HET ONTSTAAN VAN HET HEELAL.
Ook uit dit machtige boek plaatsen we een gedeelte, zodat u een klein beetje de indruk mag krijgen, waar dit boek zoal over gaat.
Vanwaar zijn wij gekomen en waar gaan wij heen? Is er een ander leven na dit leven op aarde? Zijn er behalve de aarde nog andere bewoonde planeten? Is reïncarnatie een feit? Op deze en vele andere vragen wordt in Het Ontstaan van het Heelal antwoord gegeven. Onder leiding van zijn gids Alcar mg de schrijver (Jozef Rulof) getuige zijn van een machtig proces waarvan wij kleine mensjes deel uitmaken.
Wij plaatsen hier het gedeelte DE WEDERGEBOORTE OP AARDE.
De wedergeboorte op aarde:

Ook ik, mijn jongen heb dat nodig, want ook voor mij is dit machtig.' Zo zweefden zij verder en beiden waren in gedachten. André wist niet waaraan hij het eerst zou denken. Hij voelde echter wat hem te doen stond. Dit mocht niet te lang duren, want Alcar moest hem nog veel duidelijk maken. Wanneer hij weer op aarde teruggekeerd was, kon hij alles overdenken. Hoe goed was zijn leider, want hij had dit beslist nodig, Alcar had duizenden wonderen beleefd en kon daar tegen. In hem lag nu verlangen en hij begreep dat dit op aarde weer strijd betekende. In dagbewustzijn moest hij dit nu trachten te verwerken en dat was niet zo eenvoudig. Toch moest het, maar hij zou zijn best doen.
O, welk een geluk en schoonheid! Hoe rein waren die mensen. Ja, dacht hij, deze zijn doorzichtig, nog fijner dan de teerste stof op aarde. Dit waren stoffelijke engelen. Hij kwam hierover niet uitgedacht en dat wachtte de mens op aarde. Daarvoor moest men toch willen leven. O, die schoonheid! Hoe wonderbaarlijk was het leven op die planeet. Op aarde vocht en moordde men zoveel zij zelf wilden. Niemand kon die dierlijke wezens tegenhouden. Waar men ook zag, overal ellende. Op geen enkel plaatsje van die grote aarde was er rust. Overal haat en nijd en bedrog. Wat voor wonderen had hij hier mogen beleven!
Zie, het werd reeds duister, zij hadden dat zonnestelsel reeds verlaten. Nu voelde hij die diepe stilte. 0, die goddelijke stilte. Hij leefde nu in het niets en juist dat niets dat was God. Het was hier als voor de schepping. Nu begreep hij alles en hij voelde zich, alsof hij hier nooit vandaan was geweest, als één van hen aan deze zijde, zo duidelijk, zo doorzichtig was voor hem de schepping. Hij voelde en zag dat het zo was en zo moest zijn. Dit was wonderbaarlijk en toch kwamen weer die gevoelens in hem die hij reeds had gevoeld. Het was alsof men hem daarvan reeds had verteld. Het kwam niet van links of rechts of van boven, neen, dit kwam uit zijn diepe innerlijk voort en hij ging het weer opnieuw voelen. 
 
Vreemd was het, toch kon hij zich daarvan niet vrij maken. Nog nooit had hij hiervan op aarde gehoord, maar op deze reis had hij dit vele malen gevoeld en zelfs duidelijk gevoeld. Op die beide andere reizen drong dit gevoel niet tot hem door, thans echter lag het bewust in hem. Dit was vreemd, heel vreemd, het lag in hem en hij zou het kunnen begrijpen, maar wist niet waar dit raadsel vandaan en in hem kwam. Heel merkwaardig was het en hij voelde dat dit met hem zelf te maken had. Het was precies als in Jeruzalem, maar nu nog inniger dan daar. Hoe kon dat? Hij leefde toch op aarde? Behoorde ook dit tot het verleden? Tot zijn eigen verleden?
Nog wist hij niet waar hij geleefd had, dat zou Alcar hem nog duidelijk maken, dus zou hij afwachten en er niet aan denken. Dan voelde hij dat de stilte hem overviel en ging hij daarin over.  Dit was al als voor de schepping, toen de mens nog geboren zou worden, toen er nog niets was. Duisternis, diepe duisternis en toch was er alles, maar dat alles moest men voelen. Wie kon dat echter voelen?

Geen geleerde op aarde, maar geleerdheid is aards en dit was alleen te voelen. Diep zou men in zichzelf moeten afdalen, want daarin ligt het, wij hadden het beleefd.
'Heb je gevoeld', zei Alcar ineens, 'dat ons daar niet alleen het innerlijke leven een halt toe roept, maar tevens het stoffelijke leven?'
'Ja Alcar, dat heb ik gevoeld.'

'Op aarde zien wij door alle stof heen, doch daar is dat niet meer mogelijk. Ook wij staan voor die diepte en kunnen daar niet binnengaan. Je ziet daardoor, dat ik alleen dat kan duidelijk maken wat in mijn bereik ligt en ik heb beleefd. Al dat andere is onzichtbaar voor mij. Hier is rust en vrede. Weer zijn wij in de stilte en wel in de goddelijke stilte. In het heelal heerst nu duisternis, toch zijn er duizenden zonnestelsels en is alles in beweging. Al die duizenden lichamen bewegen zich en niets stoort hier in dat machtige geheel. In het gehele universum is harmonie, maar waar aardse mensen zijn, daar is disharmonie, omdat de aardse mens stoort. Je voelt hier de reinheid van de natuur in je komen. Nu zweven wij in het heelal voort en zijn gelukkige wezens. God schiep hemel en aarde, God schiep ons mensen, het dieren- en plantenleven, God schiep het gehele universum, waarvan wij deel uitmaken. In ons is er reeds licht, André, doch al dit machtige moeten wij ons eigen maken. Merk je, mijn zoon, dat het steeds donkerder wordt?' 'Ja Alcar, doch tevens stiller.'
'Straks wordt het weer licht en dat licht is van het zonnestelsel waartoe je eigen stoflichaam behoort. Als dat eens sterft kom je voorgoed bij mij en dan gaan wij aan deze zijde verder.'
'Als ik eenmaal hier ben, Alcar, wat dan?'
'Ik heb je reeds vele malen gezegd, dat wij dan vele jaren op reis gaan.
Dan gaan wij weer alles opnieuw beleven en daar zijn die jaren voor nodig. Als dat dan voorbij is, keer ik naar mijn eigen sfeer terug en is mijn taak voorbij.' 'En ik dan, Alcar, kunt u mij ook dat vertellen?'

'Dan ga je een tijdlang alleen verder en doe je ander werk. Dat werk ligt reeds gereed en wacht op je. Daaraan ga je, je geheel geven, waarna ik je in mijn eigen sfeer opwacht. Dan gaan wij samen verder en zullen hoger gaan, om die hoogste sferen te bereiken.'
'Zal ik aan deze zijde met mijn zusters en broeders van de aarde die ik thans ken, tezamen mogen werken, Alcar?'
'Ja André, dat is mogelijk. Al je broeders en zusters die ons op aarde reeds volgen, zal je aan deze zijde terugzien. Je zult tezamen mogen werken, grote reizen mogen maken, in liefde, in reine sferenliefde zal je verbonden zijn.'
'O, welk een geluk, Alcar.'
'Het zal geschieden, André, al dit geluk zal je ontvangen. Allen zullen hier binnentreden, hier wacht hen groot geluk. Ik zeg je dit nu reeds en je kunt daarop vertrouwen.'
'Wacht uw tweelingziel al die tijd op u, Alcar?'
'Van het begin af toen ik naar de aarde ging, wacht zij reeds, maar zij helpt mij, André, wij beiden doen dit werk. In de sferen kennen wij geen afscheid, dat weet je. Je hebt mijn eigen sfeer eens mogen zien en je hebt ook haar zelfs gesproken. Wij zijn één en ik ben nooit alleen. Waar ik ook ben, volgt zij mij en ik haar en wij voelen ons nooit gescheiden. Toch ben ik steeds in de sfeer der aarde en zij in haar eigen hemel, maar een scheiding is niet mogelijk. Wij zijn eeuwig verbonden en zullen verbonden blijven.'
'Het is alles zo groots, Alcar. Maar als wij nu op de vierde graad komen, ken ik U dan terug en u mij?'

'Van nu af zijn wij eeuwig één en allen die met ons gaan zullen dat blijven. Is het niet heerlijk dit i1u reeds te mogen weten? Dit is de geestelijke verbinding, André en wie in de geest verbonden is, heeft zich dat eigengemaakt. Vraag het aan hen die de vierde sfeer hebben bereikt en allen zullen het je zeggen. Geloof mij wanneer ik je zeg, dat wij gereed zijn om alles te geven. Dit lijkt veel en is toch vergeleken met wat wij hebben ontvangen, niets. God gaf Zichzelf, Zijn eigen leven, Zijn afstemming. Wie zichzelf verliest, ontvangt dat, wat God is. Wij trachten ons die kosmische bewustwording eigen te maken en daarvoor geven wij ons geheel.'
'Waar gaat u thans naar toe, Alcar?'
'Opnieuw naar de duisternis, daar waar wij waren, want ik moet je daar nog vele dingen duidelijk maken en dat houdt met de wedergeboorte op aarde verband. Tevens zal ik van hen vertellen die alle geestelijke wetten overschreden. De wedergeboorte geschiedt uit alle overgangen, uit die oorden die daarvoor innerlijk gereed zijn.
Een ieder die verlangt om datgene goed te maken wat hij misdeed, kan dit doen en keert dan naar de aarde terug. Ik ga je duidelijk maken dat ieder wezen de geboorte, de wedergeboorte op aarde kan beleven en zal ontvangen, wanneer die verlangens in hem zijn. Maar als zij eenmaal in de astrale wereld leven en hun kringloop der aarde hebben volbracht, dan is dat terugkeren een genade. Dat is het wonder van de wedergeboorte op aarde, dat is diep en machtig en is zoals alles, heilig. Dat is wonderbaarlijk en kent men alleen hier. Toch weet dat zieleleven, als deze ziel dan op aarde leeft, ook nergens meer van af en sommigen vragen opnieuw waarom en waarvoor?'
'Moet men daarvoor dan geen hoogte hebben bereikt?'
'Je bedoelt een geestelijke hoogte nietwaar?'
 
