DOOR DE GREBBELINIE NAAR HET EEUWIG LEVEN.
Ook dit boek heeft Jozef Rulof mediamiek ontvangen. Hij schrijft in het voorwoord: 'De intelligentie, die het mij doorgaf, werd door mijn leider Alcar tot mij gebracht. Deze stond hem toe over zijn leven, over zijn sterven op het slagveld tijdens de meidagen van 1940 en over zijn binnentreden in de geestelijke wereld te vertellen.'
De geestelijke schrijver die in zijn aardse leven 'Theo' heette, is als soldaat gesneuveld in de loopgraven van de Grebbelinie in de Tweede Wereldoorlog. Hieronder plaatsen wij een gedeelte van dit prachtige boek, dat u beslist zou moeten lezen.

Mijn einde op aarde gezien van gene zijde uit:
We betraden het huis binnen dat Annie, mijn dochter en ik in Arnhem bewoonden. Ik merkte tot m'n grote schrik dat er thans andere mensen in huisden. Er kwam een droef gevoel in mij, dat veroorzaakt werd, doordat ik Annie en m'n dochter hier miste. Waar woonden ze thans, ik zou ze zo heel graag willen zien. Toen maande vader me: 'Heb nog wat geduld, mijn jongen. Straks zul je alles zien. Hij heeft gelijk, ik moet me ook nu aan zijn leiding geheel overgeven. Het droeve gevoel blijft. Dan neem ik beelden uit het verleden waar. Ik zie mij met Annie en ons kind het huis verlaten en naar het station gaan. Ze zullen naar Rotterdam reizen om daar haar ouders op te zoeken. Onderweg overvalt me een verschrikkelijke droefheid, het neerdrukkende, donkere verdriet, dat ik ook nu beleef. Ik kan bijna geen afscheid nemen van vrouwen kind. De vraag komt in me op: zal ik hen ooit terugzien? Dan rijdt de trein met hen weg.
Onweerstaanbaarder nog dan daareven komt het verlangen in me op die beiden eindelijk weer eens te zien. Is Annie verhuisd uit deze woning, uit deze stad? Ik vraag er vader naar, maar deze dringt erop aan: 'Heb toch geduld, Theo. Ook dit moet je leren: geduld te oefenen, mijn jongen.'

Dan geef ik me maar gewonnen en stel me geheel op vader in. Ik zie me nu temidden van de soldaten. Ze zijn erg opgewonden. De vraag of we in de oorlog zullen worden betrokken, wordt druk besproken. Niemand kan er met enige zekerheid op antwoorden.
Dan komen de jongens, met wie, ik al vaker over geestelijke onderwerpen gesproken had, bij me met de vraag, hoe ze handelen moeten als de oorlog dadelijk een feit is. Moeten ze terugslaan, mogen.(ze doden? Het zijn vragen, waarmee ikzelf al geworsteld heb. Ik stel me in op vader en - ik zie nu wat ik toen al gevoeld heb - hij is bij me in deze moeilijke, ernstige uren. Zijn woord is het dat me een duidelijk antwoord geeft op al m' n kwellende vragen, en hij is het ook, die me inspireert als ik de jongens dringend waarschuwt niet te doden, onder géén omstandigheden te doden, omdat dit moord zou zijn en een moord hen in het duister van de hel zou doen storten.
Het is Jack, voel ik thans, die gestuwd door vader tot de soldaten spreekt. Langzaamaan zakt Theo nu in die persoonlijkheid weg. Het is ook alleen Jack, met zijn innerlijk bezit, die zo spreken kan.

Het duister van de nacht valt over de aarde. Ik neem echter nog een duisternis waar, de duisternis, waarin zij leven, die tot de demonen van de hel gerekend moeten worden. Ze leven thans in de sfeer der aarde, ze zijn uit op lage, wrede genietingen, die ze hopen te beleven als straks de slag ontbrandt.
De storm van gevoelens, die me overweldigt, nu ik met de gebeurtenissen en problemen verbonden ga worden, welke zo'n verpletterende indruk op m'n ziel maakten, ja me het eeuwige leven deden binnentreden, doet me m'n zelfbeheersing verliezen. Door maar even te denken aan de verschrikkelijke belevenissen in de Grebbelinie word ik daar al heengetrokken. Ik ren vader vooruit, maar dit is geen beleven meer. Dit is me laten meeslepen door de gebeurtenissen, een in de blinde weg voorwaarts snellen. Ik ga sneller dan de gebeurtenissen zich hebben voorgedaan en moet daardoor een speelbal worden van de machten en krachten, die deze zo gruwelijk maakten. We gaan dus weer terug naar huis. Hier moet ik me eerst goed leren instellen, anders zal ik niets weten van hetgeen allemaal geschied is. In dit leven kan niets worden overgeslagen, laat vader mij voelen, hier moet alles tot in de diepste diepte beleefd worden, of we kunnen telkens weer van voren af aan beginnen. Maar al besef ik dit volkomen, het blijft mij toch een bovenmenselijke inspanning kosten om me te concentreren. Telkens krijgt de Grebbelinie me te pakken en dan dreig ik mezelf te verliezen, los ik op in de afschuwelijke belevenissen.

Ik blijf me echter teweerstellen en langzaamaan komt de noodzakelijke rust in me. Vader laat me voelen dat ik thans bewust door al die verschrikkingen heen moet, hij kan me er niet bij helpen. Hij moet me vrij laten, anders dan eens op aarde, toen hij zich met mij verbonden had om me bij het gruwelijke beleven van de massaslachting te helpen. Ik beleefde alles toen, alsof het mij niet aanging, alsof ik het gebeuren in een bioscoop voor me zag afdraaien. Maar nu moet ik het alles beléven en wel in z'n volle, verschrikkelijke werkelijkheid.
Vader gaat mij thans voor en ik volg hem. We zien overal troepenbewegingen. De soldaten trekken op naar de hun aangewezen stellingen. Ik let goed op, want ik wil alles volgen. Bij sommige soldaten zie ik astrale wezens, vaders en moeders, zusters en broeders. Waarom zij hen vergezellen kan ik niet bevroeden. Ik krijg daar nog wel antwoord op.
Nog altijd neem ik de twee toestanden van duisternis waar, die van de aarde, waar het nacht is, en die van deze wereld, de sfeer van de demonen. 
Ik zie mezelf tussen de troepen, die als versterking van de Grebbelinie zijn bedoeld. En meteen snel ik al weg naar dit oord, weer heeft het gebeuren me te pakken. Te vlug volgens vader, ik matig me en keer weer terug.
Eerst moet ik in de gevoelens terug die me begeleidden op de mars naar de Grebbelinie.
Onder dit voortgaan ben ik bezig een ander mens te worden. Het is alsof ik droom, volkomen werktuiglijk zet ik de ene voet voor de andere. In die droomtoestand leef ik eigenlijk, al een paar dagen. Het is alsof ik niet meer op aarde ben. Sinds mijn vrouwen kind naar Rotterdam vertrokken, is dit vreemde gevoel nog verergerd.

Vader is bij mij op deze tocht. Hij werkt op mij in en trekt mij in zijn wereld op. Dit kost hem geen moeite, in mij liggen de krachten, die het hem mogelijk maken. Ik ben niet geheel Theo meer, deze is bezig in mijn onderbewustzijn af te dalen. Daar moet hij blijven leven. Jack is het die het organisme langzaamaan zal overnemen en voor Theo gaan handelen. Zo verandert onder het voortgaan mijn eigen ik.
Op aarde was dit alles niet zo duidelijk te voelen, omdat die veranderingen in me toch m'n leven als Theo raken. Theo is in dienst gegaan, maar Jack is het die nu iets beleven moet. Nog is Theo niet geheel weggezakt. Als we onze stellingen bereikt hebben weet hij hoe er gehandeld moet worden, hij geeft bevelen en voert bevelen uit. Jack beleeft alles mee.
Ik als Theo ben innerlijk versteend. Allen merken dat het met mij niet in orde is. Zo handelt een normaal mens niet. Zo heeft men mij nog nimmer gezien.
Angst, denken ze, omdat velen zich nu angstig en nerveus tonen. Ik moet bij de commandant komen.
Of ik angstig ben, wil hij weten en vervolgt meteen dat ik dit niet zijn mag. Bijna állen hebben vrouwen kinderen of ouders. Waarom ik geen goed voorbeeld geef?
Ik haal m'n schouders op. Het is mij onmogelijk hem antwoord te geven, ik zou hem zoveel kunnen zeggen. Er is in mij geen angst, ik haat die gedachten van angst. Voor de dood ben ik niet bevreesd. Voor niets heb ik angst. Er is alleen maar geen gevoel in mij. Hoe moet ik hem dat verklaren? Moet ik hem zeggen dat alles mij steenkoud laat? Hij zou mij toch niet begrijpen, ik doe het zélf niet eens...

Een uur later moesten we met velen bij de overste verschijnen. De bevelvoerende generaals zijn daar verzameld en drukken ons op het hart geen duimbreed af te wijken zo er gevochten moet worden.
Eén ervan valt mijn duffe houding op. Hij roept mij apart.
'Bent u angstig? Is er angst in u voor de dood?'
Ik mompel iets, zonder hem goed verstaan te hebben. 
'Zenuwen', hoor ik hem dan zeggen.
Zenuwen, ze hebben er zo goed als allen last van. Ieder reageert op eigen wijze, maar allen zonder uitzondering voelen zich rillerig.
Het lege gevoel in mij wordt steeds erger. Ik kan nauwelijks meer denken. Om mijn middel ligt een strakke band, het is precies onder mijn hart. Die plek ontbreekt het aan warmte, voelt koud aan. Er ligt onrust bij, die met het uur groter wordt. Ik ben koud als ijs en toch gloei ik. Ik slik aspirine, maar het betert niet. Pas na geruime tijd trekt de kou in mij weg. Het strakke gevoel om mijn hart blijft echter. Dan wordt het heel stil in mijn binnenste. Die stilte blijft bij mij en hierin zal ik leven, zolang ik nog op aarde ben. 
Toen heb ik me al deze verschillende gevoelens niet gerealiseerd. Nu evenwel ga ik erop in. Het is vader die me ermee verbonden heeft. Vader was toen naast me als nu en volgde me. Hij was boven en onder me, links en rechts, voor me en achter me, of beter nog, hij was in me. Onze zielen waren en zijn geheel één.  
Hij beschermde me en dit was hem mogelijk, doordat hij mij in het leven van
Jack had kunnen optrekken. Daar deze persoonlijkheid in een voor deze wereld groot probleem leeft, kon hem dit lukken. 

