield zijn prooi omstrengeld als een moeder haar kind om hem zijn levenssappen uit te zuigen. Het dierlijk genot stroomde zijn ziel binnen. Krampachtig hield het zich verbonden, een walgelijke waarheid werd hem thans getoond. Eén van ziel, één uitstraling, beiden waren één wezen. Aura's mengden zich, gevoelens gingen in elkaar over, één leven, een brok dierlijk leven werd beleefd. De astrale geest had een zeer grote kracht; de mens zou zich niet spoedig van hem kunnen losmaken. Deze was ten dode en verderf opgeschreven. Verloren voor honderden jaren om daarna een ander leven te beginnen. Drank, niets dan vergif werd aangevoerd, doch hun dorst was niet te lessen; het brandde in hun zielen.

Hoelang zou het op deze wijze voortgaan? Dit was geen genot meer, hier zag hij het dierlijke leven. Het was verschrikkelijk. De geest spoorde de stof mens aan om nog meer te drinken. André voelde hoe hij dit deed, zuiver kon hij zijn innerlijke toestand overnemen. Het was zelfs zeer eenvoudig, een sterke wil zou de aardse mens moeten bezitten, wilde hij zich hiervan vrijmaken. Het was onmogelijk, de astrale mens was de sterkste, zijn concentratie was moordend. Als een vlijm drong die kracht in de mens; hij handelde daarnaar, dacht dat hij het zelf was die bestelde, maar stond onder de invloed van een dierlijk wezen. Toen hij André op enige afstand van hem vandaan waarnam, liet het beest zijn prooi even los door zijn gedachten op hem te vestigen en stond met één sprong naast hem. André beefde geweldig; wat zou hij thans beleven?
Durf je niet? Of weet je niet wat je moet doen, dan zal ik het je leren. Kom hier en wanneer het je niet bevalt wat zij drinken, dan leg je in hen je eigen wil en alles zal geschieden zoals je het zelf wilt. Is het niet eenvoudig? Vooruit jong, pak aan. Hier moet je meedoen. Wanneer je wilt, kun je alles bereiken. Kijk, die daar, met die damp om zich heen, is niet te bereiken. Daar glijd je vanaf, doch dan zoek je maar een ander, er zijn er genoeg. Ga anders naar een vrouw, daar kom je gemakkelijker binnen, ze trekken je vanzelf in zich wanneer je haar eenmaal hebt bemachtigd.
Welk een taal werd hier gesproken! Hoe dacht men over de mens? Wat was liefde voor hen die zo diep waren gezonken? Alcar stond in een hoek van de zaal, waarvandaan hij hem steunde.

Het beest vervolgde: Als je iemand hebt gevonden, laat hem dan niet meer los en volg hem waar hij ook heengaat. Ga nu je gang maar. Weer ging hij zijn weg. Een verschrikkelijke waarheid was André meegedeeld. Door alles heen voelde hij zijn leider. O, hoe beestachtig was het zich op de mens te storten die zich van niets bewust was. Hij keek naar  Alcar die hem liet voelen dat zij verder zouden gaan. Alcar liep dieper de zaal binnen en hij rilde van hetgeen hij waarnam. Overal zag hij de astrale mens, allen hadden hun prooi gevonden, allen waren één. Zo beleefden zij het aardse leven dat zij hadden verlaten. Dit alles was mogelijk. In de sfeer der aarde, daar waar de mens zich bevond, daar leefde een ander leven, dat zich dit leven kon eigen maken, omdat de mens op aarde het zelf wilde. Het was anders niet mogelijk. Al deze toestanden hielden op te bestaan, wanneer de mens zichzelf zou overwinnen. Zo diep, zo onmenselijk diep was het leven op aarde gezonken. Dit was het gif des levens, het verbrandde hun zielen. Zo werd hun duister leven opgevrolijkt. Hoe was hun leven na de dood in vergelijking met hen die in de hogere sferen leefden? Hoe arm aan gevoel, aan licht, aan geluk en hoe ver nog verwijderd van de eerste bestaanssfeer in de geest. Plotseling hoorde hij een hels lawaai, dat het vorige overstemde. Voor hij erop bedacht was, had men hem beetgepakt en sleurde men hem de zaal uit.

Alcar, Alcar! Innerlijk riep hij om zijn leider, maar hij zag hem niet en voelde dat hij zou bezwijken. Eensklaps voelde hij een geweldige kracht in zich komen. Fel concentreerde hij zich op zijn afstemming en merkte dat hij in hun handen oploste. Gelukkig, dat was voorbij! Hij had er genoeg, van en het liefst ging hij terug naar zijn stoflichaam. Verschrikkelijk was al deze ellende. Op enige passen van hem verwijderd stond zijn leider. Alcar glimlachte.
Hoe ter wereld kwam dat zo ineens, Alcar? Ik heb hun toch niets gedaan? Ik werd plotseling overrompeld.
Je ziet dat Zij op al je handelingen letten; het waren zij die ons hadden meegenomen. Zij voelden dat wij aan hun hartstochten niet deelnamen en begrepen daardoor dat wij hier niet thuishoorden. Allen zijn één en zullen hen aanvallen die niet willen meedoen. Een andere afstemming duldt men hier niet. Vergeet niet, hier heersen kwaad, haat, hartstocht en geweld. Alles is vernietiging. Ik heb mij in mijn eigen toestand teruggetrokken, omdat ik wilde dat je dit zou beleven en dat je van je krachten gebruik maakte. Hier moet je doorheen; we zouden anders terug moeten keren en het opnieuw moeten proberen, totdat je zelf handelend kunt optreden. Dit is nodig, André, het zal je duidelijk zijn. Is het reeds wat beter? Hier, in de sfeer der aarde, zo goed als in de donkere gebieden, moet men persoonlijk (bij zichzelf kunnen blijven) kunnen zijn, anders kun je hier geen werk verrichten. Je ziet dat de astrale mens aan aardse genoegens in het leven na de dood kan deelnemen.

Hieraan hoef ik niets toe te voegen. Wij waren tussen de lagere klassen van de maatschappij; zo aanstonds zullen wij hen bezoeken die zich achter een masker weten te verbergen. Doch ook dit is voor de astrale mens geen belemmering. Zij die wij zo-even hebben ontmoet, zijn grofstoffelijke wezens, die op het dierlijke afstemming hebben. Zij zijn nog niet zo diep gezonken als zij die wij aanstonds zullen ontmoeten, omdat die anderen het mensdom vernietigen en dood en verderf over hen uitstorten. Zij zijn gemeen, omdat zij zich achter maskers verbergen. Hoe vreselijk het ook is, toch zijn zij bij wie we zo-even vertoefden, waar en open; tegen hen kan men zich beschermen. Zij leven in modder en slijk, doch de rijken van de aarde, veelal het gif des levens, zijn omhuld door hun gewaden, die hun donkere zielen verbergen. Maar ook hieraan komt eens een einde en dan zullen astrale wezens hen opwachten wanneer zij dit leven binnentreden. Men kan hen niet bereiken, Alcar, nietwaar?
Neen, althans voorlopig niet; maar zij hebben geleerd dat er een hoger gaan mogelijk is. Voor hun ogen ben je verdwenen; door je uit hun klauwen te bevrijden, denken zij een wonder te hebben beleefd. Zie, daar zijn er nog enigen van hen; ze vragen zich af waar je bent gebleven. Luister maar, ze voeren een gesprek.