'Ja Alcar.'
'Neen, dat is niet nodig, doch ik zei je reeds, alleen God kan dit de mens schenken. Als het zieleleven een ander lichaam ontvangt, dan kunnen zij in dat korte leven op aarde meer bereiken, dan in enige honderden jaren aan deze zijde. Vergeet niet, dat wanneer men in de duisternis leeft, men niets bezit dan duisternis en koude. Denk je die toestand eens in. Datzelfde wezen ontvangt nu op aarde een stoffelijk lichaam. Op aarde zal het onherroepelijk dat zieleleven ontmoeten waaraan goed gemaakt moet worden. Alleen daarvoor keert de ziel naar de aarde terug. God komt dus dit leven te hulp. Miljoenen wezens ontvangen deze genade. Zij komen anders niet vooruit en toch zijn al deze wezens kinderen van God. Er leven in de duisternis miljoenen wezens die verlangen om terug te keren. Onder hen bevinden zich mensen die alle natuurwetten hebben overschreden. Hoe komen al deze zielen uit deze toestand? Kun je, je iets afschuwelijkers indenken? Geen voor- of achteruit, geen ruimte, geen leven meer te voelen, niets dan duisternis? Wij kennen deze toestanden aan deze zijde, André en ik zal je dit tonen en duidelijk maken.
Er is een begin en een einde. Er zijn tevens toestanden waarin de ziel zichzelf heeft verloren, zodat er geen levensvatbaarheid, geen bestaansmogelijkheid meer is. En dat is logisch, dat is zeer natuurlijk.

Wij kunnen deze wetten overschrijden, omdat wij tot dit machtige leven behoren en daar deel van uitmaken. Maar deze natuurwetten kent men niet op aarde, Toen ik mijn wandeling op aarde en aan deze zijde maakte, heb ik die wetten leren kennen. Ik heb geleerd dat God in alles liefde is. Hoevelen heb ik er niet ontmoet die verlangen en bleven verlangen en toch kwam er aan hun ellende geen einde. Al deze mensen leefden in de duisternis en konden zich daarvan niet los maken. In het stofleven moet dat geschieden, maar ik zei je reeds, dat is een genade Gods, om opnieuw een stofkleed te ontvangen.
Een zelfmoordenaar die zijn straf aan deze zijde heeft geboet, omdat hij zijn leven op aarde vernietigd heeft, voelt hier wat hij deed en verloren heeft. Is zijn einde daar voorbij, dan roept het geestesleven hem een halt toe en kan hem alleen deze wet nog helpen, wat de wedergeboorte is. Dat is dan het laatste ogenblik om te bewijzen wat wij willen, of wij zinken in een diep en ellendig leven terug. Dat is de duisternis die wij op Golgotha hebben leren kennen en dat is voor ieder mensenkind.
Welnu, die zelfmoordenaar keerde in het leven op aarde terug en stond opnieuw voor die toestand. Zou hij weer een einde aanzijn leven maken? Hij weet niet dat hij reeds zelfmoord pleegde, maar toch ligt dat in hem. Als er geen geestelijk bezit in hem is, valt hij opnieuw. Dit is dus voor hem een probleem, een lijdensgeschiedenis, maar toch een gelegenheid, een mogelijkheid, om uit dat bestaan te komen. Hoe wil men aan deze zijde dit kunnen overwinnen? Is dat mogelijk, André? Kan men aan deze zijde bewijzen dat men geen zelfmoord pleegt?'

'Dat is toch niet mogelijk, Alcar?'
'Neen, mijn zoon, dit kan alleen op aarde; men moet in het bezit zijn van een stoffelijk lichaam. Maar wat geschiedt er nu, wat beleven deze mensen?
Honderden jaren gaan er aan gene zijde voorbij. In die eeuwen roepen en vragen zij waarom en waarvoor. Ik bedoel diegenen die bezig zijn om iets te bereiken, die voelen dat zij hoger kunnen gaan: Kan en mag ik dat niet bewijzen? In de duisternis komen zij verder als zij verder willen, maar zij komen niet van die gevoelens vrij en dit houdt hun ontwikkeling tegen. Als dus een zelfmoordenaar weer geboren wordt en opnieuw zelfmoord wil plegen, ik heb je dit duidelijk gemaakt, zal iets hem daarvan terughouden en dat iets is het verleden, zijn innerlijk leven, dat heeft hij aan deze zijde beleefd. In dat aardse leven bereikte hij dit ene en alleen daarvoor was deze mens op aarde.
Ik wil je hiermede duidelijk maken, hoe groot deze genade is, die een ieder kan ontvangen. Hoe machtig het is, om vanuit die diepe duisternis opnieuw op aarde te mogen zijn, is niet te geloven. Want, André, op aarde is er licht, daar is alles wat het leven veraangenaamt. Hier is niets dan koude en ellende. Denk je dit leven eens in. Op verschillende wijze komt God ons dus te hulp.'
'En als zij weer struikelen, Alcar?'

'Dat is bijna niet mogelijk, André. Voordat zij in die toestand overgaan, hebben zij zichzelf daarin gebracht, met andere woorden: zoveel wilskracht eigengemaakt, dat zij niet opnieuw zullen struikelen. Het ligt dus van tevoren vast dat zij dit zullen bereiken.
Ik zag ook anderen. Zij leefden niet in de duisternis, maar in de sferen van licht. Ook zij kunnen op aarde terugkeren. Ik vertelde je van een moeder, die het moederschap wilde beleven. Vijftig jaren lang verlangde zij en eindelijk werd ook haar gebed verhoord en werd zij opnieuw geboren. Dat zijn wonderen, André, in al deze toestanden komt God ons te hulp en daarvoor moeten wij dankbaar zijn. Wie wil leren, ontvangt van God alles, wanneer hetgeen zij beleven hen helpt om de geestelijke sferen te kunnen bereiken.
Ik heb je op al die reizen van geestelijke en stoffelijke natuurwetten gesproken en nu van de genade Gods. Als die genade er niet was, dan kende men mij op aarde niet, was daar nooit kunst geweest en ook geen muziek en beeldende kunst van die hoogte, die zij daar nu bezitten. Ik werd echter op aarde geboren en met mij vele anderen. Zo werd ook de piramide geboren, want ook deze wezens kwamen van deze zijde, wat ik je vertelde en zo zijn er duizenden toestanden meer.
Eens leefde er een mens op aarde, die het leven en lijden van Christus in muziek vertolkte. Deze ziel vroeg aan deze zijde zijn Vader in de hemel om hem dat te schenken. En hij ontving deze genade. Ik zal je dan ook straks met dit leven verbinden en zal je deze mens zien. Daarvoor keren wij naar Jeruzalem terug, ik heb je dat reeds gezegd. Daar leefde deze ziel en hij leefde daar omdat hij Christus wilde voelen en al dat leed en lijden in klank wilde vertolken. Voel je dit wonder, André? Dit is geschied en zo is dat voor duizenden toestanden mogelijk, doch alleen dan, wanneer de ziel iets wil beleven, of aan de aarde te brengen heeft. Wie met die wetten verbonden wordt, weet wat voor groot wonder er geschiedt en dat weten alleen zij die het beleven. Geen mens, geen geest aan deze zijde kan daar iets van vertellen, omdat dit een genade is en alleen God ons kan schenken.'

'Weet men daarom zo weinig van de wedergeboorte, Alcar?'
'Ja, niets weet men er van, André, wij weten alleen dat het mogelijk is. Vraag het aan allen die hier leven, niemand weet het. Wanneer dat geschiedt lost het zieleleven in de wereld van het onbewuste op. Je kent die toestand. Zij komen in een bewusteloze toestand en in die toestand ontwaakt het zieleleven op aarde en wordt geboren. In dat leven zal alleen dat geschieden, waarvoor het zieleleven op aarde is gekomen. Het stoffelijke leven gaat zijn gewone gang, doch het innerlijke leven zal dat beleven en in dit beleven ligt het vast en moet het geschieden. Dit zijn dan de vele levensproblemen die zij op aarde hebben te beleven. Nogmaals, André, als Gods kinderen het goede willen, dan staat voor het zieleleven alles open en zullen wij dat als mens ontvangen.'
'Een geest uit uw sfeer Alcar, zou die van zijn wedergeboorte weten?' 'Ja, want dan is men bewust en dat bewustzijn doet ons op aarde handelen en voelen en ons gevoel vraagt naar geestelijk voedsel. Geen mens van de aarde kan ons dat afnemen. Als een ziel voor de kunst op aarde komt, dan bereikt zij dit en gaat dit zieleleven tot de kunst over. Al zouden ouders ook iets anders willen, wat meermalen geschiedt, toch volgt het kind zijn weg en al verscheurt dit hun band, het gaat en het moet die weg volgen, daar is niets aan te veranderen. Daarvoor keerde die ziel naar de aarde en voor niets, niets anders. Dan beleeft dit zieleleven natuurlijk ook duizenden andere dingen en zal zich in dat leven vergeten of daarvan iets maken. Met verschillende toestanden uit ons eigen verleden zijn wij dan verbonden. Ik maakte je dat van mijzelf duidelijk. Op aarde ontwaakt het zieleleven en de mens beleeft dit en wordt wakker en bewust. Er worden dan goede en verkeerde dingen gedaan, doch dieper en lager zinken dan zij reeds zijn, ook dat kan niet. Die innerlijke kracht houdt hen staande en of dat, waarvoor zij op aarde zijn gekomen.
 
Is het je duidelijk, Andre'
'Ja Alcar, doch ook dit is wonderlijk.'
'Dat is het, doch het is meer een genade dan een wonder, want dit gebeuren ligt buiten alle bestaande geestelijke en stoffelijke wetten. Ik ga nu tot onze astrale wereld over, want je ziet, dat wij ons eigen zonnestelsel reeds zijn genaderd.'
André voelde, dat Alcar zich ging verbinden. Toen hij ging waarnemen, zag hij dat zij opnieuw in de duistere sferen waren.
'Zie daar, André, wij zijn op de plaats waar ik wilde zijn, hier liggen die wezens die wij hebben ontmoet. Voor hen is het niet mogelijk om bewust terug te keren, want zij zouden de aarde in vuur en vlam zetten.'
'Is deze sfeer de laagste aan deze zijde, Alcar?'
'Ja, mijn zoon, hier leven mensen die alle natuurwetten hebben overschreden.'
André zag naar deze ellende. Daar voor hem lagen menselijke wezens. Reeds eerder was hij hier met zijn leider geweest.
'Op deze plaats, André, heb ik mij met één van hen verbonden. Ik vertelde je toen wat ik waarnam, in je tweede boek hebben wij dat vastgelegd. Al deze wezens hebben alle natuurwetten overschreden. 0, als deze mensen in deze geestelijke toestand en dan bewust zouden worden geboren! Wanneer zij daar opnieuw de macht in handen hadden, wat zij zeker door alles wat in hen is kunnen bereiken, dan helpe God de mens op aarde, als deze beesten tot volle bewustzijn zouden komen. Al deze mensen zijn ontembaar. Zij weten niet hoe ver zij gaan en hebben geen begrip van wat zij doen. Daarom bevinden zij zich in deze toestand. Zeer diep zijn al deze mensen gezonken, zijn bewusteloos en liggen hier neer, wat duizenden jaren duren kan. Toch zullen zij eens wakker worden en aan een nieuw leven beginnen.