Als Jack is er maar één doel dat mij drijft. Ik heb het leven gekregen om goed te maken en om te beleven. Voor dit beleven sta ik thans. Mijn leven van Jack, die een geleerde is, stijgt boven mijn bewustzijn van Theo uit. Maar straks zullen ze in elkander overgaan. Dat voel ik nu. Dan - na het gebeuren dat me wacht - zal het leven van Jack gehéél overheersen, en dit is mogelijk, doordat ik in het leven van Theo niets heb beleefd dat mijn ziel schokte. Ik ga nu dieper voelen dan voorheen en ik ben daar vader zeer dankbaar voor. Het is enorm leerzaam wat ik te voelen en te verwerken krijg.
Theo bezat geen gevoelens als geleerde, hij wist van deze studie niets af, dat behoorde Jack toe. 
In dit laatste leven op aarde ben ik Theo en behoor ik vader toe. In dat andere leven bestond er echter ook een band tussen ons, hij was toen mijn vriend. Zo is het mogelijk dat hij me nu helpt, wat anders wellicht onbestaanbaar zou zijn gebleken. Hoe ingewikkeld de mens is, wordt mij thans duidelijk.  Het is stil geworden in Jack. Theo maakt nog maar voor vijfentwintig procent deel uit van de honderd, die ik ben.
Voor hem is er geen oorlog of verschrikking; hij ziet alles als in een droom. Jack daarentegen is hevig bewust, hij staat op één punt ingesteld en maakt zich voor het beleven gereed. Vader heeft hem hierbij geholpen. Het is nu wachten op de dingen die geschieden zullen.
Jack vindt het maar een rommel daar in de stellingen. Dat rondkruipen en afwachten staat hem tegen. Hij staat ver van alles wat met het krijgsgedoe te maken heeft. Hij leeft alleen voor z'n zieken die hij dicht bij zich voelt.

Theo loopt intussen rond en maakt gekheid. De soldaten en z'n superieuren geloven er al niet meer in dat hij angstig is. Hij praat honderd uit en doet precies alsof er geen gevaar voor oorlog bestaat. Zijn onverschilligheid steekt de massa aan. De jongens voelen zich gesteund door z'n opgewektheid en vergeten de heersende spanning er een beetje door.
De dag trekt desondanks tergend langzaam voorbij.
Nu ga ik weer waarnemen in deze wereld en zie hoe duizenden astrale wezens naar de aarde gekomen zijn. Vader laat me voelen dat al deze zielen hun hemel verlaten hebben om hen te halen, die straks in de strijd zullen vallen en naar de sferen gebracht kunnen worden.
Ik zie vaders en moeders bij hun kinderen, ze zijn dicht bij hen, verbinden zich met hen. De mannen merken het niet. Ze gaan hun gewone gang, onwetend, dat geestelijke wezens met hen wachten op het ogenblik dat de hel zal losbarsten. 
Ze hebben allen iets van de Christus, deze lichtuitstralende gestalten. Ze willen, als Hij, dienen, geven, zichzelf inzetten. In hun aura zie ik al de liefde stralen, die zij voor het leven van God voelen.    
Al dadelijk valt mij op dat geen van hen onrustig is. Ik zie jonge, beeldschone vrouwen in prachtige gewaden rondwandelen, alsof ze zich alleen temidden van de heerlijkste natuur bevonden. Ik zie ook kinderen onder hen, die hier bijeen zijn, kinderen, die ouder zijn dan veertien jaar, laat vader mij weten, jonger kunnen zij hier niet aanwezig zijn. Zij zijn elk in gezelschap van hun leermeester en gereed voor de hunnen te doen, wat in hun vermogen ligt.

Duizenden van deze liefdegeesten zie ik rondom mij. Ze spreken met elkander en in deze gesprekken gaan ze in op het gebeuren , dat hen hierheen brengt. In hen allen is rust en vrede, ja ik voel de blijdschap die in hen leeft om de komende hereniging met hun geliefden. Ook in mijn vader ligt geluk nu. 
Er zijn echter anderen, neem ik waar, in wie het stil is van innerlijke smart. Hun leed ga ik volgen, ik behoef me maar op hen in te stellen of ik krijg hun gedachten in mij. Maar - valt me plotseling in - er zijn wezens bij, die ik zó niet peilen kan. Het is alsof ik bij m'n instellen door hen heen ga, ik krijg geen houvast, ik voel ze niet. Vader vraag ik naar de betekenis hiervan en van gevoel tot gevoel bereikt mij het antwoord. Deze wezens zijn hoger afgestemd dan ikzelf, zodat zij, deze gevoelswerelden, voor mij niet te peilen zijn. Ik kan die zielen thans waarnemen, omdat zij zich op dit aards gebeuren hebben afgestemd. Zouden ze zich echter in hun eigen wereld terugtrekken, dan lossen ze allen voor mijn ogen op en waren ze onzichtbaar voor mij. Deze zielen, zegt vader, leven in de tweede, de derde, de vierde, de vijfde, de zesde en de zevende hemel. Zij kennen precies het doel waarvoor ze hier gekomen zijn. Ze zweven in de ruimte en wachten maar niet zo af, doch zijn reeds bezig zich met het leven op aarde te verbinden.
Hoe ontroerend, ja overweldigend is de gedachte voor mij, dat de zielen hier hun hemelen hebben verlaten, om hun geliefden, die voor zulke ernstige problemen staan, hulp te bieden. Hoe groots en goed en machtig is Gods wereld ingericht dat zoiets mogelijk is!
Er zijn er onder, die bij de gedachte aan hun geliefden op aarde, het geluk in zich voelen stijgen, er zijn anderen, die naast hun geluk droefheid voelen.

Ik begrijp hun droefenis. Nu al weten zij, dat hun beminden, die hun kinderen, hun vaders of broeders kunnen zijn, zichzelf zullen vergeten. In de komende strijd zullen ze doden, moord op moord begaan en zich daardoor op de duisternis afstemmen. De hellen zijn de enige plaats, waar ze dan kunnen binnengaan. God duldt niet, dat wij mensen Zijn Heilig Leven ombrengen. Deze zielen hier weten dat dit geschieden zal. Is het een wonder, dat hun hart pijn doet bij deze wetenschap? Ingrijpen kunnen ze niet, de mens tegenhouden evenmin, zolang de haat, zolang het kwaad deze harten regeert. Als ouders moeten ze aanvaarden, dat hun kinderen zichzelf in de duistere hellen storten. Welke vader en moeder kan zich gelukkig voelen bij de gedachte, dat het leven, hetgeen hun lief is, zichzelf vernietigen zal? Welke moeder kan in haar hemel blijven en haar geluk beleven in de wetenschap, wat haar kind aanrichten gaat?
Daarom zijn ze hier en zullen ze hun kinderen helpen zoveel als hun dat mogelijk is. Ze voelen droefenis bij de gedachte hier voor een muur te staan, door hun geliefden zélf opgericht, ze voelen leed bij de verschrikkelijke wetenschap dat zij eigenlijk niets en niets kunnen doen, omdat hun kind, hun vader, hun broer slechts luisteren zal naar de stem, die uit hun eigen duistere innerlijk komt. En zo kan hun droefenis hen toch niet overweldigen, want hun verkregen bewustzijn zegt hun, dat deze arme zielen de gevolgen van hun zelf geschapen leed moeten doormaken om eruit te leren, dat géén mens, onder welke omstandigheden dan ook, het recht heeft Gods leven te doden. Zij weten, dat na al dit vernietigen, dit lijden en goedmaken ook voor déze zielen eens de sferen van licht zullen opengaan. Nu beleef ik een ander wonder dat mij geweldig treft. Ik hoor reeds Duits praten en toch is er nog geen vijand te zien.

Waar hoor ik deze taal, wordt ze op aarde of aan deze zijde gesproken?, En wie is het, die het zo vloeiend spreekt? Ik volg de zielen, die hier bijeen zijn, en weet nu, dat er reeds lange tijd in deze taal is gesproken. Ik heb het evenwel tot nu toe niet gehoord. Dit beleefde ik al vaker; van vader weet ik, dat een geest alleen dat volgen kan, wat hem bezighoudt, al het andere wat zich voordoet, gaat aan hem voorbij.
Ik zie een prachtige gestalte voor mij die een hemels licht uitstraalt en van een ongelooflijke schoonheid is. Het is zo moeilijk om in aardse woorden een beeld te geven van het uiterlijk van deze zielen. Zij is een moeder, laat vader mij voelen, ze wacht op haar kind, die een Duitser is. Zij, en met haar vele anderen, hebben zich bij hun afstemmen op de komende gebeurtenissen tevens ingesteld op de taal, die hun verwanten of vrienden spreken.
In de sferen bestaat dat verschil in taal niet meer. Een ieder verstaat daar de ander, doordat men één is in liefde.
Verschil is er slechts in afstemming en als gevolg daarvan, in de diepte van het denken, het voelen, het handelen.
Wat een onderscheid met de aarde. Daar doet de ene mens geen moeite de andere te begrijpen, daar strijdt men tegen elkander met de meest verschrikkelijke wapens, die het menselijk brein heeft kunnen uitdenken, en vergiet men stromen bloeds.
Hoe anders is het beeld, dat de sferen bieden. Zie ze daar bijeen, de geesten van het licht, zusterlijk en broederlijk verenigd, altijd bereid tot dienen en geven.

En zo bedoelde God het. Hij wilde dat Zijn schepselen elke dag, die Hij hun schonk, bezig zouden zijn om nader tot elkander te komen en te bouwen aan een durende liefdesband.
De moeder, die ik mag waarnemen, en de velen met haar, spreken Duits en hier stoort het niemand. Zij weten, hoe het soort, waartoe hun kinderen behoren, gehaat wordt. Zij weten echter eveneens, dat ook de Duitser een kind is van God, ons aller Vader. En in dit besef zijn ze hier om te helpen. Ook onder de Duitsers, die straks mijn land zullen aanvallen, zijn er die liever zelf vallen dan de hand op te heffen tegen het leven van God. En voor de anderen, en dit geldt ook voor ónze soldaten, in wie nog haat en geweld leven, is er hier ook hulp, voor zover hun toestand, hun afstemming deze tenminste toelaat.
Zo zij op aarde niet te helpen zijn, wacht hun hulp aan deze zijde. Want als zij zich van de chaos, de oorlogsverschrikking, hebben losgemaakt en hun zielen tot rust gekomen zijn, komen hun verwanten uit de lichtende sferen opnieuw tot hen om te trachten hen in hun leven en bewustzijn op te trekken. Gelukt het hun deze zielen te openen, dan doen zij alles om hen geestelijk te ontwikkelen.
Sommigen, zo laat vader mij voelen, zijn ook dan nog niet te helpen. Deze vechten op aarde of in de duistere sferen nog honderden jaren door en blijven op vernietiging en haat ingesteld. Ze zijn door hun verwanten niet te bereiken en deze moeten wel naar hun sfeer terugkeren en daar hun eigen leven verder beleven. Ze blijven deze armzalige stakkerds echter volgen en wachten tot het ogenblik, waarop ze eindelijk tot rust komen. Toe te moeten zien dat ze zichzelf te gronde richten, is een verschrikking. En wat moet er omgaan, overweeg ik, in een geest van het licht, als hij moet beleven, dat zijn geliefd kind, z'n vader of broeder, eeuwen doorvecht en niet loskomt van de giftige haat, die hem vervult. . .
Hoe ontzettend is een oorlog toch. Daar zijn mensen die voortdurend het goede nagestreefd hebben, die zichzelf hebben afgebroken, hun foute eigenschappen bevochten om ze in goede om te zetten, mensen die in God geloofden en Hem zochten te dienen en in een oorlog zetten ze al hun zo moeizaam verkregen bezit op het spel en verliezen het door te doden... Zij denken nog goed te doen, ze geloven hun God te dienen door gehoor te geven aan het bevel van hun overheid hun vaderland te verdedigen.