Nog steeds waren zij om hem heen die hem hadden aangevallen, als dachten zij dat hij zou terugkeren. André hoorde hen zeggen: Weet jij waar die zwarte is gebleven?
Neen, sprak de andere, ik weet het niet, het is mij een raadsel. Welke krachten bezitten zij dat zij zich voor je ogen oplossen? Heb je dat reeds eerder beleefd?
Ja, al enige keren. Ik dacht wel dat het zwarten waren, maar ik begrijp niet hoe ze dat klaarspelen.
Waar is die andere die het woord voerde gebleven? Heb jij hem nog gezien?
Ik niet. Dat was de leider van hem die ik te pakken had. Ik wist het maar twijfelde, we hadden hen anders heerlijk kunnen overmeesteren. Dat gespuis zit overal. Kom, we gaan weer naar binnen. En hun walgelijk leven begon opnieuw.
Je ziet, André, zij zullen niet ontwaken, maar er is iets in hen achtergebleven en eens zullen zij zich van dit leven losmaken om een hoger te beginnen. En zij zijn het juist die wij later voor ons werk kunnen gebruiken om ongelukkigen te helpen, omdat zij allen in dit leven hebben geleerd. Zij weten hier overal de weg, kennen hun gebreken, voelen wat zij kunnen doen, weten op het juiste moment in te grijpen, kortom, het zijn de gidsen die door hun eigen leven anderen zullen helpen. Eens zullen ook zij de hogere sferen binnentreden, omdat geen kind Gods verloren gaat. Waar zijn die anderen gebleven, Alcar?

Zij volgen hen die zij in hun macht hebben en je voelt zeker dat het alleen bij drank niet zal blijven. Zo wordt de mens vernietigd en dat alles wil hijzelf, omdat hij een dierlijk leven leeft. Steeds dieper zullen zij zinken, in een afgrond komen van hartstocht en ellende. Hier leeft goed en kwaad bijeen, omdat op aarde de voordierlijke afstemming tot de stoffelijke tezamen leven. Kom André, we gaan verder.
Vele straten liepen zij door en hij zag verschillende stoffelijke wezens die omringd waren door donkere gedaanten die hen op de voet volgden. De een was daar om geluk en bescherming aan achterblijvenden te brengen, de ander voor verderf en dood. Anderen weer om hun geliefden van een eeuwig voortleven te overtuigen. Welk een voortleven zag hij thans; maar toch zou het goed zijn dit alles op aarde te weten. Hij voelde de kracht van deze waarheid; zij zou een steun zijn, een aansporing om nu reeds een ander leven op aarde te beginnen, nu men nog in het bezit van het stoffelijke leven was. Verschrikkelijk was alles wat hij had gezien en beleefd.

Nog zullen wij toestanden bezoeken, mijn zoon, die alle vreselijker zijn dan deze. En dit alles in de sfeer der aarde, om en in de mens, waarvan hij zich niet bewust is. Is het niet de hoogste tijd, dat hij dit moet weten? Zou je daarvoor niet al je krachten inspannen om dit alles uit te houden. Wanneer de mensen dit leven binnentreden en zij op aarde geliefden hebben achtergelaten, dan eerst komt er in hen een drang dit alles op aarde te mogen vertellen, maar dan is het meestal niet mogelijk. Eerst moeten zij aan zichzelf werken; duizenden zijn er hier die terugkeren om het aan hen op aarde te brengen. Maar zij die op aarde reeds in deze toestand zijn gekomen en zich voor anderen willen geven, hoeven het aan deze zijde, in het leven na dat leven, niet meer te leren. Zij hebben zich op aarde iets eigengemaakt, dat licht en geluk is, waardoor zij anderen kunnen verwarmen, zich op hogere sferen doen afstemmen en dan in geluk zullen terugkeren. Zij zullen hier niets dan geluk bezitten, omdat zij in de stof zover zijn gekomen. Maar wanneer men dit alles mag beleven als uitgetreden geest, mijn zoon, dan is dit een grote genade aan weinig mensenkinderen geschonken. We zullen nu dieper afdalen en naar een plaats gaan, waar de rijken van de aarde bijeen zijn. Kom André, hier zullen we binnentreden, ongevraagd; niets en niemand zal ons dit beletten.

André zag een groot gebouw voor zich, waar Alcar binnenstapte alsof het zijn bezit was. Verschillende zalen liepen zij door en kwamen in een grote hal, waar honderden aardse mensen bijeen waren. Tevens zag hij duizenden astrale wezens, die om en in hen leefden.
Waar zijn we hier, Alcar?
We zijn in een gebouw, waar de mens vertoeft om zijn zenuwen wat te ontspannen. Dit is een concertzaal en je ziet, waar leven is daar bevindt zich de geest. Overal is verbinding mogelijk. Honderden verschillende afstemmingen zijn er en alleen daarover zouden we boekdelen kunnen vullen, een prachtig werk kunnen vastleggen. Doch ik zal bij één toestand niet blijven stilstaan; de mens moet een ruim beeld worden gegeven hoe alle overgangstoestanden in de geest zijn. Onder hen zul je wezens zien die door velen tegelijk worden aangevallen en bezeten. Op aarde worden om het bezit van een wezen moorden bedreven. En wanneer zij hier aankomen, vechten zij verder, omdat zij zich van dat wezen niet kunnen vrijmaken en al hun krachten daarop gevestigd zijn, doordat hun gevoelstoestanden gelijk zijn. Dan begint het leven opnieuw, maar nu verscherpt, daar zij zich voor de aarde onzichtbaar kunnen verbinden. Maar aan deze zijde ontmoeten zij tegenwerking, daar er wezens zijn die zij naar hier hebben gezonden en die hen zullen opwachten, waardoor een nieuwe strijd in de geest is begonnen. Hier vechten zij om het bezit van een dierlijk wezen. Wat André zag was niets dan weelde. In rijke gewaden waren de aardse mensen gekleed. Hij zag hen in clubjes ronddrentelen en praten; er was blijkbaar een pauze. Naast hen bevond zich de astrale mens met al zijn begeerten en hij voelde dat er velen op aarde waren om hen te beschermen.

Anderen zagen er verschrikkelijk uit en loerden op een prooi of beleefden het één of ander, dat hen zou vernietigen. Daar zag hij jonge, schone geesten, die bij de aardse mens waren om van hun aanwezigheid te getuigen. Maar de mensen voelden dat niet; zij wisten daar niets van en de geesten werden niet begrepen. Zij zouden onzichtbaar hun geliefden volgen. Hij zag goed en kwaad, hartstocht en geweld, grofstoffelijke en dierlijke toestanden bijeen, het waren mensen en al die mensen leefden in verschillende afstemmingen van goed en kwaad. Wat hij waarnam was een wereld op zichzelf, een wereld, waarin hij het leven leerde kennen, zoals op aarde niet mogelijk was. Het was wijsheid in de geest, geestelijke wetten en liefdesafstemmingen. Het waren mensen die allen Goddelijk konden zijn, kinderen van één Vader. Hij zag uitstralingen, heerlijk om te zien, waardoor een innig gevoel in hem kwam. Hij zag het valse groen, dat dodelijk was wanneer men ermee werd verbonden. Hij zag lichtende gestalten, die in deze duisternis hun licht innerlijk droegen; hij voelde dat, omdat het in hem kwam. Niets, absoluut niets was waar te nemen wanneer hij zich niet instelde. Het was alles ontzaglijk groot wat hij thans beleefde. De mens van de aarde was zich van niets bewust, bij enkelen voelde hij een bewust overgaan in gevoel naar deze zijde. Allen gingen door hem heen, zij stonden in hem te praten, vertelden elkaar verschrikkelijke dingen, spraken over vernietiging alsof het niets was en toch waren hij en vele anderen onzichtbare toehoorders. 