Hoeveel ellende heb ik je reeds getoond, André? Hoeveel verdriet wordt er geleden? Dat alles is echter alleen voor de aarde, omdat de mens op aarde zich geestelijke bewustwording eigen moet maken. Eerst dan begint het hogere leven en staan de mensen voor ons leven open. Als ik zie de vele diepe kloven die deze mensen moeten overbruggen, dan denk ik aan het leed dat zij nog hebben te beleven. Als daaraan geen einde zou komen was God onrechtvaardig, doch zij weten dat zij zichzelf in deze ellende hebben gestort.' 'Kunnen ook zij naar de aarde terug als zij dat zouden wensen?'
 'Een ieder kan terug, André, maar ik zei je toch, als al deze mensen opnieuw in hun vorige toestand, dus zoals hun laatste leven op aarde was, op aarde zouden terugkeren, dan brak de hel opnieuw los, want zij vallen iedereen aan die zij zouden ontmoeten. Eens waren zij op aarde, maar hebben zich in alles vergeten. Het zijn de heersers van de aarde, de vernietigers van ons menselijke geluk. En toch komt God ook deze zielen te hulp. Dan komt het zieleleven op aarde, dan is de ziel als een levende dode en volbrengt dat aardse leven in deze toestand. Op onze vorige tocht heb ik je daarvan verteld. Dat leven gaat dan voorbij en zij zijn dus niet bewust, dan slaapt hun diepe zieleleven omdat dit voor het verdere leven nodig is. Maar God komt deze zielen te hulp en doordat zij het aardse leven als in een schijndode toestand beleven, is er toch, wanneer zij hier binnentreden, iets in hen veranderd. In de laatste jaren echter van hun aardse leven moeten zij bewust worden en als zij daarin overgaan zijn het meestal de geestelijke krankzinnigen. Voel je hoe wonderbaarlijk alles is en hoe deze wetten werken? Die krankzinnigheid op aarde is beter dan dat neerliggen hier in deze duisternis. Hier komen zij niet verder, maar op aarde maken zij zich toch iets eigen, al is dat eigen maken niets en niets anders om weer opnieuw tot de levenden te behoren. Begrijp je wat ik bedoel, André?'
'Als ik u goed heb begrepen, dan houdt hun eigen leven hen gevangen?' 'Ja
André, inderdaad, zo is het.'

'Zijn zij zich dan van niets bewust, Alcar, ook niet dat zij daar leven?' 'Neen, mijn zoon, in alles zijn zij onbewust. Er zijn er duizenden op aarde die in deze toestand leven. Deze zielen zijn diep en al die mensen zijn niet te peilen.
Toch kennen wij deze mensen op aarde, want wanneer men deze mensen ontmoet, denkt men met krankzinnigen te doen te hebben. Deze mensen leven op aarde en zijn toch geestelijk in slaap. Stel je een dergelijke toestand voor. Zie naar deze mensen, overal zijn zij en in ieder werelddeel leven zij. Zij zijn angstig, durven niet te leven, sluiten zich bij niemand en niets aan en hebben geen gevoelens, geen verlangens, want zij zijn levende doden. Dat is de diepste psychische toestand die wij kennen en wij weten waarom die wezens op aarde zijn. Een hogere graad trekt hen aan en dat zijn meestal zij die voor krankzinnigheid open staan.' 'Wat is dat weer merkwaardig,
 Alcar. Daarvan hebt u mij nog niets verteld.'
 'Neen, dat heb ik ook niet, want dat was eerder niet mogelijk. In alles volg ik één weg en die weg ligt reeds enige honderden jaren voor mij. Ik geef en maak je alleen dat duidelijk wat je verwerken kunt, van de laagste toestand ga ik naar de hoogste. Toen mijn werk op aarde een aanvang ging nemen, begon ik mij aan jou te tonen en de verbinding tot stand te brengen. In die tijd had ik je van al deze psychische wetten en planeten niet kunnen vertellen, ook jij zou krankzinnig zijn geworden. Ik had mij in alles voorbereid en ik gaf je naarmate je innerlijk wakker en bewust werd. Deze diepte zou je niet hebben begrepen en ook nu moet je je goed en duidelijk weten in te stellen, wil je deze zielediepte kunnen voelen.

Ik zei zo-even op aarde zijn veel van deze mensen en dat zijn de zonderlingen. Deze mensen staan buiten de maatschappij en zij moeten daar buiten staan, want wanneer zij in dat aardse leven bewust zouden zijn, mijn God, wat zou er dan van duizenden, neen miljoenen mensen terecht komen? Maar van al die zielediepten weet men op aarde niets. Zij zijn ook niet te peilen, want zij zijn dom, interesseren zich nergens voor, kunnen niet leren en zijn eenvoudig niet in staat om als een normaal mens te denken. Het zijn volwassen mensen doch hun innerlijk is onbewust. Toch zijn al deze mensen geboren zoals een ieder en hun stoffelijke lichamen kunnen normaal zijn, doch dan is er geen stoffelijke storing, maar is het de ziel. De mens ontving dit omdat hij hier duizenden jaren zou zijn en God hem opnieuw te hulp kwam. Geen geest, geen mens kan daaraan iets doen, noch veranderen. Geen geleerde zou dit diepe geestelijke raadsel kunnen oplossen, want deze mensen zijn voor iedere aardse hulp afgesloten. Zij zijn niet te helpen, voor hun ziekten zijn geen kruiden gewassen, dit is een geestelijk probleem dat alleen wij kennen. Deze wetten, André, liggen buiten alle andere, die, zoals je zult begrijpen, een bestaanswereld hebben bereikt. Wie op aarde leeft en daar een taak of geen taak te verrichten heeft, wat er ook niets toe doet, zij allen hebben een bestaanswereld veroverd. Een bestaanswereld, dat zegt iets te zijn, iets te bezitten, maar deze mensen hebben die grens overschreden. Hun innerlijk houdt hen dus gevangen. Geen zieleleven is zo diep gezonken als van deze wezens en wij kennen geen dieper leed en smart en ondergang. Deze mensen waren eens bewust, hebben op aarde geleefd, hebben daar duizenden mensen afgeslacht, waren meestal de heersers van de aarde, omdat zij zich deze macht eigen maakten.'

'Het is dus niet mogelijk, Alcar, dat een dergelijk wezen in deze toestand bewust op aarde kan worden geboren?'
'Neen, die grens hebben zij overschreden. Sterven zij, dan gaan zij naar deze sfeer en worden hier neergelegd. Al deze mensen hebben zich vergeten, vernietigden anderen om een stuk land, om geld of goud en om duizenden andere dingen meer die men op aarde als bezit kent. Het zijn de geweldenaars van de aarde, zij brachten leed, smart en ellende over de mensheid. Maar God kent geen heersers, geen geweldenaars en geen vernietigers. God gaf de mens alles, Zijn eigen Goddelijk leven. Toch is dit door al deze mensen niet begrepen. Hier in ons leven leeft dit diepe raadsel, daar voor je liggen menselijke problemen, doch al die problemen zijn ons bekend. Al die heersers, die vernietigers moeten verder en hoger en daarvoor is de wedergeboorte op aarde, of zij kwamen niet verder. Doch op aarde zijn het de zwakzinnigen, de zonderlingen en men vraagt zich daar af, waarvoor deze mensen leven. Zij zien in hen de armen van geest, wat zij in waarheid zijn, doch de geestelijke betekenis is deze, die ik je thans duidelijk heb gemaakt. Al deze zielsproblemen, mijn zoon, het zal je duidelijk zijn, kennen wij, wij weten waar en hoe zij leven, wij weten door wie zij worden aangetrokken, want ook dat is een groot wonder. De wet van oorzaak en gevolg heeft hiermede te maken, het zijn die ouders die aan dit leven hebben goed te maken.
Voor alles en alles, hoe diep ook voor de mensen op aarde, aan deze zijde is de verklaring te vinden, want in de mens ligt dit vast, men moet het voelen en zijn levens kunnen zien. En dat kunnen wij, wij kunnen ons met alles wat leeft verbinden. Maar laat dit een psycholoog nu eens ontleden, dat is immers niet mogelijk. Als wij weten dat een verkeerde gedachte recht moet worden gezet, moet worden herzien, goed gemaakt moet worden, dan toch zeer: zeker al deze ellende, die zij over duizenden hebben uitgestort. Er zijn heersers geweest die men nog op de handen draagt, alleen omdat zij een genie waren, maar die duizenden levens lieten afslachten.

En dat afslachten zullen zij goed moeten maken. Wij zien hen en ik weet waar enkelen van hen nu in jouw tijd op aarde leven. Je moet hen zien, mijn zoon, die armen, die kinderen Gods, maar zie dan eerst in hun verleden. Het is een diep raadsel, maar het zijn geestelijke wetten.
Er is er één hier die miljoenen mensen heeft omgebracht. Stel je straks zijn strijd, zijn leed en smart voor. Hij zal nog duizenden jaren lang moeten slapen, eerst dan zal ook hij opnieuw geboren worden. Dan is hij een simpele, een zwakzinnige, een levende dode.
O, als voor de mensen en de geleerden van de aarde die geestelijke sluier eens werd opgelicht. Hoe zouden zij dan rillen en beven van al deze waarheden.' 'Wat is dan zo'n taak op aarde verschrikkelijk, Alcar.'
'Een dergelijke taak, mijn zoon, is een grote genade, doch wanneer zij zich vergeten gaan allen ten onder. Een dergelijke taak is alleen dan verschrikkelijk, als zij tot die daden besluiten en hun medemensen afslachten. De anderen die het goede zoeken, kunnen heel veel goed doen en wanneer deze de macht in handen hebben, is dit voor de mensheid groot geluk en vrede en rust op aarde.
Als een dergelijk monster zijn volle bewustzijn op aarde opnieuw gegeven werd, dan zou zij opnieuw trachten een maatschappelijke hoogte te bereiken en je begrijpt dan wat er zou geschieden. In de laagste graden van deze duisternis is het dus reeds mogelijk, dat zij de wedergeboorte beleven. Voor niets en niets anders geschiedt dan deze geboorte en zij beleven dus hun eigen probleem. Het is niet mogelijk dat deze wezens in dat nieuwe leven op aarde iets bereiken, want zij hebben dat reeds beleefd en zich daarin geheel vergeten.
 