Maar... God kent alléén Zijn schepselen en hun gaf Hij het bevel mee elkander lief te hebben.
Wie de sferen van licht wil binnentreden, mag geen bloed aan de handen hebben. Eén slechte gedachte doet de poorten van de sferen al voor ons dichtgaan. Hoe zouden we dan met een moord op ons geweten daarin kunnen binnengaan?!
God vraagt van ons dat wij Zijn heilige wetten opvolgen. Déze moeten ons het eeuwigdurend geluk binnenvoeren. Wetten die het kwáád vertegenwoordigen kent God niet. Zij zijn door het kwade ik in ons mensen uitgedacht. Is het een daad van liefde zijn medemens te doden? Kan dan de wet, die hiertoe beveelt, uit God zijn?
Elke geest, die een hemel zijn woonplaats mag noemen, kan u vertellen dat het alléén de daden van liefde waren, die hem de poorten tot zijn hemel ontsloten. Een moord - en het doden van een medemens in oorlog is een moord - wijst u onherroepelijk terug naar het duister van de hellesferen. Zo gebiedt het Gods rechtvaardigheid; armzalig is de mens die het anders gelooft. De bittere werkelijkheid hier zal hem moeten overtuigen. Het is stil geworden in de Grebbelinie. Stiller nog is het hier aan gene zijde. De soldaten lachen niet meer. Nederland wacht af, is paraat. Ook gene zijde is gereed. Ik moet me nu op heel veel gebeurtenissen gaan instellen.

De nacht valt over de Grebbelinie. Sommige soldaten zijn ervan overtuigd dat er heel spoedig iets gebeuren gaat. Vanwaar hebben zij die voorgevoelens? In mij komen die gedachten eveneens, vader geeft ze me, als ik even ingeslapen ben. Zó geschiedt het ook bij mijn kameraden. Andere astrale wezens hebben zich op de gebeurtenissen aan gene zijde van de grens ingesteld. Hierdoor weten ze dat de voorbereidingen daar voltooid zijn en de Duitsers binnen luttele uren ons land zullen binnenvallen. Ze drukken deze wetenschap, indien mogelijk, op hun verwanten af en zo is het mogelijk dat deze met stelligheid de komst van de Duitse troepen aankondigen.
Een uit mijn compagnie, een kleine, blonde knaap, is zo ook te bereiken geweest. Hij is ,er zeker van dat de Duitsers zullen komen. In de morgenuren, let maar op. Zo zeker is hij dat hij zijn hoofd ervoor wil inzetten. Hij verheugt zich nu al op het treffen. Dat zal me wat worden, zegt hij, en er ligt een verbeten trek op z'n gezicht. Hij zal er niet weinig voor zijn rekening nemen.
Thans neem ik waar dat hij zelf een van de slachtoffers zal zijn van het geweld, waarnaar hij nu zo verlangt... En de geest, die van gene zijde tot hem gekomen is, zal onverrichter zake weer terugkeren, de haat in zijn kind sluit het voor elke hulp af.
Het is zover, de berichtén, dat de Duitsers onze grens hebben overschreden, komen binnen. En in korte tijd begint de oorlog zijn wrede, afschuwelijke spel.
De vreemde vliegtuigen komen in golven ons land binnen. Ze verschijnen ook boven onze stellingen en gooien bommen af. Deze monsters spatten uiteen en richten een vreselijke chaos aan; er vallen doden en gewonden. Ik kijk naar die doden, vanuit de wereld, waar ik nu ben.
'Goddank', zegt een zachte stem naast mij. Zij hoort toe aan een vrouwelijke geest. Het is een moeder, die bij het dode lichaam van haar kind staat.

'Goddank, mijn kind is gered.' De ziel, als geest, is bewusteloos. De moeder buigt zich over dit leven heen en met haar nog een wezen, een zuster van de soldaat. Beiden dragen de ziel naar de sferen. Groot is hun geluk, zonder door haat of moord bezoedeld te kunnen worden, heeft dit zieleleven de aarde verlaten. Hun geluk kent geen grenzen en met hun dierbare last op de armen zweven ze het eeuwige leven tegemoet.
Zo zweefde eens Angelica met vader naar de sferen van licht. Heilig is het. Het geluk van deze zielen komt in mij, het deelt zich ook mee aan de andere astrale wezens, die hier bijeen zijn. Tientallen zie ik gedood worden. Ik beleef verschillende overgangen naar deze wereld. Er zijn er die eveneens gehaald kunnen worden, ze worden door hun geliefden de sferen binnengebracht; daar zullen zij hun ogen weer openslaan om overtuigd te worden, dat zij hun stoffelijke lichamen verlaten hebben en hun voortaan het eeuwige leven toebehoort.
Er zijn er echter ook die niet geholpen kunnen worden. Toch hebben zij niet gedood; de dood overviel hen nog voor ze één schot konden lossen. Vader verklaar het mij: Deze zielen brachten hun aardse leven door met haat en hartstocht. Ze stapelden de ene fout op de andere. Demonen zijn het die voor geestelijke hulp ontoegankelijk zijn, ook al is deze aanwezig.
Ze vallen in deze wereld in slaap en de duisternis, waarover ik al sprak, trekt hen aan. Een hel trekt deze demonen tot zich en daar liggen ze neer, slapen tot ze uitgerust zijn en gereed om tot het duivelse leven hier hun deel bij te dragen. En ook in deze mensen leeft de vonk Gods, maar wat moet er in hen nog veranderen vooraleer ze tot hun Schepper kunnen terugkeren...

Weer anderen, en hun aantal is groter, vallen niét in slaap. In dit leven zijn ze meteen gereed om te vechten, hun haat en woede richten ze tegen de vijand, wiens projectielen hen deden vallen. Maar nog moeten ze wachten, ze werden gedood door afgeworpen bommen, op de grond is er nog niet gevochten, er is nog geen contact geweest met de vijandelijke troepen. Dan beleef ik dat deze zielen van hier weggetrokken worden. Door vader begrijp ik, waarheen zij gaan. Ze worden aangetrokken door de massa, die elders in een hevige strijd gewikkeld is. Daar is de gelegenheid voor hen hun haat en hanstocht uit te leven. Dan nadert de vijand, het helse lawaai neemt toe.
'Ze komen hier nooit doorheen', roepen de mannen elkaar grimmig toe. Een verschrikkelijke afslachting begint. Ik zie mezelf door de vreselijke chaos een weg banen. Gevoel is er niet meer in mij. Ik loop de anderen in de weg. Mijn God, wat een verschrikking! Links en rechts vallen mijn vrienden; De anderen kijken er niet naar, ze leggen telkens opnieuw hun geweren aan; het gif staat hen op de lippen.
Hartverscheurend is het beeld, dat dit strijdtoneel vanuit deze wereld biedt.
Wat doen de stakkerds, die door een projectiel uit hun lichaam worden geslingerd? Van wie de lichaamsdelen afgerukt en her- en derwaarts verspreid worden? Ze beginnen er in deze wereld onmiddellijk naar te zoeken.
Ik zie een jongen voor me, een bomscherf scheidde hem het hoofd van de romp. Als waanzinnig begint hij er hier naar te zoeken. En toch is zijn astrale gestalte geheel gaaf, wat mij leert dat de ziel nooit en nimmer te vernietigen of te beschadigen is! De jongen wordt beheerst door maar één gedachte: zijn afgerukte hoofd te vinden. Vader laat me de betekenis ervan voelen. Doordat die lichaamsdelen tot het gevoelsleven behoren, dwingt de ziel hiertoe.

Elke meter grond zoekt hij af. Hij vindt andere hoofden, hij vindt rompen, armen en benen. En eindelijk kan hij zijn luguber gezoek staken, daar stuit hij op een hoofd, dat hij als het zijne herkent. Nu hij het gevonden heeft, lacht hij als een klein kind. In zijn vreugde wil hij het optillen, maar... dit lukt hem niet. Zijn handen klauwen naar het hoofd, hij wil het omvatten, maar zijn handen gaan erdoor! Voortdurend herhaalt hij zijn pogingen, afschuwelijk is het om dit aan te zien, zijn wilde woede, zijn bijna dierlijke angst zijn hoofd niet te kunnen oppakken en zonder dit verder te moeten...
Zoals hij, zie ik er tientallen. Anderen gillen om hun moeders en vaders, het klinkt als de schreeuw van een dier in  stervensnood. Ze zijn met een gewelddadige ruk in dit leven geslingerd. Ze weten niets van het eeuwige leven af, zijn daarentegen volkomen opgelost in haat en angst.
Weer anderen zetten het gevecht aan deze zijde onmiddellijk voort, ze weten niet dat ze de dood en daarmee een nieuw leven zijn ingegaan. Ze storten zich op de aanvallende Duitse soldaten en begrijpen niet dat deze niets van hun slaan en schreeuwen bemerken. Maar dan krijgen ze de gevallen Duitsers in het oog. Met een vreselijk geschreeuw vallen deze, nu astrale wezens elkander aan en trachten elkaar te verscheuren. Maar de ziel is niet als het lichaam te vernietigen, ze vechten dan door tot de ander bewusteloos in elkaar zakt.
En intussen duren op aarde de gevechten voort. Temidden van het helse lawaai van de ontploffingen stormen de mannen onafgebroken op elkander los. Steeds feller worden de gevechten, de menselijke lichamen vliegen aan stukken en brokken in het rond. Velen worden waanzinnig in deze afgrijselijke hel, ze rennen uit de stellingen, ze willen de Duitsers te lijf gaan, maar worden al na enkele meters aan flarden geschoten. Anderen moeten door hun eigen kameraden worden neergeschoten...