Zie, het was geweldig voor hem dit als aards mens te mogen beleven. Hij zag dat velen werden geleefd door hen die het leven wilden vernietigen. Zij handelden door hun macht en wil. Maar zolang de mens zich niet wilde veranderen, zouden deze toestanden blijven bestaan en werden zij in het leven hier door zulke wezens opgewacht. 
Hij zag reeds enige taferelen zich afspelen. Hij zag de mens die de aarde had verlaten en met demonen was verbonden. De mens zou zeggen: Wie bent u, wat wilt u van mij dat u mij hindert? De astrale mens zou antwoorden: U hebt uw gehele leven op aarde door mijn wil en krachten geleefd! Was het niet verschrikkelijk deze waarheid te moeten horen en aanvaarden? Toch zou die tijd eens komen, maar dan waren zij verloren. Achter al die mooie gewaden trachtten zij hun donkere zielen te verbergen, doch iedereen werd aan deze zijde herkend. Duidelijk zag hij dat de mens zich kon beschermen, maar hij moest het zelf willen, hij moest zich op hogere toestanden afstemmen, liefde geven aan alles wat leefde. Hoe verminkt waren velen; door hun vlammende hartstochten werden er velen te gronde gericht. Maar wel het vreselijkste van alles was dat zij hun innerlijke toestand konden verbergen.

Op aarde was dit alles mogelijk; daar werden velen misleid en zouden ten onder gaan. Doch hier was hun innerlijk aan hun uiterlijk te zien en te herkennen. Hij zag vele vrouwen die een prachtige uitstraling hadden; hoe schoon waren zij dan wanneer zij liefde voelden. Anderen waren weer tot in hun zielen verminkt; het gif des levens was diep in hun gedrongen.
Daar voor hem wandelde een voor de aarde zeer schone vrouw, maar welk een monster was zij aan deze zijde gezien. Hoe vreselijk zag zij eruit, iets wat men op aarde niet kon waarnemen. Wat was haar schoonheid? Niets dan haar stoffelijk kleed; innerlijk was zij zwart, zo donker als de duisternis waarin zij zich bevond. Toch doodde men om zo'n wezen te bezitten. Om haar heen zag hij een afgrijselijk wezen, dat haar omstrengeld hield met zijn verschrikkelijke klauwen. Zij was in zijn macht, door dat wezen werd zij geleefd. Het zoog haar levenssappen op, leidde haar door het leven, hield haar gevangen en toch voelde zij er niets van. Beiden waren één, in wezen gelijk. Dat wat hij waarnam was verbinding. Hier zag hij het ware leven, de kern van geestelijke krachten. Vervloekt hadden zij zichzelf en anderen.

De astrale geest brulde omdat hij door een ander werd aangevallen. Het werd een vreselijk gevecht, dat op aarde was begonnen en aan deze zijde werd voortgezet. Hij zag bij de één een gapende wond aan het voorhoofd, die door een schot moest zijn veroorzaakt. Deze had zich van het leven beroofd omdat men hem had bedrogen, waar hij dacht lief te hebben. Dit was menselijke liefde; zo stelde zich de mens liefde voor; hij had lief en vernietigde zijn eigen leven. Mens, mens, ken uzelf!
André keek zijn leider aan. Een vreselijke waarheid, Alcar.
Alles is realiteit, mijn zoon, waarheid in de geest. Zo zijn er honderden andere toestanden als deze te vinden.
Het gevecht duurde nog steeds voort; wie zou het winnen? Beiden waren uit één toestand. Hun zielen werden uiteengerafeld. Zelfs in het leven na de dood vochten zij om haar die hen beiden naar hier had gezonden. Waar was het einde wanneer de mens zijn mislukt aards leven achter de sluier voortzette? Was dat een vrouw? Als men haar zag zoals André deed, zouden zij uit haar onmiddellijke nabijheid verdwijnen. Hun zielen smolten uiteen, door dierlijke sappen verteerd. Zij waren één gevoel, één hartstocht en geweld; zij hadden een dierlijke afstemming. Eindelijk bleef er een liggen en onmiddellijk zag hij enige geesten hem wegvoeren.

Waar kwamen die helpers zo ineens vandaan? Wie had hen geroepen in deze duisternis? Waren zij niet herkend? Werden ook zij niet aangevallen? Doch naast hem stond een geest, die hem scherp aankeek. In een flits kwam tot hem: Geen angst, André, alles is goed, een geest van licht. Hij zag Alcar aan de overzijde van de zaal; toch had hij dit bericht opgevangen. André peilde de geest en een groot geluk kwam in hem. Liefde, niets dan liefde, warmte straalde in hem. Hij begreep alles. Hij leefde in deze duisternis om ongelukkigen te helpen.
De geest sprak tot hem en zei: Van de aarde, op aarde en toch in het leven van de geest, nietwaar, mijn broeder? Voor hem, die een hogere afstemming bezat, was dit mogelijk. Ja, hij was van de aarde en leefde nu in de geest, maar zag zo een heel andere aarde dan wanneer hij in zijn stoflichaam leefde. Hoe groot was dit machtige beeld, welk een verschil. Vrees niets, broeder; God is liefde is ons wachtwoord in deze duisternis. André was gelukkig, maar toen hij tot hem wilde spreken, was de geest verdwenen. Ook zijn leider zag hij niet. Wat zou dit nu weer te betekenen hebben? Nergens was enig spoor van Alcar te zien. Was hij onder hen die hier bijeen waren? Hij zocht de omgeving af, maar zag nergens enig licht van hem. Plotseling voelde hij dat op hem werd ingewerkt. Waar kwam dat vandaan? Wie werkte in deze duisternis op hem in; wie kende hem nog meer en wilde hem bereiken? Nog duidelijker dan de eerste keer voelde hij het en nu wist hij dat het Alcar was. Hij concentreerde zich op hem en ving het volgende op, dat hij woordelijk verstond. Ik ben in een andere toestand en zal je opwachten. Ik wil echter dat je mij in gedachten volgt, waardoor ik je zal aantonen hoe wij hier met elkaar in verbinding zijn en kunnen komen. Maak je over niets ongerust.

André vond het zeer interessant. Het vreselijke wezen zag hij niet meer. Alle aardmensen spoedden zich naar hun plaatsen, maar hij wandelde een andere zaal binnen en was op zijn hoede, opdat men hem niet voor tweede keer zou aanvallen. Hier dreigde van alle zijden gevaar. Op een gegeven ogenblik voelde hij zich hier vandaan trekken en of hij wilde niet het gebouw uit naar buiten. Wat zou hij thans weer zien? Het ene wonder beleefde hij na het andere. Hij nam zich voor zich op zijn toestand te concentreren wanneer er iets ernstigs plaatsvond; niemand kon hem dit beletten; het was zijn enige redding in deze duisternis. Hij kwam thans in een straat, die hij uitliep, hoewel hij aandrang kreeg om te weige ren. Een onzichtbare macht trok hem voort; zo innig voelde hij die kracht, dat hij er toch niet aan ontkomen kon. Weer ontmoette hij vele geesten die andere aardse mensen begeleidden. Wonderlijk was toch dit leven. Wat wist men hiervan op aarde toch weinig af. André vervolgde zijn weg, kwam op een groot plein, in het midden waarvan een standbeeld stond. Hij voelde dat hij er omheen moest lopen en toen hij aan de andere zij kwam, zag hij een wezen, dat hij liever niet wilde zien of ontmoeten. Doch het wezen had hem reeds ontdekt, want het liep in zijn richting. Het natuurlijk een ongelukkige geest. Hij was gereed om in zijn afstemming terug te keren. Kom maar, dacht hij en liep hem tegemoet, het kon nu eenmaal niet anders. Vlak voor hem bleef het monster staan. Wat wil het van hem? Hij hoorde een gegrom en maakte daaruit op dat het hem vroeg waarheen hij wilde. Zou hij het zeggen? Maar wat moest hij zeggen; ging het dat wezen aan wat hij hier deed?