Dit is dus de allerlaatste mogelijkheid voor de planeet aarde, wat wij van God kunnen ontvangen. Het is één kans en daarin moet het geschieden. Dit is een groot en heilig wonder, mijn zoon en waarvoor wij ons te buigen hebben.
De ziel waarvan ik sprak daalde op aarde af en werd geboren. Dat zieleleven zou armoede ontvangen, omdat het, wanneer het veel zou bezitten, anderen te gronde zou richten. Zou het nu toch niet mogelijk kunnen zijn, hoor nu wat ik zeg, dat dit zieleleven bij ouders geboren werd met veel aards bezit? Dat moet toch mogelijk zijn, want hoeveel ouders hebben zich dat niet eigengemaakt?
Laat ik je dan zeggen, mijn zoon, dat dit niet mogelijk is, want deze wet is onfeilbaar. Nu komt dat diepe geestelijke raadsel, waarvan ook wij aan deze zijde niets weten. Geen geest, hoe hoog ook aan deze zijde, kent deze goddelijke wetten.
Dat wonderbaarlijke geschiedt zoals het geschieden moet, waar van tevoren om is gevraagd en gesmeekt het te mogen ontvangen. Dat wonder komt en door wie? Alleen door God. God alleen kan dat en wij weten daar niets van. Die mens wordt dus geboren en beleeft alleen dat, waarvoor hij op aarde is.
Voel je dit machtige, mijn zoon? Het is machtig en wonderbaarlijk dat alleen God weet en kent, waarvan geen vorst van liefde iets weet. Ook zij die het Al hebben bereikt, kunnen dit niet weten, of de piramide was geheel afgemaakt.

Dat is God, André en een goddelijk gebeuren. Daarvoor kan men bidden en moeten wij bidden en ons hoofdbuigen. Er is één wet die alles en alles bestuurt en regelt en dat is God, de zichtbare en onzichtbare God die wij aan deze zijde kennen, die het heelal, mens en dier heeft geschapen. God komt Zijn kinderen in alles en alles te hulp. Doch dit te hulp komen wordt niet begrepen, noch aanvaard. God staat ons toe dat ik en jij en biljoenen anderen iets voor ons zelf en voor anderen doen, wanneer wij het hogere zoeken.
'Is het je duidelijk wat God is?'
'Waar gaat dat heen, Alcar, is dit alles op aarde te begrijpen?'
'Naar die diepte die wij allen voelen, mijn zoon en waarvoor wij ons hoofdbuigen, ook al denken wij van de schepping iets te voelen en te kennen, ook al is dit ons bezit.
Begrijp je, André, dat wij allen machteloos staan, als God zegt nu is het genoeg? En begrijp je dan tevens, dat wij die God die alles en alles bestuurt, alleen kunnen vragen om ons te helpen met deze woorden: 'Slechts Uw wil geschiede'? Dit, mijn zoon, is het enige gebed dat wij mogen opzenden, eerst dan willen wij kinderen zijn, zoals God het van ons allen wenst.'
'Uw wil geschiede, o, mijn Vader in de hemel, ik wil een kind zijn, slechts een kind van U.
Men denkt dat bidden niet nodig is omdat alles er is, heelal, mens en dier gereed is. Wat is God en waar is God? Als God er is, waarom dan al die ellende op aarde? Kan God niet ingrijpen? Kan God toestaan dat Zijn eigen kinderen te gronde worden gericht? Is God een Vader van liefde? Dit grote en diepe raadsel, André, is niet te peilen, noch te voelen, door geen geest, noch mens. Dit roept ons een halt toe, maar hoe meer liefde wij ons eigen maken en voor al het leven van God voelen, des te duidelijker wordt ons het raadsel God en omvangen wij naar de liefde. die in ons is.

God is licht, liefde en leven. Als God geen liefde was, kwam aan al deze ellende hier voor je, geen einde. Dit is de wedergeboorte op aarde, is het wonder van God dat wij aan deze zijde kennen. Dat is het wat ik je duidelijk wil maken en wat men op aarde nog niet aanvaarden kan, omdat men er niets van weet.
Voel je nu hoe diep en hoe heilig de wedergeboorte is? Dat wij het als mens beleven en er toch niets van weten? En dat dit noodzakelijk is, omdat wij dat, wat tot die vorige levens behoort, niet kunnen verwerken? Dat ook daarin God ons te hulp komt? De geboorte op aarde neemt alles weg en toch, diep in ons ligt het verleden, in ons ligt dit vast, in ons leeft het, wij zijn het zelf.'
'Kunnen zij daarom, Alcar, wanneer men sommige controlerende geesten naar de wedergeboorte vraagt, daar niets van vertellen?'
'Ja, want zij die hier leven en die hoogte nog niet hebben bereikt, kunnen het niet weten. De hogere geesten kennen al deze wetten en weten dat alleen God ons deze genade schenken kan, doch ook zij zwijgen, maar weten dat dit mogelijk is.'
'En is dit voor een ieder, Alcar?'
'Ja André. Maar aan deze zijde kan men alleen dat doen, wat innerlijk in ons is en in ons leeft en daarvoor moeten wij al onze krachten geven.'
'Wanneer ik u goed heb begrepen, dan zullen alleen zij dit wonder beleven die daarnaar verlangen?'
'Zo is het, mijn zoon. Wie dit wenst en er naar verlangt, is met zichzelf bezig en wie daarin leeft kan aan niets anders meer denken. Het wezen is zich van niets meer bewust, voelt en denkt alleen aan dit gebeuren. Maar onder dit denken en voelen werken velen aan de één of andere taak en wachten af totdat zij deze werking gaan voelen.'
'Komt dit vanzelf in hen, Alcar?'

'Ja André, en dan beleeft de mens dit wonder. Wat dan geschiedt zal ik je straks duidelijk maken. Hier in deze duisternis is het dus reeds mogelijk om naar de aarde terug te keren en dat is voor hen, die anders duizenden jaren neerliggen voordat zij zouden ontwaken, een grote genade. Zie naar al deze mensen, hoe diep zij zijn gezonken. Toch komt God hen te hulp. Het zal je dan ook duidelijk zijn, dat alleen de wedergeboorte op aarde hen kan helpen en de mogelijkheid is om hieruit te komen. Wij hebben deze wetten leren kennen, uit iedere sfeer is de wedergeboorte mogelijk.'
'Hoe natuurlijk is ook dit, Alcar.'
'Wij mensen kunnen niet genoeg dankbaar zijn, mijn zoon, voor alles wat wij hebben ontvangen. Hoe verschrikkelijk deze levens ook zijn geweest, ook aan hun leven komt een einde, al die ellende moet oplossen, ook zij zijn kinderen van God.'
'Hoe heeft u mij van een Vader van liefde overtuigd, Alcar. Op aarde zijn al deze mensen verdoemd. Voor eeuwig zijn zij voor de sferen van licht afgesloten en aan hun ellende komt geen einde. De hemelen zijn voor eeuwig voor hen gesloten, zo zeggen de priesters en verspreiden deze dingen. Hoe afschuwelijk is hun gepreek, nu ik dit alles heb leren kennen. Het was toch veel en veel beter, niets, geen woord van God te vertellen, dan dat zij hun hele leven op aarde deze onwaarheden verkondigen?'
'Inderdaad, André, zo is het. Zij kennen hun God niet, geen Vader die al zijn kinderen lief heeft. Ieder mens heeft zijn eigen God, doch aan deze zijde eerst gaan hun ogen open. Eerst dan leren Zij al deze wetten en mogelijkheden kennen, hier buigen zij hun hoofden en weten niet hoe zij dit goed moeten maken. Ik heb je van hen verteld, heb je getoond waarzij leven, zij allen behoren tot de levende doden.'

'Kom, wij gaan verder, ik heb je nog meer duidelijk te maken.' André zag nog eens naar al deze wezens. Hij voelde diep medelijden voor al deze mensen. Hij dacht aan Alcar's woorden, die zijn leider eens tot hem had gesproken. Rijk op aarde en arm aan geestelijk gevoel, ja, dat waren zij allen. Hoe waren al die levens geweest? Hij rilde en beefde van al deze ellende. Toch zouden ook zij eens de sferen van licht bereiken. Hoe groot was God, hoe onfeilbaar waren al deze wetten en daarvan wist men op aarde niets. Hij volgde zijn leider. Nu leefde hij in de diepste hellen die men aan deze zijde kende. Op zijn eerste uittredingen was hij hier reeds met Alcar geweest. Hoeveel had Alcar hem duidelijk gemaakt. Nu begreep hij het geestelijke leven, nu voelde hij hoe waarachtig alles was, hoe natuurlijk deze wetten waren. 'Zij die in het land van haat leven, Alcar, kunnen die gaan waarheen zij willen?'
Ja, mijn zoon, deze mensen zijn bewust, zij hier onbewust. Deze mensen hebben de natuurwetten overschreden, in de sferen die hier boven liggen eveneens, want ook hierin zien en kennen wij geestelijke overgangen.
Zie daar, André, een andere hel, ook hier zijn wij vroeger reeds geweest.'
Uit spleten staken handen en die handen waren als klauwen. André rilde en beefde, want hij zag dat ze met bloed bevlekt waren.
'Hoe is het mogelijk, Alcar, ik zie bloed!'
'Hier leven mensenkinderen, André, mensen zoals jij en ik, kinderen van God. Zoals de engelen in de sferen van licht,dragen ook zij de vonk Gods, hebben op God afstemming. Zij allen hebben zich vergeten. Het bloed van anderen kleeft aan hun handen, zij leven in een toestand zoals hun innerlijk leven op aarde is geweest.'
'Kunnen ook deze wezens naar de aarde terug?'

'Ook voor hen is deze mogelijkheid, mijn zoon. Zij zouden zich hiervan niet vrij kunnen maken.'
'Wat geschiedt er, Alcar, of hoe komen zij hier vandaan?'
'Wanneer zij de wedergeboorte zullen ontvangen, dan overvalt hen een diepe slaap en langzaam maar zeker lossen zij op. Dan worden zij door de wereld van het onbewuste aangetrokken en zien wij hen op aarde terug.'
'Hoe dankbaar moeten wij toch zijn, dat dit mogelijk is, Alcar. Deze mensen zijn dus van de aarde hier gebracht?'
'Toen hun einde op aarde kwam en zij daar dus gingen sterven, bracht men hen naar deze plaats. Daarna werden zij wakker. Dan neemt dit leven een aanvang en zien en weten zij dat zij gevangen zijn.'
'Zouden zij zich daarvan bewust zijn?'
'Ja zeker, zij weten dat zij opgesloten zitten en trachten zich te bevrijden, maar dat is niet mogelijk.'
'Wat moeten al deze mensen toch wel misdaan hebben, om hier te moeten leven?'
'Ik wil je niet verbinden, André, je zou al die verschrikkingen thans niet kunnen verwerken. Maar ik verzeker je dat God niet toestaat dat ons iets geschiedt, als dit niet nodig is. Hun leven op aarde was afschuwelijk. Al deze zielen, deze mensen, geen uitgezonderd, André, hebben duizenden mensen op aarde omgebracht, gekweld, gepijnigd en vernietigd. Allen zijn demonen, het zijn genieën in het kwaad. Je voelt zeker dat, wanneer niemand hen te hulp komt, zij hier niet uit komen, want in hen is geen bezit.