En het verschrikkelijkst van alles is dan te zien hoe de demonen van de hel - want deze is leeggestroomd - zich verlustigen in de nood, de angst en het leed van de arme, aardse mens. Ze schateren en schreeuwen - vreselijk om aan te horen is dit - en wakkeren de haat nog aan en leven zich uit ten koste van de strijdende en gevallen soldaten. Duivels vieren hier feest en het is het meest afschuwelijke wat tussen hemel en aarde geschieden kan. Maar wat weet de aardse mens van dit alles?
Hoe moet ik al deze onbeschrijfelijke, afschuwelijke beelden verwerken? Ik schrei grote tranen, mij breekt het hart. Telkens denk ik te bezwijken.
Zo verging het mij ook op aarde, in deze verschrikkelijkste oorlog aller tijden. Als verdwaasd heb ik rondgelopen. Gebeden tot God, om hier in te grijpen, de mensen te dwingen op te houden met deze waanzin. Maar als de uren verstrijken, het geweld nog maar meer toeneemt, wordt het leeg in m'n binnenste, er is geen gevoel meer in me, ik kan bidden,noch denken. Als daar vaders en Jacks krachten niet in mij geweest waren, zou ik opgelost zijn in het geweld en de haat die als een giftige damp boven het strijdgewoel hangt en mezelf vergeten hebben door mee te schieten, mee te moorden, uit verontwaardiging om zoveel onrecht, zo'n bruut geweld.

Dan stuit ik op het deerlijk verminkte lichaam van mijn commandant. Zoals ik hem thans vanuit deze wereld zie, is zijn ziel bezig zich lós te rukken van zijn lichaam. Dit houdt hem echter gevangen. Vreselijk is het gebrul dat hij uitstoot. Ik wil toesnellen om hem te helpen, doch vader houdt mij tegen. Ik begrijp ineens. dat hij niet meer te helpen is. Het gevecht dat zich hier tussen lichaam en ziel afspeelde is allang ten einde. Maar zo natuurlijk kan ik de beelden uit het verleden waarnemen. Het brullen houdt aan, pas na geruime tijd komt de armzalige tot rust. Telkens roept hij in deze verschrikkelijke uren om zijn moeder. Zo doen er velen. Om de moeder wordt het meest geroepen, in het Duits en in het Hollands. De band met de moeder overheerst alle andere.
Hij wordt aangetrokken door de duistere sferen, mijn commandant, daar zal hij, na tot rust gekomen te zijn, ontwaken. In deze ellende heeft hem het edele soldatendom gestort, waarover hij altijd zo hoog opgaf. Niemand in dienst was fanatieker dan hij, als hij sprak over het gebruik van de wapenen. In het hanteren hiervan kon een man bewijzen wat hij waard was, zich een kerel tonen die van zijn tegenstanders slechts stukken en brokken zou overlaten.

Van welke plaats in het eeuwige leven heeft hij zich met deze 'idealen' verzekerd? Kan God deze mens anders dan een hel toewijzen? Of moet Hij hem, die zó dacht over een mensenleven, soms een plaats aanbieden in Zijn hemel? Mens der aarde, ik vraag u, kunt u nu nog, met deze wetenschap in u, wapens ter hand nemen, die uw evennaaste van het hem door God geschonken leven beroven en uzelf in de afgronden van de hel storten? Niets, niets, geen doel ter wereld, geen bevel van wie dan ook, zal u in Gods oog rechtvaardiging doen vinden! Zegt dit u niet alles?
De beelden die de verder woedende strijd mij te zien geeft, worden alsmaar verschrikkelijker. Ik kan bijna niet meer. Als vader mij niet helpt, zal ik toch bezwijken. Maar dan mag ik iets wonderbaarlijks beleven. Ik krijg eens te meer een bewijs hoe Gene Zijde de aardse mens helpen wil en kan. Met me dat te laten waarnemen, loopt vader op de gebeurtenissen vooruit; het volgende speelde zich af na het beëindigen van de strijd in de Grebbelinie. Vader doet dit echter kennelijk om mij in dit verschrikkelijke stadium een poos een meer weldadige aanblik te bieden.
Men is bezig de lijken op een hoop te leggen, ze zullen dadelijk weggevoerd worden. Ook de gewonden haalt men weg. Dit volgend, valt mijn oog op een jongeman, die door een beenschot in een diepe, bewusteloze toestand is geraakt. In de mening dat hij dood is, komt men om z'n lichaam te halen. De jonge soldaat is uit z'n lichaam getreden, het fluïdekoord, dat dit met de ziel verbindt, is evenwel ongebroken, zodat voor hem het leven op aarde niet beëindigd is. .. 'Hij is dood', constateren de mannen echter na een snelle blik en de leider van het troepje wijst op de bergen lijken achter hem.
Ontzet ziet de jongen vanuit deze wereld het grote gevaar, waarin hij zich bevindt; men zal zijn lichaam bij de doden op een hoop gooien en straks begraven of verbranden. Hij gilt het uit om de mannen te weerhouden, maar er komt geen geluid uit z'n mond. Radeloos, niet wetend wat te doen, blijft de jongen roepen.
Vader, zie ik, snelt toe en met hem andere liefdegeesten. Met vereende krachten dwingen ze de jongen in zijn lichaam terug. En nu kan hij zich weer bewegen, ook de stemorganen gehoorzamen weer aan zijn wil. Het gevaar is voor hem afgewend. Rode-Kruis-soldaten brengen hem weg.

Meerdere mannen worden op deze en andere wijze geholpen. Zo machtig is Gene Zijde!
Dan valt me plotseling deze schrille tegenstelling op: hier spannen twee werelden alle krachten in om één mens te redden, Gene Zijde en de aardse medici; en intussen worden duizenden jonge levens om niets in het vuur gejaagd en afgeslacht. Waanzinnige wereld; waanzinnige mensen, die zich leiders van de volken noemen en zó omspringen met levens, die zich aan hun zorgen toevertrouwden...
En door deze gedachten zit ik meteen weer midden in het oorlogsgeweld.
Met het vorderen van de uren woeden de hartstochten heviger, als duivels vechten de mannen. Aan het gefluit van de projectielen, het geraas van de ontploffingen, het gekerm van de gewonden en stervenden komt geen einde. De wereld schijnt uit elkaar te springen en het enige dat me gelukkig maakt, is te zien, hoe verscheidene soldaten, uit beide kampen, over hun tegenstanders heen schieten. Ze worden gedreven door de liefde, welke zij in zich dragen, voor hun medemens, die zij niet haten kunnen, door hun liefde voor God en Christus, Wiens bevel, om niet te doden, zij willen opvolgen.
Jammer en pijn, dood en verderf is er rondom mij. Twee van mijn vrienden zijn door de waanzin gegrepen. Ze zijn de loopgraven uitgeklauterd en de vijand tegemoet gerend. Ze worden neergeschoten. Dit beeld doet iets in mij springen. Theo verdringt Jack in mij, ik ben thans de sergeant-majoor die de dienst, de wapens kent. Er is een dolle woede in mij opgestaan. 'Die duivels, die moordenaars', schreeuw ik, als ik het niet langer kan aanzien, hoe op deze heerlijke, vredige plek grond door een niets en niemand ontziende vijand dood en vernietiging gebracht wordt. Nimmer, nimmer deden wij hun kwaad en thans richten ze een bloedbad onder ons aan. Dit móét ophouden en als om zoveel onrechtvaardigheid te wreken, legde ik m' n geweer aan.

Maar nu beleef ik, dat mijn hand niet afdrukken kan. Even, heel even was ik uit Jack, uit vader gestapt, toen kreeg de Grebbelinie, het geweld en de haat hier me te pakken. Maar dan trekt vader mij weer op. Hij is het, die mijn geweer naar omlaag duwt en me toeroept: 'Dát niet, mijn jongen, dát niet, Theo!'
Ik herken vaders stem, ik roep om hem. Dan hoor ik een ontzettend gefluit dat nader en nader komt. Vlak voor mijn voeten ontploft een granaat. Op dat ogenblik word ik aan flarden gescheurd: Ik onderga een geweldige schok en verlies het bewustzijn. Dit duurt maar heel even, na een seconde herkrijg ik het. Ik beleef het vrijkomen van m'n stofkleed. Nog overheerst echter een schrijnend gevoel in mij; het is de pijn die door het losscheuren van m'n lichaam wordt veroorzaakt. Alles geschiedt zo snel, dat ik het gebeuren niet realiseren kan. Meters hoog vlieg ik de ruimte in en ik zie dat vader mij opvangt. Intussen sla ik reeds m'n ogen op en kijk in een gelaat dat uit een floers naar voren treedt en duidelijker wordt, totdat ik het gezicht van vader herken.
Dan verzwakt de hevige, schrijnende pijn, mijn ziel ontspant zich, er komt rust in mij en ik voel me alsof ik juist van een zware ziekte hersteld ben.
Nog steeds zie ik mezelf in de Grebbelinie. Vader heeft me op de grond neergelegd. Nu ben ik zover dat hij me naar m'n sfeer kan brengen. Ik beleef dit thans scherp bewust. Hij maakt mij geheel los van de aarde en kan dit doen, doordat niets mij meer aan m'n uiteengerukt stoflichaam bindt. We zweven door de ruimte. Steeds wordt de afstand tussen ons en de aarde groter. Zo voltrok zich dus mijn overgang naar deze wereld. Vader laat mij hem nu opnieuw beleven, het is alles zo machtig, zo moeilijk het in één keer te beleven en te verwerken.

Weer beleef ik de afschuwelijke schok, die mij uit mijn lichaam slingerde, opnieuw volg ik hoe het fluïdekoord breekt en vader mij opvangt, om zo dadelijk met mij de ruimte in te zweven.
Mijn lichaam is op afzichtelijke wijze verminkt, mijn ziel echter leeft, is gaaf, is door niets te vernietigen.
Om achter deze werkelijkheid te komen, heeft Jack zich levens achtereen het hoofd gebroken. Fanatiek zocht hij naar deze wijsheid. En thans in het leven na de dood krijgt hij het antwoord op z'n vragen. Niets, niets gebeurt er met de ziel, als het lichaam uiteengerukt wordt, want de ziel kán niets overkomen, zij is eeuwigdurend, doordat in haar de vonk Gods leeft. Wat weten de aardse psychiater, de psycholoog af van de ziel? 0, áls zij de wetten en toestanden voor de ziel eens kenden, voor welke enorme mogelijkheden zouden we dan staan! Nu dringt het leven van Jack zich weer felbewust aan mij op. Ik ga er geheel in over, zie en denk als de geleerde die maar één streven kent: achter de geheimenissen te komen, die het zieleleven van zijn patiënten zo ondoorgrondelijk maakt en die hij kénnen moet, wil hij tot hun herstel kunnen bijdragen. God geve dat ik de menselijke ziel eens zal kunnen leren kennen en begrijpen. Eén stapje ben ik al nader gekomen. Ontzagwekkend diep is echter de mensenziel; beter dan ooit besef ik dat thans, staande in het eeuwige leven. Het duizelt me als zich in een flits die diepte openbaart en ik moet me geweld aandoen niet ineen te storten.