Neen, dacht hij, ik ga verder; hij wilde langs het wezen gaan, dat hem met gloeiende ogen aankeek; wilde het hem verscheuren. André maakte een sprong zijwaarts en was er bijna voorbij, toen hij voelde dat het wezen zich aan hem wilde vast klam pen. Hij maakte zich gereed om in zijn toestand terug te keren. Het pakte hem bij zijn schouders en op hetzelfde ogenblik zei het wezen tegen hem: Je blijft toch bij mij, André? Het duizelde hem bij het horen van bekende stem.
Alcar, hoe is het mogelijk; waar komt u zo ineens vandaan, wat heeft dit weer te betekenen? Ik herkende u niet! Wat is dit voor een afstemming? Ik ben in de overgangstoestand naar de zelfmoordenaarsfeer, waarmee ik mij heb verbonden. Straks zullen we ook daar afdalen. Waarlijk André je kunt je verbinden en weet te handelen. Ik hield mijn concentratie op je gevestigd en zie, je hebt mij gevolgd. Geen duidelijker beeld kon ik je geven! Je hebt nu beleefd hoe wij ons met elkaar op afstand kunnen verbinden. Maar mij kent u, Alcar; wanneer u nu hier niemand kent, is het dan mogelijk?
Ook dan, André, ik verbind mij immers met hogere machten. Ik zal het je tonen. Let op, André! Zie, daarginds komen enige wezens naar ons toe. André zag twee wezens op hem afkomen. Hij kon zijn ogen niet geloven; het waren gelukkige geesten, zij straalden licht uit. Alcar sprak tot hen: Broeder Asper, ik heb u geroepen om mijn instrument te overtuigen.

 Ik wist, dat gij zoudt komen waar gij u ook bevond. De geesten groetten Alcar en ook hem en gingen heen. Hartelijk was dit korte weerzien geweest.
Geesten van het licht, werkers voor het goede, André. Zij gaan verder en zullen zich niet laten ophouden. Je ziet hoe wij elkaar kunnen bereiken. Op deze wijze leer je het leven aan deze zijde kennen. Het zal je dus duidelijk zijn dat op aarde alles tezamen leeft, maar dat het aan deze zijde niet mogelijk is. Hier vinden de mensen hun eigen afstemming en zij zullen met hen tezamen zijn met wie zij zich één voelen. Ik liet je dit alles beleven om je te tonen dat de mens op aarde het Goddelijke maar tevens het dierlijke in zich draagt. Beide afstemmingen zijn één en liggen in de mens. Aan hem zich van het slechte vrij te maken. Op de plaats waar we nu zijn, zijn dus alle afstemmingen, zo ook de onze en hogere toestanden, die alle weer voor ons onzichtbaar zijn, doch zichtbaar zullen worden wanneer wij ons verbinden. Wij dalen nu steeds dieper af en mensen en sferen zullen veranderen. Kom, verder, André. Je weet nu hoe je te beschermen.

André voelde een ijzige koude en zag zijn leider veranderen. Nog dieper dan zo-even lag de ellende op zijn gelaat. Welk een verandering! Alcar zag er uit als een dier en dan te weten dat hij in de vijfde sfeer leefde! Hier kende men wetten die men op aarde niet kende en daar niet begrepen zouden worden. De mens zou eerst dit leven moeten binnentreden, voordat hij daarvan werd overtuigd. De straten, huizen en bomen, kortom alles wat hij zo-even nog had waargenomen, was thans voor zijn ogen verdwenen. Niets was er meer zichtbaar, alles kaal, diepe duisternis en koude. Zijn zij die hier leven niet te overtuigen, Alcar, dat hierboven mensen leven en dat alles anders is?
Neen, het is niet mogelijk omdat zij het innerlijk niet voelen.
Jozef Rulof en Alcar.
Tot zover dit kleine stukje van het nog veel grotere hoofdstuk over de duistere sferen.


                                                       
DE VOLKEREN DER AARDE.
                             EEN GEDEELTE UIT DIT PRACHTIGE BOEK.
Het Oude Testament:
In het Oude Testament wordt u een God beschreven, die haat kent, oorlog voert, Zijn eigen schepselen mismaakt, verguist, bezoedelt en verdelgt.
Kan dat, vragen velen? Is het mogelijk, dat een God, Die, naar het woord van Christus, een Vader van liefde heet, Zijn kinderen laat afslachten?
Maar terwijl zij deze wraakzuchtige God niet langer kunnen aanvaarden, prediken de kerken, dat de Heilige Schrift wet is en zij dwingen hun volgelingen volstrekt in de wrede Heerser van het Oude Testament te geloven.
Wie heeft nu gelijk?
Is God werkelijk zoals de bijbelse schrijvers Hem schilderen? Was Hij het inderdaad? Was Hij het, Die deze volken ten oorlog voerde, hen strafte en dood en verderf onder hen bracht? Of hebben zij aan het rechte eind, die het onbestaanbaar achten, dat een God van Liefde zo grillig, wreed en wraakzuchtig handelt?
Wij, die in het leven na de dood, in de werkelijkheid der dingen hebben kunnen schouwen, zullen u ook in dit opzicht de waarheid geven.
Bereid u op machtige openbaringen voor.

Zo verstrekkend is hetgeen ik u geleidelijk aan zal mededelen, dat u geestelijk ingesteld moet zijn om mijn verklaringen te kunnen bevatten en aanvaarden.
Zij, die aan de Bijbel in zijn huidige vorm en naar de letter vasthouden, vastgeroest zitten in hun armzalige dogma's, zullen wel niet in mijn openbaringen willen geloven. Ze zullen het ook niet kunnen. Ze behoren nog tot de stoffelijke gevoelsgraad en zijn daardoor niet in staat geestelijk te denken.
Of getuigt het soms van een hoger bewustzijn, dat zij de wreedaardige God van het Oude Testament nog kunnen rijmen met de Vader van Liefde voor
Wie Christus gestorven is en waarover Hij sprak?!
Door u over de ware verhoudingen in het Oude Testament in te lichten, maak ik u bekend met het ontzaglijke plan, dat de hoogste meester in de astrale wereld al voor zich zag, toen Hij en de zijnen aan het einde waren van hun eerste kosmische reis.
Deze meester liet zijn blik over de aardse mens gaan, schouwde diens staat en begreep, dat deze mens door hem en de zijnen geholpen moest worden, of hij zou over miljoenen jaren nog in dezelfde bedroevende omstandigheden leven, zonder enig begrip van de machtige, geestelijke wonderen, welke hem omringden.

Deze meesters en de zijnen -- wat hadden ze zelf niet moeten kreunen om aan licht, aan warmte en bewustzijn te winnen? Daarom was hun verlangen zo groot de mensheid te helpen, voor te gaan op het zo moeilijke pad naar de geestelijke bewustwording. Gedurende hun eigen evolutie groeide dat verlangen nog, ze zagen in, dat ze alles van zichzelf moesten inzetten om de stoffelijke mens weg te leiden van het kwaad, dat hij in zijn lage levensgraad van voelen en enken makkelijk bedreef. Als ze de mensen betere gedachten konden bijbrengen, hem er toe konden krijgen zijn hartstochten en driften te beteugelen, zou ook het leven op Aarde niet langer ellendig en verschrikkelijk zijn.
Maar hoe moesten zij de mensheid overtuigen van de wet, welke strengheid zij aan hun zijde hadden moeten aanvaarden? Deze wet, die zei, dat alleen de mens, die liefde bezat en tot dienen bereid was, blijvend licht en warmte en geluk zou kunnen genieten. Hoe moesten zij de stoffelijke mens deze waarheid leren?
Nogmaals peilden ze de mensheid, de astrale meester, en toen rees in hen een gigantisch plan.
Ze zagen, dat op Aarde te midden van het kwaad al een aantal mensen leefden, die openstonden voor het hogere leven. Deze zielen wilden ze nu verzamelen, hen tot een vaste kern samensmeden, tot die door krachtige leiders aangevoerd en met astrale hulp eindelijk zo sterk en machtig geworden zou zijn, dat ze het kwaadwillige deel van de mensheid, dat de geestelijke opbouw van de wereld in de weg stond, haar wil kon opleggen.