Zij zijn arm aan gevoel en weten van hoger gaan niets af. Maar God zou geen Vader van liefde zijn, als Hij Zijn kinderen hier alleen liet. Toch kunnen zij hier niet blijven. Er moet hulp komen. Met hen praten en van een hoger leven vertellen is niet mogelijk. Zij klampen zich aan je vast en zijn opnieuw gereed, wie het ook is, te vernietigen. Hun leven is walgelijk en afschuwelijk en toch komt ook hieraan een einde. Zij allen hebben zich vergeten. Maar hebben wij ons niet allemaal vergeten? Is er één mens in de sferen van licht die dit van zichzelf kan zeggen? Neen, mijn zoon, zij allen hebben zich vergeten, eens, duizenden jaren geleden behoorden zij tot hen, al hebben zij de sferen van licht reeds bereikt.
Hier waren wij vroeger reeds, maar toen kon ik je al deze mogelijkheden nog niet duidelijk maken, je zou er niets van hebben begrepen. Nu zijn wij echter zover en kan ik je met de wedergeboorte verbinden. God komt dus ook hen te hulp en dan geschiedt dat, wat de wedergeboorte is. Diep is alles en groots, André en daarvoor kunnen wij God niet genoeg dankbaar zijn. Is het je duidelijk dat God Liefde is? Dat wij mensen dit moéten ontvangen, of wij komen niet verder? Aan hun leven komt geen einde, zij dragen geen bezit en komen hier niet vandaan. Doch de wedergeboorte maakt hen vrij en dan ontvangen zij een nieuw lichaam. Voor hen is er dus geen andere mogelijkheid om vooruit te komen.'
'Hoe zal hun leven op aarde zijn, Alcar?'

'Deze mensen hebben het hard, André. Zij kunnen proberen wat zij willen, toch komen zij tot niets. Miljoenen van deze mensen leven er op aarde en al deze zielen hebben goed te maken. Eén wet houdt hen gevangen, hun leven op aarde is een diep raadsel en zij voelen zich verongelukt. Een hoge maatschappelijke positie bereiken zij niet, dat alles hebben zij reeds verknoeid. Iets is er, André, dat hen steeds en steeds weer laat voelen, tot hier en niet verder.
Zie, dat zijn nu die ondoorgrondelijke wetten van God en dan vervloekt de mens zijn Vader, omdat hij zijn eigen leven niet begrijpt en al deze wetten niet kent. Dat raadsel leeft op aarde, zoekt zich een bestaan en alles mislukt, hun gehele leven lang. Iedere menselijke toestand op aarde is dan ook een diep geestelijk raadsel, ook dat zal je thans duidelijk zijn. Een ieder bezit zijn eigen karma wat het verleden is en betekent. Wat zou je liever willen bezitten, André, hier in diepe duisternis, waar koude en ellende is, of op aarde in een stoffelijk organisme, met zon en mensen om je heen? Wanneer men dit alles kan aanvaarden dan is het leven op aarde niet zo moeilijk, want men beleeft datgene wat men misdaan heeft. Doch de mens is in opstand, want waarom hebben die anderen alles? Alleen aan deze zijde zoals je ziet, is dit diepe probleem op te lossen. Een kracht echter is er, die dit alles bestuurt, het is die kracht;waardoor mens en dier, sterren en planeten zijn geboren. Die kracht waakt en stuwt en zegt, tot hier en niet verder, wanneer mensen alle natuurwetten hebben overschreden. Dan staan wij voor dit wonder, dit diepe en machtige probleem dat wij aan deze zijde hebben leren kennen en zijn dankbaar voor alles. Zie hier rond, André, zie hoeveel ellende hier leeft en dat zijn mensen. Ik heb je dit alles vroeger reeds getoond, doch thans heb ik je de betekenis van al deze geestelijke wonderen en problemen die wij kennen, duidelijk mogen maken.

In spleten en holen leven zij en waar je hier ook ziet, leven kinderen van God. Allen hebben de goddelijke vonk, maar moeten ontwaken.' 'Maar wat bereiken zij nu op aarde, Alcar?'
'Ik zei je reeds, zij kunnen niets bereiken. Zij zullen daar leven en op deze wijze gaat dat aardse leven voorbij en treden zij opnieuw hier binnen, doch dan kunnen zij zich voortbewegen. Voel je, André, hoe wonderbaarlijk het ,is?'
'Ja Alcar, zij behoren dan weer tot de levenden?'
'Juist, zo is het en dat is de bedoeling van God. Eenmaal bevrijd van dit leven, kruipen zij hier rond en gaan zij verder om het land van haat te bereiken. Op onze andere reizen heb ik je ook dit duidelijk gemaakt. Door die nieuwe geboorte zijn zij dus tot het leven teruggekeerd. En dit, mijn zoon, is een grote genade, waarvoor wij God niet genoeg dankbaar kunnen zijn, of aan deze duisternis komt geen einde. Maar wij kennen geen verdoemdheid, God heeft al Zijn kinderen lief, ook deze kinderen die alle natuurwetten hebben overschreden. Hoe hoger wij nu komen, hoe meer veranderen de sferen en tevens de mensen. Je weet dat er zeven hellesferen zijn. De diepe duisternis lost reeds op en naarmate wij hoger komen, zal je beter kunnen waarnemen. De mensen die daar leven, kruipen als dieren rond, doch zijn vrij in hun doen en laten en kunnen gaan waarheen zij willen. Toch houdt hun hel hen gevangen en waarom dit zo is heb ik je reeds verteld. In de eerste drie boeken *)*) Dit zijn de drie delen van het boek 'Een Blik in Hiernamaals'.hebben wij dat vastgelegd.

Kom, André, iets verder en hoger zal je hen zien, die in die andere toestand zijn gekomen.'
De diepe duisternis loste iets op en André kon nu beter waarnemen. Hier was hij reeds geweest, daar voor hem zag hij deze mensen. Zij kropen over de aarde en zo afschuwelijk was hun gestalte, dat het geen mensen meer waren.
'Is het je duidelijk, André?'
'Ja Alcar, alles, ik begrijp u volkomen.'
'Wie hier boven zijn, dus zij die in een hogere helletoestand leven, zijn voor de wedergeboorte nog niet te bereiken. Al deze mensen leefden zich op aarde uit en ook die geestelijke toestanden heb ik je duidelijk gemaakt. Wanneer je hun vraagt hoe zij zich voelen, dan vinden zij hun leven zo kwaad nog niet. Wij echter rillen en beven van hun levensopvatting en walgen van hun hartstochten.
Deze mensen blijven in die duistere sferen totdat zij eens zullen ontwaken en aan een hoger leven willen beginnen. Mij gaat het nu om je te tonen, dat voor hen de wedergeboorte nog niet mogelijk is, want zij zijn bewust en moeten trachten zich van deze hel te bevrijden. En al duurt dat eeuwen, eens zullen zij daaraan beginnen. Ik zei je tevens, alleen dan, wanneer die heilige werking bewust in ons is. Wij zijn het dus zelf die de natuurwetten wakker roepen en wanneer dit geschiedt, gaan wij in die werking over en moeten wij die werking beleven.'
'En is dat tevens voor de hogere mens, Alcar?'
'Ja André, ik zal je dat aanstonds duidelijk maken. Ik zei reeds, dit is voor iedereen, God maakt geen onderscheid. Wat voor deze wezens is, is dus tevens voor hen die de sferen van licht hebben bereikt.' 'En zij die in het land van haat leven, Alcar? Kunnen ook zij naar de aarde terugkeren?'

'Zij die in het land van haat leven, zijn dierlijke wezens en in hun leven bewust. Voel je wat dit zeggen wil? Zo-even zei ik, al deze mensen moeten eerst ontwaken, eerst dan komt er wroeging in hen en vragen zij hun God dat goed te mogen maken. Doch we weten, dat er honderden jaren voorbij gaan voordat zij zover komen. Zij beleven opnieuw het leven op aarde, doch thans als de astrale mens. Toch kunnen zij deze genade ontvangen.'
'Wanneer ik u goed heb begrepen, dan is het eerder mogelijk uit de diepste hellen geboren te worden dan uit het land van haat, Alcar?' 'Inderdaad, mijn zoon, heel goed. In de diepste duisternis liggen zij neer en kunnen zich niet bewegen. In het land van haat echter is er werking, zij kunnen gaan waarheen zij willen. Het spreekt vanzelf dat al deze mensen tot inzicht moeten komen en aan een ander leven moeten beginnen. In hun leven zien wij vele mogelijkheden, in de diepste duisternis is er maar één mogelijkheid: de wedergeboorte, waardoor hun toestand verandert.'
Na het land van haat volgt het schemerland, dat aan het land van haat grenst. Maar in al die sferen leven dus mensen die zich reeds voor de wedergeboorte hebben afgesloten, omdat zij tot de levenden behoren. Voel je ook dit, André?
 
'Ja Alcar, het is mij heel duidelijk. Zij willen immers niet anders, denken alleen aan dat wat zij willen bezitten en vinden dit op aarde.' 'Heel goed, André, dit is hetgeen ik je duidelijk wilde maken. Zij daar beneden hebben maar één verlangen, maar zij in het land van haat en in het schemerland duizenden verlangens en dit sluit hen voor de wedergeboorte af.
Iemand dus die met zijn eigen probleem rondwandelt, kan aan niets anders meer denken en eerst dan geschieden deze wonderen. Dan voelt men wroeging, André en wil men goed maken. Honderden jaren kunnen er echter voorbij gaan voordat dit gebed wordt verhoord. Ik heb dat alles beleefd, heb aan deze zijde al deze problemen leren kennen en ben God zeer dankbaar. Toen ik in de duisternis was om anderen te helpen ontmoette ik een vrouw, die ik van een hoger leven wilde overtuigen. Hoe ik ook trachtte haar te bereiken, het was mij niet mogelijk. Toen snelde ik terug naar de hogere sferen en vroeg mijn meester wat ik moest doen om dat zieleleven te kunnen helpen. In haar leefde een groot probleem, niemand kon haar helpen, álleen God kon hét haar geven, waardoor haar leven zou veranderen. Mijn meester zei: 'Broeder Alcar, wacht af. Er is maar één kracht die dit kan en die kracht is God, maar het wezen zelf moet die wetten en krachten in werking brengen.' 'Maar, zei ik, het leed en de wroeging die zij voelt is verschrikkelijk.' Toen zag mijn meester mij aan en zei: 'Ja, mijn broeder, zij leeft, zij is wakker en bewust en zij verlangt, maar haar verlangen is nog niet intens genoeg zodat die werking kan geschieden. Gà terug en zie hoe zij is, volg haar en gij leert dit wonder kennen en zie toe hoe onfeilbaar dit alles is.' Ik daalde opnieuw af, André en zag dit wonder voltrekken. Langzaam maar zeker loste zij voor mij op en verdween zij voor mij, in een andere wereld was zij binnengetreden. Weer keerde ik naar de sferen van licht terug en vertelde dit aan mijn meester. Hij zei tot mij: 'Als dit niet was geschied, konden er duizenden jaren voorbij gaan, dan nog bleef zij in haar eigen toestand en die kwelling is niet te beschrijven.