Mijn ogen zoeken vader, de liefde en kracht, die me uit hem toevloeien, sterken me. Ik steek hem m'n beide handen toe en dank hem uit de grond van mijn hart voor alles wat ik van en door hem ontvangen heb. Het is aan mij al de gekregen wijsheid vast te houden en te verwerken.
 We nemen thans afscheid van de Grebbelinie. Wat ik er beleven moest, is nu door mij beleefd. Met het aardse leven heb ik afgerekend, vrij ben ik van de aarde, niets bindt mij er meer. Een nieuw leven gaat voor mij beginnen. Ik ben de wereld van de geest binnengegaan, daar wachten geestelijke schatten op mij.
Daar zijn echter nog mijn vrouwen kind. Ik wil graag zien hoe zij de oorlog doorkwamen en hoe ze nu leven. Vader laat me voelen, dat ik ook dit nog volgen zal. Het hoort bij het leven van Theo.
Jack zal Theo geheel gaan verdringen, straks als de laatste zijn leven afgemaakt heeft. Jack brandt van verlangen om te gaan beginnen, hij wil verder aan zijn studie, iets doen voor de wetenschap en dus voor de mensheid.
Van die beide persoonlijkheden in mij is het Jack die iets goeds iets nuttigs te brengen heeft. In de sferen bouwen we slechts voort aan de levens waarin we ijverden voor een taak, een opgave, die geestelijke betekenis heeft. Daarom móét het leven van Theo in mij wegzakken, want hij heeft: de wereld niets te brengen, hij beleefde het leven gelijk een klein, onbezorgd kind.

O, hoe duidelijk en werkelijk is alles. Het harde, rusteloze streven van Jack om de ziel te leren kennen, in het belang van de lijdende mensheid, heeft hem tot een persoonlijkheid gemaakt, die in elk verder leven krachtiger werd. Het is déze persoonlijkheid, deze gevoelswereld, deze Jack, wiens wil om te dienen, wiens bezieling andere persoonlijkheden in mij verdringt. Hij is het ook, die eenmaal in de sferen dadelijk naar de wegen zoekt, die hem kunnen brengen naar de vervulling van zijn idealen. Het zou niet anders mogelijk zijn.
Ik wil studeren, vader, alles weten wat mijn geest verwerken kan. Wellicht zal ik dan eens mogen terugkeren naar de aarde. Ik hoop het zo, vader. Ik verlang naar niets anders, dan naar de nieuwe geboorte. De wetenschap wil ik helpen, haar mededeling doen van alles, wat ik hier over de mens en zijn zieleleven ervaren mag. Deze gevoelens en verlangens leven in mij. God zal ik vragen, of ik terugkeren mag. En vader laat mij voelen dat ik daar goed aan zal doen.
Het lijkt of Theo in mij luistert naar vader en Jack. Ook hij is mij lief. Ik zal hem thans volgen. Als Theo denk ik aan mijn vrouwen kind, als Jack hebben zij geen betekenis voor mij. Dan heb ik hen lief, zoals ik ál het leven van God liefheb.
Vader zegt me dat ik me gereed moet maken voor nieuwe belevenissen. En op mijn vraag, waarheen we zullen gaan, antwoord hij, dat ons doel, in Rotterdam ligt.
Jozef Rulof. 

                                             VRAAG EN ANTWOORDEN.
In de periode 1949-1950 en 1950-1951 werden de aan Jozef Rulof tijdens contactavonden in het gebouw 'Ken U Zelven' te Den Haag door toehoorders gestelde vragen en de door hem gegeven antwoorden, schriftelijk vastgelegd.
Op deze wijze kwamen vele voor de mens van groot belangzijnde levensvragen naar voren, welke door Jozef Rulof -- als het instrument van de Universiteit van Christus -- werden besproken en ontleed.
Het vastleggen en uitwerken hiervan geschiedde door mevr. C. Bruning, die door Jozef Rulof speciaal hiervoor was aangewezen. Nadat alle vragen en antwoorden in genoemde perioden waren verwerkt en -- in aantal bladzijden gezien -- tot een boekwerk waren gegroeid, heeft Jozef Rulof hetgeen was vastgelegd, gewijzigd en aangevuld tot het een voor hem verantwoord geheel was geworden.
Aan Jozef Rulof werd destijds op één van de contactavonden visionair getoond hoe titel en bandontwerp van het boek moesten worden.
Op het moment, dat hij met dit beeld verbonden werd, gaf hij hetgeen hem werd getoond aan de toehoorders in de zaal door.
Volgens deze aanwijzingen nu, welke ook op geluidsband zijn vastgelegd, heeft mevr. Rie Reinderhoff de band-illustratie verzorgd.
Om het opzoeken van een bepaalde vraag en het gegeven antwoord te vergemakkelijken, zijn in enkele van de zes boeken van Vraag en Anwoord de te behandelen onderwerpen alfabetisch gerangschikt en in een inhoudsopgave aangegeven.
Hieronder een gedeelte uit één van de zes boeken.

Donderdagavond 31 januari 1952.
Goedenavond, dames en heren, ik ben aan het tokkelen vanbinnen. Wie heeft er wat geluid voor me? Ik begin met - we zullen het wel losschreeuwen hoor -
Wát is nu precies karma?
Van wie is dit?
(Mevrouw in de zaal): 'Van mij.'
Dame, wat is karma? Er zijn mensen die maken van alles karma, maar karma is: als u met een mens iets goed hebt te maken. Dus karma lost reeds op in oorzaak en gevolg. Kleine dingen, leugen, bedrog en we leven-maar-raak, dat is nog altijd oorzaak en gevolg. Maar karma, direct karma is een wet. En oorzaak en gevolg is ook wel een wet, maar die wetten - ik hoop dat ik vanavond gelijk krijg van mijn vriend - die wetten hebben, moet u goed luisteren, met de mens te maken, en karma direct op God. Als u karma, een karmische wet beleeft, iemand doodt, dan hebt u onmiddellijk de goddelijke wet in handen. Maar oorzaak en gevolg... leugen en bedrog en leef-maar-raak, al die dingen meer, die worden oorzaak en gevolg en dat is: de mens. Het verschil nu tussen oorzaak en gevolg en karma wil dus zeggen, dat wat we zelf in handen hebben, en dat wat de goddelijke wet aangaat: de geboorte, moederschap, vaderschap. Maar alleen reïncarnatie, dat is karma. En nergens anders is er karma voor want die ene wet heeft alleen maar met wedergeboorte te maken. Begrijpt u dit? Voelt u nu het machtige verschil tussen dat wat de persoonlijkheid toebehoort: oorzaak en gevolg... maar een karmische wet die dringt direct tot het leven door, waardoor wij mensen het leven hebben gekregen. En dat is de goddelijke wet die wij verbreken door moord.

(Meneer in de zaal): 'Dat noemen wij karman, geen karma, maar, karman.'
Dat is oosters, maar wij leven hier in Den Haag en dan heet het karma. . (Meneer in de zaal): 'Ja [...] maar karman ook.'
Maar karman, o dat is een kárman. Ik heb eens met iemand gepraat, meneer - ja ik ben met haar, met deze dame bezig - toen had die man het ook over een karman. Ik zeg: 'O, dat is zeker zo'n man op straat die een kar vooruit duwt.' Ik zeg: 'Mevrouw, dat begrijpt geen mens.' Die oosterlingen hebben wel gelijk, natuurlijk. Als je dit, als je karma bespreekt met een theosofische Rus of een metafysische Rus dan heet het ook karma, maar dan heet het in het Russisch, maar dat verstaan we niet.
Maar karma wil zeggen: een wet verbreken die u met het leven verbindt; met het leven. En dan staan we voor karma indien we, het leven aan de mens ontnemen, dus door doodslag en geweld; dan sta je, en dan moet je terug en dan moet u aan dat leven een nieuw lichaam schenken. Die tijd die wij die ziel, die vonk, dat goddelijke ik ontnemen, die tijd moeten wij weer teruggeven; en dat is vanuit de disharmonie naar harmonie gaan. Dus wij hebben ons door moord al uit het goddelijke harmonische vandaan geslagen. Hebben we zelf gedaan.
Maar nu hebt u honderdduizenden dingen en zaken, karaktereigenschappen die hebben nu oorzaak en gevolg. Wij staan hier op dit ogenblik volkomen tegenover ons eigen oorzaak en gevolg. Heb je weer met - dat weet u misschien niet, natuurlijk niet - heb je met moord te maken dan is daar de karmische wet weer aan verbonden. Begrijpt u dit, dame? Zijn er nog vragen over?

(Mevrouw in de zaal):
Ja, hoe meer kinderen dat je zou hebben, zou je dan voor meer kinderen goed te maken hebben?'
Mevrouw, dat meer kinderen, als u dat vraagt. .. Hebt u de boeken gelezen?
(Mevrouw in de zaal): 'Ja.'
Als u dat vraagt, meer kinderen, dat voert ons nu naar wel twintig problemen, andere toestanden dus. Er zijn moeders, dat houdt alweer verband met. .. er zijn moeders die willen gaarne een kind bezitten en krijgen geen kinderen. Wat is dat? Dit is een stoornis.
Want volmaakt in harmonie, nu alleen voor moederschap, moet toch dat lichaam kunnen baren; en het gaat niet, dus is een stoornis. Een dokter die zegt: 'Mevrouw, u mankeert niets. Het is normaal.' Goed. De man onderzocht, haar, alles is in orde. Krijgen geen kinderen. Er zijn mensen op deze wereld, die zouden ze gaarne willen bezitten, krijgen geen kinderen. Een andere moeder krijgt er tien, twaalf. Je krijgt daarbij psychopathie, je krijgt zieke kinderen en gezonde kinderen. En dat zijn allemaal problemen en die zijn allemaal te ontleden. Maar nu krijg je ook dat de moeders die geen - daar hebt u het weer - geen kinderen willen hebben en hier lopen nog misschien wel een paar, tien-, twintig-, honderd miljoen moeders die geen kinderen willen bezitten, die beseffen niet wat ze door moederschap kunnen beleven. Die' moeders... indien ook de rest van de wereld, als moeder, zou weigeren - begrijpt u dit? - staat de schepping stil. En die schepping die kunnen wij toch niet in handen krijgen. Ook al willen wij geen kinderen, en we willen ze wel- hoeveel moeders jagen die vrucht niet weg en willen die kinderen maar wegsturen - die schepping gaat toch door.