O, ze wisten heel goed, dat de mensheid bij de uitvoering van dit ontzagwekkende plan door oceanen van leed zou moeten waden, immers, oorlog na oorlog zou nodig zijn, om de goede kern aan de macht te helpen, die dienen moest om de kwaadwilligen te overheersen.
Maar zonder bewuste leiding er van zouden de lage hartstochten, welke in de mens woedde, hem nog verschrikkelijker en vreselijker ellende bezorgen en deze ellende zou onnoemlijk veel langer geweest zijn!
Geleid door hun verlangen de mens geestelijk zo hoog op te voeren, dat hij van zijn leven op Aarde een hemel zou maken, grepen de meester van Gene Zijde in zijn bestaan in en namen het in hun sterke, bewuste handen.
Wie, vraag ik u nu, sprak er tot de aartsvaders, wie sprak er tot Noach, tot Abraham, Isaäk en Jacob, tot Mozes? Was het God?
Nee, lezers, het waren -- en u zult het al wel begrepen hebben -- de meesters van Gene Zijde!
Zij spraken tot de mannen, die zij tot leiders hadden aangewezen van de stam Israël, de stam, die, groot en sterk geworden, het later zou moeten opnemen tegen de kwade elementen onder de mensheid.

Waarom noemden zij zich dan God, hoor ik u al vragen. Dit is het antwoord: Als de meesters zich aan hen hadden geopenbaard als astrale wezens, zouden ze hen nimmer aanvaard hebben. In hun bovennatuurlijke verschijning kon de mens niet anders dan God zien. De meesters lieten het bewust zo en versterkten in de mens het gevoel, dat hij God zelf zag, die ene en Almachtige God. God, Die de mens van nu af aan moest verkiezen boven de vele goden en halfgoden, die hij aanbeden had.
Ik zal straks nog gelegenheid te over hebben op de machtige plannen van de meesters en de uitvoerders ervan in te gaan. Voor alles wil ik nu -- zij het in het kort -- het Oude Testament eens nader beschouwen, dat, door wat ik u mededeelde, wel in een ander licht komt te staan.
Er ligt waarheid in de beschrijvingen, die de bijbelschrijvers geven omtrent de rondvesting en voltooiing van het huis Israël, maar niet alleen de waarheid, vaak is hun fantasie op hol geslagen of dikten zij de feiten aan. Zij wilden dan de mensheid overweldigen, zoals ook hun God van wraak het heeft gedaan. Het verhaal over Noach bijvoorbeeld, die met zijn kleine kudde overblijft, terwijl de rest van de mensheid omkomt, is een door de bijbelschrijvers opgeblazen verhaal, waarvan de werkelijkheid anders is.
Zo zijn heel in het kort de feiten!

Er is voorzeker een zondvloed geweest, maar miljoenen mensen hadden er geen weet van. Een derde van de Aarde is destijds ondergespoeld. Slechts voor een deel van de werkelijkheid op de hoogte, hebben de bijbelschrijvers toen een dramatisch beeld gegeven van een zondvloed, die door God ontketend zou zijn om de zondige mensheid voor het bedreven kwaad te straffen. 
God had echter met het gehele gebeuren niets van doen. Deze zondvloed was een gevolg van de ontwikkeling, die Moeder Aarde doormaakte. Door deze natuurlijke wetten, natuurgebeurtenissen, werd de mens in die tijd vaak gedwongen naar andere, veiliger plaatsen te vertrekken. Wel vonden hierbij mensen de dood, de massa echter bleef in leven, zoals zovele andere natuurrampen aantonen.
Geen ogenblik kwam Gods schepping in gevaar, de mensheid moest voortleven en tot God terugkeren. Niets kon haar evolutie tegengaan.
De Aarde heeft nimmer in haar gehele omvang afkoeling of verhitting beleefd, noch is zij ooit voor het grootste deel overstroomd. Dit was volkomen uitgesloten. Evenmin was een tweede schepping mogelijk. De Bijbel geeft een tweede schepping aan en wendt voor, dat het hele mensengeslacht van Noachs zonen afstamt. Deze bewering is in strijd met de historie, want ik zei al, dat miljoenen mensen van die zondvloed niets bemerkten en zo is ze ook in strijd met de Goddelijke wetten voor de schepping. God had Zijn leven geschapen om onophoudelijk te evolueren en zo tot Hem terug te keren. Dit leven op luttele mensen na te laten uitroeien om het daarna weer opnieuw te scheppen zou tegen Zijn eigen plan indruisen.

Wel spreken de bijbelschrijvers de waarheid, als ze van Noach getuigen, dat hij onder hogere leiding handelde. Het waren de mesters van Gene Zijde, die hem inspireerden en hem behouden aan wal deden komen op een plek, waar hij vruchtbaar werk kon doen en wel ten behoeve van het huis Israël, dat de meesters bezig waren op te trekken. Hij moest naar zijn omgeving geestelijke invloed uitstralen, de mensen zien los te maken van hartstocht en geweld en trachten hen samen te smeden tot één kern, waarop de meesters hun plannen
zouden kunnen bouwen.
Wat de bijbelschrijvers over de dieren weten te vertellen is al evenmin waar. Indien Noach een paar exemplaren van al de bestaande soorten in zijn ark had moeten meenemen, zou het ding met man en muis zijn vergaan.
Noachs leven had dus een geestelijke betekenis, hij diende het Huis Israël en was in handen van de astrale meesters. Na hem zouden er andere leiders komen, bouwers als Abraham, Isaäk, Jacob, Mozes en anderen, die met inzet van hun hele persoonlijkheid het Huis Israël hielpen optrekken en met hun zweet en bloed de rijke, veelzeggende geschiedenis van dit Huis schreven.

Wat is het Huis Israël? HET IS HET HUIS, WAARTOE EEN IEDER BEHOORT, DIE GELOOFT IN ËËN GOD EN LIEF HEEFT ALLES WAT LEEFT. Tegen dit Huis zullen de heidenen zich te pletter lopen en door dit Huis zullen ze de waarheid leren kennen omtrent God en Zijn heilige wetten, door dit Huis zullen ze zich de liefde eigen maken.
Geen voet kunt ge op Aarde verzetten, of gij wandelt op de weg, waar het bloed van Israël's kinderen gevloeid heeft. De kinderen van dit Huis gaven hun bloed voor het ontwaken van de mensheid, voor de geestelijke eenheid onder de volken der aarde.
God heeft hieraan geen deel gehad, het was de mens zelf die hier handelend moest optreden -- waardoor hij tevens zijn bewustzijn kon tonen. Het waren de meesters van Gene Zijde, die het kind uit het Huis Israël voorgingen, het leidde, inspireerde en bezielde.
Van al deze machtige. bovennatuurlijke gebeurtenissen wisten de bijbelschrijvers, zoals gezegd, niets af.
Het ligt niet in mijn bedoeling op deze wijze het gehele Oude Testament te volgen. Mij is opgedragen u een beeld te geven van de evolutie van de mensheid. U kunt nu zelf aan de hand van deze nieuwe gegevens de Bijbel herlezen en vaststellen, dat hij erdoor aan realiteit wint!
In de eerste plaats leert u God anders zien. Hij is niet die God van wraak en verdoemenis, voor Wie miljoenen gelovige mensen rillen en beven, maar Hij is een Vader van Liefde. God is evenmin een persoon. God is Leven! Al het leven in de ruimte, het is God! God is natuur, God is planeet, God is elementaire kracht, God is wet, God is alles!