Doch God komt ons allen te hulp, alleen dan te hulp wanneer wij ernstig willen. Zou God een Vader van liefde zijn als hij dit aan zijn eigen leven zou weigeren? Volg haar thans op aarde, ik zal u zeggen waar zij wordt geboren en zie toe hoe dit leven opgroeit. Zie wat er geschiedt in dat korte aardse leven en gij leert de goddelijke wetten kennen.'
Toen keerde ik naar de aarde terug, André en volgde dat leven. Deze ziel beleefde haar eigen probleem en God gaf haar deze genade om tot zichzelf te komen. En zij kwam tot zichzelf en toen zij dat aardse leven ging verlaten en de dood haar riep, trad zij hier binnen en was zij van die verschrikkelijke wroeging bevrijd, zodat zij voor een nieuw leven openstond.'
'Wat groots is dat, Alcar?'
'Ik zei je reeds, André, daarvoor kunnen wij onze Vader niet dankbaar genoeg zijn. Steeds en steeds weer komt God al Zijn kinderen te hulp. Waar geen gebed helpt, daar helpen natuurwetten. Dat leven wordt beleefd, de daad lost op en de ziel is gelukkig en gaat aan een nieuw leven beginnen. Is je dit duidelijk, André? Dan voel je, dat in alles Gods liefde is en wij mensen alles kunnen ontvangen wanneer wij ernstig willen. Dit behoort bij ons leven, is de wedergeboorte op aarde, is een grote genade Gods. Wanneer wij de. kringloop der aarde hebben volbracht, leren wij al deze goddelijke wetten kennen.
Wat nu voor deze zielen is om zich van hun eigen ellende te bevrijden, ik zei het reeds, is tevens voor het hogere wezen dat voor de aarde iets wil doen. Ook het hogere wezen kent en bezit zijn eigen problemen.
 
Als wij eens dit leven gaan kennen, André, en voelen wat wij hebben ontvangen en in al die miljoenen jaren hebben mogen beleven, dan komt er een ander gevoel in ons en dat is dankbaarheid. Hoe kunnen wij echter die dankbaarheid tonen? Duizenden middelen en wegen zijn daarvoor.
In de eerste plaats kunnen wij ons aan deze zijde nuttig maken, in de hel en in de sferen van licht, zo ook op aarde. Wij kunnen in deze sferen afdalen waar veel werk te doen is. Haast iedereen daalt in deze duisternis af om anderen te helpen. Ook gaan er velen naar de aarde en helpen daar hun vrienden en hun zusters en broeders. Weer anderen willen iets aan de aarde brengen, daar iets tot stand brengen om God voor alles te danken. En ook dat is mogelijk en worden zij opnieuw geboren.
Nu ga ik in die tijd over toen de aarde de kunst zou ontvangen. Intussen keren wij naar de sferen van licht terug, onderweg kan ik je hiervan vertellen. Wij zullen dus de duisternis verlaten, André en voorlopig zal je hier niet terugkeren. Heb je mij hierover nog vragen te stellen?'
'Neen Alcar, ik heb u in alles begrepen.'
'Prachtig, André. Je hebt toch zeker wel begrepen dat, wat er ook op aarde is, het van deze zijde komt? Niets is er op aarde, of zij hebben het van hun zusters en broeders aan deze zijde ontvangen. Op onze vorige tocht hebben wij hierover gesproken, nu echter ga ik je ook dit duidelijk maken, want het behoort tot de wedergeboorte op aarde.
Alles wat op aarde is, hebben wij hun daar gebracht door inspiratie, doch tevens door de wedergeboorte. Er werden dus wezens geboren, die voor kunst naar de aarde kwamen, omdat de aarde dit nodig had. Men bereikte daarmede dat de mensen zich voor hogere dingen gingen interesseren. Ik ga je nu met die toestand verbinden en zal je aantonen hoe dit geschiedde. Waar wij ook zijn, reeds van de eerste sfeer af zien wij geestelijke wezens zich gereed maken om die genade te ontvangen.

Is het je duidelijk, André, waarom al deze wezens de eerste sfeer hebben moeten bereiken voordat de wedergeboorte mogelijk is?' 'Ja Alcar, dat,is mij heel duidelijk, want al deze mensen moeten zich eerst van alles vrij maken.' 'Juist, André, zij moeten dit verdienen, een bestaansmogelijkheid bereiken, willen zij die wetten in werking brengen. In de drie laagste hellen is dit mogelijk, doch daarna zijn zij bewust en omdat zij bewust zijn is hun innerlijke leven anders en is die werking niet mogelijk. Zij gaan dus steeds verder en hoger en hebben zij dat doel eenmaal bereikt, dan leren zij deze wetten kennen, die door hun wroeging tot werking zijn gebracht.'
'Hoeveel wonderen zijn er aan deze zijde, Alcar en hoe natuurlijk is alles. Hoe groot de genade dit te mogen ontvangen. Heeft u de wedergeboorte beleefd, Alcar?'
'Ja, mijn zoon, ook ik behoorde tot hen die deze genade mochten beleven, doch daar vertel ik je straks over.'
'Is dit het schemerland waar Gerhard leefde, Alcar?'
'Ja André, spoedig zijn wij in de eerste sfeer.'
'Van deze sfeer uit is dus de wedergeboorte niet mogelijk?'
'Neen, want zij hebben andere problemen te beleven en daar zijn zij vol van, staan dus voor diepere belevenissen niet open.'
'Dit is heel duidelijk, Alcar, nu begrijp ik het nog beter.'
'Dit moet duidelijk zijn, mijn jongen. Al deze mensen hebben een andere geestelijke afstemming, beleven hun eigen leven en kunnen dus aan niets anders denken.'
'Wanneer een mens opnieuw geboren is, Alcar en op aarde sterft, is er dan niets veranderd wanneer zij hier binnentreden?'

'Ja zeker. Indien vorderingen op aarde zijn gemaakt zullen zij dit onmiddellijk aan deze zijde waarnemen.'
'En zijn zij zich daarvan bewust?'
'Neen, dat is niet mogelijk, eerst in de vierde sfeer kunnen wij dit waarnemen. Ook daarvan heb ik je verteld. Ik zal je dit dan ook tonen wanneer ik je met mijn eigen leven ga verbinden. Er is verandering te zien en dat heeft men dan in dat aardse leven bereikt.'
'Is het niet mogelijk dat zij terugzinken, Alcar?'
'Neen, ook dat is niet mogelijk, die krachten liggen in ons. Voel je wat ik bedoel, Andre'
'Ja Alcar, ook dit is mij duidelijk.'
'Voordat wij op aarde geboren worden, mediteren wij jaren lang en bereiden ons voor op deze grote gebeurtenis.'
'Duurde het voor u lang, Alcar?'
'Voor mij duurde het ongeveer een halve eeuw.'
'Wat zegt u, vijftig jaren?'
'Ja, mijn zoon, vijftig jaren volgens aardse berekening had ik nodig mij voor deze taak gereed te maken.'

'Het is alweer een nieuw wonder dat u mij duidelijk maakt.'
'Ik moest innerlijk gereed zijn wilde ik deze grote genade kunnen ontvangen, eerst dan volgt de geboorte op aarde. Toen ik opnieuw dit leven binnentrad, had ik een hogere sfeer bereikt, wat mij echter eerst later duidelijk werd. In het leven op aarde had ik mij dus die hogere toestand eigengemaakt.'
'Het is allemaal zo wonderbaarlijk, Alcar, ik heb geen woorden.'
'Kijk, André, daar is de eerste sfeer. Wij gaan nu naar de tempel der kunst en daar ga ik je met het verleden verbinden. Je zult beleven wat er aan deze zijde geschiedde in die tijd, nu enige eeuwen geleden. Op verschillende wijze tracht ik je dus van de wedergeboorte te overtuigen. Daarginds treden wij binnen. Je bent daar reeds geweest, André, het is de tempel van de schilder- en beeldende kunst. Daar moet ik zijn. Ook in de tweede sfeer heb ik je deze tempel getoond. Hier echter heeft deze tempel een andere betekenis.
In de jaren dat de kunst op aarde zou worden geboren, kwam die kunst uit deze tempel. Hier leefden de kunstenaars en deze wezens zouden opnieuw op aarde worden geboren. Ik heb je beloofd daarvan te vertellen. Deze kunst, ik bedoel van de oude meesters op aarde, staat zeer hoog. Waarom leefden al deze kunstenaars in die gouden eeuw? Waarom waren zij daar en zijn zij er nu niet meer? Deze vragen ga ik je thans beantwoorden. Ook nu wordt er op aarde geschilderd en toch, zij kunnen dit niet evenaren. Zulke meesters komen niet meer op aarde, kunnen daar niet meer komen, of zij brengen die kunst, die men op aarde niet meer begrijpt. En wat bereiken wij dan? Hier houdt men daarmede rekening.

Ik heb je reeds gezegd, dat de kunst van de tweede en derde sfeer niet meer wordt begrepen. Als die op aarde werd geboren, zou dat een openbaring zijn, maar ook die openbaring zou niet worden gevoeld. Dat gaat boven hun gevoel en dan zouden de hartstochten van de mensheid ontwaken, alleen door onze kunst. Ik heb je indertijd ook verteld, dat men mijn kunst stal en er doden vielen; alleen om een stuk te willen bezitten om dat te gelde te maken. Zie, dat is een stoornis en als die hogere kunst werd gegeven, zou dat opnieuw geschieden, maar nog veel en veel meer.
De kunst, die in die tijd aan de aarde zou worden geschonken, kwam uit deze sfeer en er waren meesters, die reeds met de tweede sfeer verbinding hadden. Doch dat waren er maar enkelen. Hier werd echter gevoeld wat zou geschieden. Hier in de eerste sfeer was het, dat die meesters zich gereed gingen maken. Hier mediteerde men, voordat dat ontzaglijke gebeuren zou plaats vinden.
Kom, André, wij gaan naar binnen.'
André volgde zijn leider en herkende dit prachtige gebouw. Onmiddellijk werd Alcar begroet. Een geest van het licht trad Alcar tegemoet en verwelkomde hem. André hoorde hem spreken. Deze geest droeg een prachtig gewaad en André begreep, dat het een meester uit de derde sfeer was. Aan dit gewaad en aan zijn innerlijke licht herkende hij zijn sfeer. Alcar wenkte André tot hem te komen en toen verwijderde zich deze gestalte.
 