En nu kom ik op uw vraag, die ene moeder die heeft geen kinderen, die wel, en zij niet en zij weer wel, u voelt wel, dat is een grote chaos. Dat kan niet meer een goddelijke harmonie betekenen want hier blijkt het nu dat de mens zelf de kosmos, de geboorte, reïncarnatie, moederschap en alles in handen heeft; denkt de mens, omdat zij kan zeggen: 'Nou, ik wil het niet, dat is alweer weg.' Ik heb met een moeder gepraat, zegt ze: 'Ja, ik moet een kind hebben want ik heb er al acht vermoord.' In opdracht van hem want hij wilde geen kinderen. Maar zij kreeg er een stuk of zeven, acht. 'En wat er gebeurt, gebeurt er, maar ik wil goedmaken.' Die had een boek gelezen, en het schoot in haar hart; toen zegt ze: 'Wat er nu gebeurt, gebeurt er, maar ik moet een kind hebben, ik wil goedmaken.' Ze kreeg een kind. Goed.
Maar die zielen, hoeveel zielen worden er niet aangetrokken, teruggestuurd? En hoeveel miljoenen, duizenden zielen, nu moet u eens goed luisteren, misschien wel een honderdduizend mensen - dus wij praten nu over zielen, dat zijn mensen die terugkomen als vonk, embryo - wachten tussen leven en dood, dat is de wereld voor wedergeboorte, om naar de aarde te gaan om geboren te worden, alleen maar om vader en moeder te zijn, want dat voert ons tot God terug, en krijgen geen lichaam, zijn niet in staat om een lichaam te krijgen, anders werden ze aangetrokken, maar wachten al duizenden jaren op een nieuwe geboorte. Moet u die chaos eens voelen.

En als u dan de wereld even bekijkt, dan ziet u dat er vandaag misschien in Den Haag wel weer een vijfhonderd terug zijn gestuurd. En nu komen er duizenden problemen op af. En dan heb je bijvoorbeeld, voordat wij naar het normale gaan, de katholieke kerk - pastoor, nu goed, die kan geen kinderen baren, maar hij zal scheppen - maar hoeveel vrouwtjes, hoeveel nonnetjes, hoeveel moeders heeft de katholieke kerk niet aangetrokken die weigeren om moeder te worden? En dit is het goddelijkste, heiligste, zaligste, of zalig is het niet, maar het machtigste waardoor wij mensen evolueren. Maar die zijn nu zo heilig dat ze geen moeder willen zijn.
(Mevrouw in de zaal): 'Ja, maar dan zeggen ze dat wel weer tegen de parochianen, hè.'
Ziet u wel, maar daar heb ik het niet over, wat ze zeggen, dat doet er niet toe. Maar het gaat hierover, die moeders weigeren ook. En het aantal moeders voor de ruimte - weer een ander probleem, en mooi - wij hebben bijvoorbeeld hier, laten we zeggen, een honderd miljoen moeders - en er zijn een honderd miljoen vaders, mannen - er zijn er natuurlijk biljoenen, maar we nemen honderd miljoen, en nu weigeren er van die honderd miljoen tien miljoen om te baren. En die mannen... die harmonie, dat heen en weer gaan, sterven, geboren worden, daar is een chaos in gekomen door moord - oorlog is verschrikkelijk - zelfmoord. Die mensen zijn dus, die tien miljoen die hebben het goddelijke harmonische versnipperd, verknoeid, zegt u maar, bezoedeld, omdat ze niet moeder willen zijn.

En wat gebeurt er nu? Nu komt daar, eigenlijk zouden wij... Dat heb gezien, ik praat uit kern, ik heb die wetten gezien, ik treed uit. Wat krijgen we nu, wat hebben we nu gekregen, dat u als mens kan... Wij gaan trouwen, de moeder baart twee kinderen, voor haar één en voor mij. Of het nou jongens of meisjes zijn, doet er niet toe, dar worden andere kinderen geboren, dat harmonieert zich vanzelf. Ik kom op die harmonie bij haar weer terug, die harmonie leeft in de mens, maar God en Moeder Aarde heeft die harmonie nog in handen, anders --  wat ik zoëven al zei, kunt u aanvaarden -- was de schepping, zeg maar in vijftig jaar volkomen uitgeroeid, door ons. Nu moet de moeder twee kinderen baren, voor u één en voor mij één, om straks
-- u voelt wel, die evolutie gaat door - om die evolutie te beleven worden wij straks weer aangetrokken. Nu wil die moeder geen kind, die nonnetjes die willen geen kinderen, die zijn heilig goed, ze zijn met Onze-Lieve-Heer getrouwd, dat is al genoeg. Maar u zult nu eens zien hoe fataal het is om hier op aarde heilig te zijn en de schepping, baring, het goddelijke in ons te negeren, te verkleinen en eigenlijk dood te drukken. Nu moet een andere moeder tien, twaalf, veertien kinderen baren om die straks het leven te geven, dame. Nu krijgt u mijn antwoord. Is het niet vreselijk? Nu zegt de mens in de maatschappij als je daar komt bij mensen die daar tien, twaalf, veertien kinderen "hebben: 'Daar heb je weer dat konijnenhok.' Maar o wee, als u weet wat er aan de hand is. Dat een moeder nog in staat is om tien, twaalf kinderen te baren, dat is al . dienen voor de eigen graad. Wij zijn aan een graad verbonden.

Daarom zeg ik, er komen duizend problemen op, en al die wetten, dat zijn allemaal wetten, hebben met dat moederschap te maken. Wij zijn aan een graad verbonden, en dat is logisch als je nagaat; je hebt de graad voor het organisme, dan gaan we vanuit het oerwoud naar het blanke ras, maar nu komen we bij de graad ook weer in het blanke ras, dat zijn overgangen. Dus we hebben hier vanavond bij ons zitten misschien zes overgangen in één graad. Voelt u dit? Dus al die mensen, die mannen en vrouwen, hebben met een graad te maken waardoor zij hun zelfstandigheid vertegenwoordigen, als moeder en man. En nu komt het, nu bent u aan mijn graad, in onze graad verbonden, ik wil dat niet en nu is het zo wonderbaarlijk, moeder, dat u daar twaalf kinderen baart om die graad vast te houden, anders roeiden wij onszelf uit. En nu het machtigste voor u allemaal, wij kunnen klaarmaken wat we willen en al moorden we en brandstichten wij, de mens zelf zorgt weer voor harmonie, dat bent u, dat is een ander die, die kinderen baart voor die nonnetjes, anders konden die nonnetjes straks niet meer terug. Die kinderen die denken, als ze hier doodgaan dan komen ze in de hemel, ze hebben mooi geleefd... Hadden ze het maar anders gedaan.
Veronderstel dat de katholieke kerk dit nu eens kon aanvaarden, dat de nonnetjes... het hoogste gezag voor God is: baart kinderen. En nu maken ze die meisjes heilig. Ze bidden maar, ze doen goed werk. Maar het machtigste werk dat ze kunnen doen is een kind te baren. Als u honderd nonnetjes neemt, dan moeten er negenennegentig naar de aarde terug want ze zijn geen moeder. Een mens - nu kunt u dat volkomen vaststellen - een mens die, onbewust of bewust doet er niet toe, het gevoelsleven reageert thans, pertinent, één lijn volgt - dat is ook alles van zichzelf op één kaart zetten - één lijn, één weg volgt en nu een sekte, een godsdienst aanvaardt in plaats van de goddelijke kosmos, moederschap, voelt u, hoe zielig, hoe arm dat wordt ten opzichte van God, Christus, ruimte, kosmos, macrokosmos.

Die mensen, die vrouwtjes die zetten alles op één kaart, op één leven, en verzuimen, vernietigen -- verknoeien hoeft je niet te zeggen, ja het leven wordt verknoeid -- verknoeien als het ware, nee, pertinent hun leven op aarde ten opzichte van hun evolutie. En nu baart die ene moeder tien, twaalf kinderen, veertien, zestien, alleen om de menselijke graad in stand te houden.
En nu denkt de mens - en dat wilde ik u vertellen - nu denkt de mens dat hij als het ware met zichzelf kan maken en breken wat hij wil; hij knoeit, hij doet dit, hij doet dit, hij zegt... 'Ik ben baas over mijzelf', zegt een vrouw, 'en ik wil geen kinderen, ik wil met dat gedoe niet te maken hebben.' Dat is voor dit leven, dat kunt u allemaal uitspelen.
Maar weer naar u toe en naar een andere moeder, een ander moet nu zorgen dat zij straks de mogelijkheid krijgt om terug te keren, want die moeten terug, net als die nonnetjes, die moeten moedér worden. Dit leven, hoe heilig ook, is volkomen verknoeid. Die mensen staan stil. Is dat duidelijk? Want wij zijn in evolutie wanneer we het moederlijk organisme bezitten, en baren. Dat is de hele macrokosmos, dat is God.
Maar waar het nu om gaat is dit: Moeder Aarde - nu kunnen wij wel zeggen, ja. dat doe ik, en ik doe dat zo, en ik wil dat zo - maar Moeder Aarde die geeft de mens weer de gelegenheid om terug te komen. En nu blijkt het, dat niet de mens die wil heeft en bezit om te maken en te breken wat hij zelf wil, maar de aarde als moeder trekt de mens terug en zegt: 'Hé, wacht eens even.'