Het zijn de meesters van Gene Zijde, die, gesteund door hun kosmisch bewustzijn, door hun kennis van de astrale wetten, door hun liefde, het aardse gebeuren in handen hebben genomen. Zij spraken tot Abraham, tot Jacob, tot Mozes, zij brachten de goedwillende elementen onder de mensheid bijeen en voerden hun kracht naar buiten op. Ze maakten daarbij gebruik van de nog op geweld en vernietiging gestemde eigenschappen der mensen, maar leidden die in de goede richting en maakten haar ondergeschikt aan hun verstrekkende plannen.
Veel van wat deze nog onbeholpen en onbewuste instrumenten bedreven, is dus niet terug te voeren op de Meesters. De kinderen van het Huis Israël waren vaak nog wreed en bloeddorstig, er stak in hen echter een goede kern en door deze stonden ze open voor hogere geestelijke doeleinden. Met dit materiaal moesten de meesters werken. Hoe ze desondanks hun doel bereikten, zal ik thans gaan vertellen en daar wacht ons allereerst de beschrijving van Mozes leven.

Mozes wedergeboorte op Aarde:
Het leven op Aarde is een chaos. De mensen begrijpen niets van zichzelf en van het leven, waarin zij staan. Zij leven zich uit en keren zich niet tegen hun hartstochten, die hen steeds verder wegvoeren van de weg, die God Zijn kinderen gewezen heeft. Toch is er al een kleine vooruitgang te bemerken. Er zijn reeds zielen, die zich afzonderen en aan een hoger leven beginnen. Zij voelen scherper dan de massa, dat een hogere macht bezig is op de mensen in te werken. Zij spreken al over een God, over een oppermacht, die mens en dier en wereld geschapen heeft. Verscheidene van hun leiders zijn door die God aangeraakt. Hij sprak hen toe en gebood hun Hem te dienen en e andere stammen van Zijn bestaan en Zijn geboden te spreken. Zij ondervinden, dat hun God hen leidt en bijstaat en ze putten kracht uit Zijn steun.
Veel is er door de meesters dus al bereikt, maar toch zijn zij niet tevreden. De massa moet krachtiger bewerkt worden en om zulks te kunnen doen, hebben de kinderen van Israël een sterke persoonlijkheid nodig. Wie zal die enorme taak op zijn schouders nemen? Wie is er toe geschikt de domme, zich in hartstocht uitlevende massa wakker te schudden en zo nodig krachtdadig te ogen te openen voor de geestelijke zijde van dit leven?
De meesters weten het antwoord op de vragen. De mens, die deze gewichtige taak vervullen zal, leefde aan Gene Zijde, maar weet zelf nog niet wat hem wacht. Deze mens toeft in het schemerland en hij is één van de velen, die zich afvragen, wat hij voor het geestelijk ontwaken van de mensheid kan doen.

Moet het leven op Aarde zo voortgaan, overpeinst hij, walgend van de brute zinnelijkheid, waaraan dit leven zich zonder ophouden overgeeft. De mens denkt niet, leeft zich slechts uit en beseft niet, hoe hij zichzelf er door vernietigd. Hoe wil deze mensheid dan weten, dat er een leven na de dood is? Dat er een andere wereld bestaat, waarin de ziel verder leeft? Daarvan, zo voelt deze mens, moet de massa weten, anders is zij niet op te trekken. Hij zou weer terug willen zijn op Aarde en staande temidden van de mensen willen getuigen, dat de ziel na de dood verder leeft. Hij zou hun willen toeschreeuwen, zich af te keren van de hartstocht en zich te gaan voorbereiden op het leven na de dood.
Maar hoe zou hij opnieuw geboren kunnen worden, hij, die de Aarde voor goed verlaten heeft? Zou de Oppermacht zijn wens niet waar kunnen maken? Men spreekt er hier over, dat er voortgang is, de mens hoger en hoger kan gaan. Er moeten werelden zijn, waar het altijd licht is en zielen wonen, die zich bewusten kunnen noemen. Zijn zij niet in staat hem te helpen?
Hij verlaat zijn schemeroord en daalt af naar de Aarde. Hier gaat hij van stad tot stad en volgt de bewoners ervan. Hij neemt waar, hoe meedogeloos het ene leven het andere behandelt, hij ziet de verdrukten en de rijken der Aarde. Hij staat midden in hen, op de dag en in de nacht, en blijft zichzelf, ook als hij beleeft, hoe man en vrouw één zijn.
Hij zoekt deze belevenis niet meer, dit hoort de aardse mens toe. hij kent deze wetten, hij heeft die als stoffelijk mens en als astrale persoonlijkheid beleefd. Hij wil slechts dienen en verlangt er naar opnieuw op Aarde geboren te worden. Maar wie geeft hem het nieuwe organisme?

Hij daalt in de moeder af, juist op het ogenblik, dat de bevruchting plaats vindt. Zo hoopt hij een nieuw lichaam te ontvangen. Maar hij moet ervaren, dat het een andere ziel is, die aangetrokken wordt en hem buitensluit. Hij moet uit de moeder gaan, dit is niet voor hem. Wie staat het deze ziel toe in de moeder af te dalen om een nieuw lichaam te ontvangen? Welke kracht, welke macht beschikt het zo? Zijn deze wetten niet in eigen handen te krijgen? Waar valt dit te leren? Ik wil naar de Aarde terugkeren en er opnieuw leven. Ik wil die domme massa helpen, wakker te worden. Zie toch eens hoe stakkerig ze zijn. Wat zullen ze veel goed te maken krijgen, wat moet ik al niet lijden, omdat ik mezelf en het leven niet kende! Ik zou op hen in willen hakken, hard, hard, om hun toch maar aan het verstand te brengen, dat ze bezig zijn zichzelf te vernietigen. Hoe kan ik opnieuw geboren worden?
Hij zoekt het schemerland weer op, trekt zich in de eenzaamheid terug en vervalt in droef gepeins. Hevig en diep is zijn verlangen. Het laat niet af, maar wordt nog sterker. Het is ondraaglijk nu.
Dan gaat de mens voelen, dat hij niet alleen is. Dit stoort hem, hij wil alleen zijn. Hij staat op en trekt nog verder weg. Hier, afgezonderd van elkeen, peinst hij verder. Maar weer, en sterker nog, komt het gevoel terug, dat hij niet alleen is. Er spreekt iemand in hem. Ja, als hij een vraag zou durven stellen, zou hij zeker antwoord krijgen. Wie is het, die hem in zijn eenzaamheid gevolgd is? Is het een mens? Zou die mens hem iets te zeggen hebben? Hij durft niet te spreken. Hij voelt in en om zich een grote kracht. Wie is het? Wat is het?

Dan opent hij de mond en vraagt zacht:
,,Wie is er om mij heen? Kunt gij mij antwoorden?'' En hij hoort een stem, die zegt:
,,Wat u voelt, zijn Mijn gevoelens.''
Een hevige schok bevangt hem. Een mens sprak er tot hem en toch is deze mens niet waar te nemen.
,,Wie bent U? Waar zijt Gij?'' vraagt hij nu.
 ,,Ik behoor tot het leven, zoals gij ertoe behoort, want Ik ben het die Mij aan u gaf.''
,,Ik begrijp U niet. Kunt U iets duidelijker zijn?''
,,Daar waar u leeft, leeft ook Mijn leven.''
,,Maar zeg mij toch wie U bent.''
De stem antwoordt: ,,Uw oppermacht, uw God, uw Schepper.''
In de hoogste verbazing vraagt de mens:
 ,,Zijt gij wezenlijk de kracht, die alles op aarde en daar buiten geschapen heeft?''
,,Zo is het. Ik kom tot u om u te helpen. Wilt gij naar Mij luisteren? Wilt gij niet terugkeren naar de Aarde? Wilt gij voor Mij dienen? Wilt gij niet een nieuw lichaam ontvangen en daarin voor Mij werken? De aardse mens moet geholpen worden, zo is Mijn wens! Wilt gij niet hetzelfde, wilt gij ook niet, dat de mensheid ontwaakt?''
,,Gij zult uw nieuwe kleed ontvangen.''