'Zie daar, André, kunst en wel geestelijke kunst. Dit zijn jonge kunstenaars die op aarde hebben geleefd en zich thans aan deze zijde bekwamen. Je weet dat dit mogelijk is. Ik heb je tevens verteld en duidelijk gemaakt, dat zij beter in de duisternis zouden kunnen afdalen en daar werk doen, dan hier te schilderen. Maar deze tempels staan voor de mens open en een ieder die wil kan zich daarin bekwamen. Krachtige geesten echter voelen wat zij zouden kunnen en dalen af en bereiken dan veel in die korte tijd, zoals je van Gerhard weet. Maar daarom gaat het mij niet, want dit gaat hier reeds duizenden jaren door. Als zij uitgeschilderd zijn, komen zij tot zichzelf.'
'Waarom zegt men hun dat niet, Alcar?'
'Dat heeft geen zin en geen nut, mijn jongen. In hen ligt dat gevoel en dat gevoel moeten zij beleven of ook zij komen niet verder. Voel je nu hoe intens hier onze gevoelens zijn en dat wij niets, niets anders kunnen doen en voelen dan dat ene? Voel je dan dat zij, die arme wezens hier beneden, in en door hun eigen leven stikken? Dat zij geen voet hoger of lager kunnen verzetten en zij eerst dat moeten beleven, om dan aan andere dingen te kunnen denken? Deze meester die mij herkende is hier, omdat hij goed werk doet en hen als het nodig is, van hun verkeerde gevoelens overtuigt. Zo is ook het leven op aarde en dat vinden wij in de sferen terug, maar alleen hier in de eerste sfeer, omdat de eerste sfeer als de aarde is.
In de tweede sfeer behoeft men niemand meer aan te sporen, in hen is die kracht en wil, zij zijn dus zover gekomen. Hier schilderen zij, in andere toestanden in deze sfeer wandelen zij rond en zoeken hun leven in de natuur en trachten achter de waarheid te komen hoe alles groeit en leeft. Maar ook daarmede komen zij niet verder.
Ook ik schilderde en dacht daarmede alles te kunnen bereiken. Doch dat is voor ons innerlijke leven niet mogelijk. Wij kennen en bezitten dan kunst, ons gevoel is ontwikkeld, maar daarmede komen wij toch niet verder, want hier moet men dienen en wel het leven dienen.

Zie, André, al deze mensen trachten in kunst iets te bereiken, doch mij gaat het om het verleden en daarmede ga ik je verbinden.'
Op hetzelfde ogenblik ging André waarnemen. Voor zich zag hij vele wezens.
'Deze geestelijke wezens, André, waren vele eeuwen geleden hier verenigd. Velen van hen werden op aarde geboren en hier onder hen zie je mij.'
'Wat zegt u?'
'Dat ik onder hen ben, André. Zoek mij en je zult mij vinden.' André volgde hen allen. Dan schrok hij, want daar zag hij zijn leider. Mijn God, hoe is het mogelijk? 'Ja, u bent het, ik herken u, Alcar, aan deze mens ligt u vast. Wat vind ik dat een groot wonder, Alcar.'
'Zie daar ginds, André, onze meester, zoals hij, die mij zo-even begroette.'
André keek in die richting. Hij voelde in deze mens kunst. Dit wezen was een genie. Hij leefde in kunst en ook in zijn uitstraling lag kunst.
'Wat betekent dit, Alcar?'
'Dit betekent, dat deze mens. zijn hoogste graad in kunst voor deze sfeer heeft bereikt. Zijn gevoel staat alleen voor kunst open, hij is niets anders dan alleen kunst. Dat gevoel zie je in zijn uitstraling. Er zijn wezens aan deze zijde die zich voor andere studies hebben bekwaamd en ook dat is aan hun aura te zien. Maar in hem is alleen kunst en daarin is hij een meester. Doch dat zegt echter nog niet dat hij veel liefde bezit. Zijn liefde is als de eerste sfeer en hier leeft hij dus. Ook ik ben daar, doch ik heb je nog van mijn binnentreden aan deze zijde te vertellen en kom dus op mijn eigen leven straks terug.
Jozef Rulof.


                                               TUSSEN LEVEN EN DOOD:
''Tussen Leven en Dood'' is de zesde titel in de reeks die Jozef Rulof mediamiek ontvangen heeft. Het boek is een meeslepende roman over het tempelleven van de priesters in het oude Egypte. Het historisch waar gebeurde verhaal speelt zich af in de tempel van Isis, ongeveer 4000 jaar geleden.
Door het boek leren we Dectar kennen (zo heette Jozef Rulof in dat leven)). als priester in deze tempel. Dit tempelleven is één van de belangrijkste vorige levens van Jozef Rulof. In dat leven leerde hij de magische krachten kennen en overwinnen, en legde zo de basis voor zijn latere mediumschap. In zijn laatste leven op aarde als Jozef Rulof waren deze krachten naar zijn onderbewustzijn gezonken, Maar Alcar -- de geestelijke leider van Jozef -- gebruikte die krachten uit het onderbewustzijn om het mediumschap op te bouwen. Door zijn tempelleven kon Jozef een hoogte in het mediumschap bereiken die zelden op aarde vertoond is.
''Tussen Leven en Dood'' geeft ons een indringend beeld van de macht van de Oud-Egyptische tempels. De priesters legden zich leven na leven toe op het overheersen van hun lichaam en hun denken, zodat zij tijdens hun meditaties door niets meer werden verstoord. Het boek beschrijft hun lessen in concentratie, en de bikkelharde proeven die zij moesten afleggen om aanvaard te worden als priester.  Het boek onthult hun kennis over leven en dood, met inbegrip van een diepgaande analyse van het sterven, de dood als persoonlijkheid, de slaap als toegang tot het astrale leven, genezingen door concentratie, en een metafysische studie van het karakter.

Alle priesters stonden onder strenge controle van de hogepriesters. Hun macht was onbeperkt. Zij controleerden door hun vlijmscherpe concentratie niet alleen alle gedragingen van de priesters, maar zelfs hun gedachten. Als een priester één gedachte ontwikkelde die niet volgens de regels van de tempel opgebouwd werd, werd hij hiervoor pijnlijk gestraft. Herhaalden zich deze gedachten, dan werd hij gedood.
In deze hel van macht en koude concentratie wordt in het boek één priester gevolgd, Venry. Deze priester was een 'natuurtalent' met een zeldzame hoogte van aangeboren helderziendheid en concentratievermogen. Venry voelde dat de tempel ontdaan was van elk gevoel van liefde, en hij zocht naar een weg om de tempel terug naar het licht te brengen. In de tempel leert hij ook zijn tweelingziel kennen, wat zijn hogere gevoelen van liefde en harmonie nog versterkte. Al deze gevoelens brachten hem, tezamen met zijn leermeester Dectar, in een strijd op leven en dood met de opperste hogepriester Iseuës. Deze strijd werd op het hoogste niveau gevoerd, tot aan het hof van de farao. Tijdens de tempelzittingen trad Venry uit zijn lichaam en ontving hij van de 'Godin van Isis' astrale en kosmische wijsheid, die in 'Tussen Leven en Dood' is opgetekend. De boeken die Jozef Rulof nu ontvangen heeft zijn in feite een voortzetting van deze kennis. Toen konden de meesters niet verder gaan, omdat de priesters zichzelf wilden beleven en de magische krachten in eigen handen wilden houden. Uiteindelijk vielen de tempels in handen van de zwarte magie. Enkele priesters bleven hun hogere idealen trouw en versluierden de kennis, opdat die niet in handen zou vallen van oningewijden.
In de huidige tijd is die versluiering niet meer nodig. Nu kan de hoogste wijsheid op aarde gebracht worden, omdat de mensheid voor de geestelijke ontwaking staat en geestelijke kennis kan aanwenden om zich naar het licht te stuwen. Nu liggen de boeken open voor elke geïnteresseerde. 
 
Een gedeelte uit  dit schitterende boek plaatsen we hier. Dectars vele levens:
'Ik heb je op verschillende wijzen leren kennen, Dectar.'
Hij glimlachte als een klein kind van geluk en zei: 'Zie je, Venry, als een klein kind kan ik de dieren helpen, niet als volwassen mens. Wolta voelde mij als een kind, of hij had mij verscheurd. Een kind kan hij geen kwaad doen, maar ik ga nog verder terug en ben dan niets, dan is het bewustzijn van mijzelf uit mij weg en is het dier dadelijk rustig.'
'Hoe voel je je dan, Dectar?'
'Wel, Venry, dat is heel eenvoudig, als een dier natuurlijk. Ik ga dan in Wolta en voel mij dan als zijn eigen kind. Op dat ogenblik weet ik dat ik duidelijk voel en dan komt Wolta' s liefde in mij en dat is heerlijk. Het maakt mij zo gelukkig, Venry Dan wil Wolta met mij spelen en kan ik alles met hem doen. Bij andere dieren is dat precies hetzelfde, maar je moet bij sommige enige levens kunnen terugdenken, eerst dan is het bewustzijn en één-zijn volkomen.'
'Is het waar, Dectar, dat men het gif in honing verandert?'
'Twijfel je daaraan, Venry?'
'Ik weet het niet, Dectar, maar het lijkt mij heel moeilijk.'

'Ook ik kan dat, Venry, maar ik ben nu mijzelf niet en daarvan moet ik eerst overtuigd zijn.'
'Wat geschiedt er, Dectar, wanneer men het gif oplost en je daarin overgaat?'
'Met mijn wil dood ik het gif en ook de slang. Weet je, Venry, dat wij het gif innemen en het in ons doden? Er zijn meesters die zonder eten en drinken kunnen leven, maandenlang, zelfs jaren achtereen en toch voelen zij zich heel opgewekt en gezond. Ook dat is moeilijk en daar is een studie van jaren voor nodig. Onze concentratie moet heel scherp zijn gericht en wel op één doel, anders is het niet mogelijk. Wij brengen de slang in een ander leven, gaan daarna geheel in dat leven over en eerst dan is het geen slang meer, doch het dier dat wij ons voorstellen. Een vogel is vrij van gif, welnu, ga ik daarin over, dan verliest het gif alle kracht.'
'Het is wonderlijk, Dectar, maar is die werking onfeilbaar?'
'Jazeker. Wij weten dat iedere diersoort een andere soort is geweest. Ik zou je daarvan heel veel kunnen vertellen. Ook ons bewustzijn kan in een ander overgaan en daarin hebben wij eens geleefd. Indien wij diep daarin afdalen, zullen ook al de eigenschappen uit dat andere leven in ons komen en leggen wij ons wezen van thans af.
Omdat dit zo is, Venry, want wij kennen die wetten, is het ook in de dierenwereld mogelijk. Onze hevige concentratie brengt ons daarin. Wanneer ik het gif wil veranderen, breng ik het dier in een ander leven, en daarna ga ik in die soort over, maak mij daarmee geheel één, en zie, het gif is als honing.
Toen ik die wetten leerde kennen, voelde ik mij heel gelukkig. Daarin zag ik mijn eigen bescherming. Zo ging ik telkens in andere levens over en zagen zij mij veranderen, totdat ikzelf geheel zoek bleef. Ik leefde de toen in verschillende levens. Ik zag mij als een kind en naast mij mijn Moeder, maar in een ander land.'
'Is dat gevoel bewust in je, Dectar?'