Dus je ontkomt niet - nu gaan we weer naar beneden toe - aan dat oorzaak en gevolg. Nu sta je voor het menselijke karakter, voor die moord, nu is dat karma, en zolang wij in een karmische wet leven, dus buiten onze eigen evolutie om... Wij moeten dus het hoogste organisme dar de aarde aan haar kind kan geven, dat is het blanke ras of een kleurling, doet er niet toe, dat is de zevende graad voor het  organisme, wanneer wij mensen als geestelijke persoonlijkheid dat lichaam hebben bereikt, als vader en als moeder, laat de aarde ons los wanneer wij nu - en nu daar weer naartoe - met de karmische wet klaar zijn, dus wanneer wij de levens... En dat zijn er honderdduizenden, dame. Geloof maar gerust dat wij in die tien miljoen, twintig miljoen jaar dat we nodig hebben gehad om van het oerwoud hier naartoe te komen, naar het blanke ras, dat we daar honderdduizenden mensen in de papketel, soep ketel hebben gestopt en een lekker soepje hebben gemaakt, en dat deden we daar om te eten en te drinken, en later gingen wij schieten, schieten, schieten, dat de stukken eraf vlogen.
Nu in de maatschappij, nu in deze tijd moordt en brandsticht men nog, en dat is de enige karmische wet die - nu hebt u het weer, meneer, dat is interessant voor u - die de aarde in handen heeft. En de planeet zegt nu, dat is een kracht, dat is gevoel, en dat gevoel zegt tot ons: 'Hé, wacht eens even', en moeten wij terug om moeder te worden. En nu weigeren we moederschap; ziet u hoe fataal dit is? Wij moeten terug om het moederlijke organisme te... Als man kun je aan een mens geen leven geven, je moet dus, als ik u het leven ontneem, ik ben nu man, dan moet, ik word moeder om die ziel een nieuw lichaam te geven voor de tijd die ik aan dat leven heb ontnomen. Is dat niet rechtvaardig? En dat heeft de aarde als machtsgevoel, bron in handen. En als we dat goed hebben gemaakt dan gaan we, dan kunnen we naar gene zijde vertrekken met ons oorzaak en gevolg, dan hebben we zeven duistere onbewuste werelden - u leest nu maar 'Een Blik in het Hiernamaals', en die ganse schepping die ligt voor u open - dan krijgt u daar wat we noemen de hellen, dat zijn onbewuste werelden. En als u daarin komt, als u die beleeft dan stijgt u langzaamaan, en daar zijn we mee bezig; als u zich daar vrij van wilt maken, dan stijgen wij boven dat onbewustzijn uit en gaan naar een eerste sfeer en daar vraagt u ook iets over.
Hebt u nog vragen, dame?

(Mevrouw in de zaal):
Ja, ik wou u vragen, bijvoorbeeld de man waar je mee getrouwd bent, kan je daar ook aan goed te maken hebben bij wijze van spreken?'
Mevrouw, er is geen mens op aarde die kan zeggen van zichzelf: ik heb niet goed te maken. Wij zitten allemaal tot over onze oren in de narigheid, geestelijk en lichamelijk. En is die narigheid er niet, wij hebben nu in ieder geval geen paradijs hier. Maar er is geen mens vrij van oorzaak en gevolg, dat bestaat niet.
(Mevrouw in de zaal): 'Ja, maar die gaan er maar gemakkelijk eroverheen die…… 
Wat zegt u?
(Mevrouw in de zaal): 'Dat je van die mensen hebt en die leven maar raak en die schijnen maar aan niemand goed te maken te hebben nog.'
Och mevrouw, er zijn hier mensen die worden geslagen en getrapt en zeggen: 'Ik doe niets terug.' Maar straks, dame, wij waren allemaal demonisch wild, en dat ligt nog niet zo lang terug, achter ons. Maar we waren allemaal onbewust. Ik zeg toch al, we hebben de mens in de soepketel gestopt in het oerwoud en deden aan kannibalisme en even later, wat ik daar zag en leuk vond, dat draaide ik zo even dat hoofd af.
En nu zijn we in een maatschappij, staan we, laten we zeggen, voor oorzaak en gevolg. U wordt niet begrepen, u wordt geslagen, die wil dit niet en die wil dat, en die man slaat, of die vrouw die doet dit. Mevrouw, elke verkeerde gedachte moet elk mens goedmaken. (Mevrouw in de zaal): 'Er schijnen er nog te zijn, die daar nog niet eens aan toe zijn.'
Nee, natuurlijk niet. Natuurlijk niet. Als er morgen wat gebeurt en we steken een hand uit, we nemen een revolver en we knallen raak, dan zijn we nog verder van huis. Maar wij komen zover. En elk mens staat voor die kosmische goddelijke wetten en dat is: heb alles lief wat leeft. En die moeten vroeg of laat beginnen, maar nu vertikken ze het nog, nu doen ze het niet.

(Mevrouw in de zaal): 'Leuk als je daar nog mee te maken hebt.' Ja, en daar hebben we mee te maken, ziet u? Maar ik geloof dat we er allemaal wel een beetje mee te maken hebben, de hele maatschappij is het, u bent heus niet alleen.
Hebt u nog meer?
Denk maar na dan krijgen we nog wat anders.
Wie heeft er nog vragen?
Meneer, wilt u nog op de karma ingaan? Begrijpt u het nu? Ja, als u het aanvaarden kunt.
(Meneer in de zaal): 'Ik weet wat u bedoelt, maar ik ben het er niet mee eens.' U bent er niet mee eens, natuurlijk niet. Ja, dat is jammer, want dan kan ik niks meer zeggen. Daarom zeg ik, de theosofie, en de rozenkruisers hebben het geloof ik ook, er zijn meer sekten, dat is karma karma karma karma karma, maar ze weten niet wat karma is. Ik heb het meester Alcar gevraagd en hij zegt: 'Ga maar mee, dan zal ik je met de neus erin stoppen.' En toen stopte hij me er met mijn hoofd in. Hij zegt: 'Kijk, alleen moord, de rest is oorzaak en gevolg.' Waar moet dat karma nog voor dienen? Ziet u? Alles wat wij mensen in handen hebben, wat we in handen hebben. .. Karma hebt u niet eens in handen, karma wil zeggen: een opgelegde straf. Kun jij je en wilt u zich een straf opleggen, bewust? Kunt u niet eens. U kunt wel zeggen: 'Nu wil ik eens echt heerlijk sterven', maar het gebeurt niet. U wilt echt dit; gebeurt niet. Dat bewijst dat je wel voor jezelf kunt leven en kunt denken, maar wanneer de karma verstoffelijkt wordt, dan gaat het regelrecht naar de macht en de kracht die Moeder Aarde in handen heeft. En de rest dat heeft met onszelf te maken en heet nu: oorzaak en gevolg. En daar lossen honderd duizenden dingen op; geen moord, maar diefstal, leugen en bedrog, hardheid, slaan, trappen, bezoedelen en gaat u maar door. Het hele woordenboek kunt u er bijnemen. En Christus zei alleen: 'Dood niet want ge zult gedood worden.' Maar hij had erbij kunnen zeggen: of ge zult terug moeten gaan naar de aarde en dan kun je het weer goedmaken. Wij komen hier niet weg. En daarom - dat hebben wij alreeds besproken - leven wij mensen hier te lang op aarde, wij hadden reeds voor miljoenen jaren terug aan gene zijde kunne zijn indien wij harmonisch de wetten hadden gevolgd en beleefd. Is dat niet eerlijk?

Meneer in de zaal): 'Daar kan geen nagel tussen.'
Daar kunt u geen speld tussen krijgen. En zo is het. Maar ja, als ik tegen meneer zeg: 'Ik heb dat gezien', dan zegt hij, 'ja, ik moet het ook zien.' Dát is hetgeen Jeruzalem heeft beleefd, meneer. Zegt hij: Nou ja, die kun je er zelf wel in gekrast hebben.'
Christus ontmoette iemand die zei, nou dit dan: 'Nou ja, zegt hij, ik heb verleden ook iemand gezien en die zei: 'Ik ben Christus', en U bent het ook, dat zijn er al twee, dat bestaat toch niet?'
Kijk, geloof... Dit is niet meer te geloven, wat ik u zeg over de kosmos, over wedergeboorte, over hellen, hemelen, aantrekken, moederschap, vaderschap, reïncarnatie;   die wetten heb ik gezien. Ik heb alles bij ondervinding. Ik sta hier niet te dazen over een leer. Ik heb niets uit theosofie genomen, ik mocht het niet lezen. Ik heb nog nooit een boek over theosofie in handen gehad. De bijbel heb ik ook nog nooit gelezen. Meneer, als u het aandurft dan kunt u mij de vragen stellen, dan haal ik alle fouten uit de bijbel, wat is dat?
Meneer in de zaal): 'Dat is heel jammer.'
Waarom?
(Meneer in de zaal): 'Omdat de kern van de bijbel...'
Och meneer, wat bent u toch weer ver van huis af. Kijk, meester Alcar die zei dit. . .
Ja, u komt niet verder. U ziet het, telkens dit en dit, dat zijn die remmen voor uzelf. Ik ga op u in, maar ik doe het niet meer.
Kijk eens, meester Alcar, de meesters zeggen dit. .. Ik zeg: 'Waarom is dit?' Niet lezen, want we zullen je de reine bijbel laten zien.' En toen zag ik gene zijde en toen kende ik de bijbel. Toen zag ik de hellen, toen zag ik de bijbel. Toen zag ik het beginstadium toen Abraham Mozes en de anderen op de wereld kwamen, we gingen naar de wereld van het onbewuste en ik zag, ik beleefde dat ogenblik. Meester Alcar zegt: 'Ga maar mee', zegt hij, we zullen het ogenblik beleven toen Mozes op aarde werd aangetrokken.' Hij zegt: 'Want je zult niet geloven, je zult [....].'

Nu ken ik de hele bijbel. Dan zegt meneer: 'Dat is jammer.' Er staat in iets van liefde. Meester Alcar bracht me naar het Al, naar het Albewustzijn. Ik heb daar Onze-Lieve-Heer driemaal gezien en gesproken. Gelooft u zeker ook niet? Die heb ik al als kind gezien, ik heb hier tegen de mensen verteld, Die kunt u elk ogenblik beluisteren, als u dat en dat en dat maar doet. Maar het Alweten... Die meesters die met mij naar die ruimte gingen, die wet, ik vraag iets, ze zeggen: 'Ik ga naar die wet. Dat is leven, dat is ziel, dat is geest, dat is een deel van God. En denk erom: mijn woord is wet.' Meester Alcar kan zeggen, met meester Zelanus en al die andere meesters: 'Ik ben een Alwetende voor deze ruimte. Een Alwetende.' En dan moet ik eens even zeggen: 'Dat bestaat niet'? Dan lig ik eruit. Ik krijg nooit meer contact, ik krijg niets meer.
(Meneer in de zaal): 'Zoals die bijbel, in dat Oude Testament, ons geeft, daar zit geen liefde in, hoor.'
Hèhèhè. Dat is zo satanisch, dat ze God dat in Zijn handen leggen, want God heeft dat nooit gedaan, allemaal mensenwerk. God heeft nooit als mens gesproken. En daar praat hij dag en nacht. Hij heeft ruzie met Noach over drie vaatjes cognac. 'Neen', zegt hij tegen Noach, 'je krijgt er maar drie.' Noach wil er vijf hebben, hij zegt: 'Want ik heb trek. Je kunt, met cognac kun je alles doen', zegt Noach. Maar hij kreeg er maar drie. En dat is God?
God die loopt daar...