,,Wat betekent dit woord, ik bedoel, het woord God?''
,,Het woord God betekent: Ruimte, Onmetelijkheid, het betekent Leven! Het woord betekent: Liefde. Wie mij zoekt, zal het eeuwige geluk vinden. Wie Mij waarachtig aanvaarden kan en Mij dienen wil, zal Mij leren kennen.... Ik leef in deze ruimte en kan alles schenken, wat gij verlangt, als ge Mij maar zoekt.
Ik ben tot u gekomen, omdat gij wilt dienen. De betekenis van Mijn leven zult gij leren kennen.
Geef de mensheid op Aarde Mijn beeld, vertel haar van uw wijsheid. Blijf voortgaan op de weg, die u bent ingeslagen en die naar Mij voert.
De mens moet God leren kennen.
Waarin u leeft, voelt en ziet is het weten van God. Al het leven in de ruimte vertegenwoordigt Mij als God. God omvat alles, dit woord geeft u de betekenis van Mijn leven. Door dit ene woord overziet gij uw eigen leven en het Mijne, alles ligt er in besloten!
Ik ben het Universum, Mijn kind.
Ik ben het leven.
Ik ben de Liefde.
Ik ben in alles.
Ik ben licht en duisternis.

Ik ben zichtbaar en onzichtbaar en Ik spreek tot u als mens en toch ben Ik God.
Dit moeten de mensen op Aarde leren kennen, eerst dan zien zij in Mijn leven.
Om zulks mogelijk te maken, zal Ik u de macht en de krachten geven om naar de Aarde terug te keren.''
Lang zwijgt de mens, overweldigd door wat de stem hem geopenbaard heeft. Dan vraagt hij:
,,Maar waarom komt Gij tot mij en niet tot al die anderen, die hier leven?''
 ,,Is er één onder hen, die gereed is om af te dalen? Is er in hen het verlangen, dat in u leeft? Zijn zij waarlijk wakker voor dit leven?
Niet één onder hen is zich bewust van z'n denken en voelen, zoals gij dat zijt. Ik heb u niet nodig, gij zijt gereed voor de taak, die Ik u op wil leggen. Gij moet er al uw krachten voor geven. Ik ga met u en zal steeds naast u zijn om u te helpen. Hij, die, zijnde in uw staat, naar de Aarde wil terugkeren, moet willen dienen. Gij bezit die verlangens.
Blijf nu mediteren, blijf ingesteld op wat Ik u zei en verlang er naar, het leven op Aarde te ontvangen. Wacht en gij zult Mijn wetten leren kennen.''
,,Zal ik U daar zien -- God?''
,,Twijfelt gij aan Mijn woord?''
,,Het is moeilijk te geloven dat ik de nieuwe geboorte zal beleven.''

,,Gij moogt niet twijfelen. Ik zeg u, gij zult terugkeren naar de Aarde en daar zult gij Mij horen.''
,, Zal ik daar dan alles van dit leven weten?''
,,Gij zult er weten, wat Ik u geven zal. Het leven daar gaat voor dit. Al het andere zal weer in u komen als ge naar deze zijde terugkeert en uw taak volbracht is. Ge zult de mensen dienen, maar daardoor teven voor uzelf verdienen. Gij zult Mijn rijk leren kennen en u de wetten van al Mijn leven eigen maken, eerst dan komt het geestelijke ontwaken voor uw eigen leven.''
,,Wat wil dat zeggen, mijn God?''
,,Eerst later zal u dit duidelijk worden.''
,,Ik heb daar niet aan gedacht. maar wat wilt Gij mij dan schenken, God?'' ,,Wat Ik u schenken zal, is het eeuwige leven. Mijn eigen hemelrijk.''
,,U bent de macht, waarover men hier spreekt?'' Hij twijfelt er niet meer aan, deze mens, maar het wonder, dat hij thans beleeft, is zo machtig en het verwerken ervan bijna ondraaglijk.
,,Ik ben die macht, die u het leven zal geven,'' antwoordt de stem. ,,Op Aarde zult ge Mij horen en herkennen.''
,,En onder al die mensen zult Gij mij vinden?''
,,Weet Ik ook thans niet, waarna gij verlangt? Luister goed! Ik eis niets van u, gij zelf hebt uw taak gewild. Hoort ge Mij nu?''
,,Ik hoor U, geen woord is mij ontgaan.''

,,Welnu, daar zullen wij één zijn als op dit ogenblik. In niets zal deze band gestoord worden. In uw denken en voelen zult ge Mij horen en uw bevelen ontvangen omtrent vele zaken. Van nu af aan zijt gij met het AL verbonden. Met Mijn leven en dat van uw God, de schepper van Hemel en Aarde en al het leven in de ruimte. Thans zijt gij gereed. Ik groet u nu. Ons werk gaat beginnen!''
De mens is weer alleen. Hij denkt lang en diep na over wat hem gezegd is.
God? God? God? Het woord daalt in hem af, neemt bezit van hem. De astrale persoonlijkheid voelt zich er één mee. Telkens herhaalt zij het woord.
,,Ik ben God en door Mijn kracht zult ge naar de Aarde terugkeren. Hoe zal mijn leven daar zijn?''
Hij komt niet uitgedacht, deze mens, hij blijft in diepe meditatie. Dan voelt hij zich verwazen. Hij wordt als een schijngestalte. Meer en meer lost hij op. God? Waar is God nu? Zal Hij mij volgen? Ik ben stervende. Ik zink weg in een ongekende diepte. Waarheen ga ik? Is dit nu de geboorte?'' De wereld van het onbewuste heeft deze mens opgenomen. Wie is hij?
Mozes is zijn naam. Als Mozes zal dit leven op Aarde geboren worden en deel uitmaken van het Huis Israël.
Aan Deze Zijde heeft men het oplossen van deze ziel in de wereld van het onbewuste gevolgd. Niet God was het, die tot haar sprak, maar een engel, een meester in het eeuwige leven, een bewuste vonk Gods.

Nu zullen de wetten van God tot werking komen. God zal hem helpen. Wie liefde bezit en dienen wil, zal ontvangen, wat hij nodig heeft. Dit beleven de meesters en dit beleeft Mozes.
Mozes zal op Aarde het woord Gods opnieuw horen en herkennen, hij zal handelen naar het eeuwigheidsgevoel, dat in hem leeft. Er is geestelijk bewustzijn in zijn leven gekomen. n dit zal zich laten gelden!
Hij is gereed voor de grote taak, die hem wacht en zal te bereiken zijn. Alle twijfel is uitgeschakeld, er is niets in dit leven, dat weigeren zal. Door deze mens zullen de meesters op Aarde wonderen tot stand brengen, zij kennen de astrale wetten, ze hebben zich die eigen mogen maken.
Uit het
AL bereikte hem de opdracht met alle krachten de bewustwording van de mensheid ter hand te nemen. Uit het AL kwam het woord God tot hen, de naam van Hem, Die Zijn schepselen als een Vader en Moeder moest leren kennen en beminnen. Uit het AL verkregen ze de gegevens, hoe de mensheid het geloof in Hem te brengen.
,,Tot u spreekt het leven van God,'' zo hadden de meesters uit het
AL gesproken en hun woorden waren door de zevende sfeer ontvangen.
,,Wij zijn Goden. Eens leefden wij op de Aarde als gij. De Goddelijke sferen hebben ons opgenomen en toch weten wij, hoe gij denkt en voelt en hoe het leven op Aarde nu is. Laat u dit tot steun zijn.