'Jazeker, Venry. Ik ga daar vanzelf in over en ben dan onvindbaar. Het moet bewust zijn, of men ziet er hier doorheen; zij weten dat ik mij wil verbergen. Als ik kind ben, verlies ik natuurlijk dit leven, of leg ik dit leven geheel af. Zijn hierin stoornissen, of is mijn verbinding nietvolkomen, dan voelt eenieder de onnatuurlijkheid van mijn voelen en denken. Maar dan spreek ik heel anders en kan mij niet duidelijk uitdrukken. Je voelt wel, Venry, ik leef dan nog steeds in dit organisme, maar voel en zie mijzelf in een ander land. In dat leven draag ik een ander gewaad en die kleren vind ik belachelijk. Ik zie gewaden die de duisternis betekenen.
In andere levens ben ik heel oud en ook dan spreek ik een andere taal, doch die kent men hier niet en dan lachen de meesters mij uit, ook al vinden zij het heel natuurlijk. Toch heeft het voor hen geen waarde. Er zijn in mij heel veel levens bewust, waaronder er zijn die ik verschrikkelijk vind, want daarin was ik krankzinnig. Enige jaren geleden was dit afschuwelijk. Toen  waren al die levens bewust. En toch behoren ze mij toe, wat heel onwaarschijnlijk klinkt, doch hetgeen toch de waarheid is. Wanneer mijn andere gaven niet bewust waren, hadden ze mij niet weggestuurd, want om uit te treden en reizen te maken deugde ik niet. Zij hebben om mij gelachen, maar ik verzeker je dat het mijn eigen leven redde. Ik liet hen maar begaan, anders was ik er niet meer geweest.'
'Hebben de meesters dat tijdens het onderzoek kunnen vaststellen, Dectar?'
'Juist, tijdens het onderzoek, Venry. Om uit te treden konden ze mij niet gebruiken. Ze hebben steeds haast en verlangen naar nieuwe wijsheid. Maar al die mensen stoorden mij in het uittreden en wilden in mijn lichaam gaan, om dan heel veel te praten. Maar dat is de bedoeling niet. Wat ik zelf in de ruimte zie, dat vinden de meesters nuttig, niet dat van al die anderen. Zij noemen dat het dode bewustzijn en dat moet dood blijven, alleen dit leven moet beleefd worden.

Nu is dat veel beter, Venry, ik ben bijna gereed en heb hen dan overwonnen. Ik zal zorg dragen dat zij weer inslapen, want ik wil verder.'Ik zag dat Dectar ook nu veranderde en toch zichzelf bleef.
Hij voelde wat ik dacht en zei: 'Zie je, Venry, zo geschiedt het. Voel je mij? Toch ben ik mijzelf, maar één van hen komt vanuit mijn innerlijk omhoog en wordt wakker. Dan verandert mijn gehele wezen. Maar die persoonlijkheid heeft niets te zeggen, of het was prachtig. Al die mensen zijn dom, ze zijn niet in leven, of vol bewustzijn, maar zij zijn ingeslapen. Wat zij te zeggen hebben is niets bijzonders, in niets is er ook maar enige diepte, allen zijn geestelijk arm en toch maken zij deel uit van mijn zielenleven, want wij zijn immers één? Ook in jou leven andere mensen, Venry, en in ieder ander mens, maar bij jou en anderen slapen ze en worden alleen dan wakker als zij gaven bezitten en zij daarvan gebruik kunnen maken. Ik zei je zo- even, ik heb ze één voor één laten inslapen en daarmee ben ik heel ver gevorderd. Maar als de liefde in mij is, roep ik hen zelf wakker. Dan gaat het opnieuw beginnen en is mijn leven ondraaglijk. Er is één leven in mij waarin ik Moeder was, Venry.
Dan wil ik hier weg en naar de bergen, naar mijn kinderen, waar ik heel gelukkig was. Ik zie dan een mooie' natuur en de bergen trekken mij tot zich en dan zou ik wel kunnen schreien van verlangen, zo bewust is dan dat leven in mij. Het verlangen om opnieuw kinderen te bezitten maakt mij ellendig. Om dan anderen te helpen is mij niet meer mogelijk, want mijn eigen 'ik' van nu is dan zoek en zij die dan bewust in mij leeft, heeft van gaven, genezen en concentratie geen begrip. Als zij in mij is ben ik dus al mijn gaven kwijt. Het is zo eenvoudig en natuurlijk, beste Venry, want de persoon die ik nu ben, behoort bij dit leven. En nu ben ik Dectar én een man.'

'Ken je nog meer priesters die hetzelfde beleven, Dectar?'
'Er zijn er hier nog twee, Venry, maar die hebben het nog veel moeilijker. Ik ben nog steeds mijzelf, doch zij gaan bewust in die andere mensen over en weten dan van dit leven niets meer. Doch wat die andere mensen hebben gewild, hun verlangens bijvoorbeeld, en andere verschijnselen, die zijn ook in hen aanwezig en dan doen zij onbegrijpelijke en verkeerde dingen.'
'Waardoor is dat in je gekomen, Dectar?'
Dat is toch heel natuurlijk, Venry, doordat ik wakker werd, door mijn gaven, gevoeligheid en mijn kennis van al deze wetten.'
'Kunnen de Hogepriesters dan niets voor je doen?'
Zij hebben mij heel vaak en goed kunnen helpen. Doch dit heeft tijd nodig en ik wil het zelf doen. Ik moet het kunnen, Venry. Daarom konden mijn gaven ook niet voldoende ontwikkelen; maar vooral mijn vleugel, ik ben lam. Zij helpen mij niet, doch breken mij af en hebben mij mismaakt. 0, als ik hen zie vallen, Venry, verdwijnen meteen al die mensen uit mij. Doch alleen
door het geluk dat dan in mij is.'
'Kun je er zelf niets aan doen, Dectar?'

Hij zag mij verwonderd aan en zei: 'Ik alleen tegen hen allen? Nee, dat is niet mogelijk. Vaak heb ik getracht mij uit hun handen te bevrijden, doch een dodelijke vermoeidheid is het resultaat van al mijn denken en concentreren. Soms was ik geheel vrij, maar wanneer ik in diepe slaap ben, juist in het onbewuste, beste Venry, dan mismaken zij mij. Mijn voorzichtigheid, en tegen-concentratie, raakt niet uitgeput, anders was mijn leven op aarde reeds lang geëindigd. In hun ogen voel en zie ik niets meer en ben nu voor hen als een onschuldig kind. Doch diep in mijn ziel leeft Dectar en leeft al mijn haat en die haat wordt steeds groter.
Zie je, mijn vriend, al die jaren heb ik nu voor niets geleefd. Zo gaat mijn mooie leven voorbij en ik bereik niets voor mijzelf en dat is heel jammer.'
In Dectar vond er een ontzaglijke verandering plaats nu hij van zijn leed en al zijn levens vertelde, wat hem innerlijk had gebroken. Ik nam me heilig voor alles te doen om hem te helpen en ik zei: 'Zal je nu nog geduld kunnen hebben, Dectar?'
Mijn lieve vriend, ik heb je reeds gevoeld. Ik ben heel gelukkig.
Venry, want ik zie nu licht.'
Ondertussen had Dectar een bericht opgevangen. In de morgen zou hij mij komen halen om mij naar het gebouw te brengen waar ik zou worden opgesloten.
'Is het niet heerlijk, Venry, om zo één te zijn? En dit één-zijn zal door hen weer bezoedeld worden?! Dat haat ik, want de Goden geven hun alles en toch zijn zij niet tevreden.'
Wij namen afscheid, Dectar ging heen en ik trad mijn eigen cel binnen. De duisternis wachtte mij, nu moest ik mij gereedmaken. Nog zo kort was ik hier en toch had ik al zoveel beleefd. Zou ik bezwijken? Zou de duisternis mij vernietigen? Wat zou ik eigenlijk moeten beleven? Was het waarlijk zo afschuwelijk? Men wilde van mij een groot priester maken, doch ik rilde en beefde van al die gruwelijke dingen en de geheimen van Isis. Iets vreselijker bestond er niet voor mij.

De gehele avond bleef ik denken. Een astrale muur omsloot Isis, en die was door de meesters opgebouwd. Dat ik tijd nodig had was mij duidelijk, of er zou van mijn innerlijk leven niets overblijven. Over een tijd was ik wellicht op volle kracht en konden zij beginnen. Afschuwelijk was alles, hier leefden alleen demonen. 0, hoe begreep ik Dectar. Als een zonnestraal wandelde hij in deze giftige omgeving en hij was het enige waarachtige wezen dat ik had leren kennen. Ik leefde in een omgeving van zonden en ellende, waar moord na moord geschiedde. In de Tempel van Isis vloeide het levensbloed.
De geheime tekens die op de deur van mijn cel waren gegrift vertegenwoordigden de meesters, doch ook daarvan was de werkelijkheid bezoedeld. Ze betekenden: 'Denk niet, wij denken. Leef niet, wij leven. Dood niet, wij doden.'
Doch dat zou zijn, de persoonlijkheid van hen die hier waren, maar hiervan begreep ik alles. Dit was niet diep want de heilige ernst ontbrak.

Er leefden in de Tempel van Isis schimmen en al die wezens zouden weer opnieuw willen leven om dan nogmaals dit leven te kunnen beleven, maar dan anders. Dan waren zij op de gebeurtenissen voorbereid en gereed om de magische wetten te weerstaan. Zij zouden gereed willen zijn om de meesters te vernietigen, die hier over licht en duisternis beslissen, bij wie het goed en kwaad in hen allen leeft. Voor mij betekende het kracht, een aansporing om mij gereed te maken.
Dectar wilde op wolken plaatsnemen en in de ruimte zweven, om naar hen te zien die als duivels waren. Nu eerst begreep ik deze woorden, en tevens het diep menselijke voelen daarvan. Dan leefde hij in de ruimte en voelde zich gelukkig."
Mijn avondmaal werd gebracht en mijn olie. Het laatste vond ik nog meer nodig dan het eerste. Mijn lichaam moest heel soepel zijn, doch te veel eten kon mijn ontwikkeling schaden. Ik bewerkte mijn slapen en de hartstreek en andere delen van mijn lichaam. Deze gemengde oliën drongen de huid binnen en gaven haar een soepelheid die mij goed deed. Toen ik gereed was, legde ik mij neer.
Tot zover deze passage uit het boek: Tussen Leven en Dood.