De aardse mensheid moet door u tot ontwaking gebracht worden. Zet alles van u zelf daarvoor in, zoals ook wij onszelf daarvoor hebben ingezet.
Elk schepsel is een kind van God. Goddelijk is al het leven in de ruimte. Spreek tot de mensheid als God, of gij wordt niet gehoord. Baan voor ons de weg, wij komen terug naar de Aarde. Voor de bewustwording van de mensheid zal de Meester uit het
Al naar de Aarde afdalen en er geboren worden! Door Hem zal de mensheid tot ontwaking komen. Wie in Zijn Naam leven wil, zal zijn leven geheiligd zien. Wij volgen u, wij zijn wachtende.
Als ge met uw taak zover gekomen zijt, zult ge uit deze Goddelijke sferen nieuwe berichten ontvangen en zal de Hoogste Meester tot u spreken.
Alleen het bewuste gevoel zal naar God kunnen luisteren. Werk dus aan het bewustzijn van de mens en geef daartoe aan het woord de Goddelijke betekenis!''
Mozes en de zijnen zouden onder leiding van de meesters de weg bereiden voor de Hoogste Meester uit het
AL. Door Mozes zullen de mensen op Aarde met het AL verbonden worden. Hem zal het woord bereiken van de mens, die tot God was teruggekeerd en geworden was als God het wilde. Ja, waarlijk, dit woord was God.

Nog zou het niet dadelijk begrepen worden, hoe simpel het ook was, voor wie de kosmische wetten kent. Meer zouden de meesters Mozes echter onmogelijk kunnen zeggen. De bewustzijnsgraad van de mensheid stond het niet toe! Daarmede moesten zij rekening houden. En wat ze door Mozes aan haar zouden schenken, zou toch al een geweldige omwenteling in de toemalige opvattingen teweegbrengen. Zelfs Christus, de Hoogste Meester uit het AL, zou de aardse mens niet kunnen vertellen, wat nodig was om hem inzicht te geven in de kosmische wetten, die het Heelal regeren. Er zouden na Zijn verblijf op Aarde nog eeuwen moeten verlopen, alvorens deze fase in het gigantische plan van Hem en de Zijnen zou zijn aangebroken!
 Mozes is vanuit de wereld van het onbewuste naar de Aarde aangetrokken. Hij groeit op, er komt meer en meer bewustzijn in hem. In hem leeft God. Mozes weet dit. Hij krijgt visioenen, God spreekt tot hem in de slaap. Mozes droomt van een Oppermacht, die hem leiden zal en naar een grootse taak voeren. Hij ziet de chaos, waarin de mensen leven, hun haat, hartstoch en geweld. Liefde kennen ze niet, voor het geestelijk leven staat bijna niemand open. Afschuwelijk is hun hardheid jegens de evennaaste, onmetelijke rijkdom leeft er naast grenzeloze armoede en Mozes huivert van de ellende, die de wereld hem toont.
In deze duisternis, in deze vreselijke hel, begint Mozes zijn taak. Hij, nieteling die hij is, moet deze wereld en deze mensheid gaan veranderen...
Ik ga hier niet een uitvoerige beschrijving van zijn leven geven, maar ik volg alleen dat, wat ook betekenis heeft voor de huidige mensheid.

God wil, dat Mozes van zijn volgelingen strijders maakt. Hij moet in staat zijn tegen de heidenen oorlog te voeren, want het zal niet lang meer duren, of men valt hem in zijn kleine kudde aan. Hij moet dan weerstand kunnen bieden, wil hij niet met de zijnen uitgeroeid worden.
De meesters van Gene Zijde hebben goed gezien, de heidenen zoeken de stam Mozes te vernietigen, zij dulden haar niet. Mozes strijdt zijn eerste strijd! Deze is kort, maar er vloeit bloed en velen van Mozes volgelingen worden omgebracht. En toch is deze korte strijd van Mozes van ontzaglijke betekenis voor de ganse mensheid. Het is het eerste gevecht tegen de heidenen, duizenden zullen er nog volgen en ze zullen duren tot in uw eigen tijd, lezer, nu voor de laatste maal slag geleverd wordt, een slag, die de kinderen van Israël blijvend over de heidenen zal doen zegevieren! De meesters aan deze zijde zien Mozes kudde groeien. Rust krijgt de stam niet, van links en rechts wordt hij aangevallen, uiteengeslagen, maar vernietigd wordt hij nimmer. De meesters waken! Zij leidden Mozes en de zijnen door alle gevaren heen, zij zien vooruit en kunnen het leven op Aarde in alles volgen, geheimen bestaan er niet voor hen. Zij dalen af in de heidense aanvoerders, ze zijn de onzichtbare toeschouwers bij hun handelingen en weten erdoor wat zij in hun schild voeren. Zij waarschuwen Mozes en zo is deze hen telkens een stap voor.

Waarlijk, Mozes is een profeet, één, die met God spreekt en wonderen doet in Zijn Heilige Naam. Mozes krijgt de nodige bevelen niet alleen tijdens zijn slaap, maar ook op de dag bij vol bewustzijn. Op verschillende wijze kan Gene Zijde hem bereiken. De intuïtie, die in hem is, maakt hem tot een meester. Hij is volkomen voor zijn taak gereed, hij leeft in twee werelden tegelijk, doch het is de astrale wereld, die overheerst.
In zich voelt hij het eigenlijke weten. Hij kent de wereld die achter de dood ligt, diep in hem ligt en leeft die kennis. Maar zij komt niet naar boven, z'n astrale kennis maakt nog deel uit van zijn onderbewustzijn.
Mozes inspireert zijn volgelingen, hij onderricht hen in de rustpozen, die zijn vele vijanden hem laten, en geeft hun geestelijk weten. Hij schenkt hun een geloof. Toch zijn ze niet zo gereed als hun grote leider. Wat God van hen allen vraagt is voorzeker niet gemakkelijk. Hij eist alles van hen. En temidden van de vreselijke ellende, die ze vaak moeten doormaken, klagen en jammeren ze en schijnen alles, wat Mozes hun aan geestelijke wijsheid bijbracht, vergeten te zijn. Desondanks vordert Mozes bij de uitvoering van z'n grootste opgave. 
Steeds meer mensen sluiten zich bij hem aan. Zij wonderen nemen hun twijfel weg, het geloof ontwaakt in hen. Bij verscheidenen openbaren zich geestelijke gaven, ze worden helderziend en ontvangen visioenen. Deze zieners en zieneressen vormen een steun voor Mozes in zijn zware strijd. De meesters werken niet alleen aan dit volk om het groot en sterk te maken en het verder te brengen op de geestelijke weg, zij geven het ook uitvindingen, voeren de kunst op. Miljoenen zielen van Gene Zijde werken in de sfeer der Aarde en dienen het stoffelijk leven, gedachtig aan het doel van de mesters, steeds meer mensen tot Israël op te trekken, opdat de heidense volken eens in de minderheid zullen geraken en door gebrek aan macht hun op kwaad en vernietiging gerichte plannen wel moeten opgeven.

Mozes weet al, dat hij vecht voor de grondvesting van het Koninkrijk Gods op Aarde. Deze wetenschap doet hem zo fanatiek verder strijden. Hij weet, dat hij God en de mensen dient.
Er vloeit veel bloed! Om te bestaan en te kunnen prediken moet het ene gevecht na het andere worden geleverd. Mozes kinderen doden en worden gedood. Velen geven hun leven voor de heilige zaak. Zullen zij in het hiernamaals een hemel binnentreden, wacht hun daar de beloning voor hun strijden en streven?
Mozes weet dat niet, verdiept zich er ook niet in, hij vecht en leert en predikt het bestaan van de Levende Almachtige God, in Wie hij met heel z'n wezen heeft leren geloven. En als hij zijn einde voelt naderen, weet hij, dt de Aarde door de kinderen van Israël in bezit genomen zal worden. Op de fundamenten, die hij heeft helpen leggen, zal eens stralend het Huis Israël verrijzen, waarin dan allen zullen wonen, die in een God van Liefde geloven en die alles van zichzelf willen inzetten om Gods leven te dienen en geestelijk rijker te maken.
Tot zover De Volkeren der Aarde.

HOME.
PAGINA 2.