Heb je de film gezien, 'Grazige weiden'? Dan ziet u God, dat is heel mooi, een grote neger, en die loopt dan zondags, komt hij even op aarde kijken en dan zit daar een jongen, en een meisje, in de natuur en die spelen. 'Heb je niks anders te doen?' zegt God. Die jongen die ziet Hem natuurlijk niet. Maar God zie je overal, in een zwart pakje. De dominees die gingen geweldig tekeer dat die film kwam, maar die film is onbetaalbaar. Je gaat hem twintigmaal zien. In de hemel roken ze zondags sigaren van een kwartje en zijn ze aan het vissen, en toen kreeg, zo'n klein negertje kreeg een visgraat je in de keel en toen kreeg hij voor de broek. Ha, je lacht je een aap, maar het is waar, hoor, want daarmede hebben ze enigszins het naïeve van de bijbel, in het begin, het naïeve willen aantonen. En die film die hebben ze uitgespuwd, maar daar was geen stilstand te krijgen in de mensen. Hij liep geloof ik veertig keer in één bioscoop.
Kijk, de mens wil weten en de mens die zal weten. En wij hebben godzijgedankt de wetenschap gekregen, wij hebben de meesters gekregen; ik heb ze niet gevraagd en ik heb ze niet gezocht, ze kwamen tot mij en zeiden:
'Wij brengen jou naar de wetten.'
En nu gaan we door.

Ik heb hier nog een vraag:
Weerzien is dat pas wanneer je in de sferen aankomt waar je geliefden zijn?
Mevrouw. Weerzien is dat pas wanneer je in de sferen aankomt waar je geliefden zijn? Waarom moet u aan gene zijde zijn om uw geliefden te zien, dame? Voelt u, dat u hier. .. en' dat is, over het algemeen is dat allemaal, is dat het denken van de Alziel, de Algeest - niet de Algeest - ik bedoel de massamens. De mens denkt dat hij in de sferen moet zijn om zijn liefde te zien. Maar dat is niet zo. Hier is die liefde. Want als u die liefde hier niet hebt, dan krijgt u die liefde daar ook niet. En dan zult u wel denken: Maar als ik dan hier maar geslagen en getrapt wordt, en al die dingen meer, wanneer krijg ik dat dan? Dat hebt u in handen en ligt aan uzelf indien u dat geluk bezit, ja waarlijk, dan kunnen we spreken: "Achter de kist' krijgt ge uw eigen toestand te zien.
Maar deze vraag slaat op vele vragen. Weerzien, is dat pas wanneer je in de sferen aankomt? Er is haast bijna geen mens op aarde van uw eigen levensgraad, en dat zijn miljoenen mensen, die u niet kent, niet hebt beleefd, waar je niet een zuster van was, geen vader van was, geen moeder van was. Er is niemand bijna in die ruimte die u niet hebt gedragen en hebt gebaard. U bent man geweest, u bent moeder geweest, duizenden en duizenden malen. En nu krijgt u één kern uit al die liefdestijden, problemen te beleven en te zien, één kern.

En daar gaat het u om? Om die ene kern? Dat is het deel, de meesters noemen dat de tweelingziel, maar dat is het deel van uzelf dat nu ergens op aarde rondloopt. Hebt u dat deel bij u? Nou, dat is misschien één op honderdduizenden die dat bezit. Er zijn mensen die dat waarlijk op aarde al hebben. Want dan wil dat zeggen, nu Komt het, dat u, vanaf de Maan - want we zijn op Mars al aan die afbraak begonnen en op andere planeten en nu op Aarde, ik heb het zoëven al verteld, wat hebben wij niet gedaan?  - zijn wij uit elkaar gegaan om goed te maken. En nu, vanzelfsprekend is het, dat ik vanuit die wereld ergens wordt aangetrokken en ik mijn deel dat bij mij behoort moet loslaten, dat is al versnipperd, maar omdat ik daar en daar en daar iets heb te doen en u ook. En willen we nu dat kosmisch gevoel van éénzijn terughebben dan moet u onherroepelijk dat deel van uw leven ontmoeten als man of als vrouw en dan hebt ge waarlijk kosmisch éénzijn. Aan gene zijde gebeurt dat.
En omdat de mensen dat hier niet hebben, wil zeggen weer: wij hebben ons uit die goddelijke, we kunnen gerust zeggen: wij hebben onszelf uit dat goddelijke huwelijk getrapt. Want het huwelijk is het aller-machtigste dat er bestaat en waardoor wij God beleven en God vertegenwoordigen in welke toestand dan ook. En nu hebben wij oorzaak en gevolg gemaakt en nu gingen wij uit elkaar. Dat ligt al miljoenen jaren terug. En nu is de mens op aarde bezig om zichzelf te verruimen, de mens is bezig zich gevoel te geven en, hoofdzakelijk alleen daarom, terug te voeren naar dat eigen deel, en dat is een deel van mijn ziel, van mijn leven, van mijn geest - niet van mijn persoonlijkheid - want dat deel heeft ook de wetten te beleven en moet zich de macrokosmos eigen maken.
Als u dat beleeft, dames en heren, en u staat daarvoor, dan barst die ganse kosmos in u open want hierin is het gevoelsleven onfeilbaar. Maar ik zeg u erbij: het is één op de miljoen mensen die het beleeft, die hier dus geestelijk bewust is in alles. Want u hebt hier voordierlijke graden, de voordierlijke mens, de mens die maar raak leeft, die moordt en brandsticht en doet wat hij wil, die mensen hebben ook elkaar reeds geraakt en zijn één van gevoel, één van kleur, in hun toestand.

Maar het gaat ons om dat éne gevoel, dat éne geluk. En dat is waarlijk niet de eerste sfeer, maar u kunt dat hier reeds beleven. Begrijpt u dit? En als u het hier beleeft, ja... Wij hebben immers... Ik kan hier wel een boek over schrijven, dit is zo machtig diep niet zo diep dat je het niet begrijpt, maar ik bedoel, hier ligt zoveel aan vast, omdat je hierdoor de ganse ellende van de maatschappij en heel de wereld, de hele mensheid kunt opvangen. En u voelt wel wat dat voor een boek wordt, wilt u deze vraag geestelijk, lichamelijk en kosmisch ontleden. Zo diep is het. Waarom? Omdat elk mens zijn eigen kern heeft bezoedeld. Is dat zo? Elk mens heeft zijn eigen goddelijke afstemming versnipperd. En als u al een beetje geluk hebt hier, en u begrijpt de mens al en de mens begrijpt u, mijn god, mijn god, dat is het machtigste bezit dat u beleven kunt, want dat zijn fundamenten waarop u staat, of uw bloed stroomt weg, u wordt levensloos, u kunt tegen dat gekraak niet op.
En als u hier het begrijpen hebt, mensen, wees er dan dankbaar voor als u samen hier zit en u leest samen de boeken en u wilt zich samen verruimen. We hebben ze hier die hand in hand naar huis gaan en slapen: 'Dag kind', handje in handje maken ze de vlucht in gedachten, dat zijn begenadigde mensen. Daar zijn hier waarlijk al mensen die hebben geestelijk en lichamelijk, stoffelijk dus, hier op aarde, hebben ze een begrijpen, die zo frappant, zo merkwaardig één is, waar je van rilt en van beeft. Die mensen die kunnen alles aan want die lopen bewust in het geluk van de macrokosmos. En dat is man en vrouw. En dan is het leven een paradijs, ook al leeft u onder de grond. Ook al wordt er links en rechts van u geslagen en getrapt: u leeft in rust, vrede, welvaart.

Weet u wat het is, wat het wil zeggen, door de andere mens, man of vrouw, te worden begrepen, te worden opgevangen en je hebt hetzelfde dorsten, het verlangen? We hebben er hier en dan kan de vrouw hier en dan kan de man hier zeggen: 'En hoe was het, vertel eens', en dan moet hij gaan zitten, zij zet dan thee en dan steekt hij zijn sigaretje op, en dan wordt er gepraat. Eerst krijgt u dat geestelijke ontwaken, dat geestelijke dorsten, het dorsten om kennis. Beide levens zijn al bezig om zich te verrijken. Mijn god, mijn god, voelt u, moeders, mannen, hoe mooi of nu een huwelijk wordt?
We hebben geen onwetendheid. Als je nu protestant bent of je hebt nog de bijbel, dan kom je door je onwetendheid al niet naar de reine ruime klaarte. Waarom kunt u dit geluk beleven? Dat kan een protestant niet. Ja, ze kunnen zóveel van elkaar houden, dan is dat houden en die liefde nog maar zó'n kringetje. Neemt u dat? Want als u op de verdoemdheid staat, en ze weten het niet, dan hebben ze toch ook geen verruiming? U weet dat ge elkaar straks terugziet. U weet onherroepelijk dat ge eens uw eigen gevoel en persoonlijkheid zult ontmoeten. En dan staat u voor uw goddelijke geluk.
Mooi hè, mevrouw? Wat zegt u?
(Mevrouw in de zaal): 'Ja.'
Je zou er zo om willen belken, vindt u niet?
Daar zet de mens alles voor in. En ons gaat het, de hele wereld gaat het alleen om die kern. En waarom scheidt de mens? Omdat de mens niet weet.
Ik heb mensen bij me gehad, dame, toen zegt die man: 'Dat is een wilde kat, die van mij.'
Ik zeg: 'Stuur die kat eens.' Komt daar een lieflijkheid binnen. Ik denk hoe bestaat het? Ik zei die dame natuurlijk niet dat hij zei: 'Ze is een wilde kat.' Ik zeg: 'Mevrouw, wat bent u mooi; niet vanbuiten, maar vanbinnen.' Ik zeg: 'En uw man. . .'
'Ja'. zegt ze, 'wat heeft hij gezegd?'

Ik zeg: 'Wat hebt u eraan, mevrouw?' Ik zeg: 'Gaat u maar. U zwijgt maar, u zegt maar niets, dan komt het wel in orde. Laat hem maar weer terugkomen.'
Toen nam ik hem onder handen, ik zeg: 'Wil je die wilde kat ineens anders zien?' Ik zeg: 'Dan moet jij beginnen om niet voor tijger en leeuw te spelen; je bent een blafferd, een opschepper, een dikdoener. Jij denkt dat je alleen met geld een moeder kunt kopen, en met een jurkje. Nee meneer, je gaat zitten en je kijkt ze eens aan en je praat eens.' Ik zeg: 'Je bent voor de maatschappij een hele Pier, maar je bent, voor boven ben je niets waard, geen cent.' Ik zeg: 'Dat is zó'n mooi mens vanbinnen, maar je hebt er nog nooit eens vijf gram gevoel uitgehaald. Je hebt er nog nooit eens vijf procent van je liefdelijke gevoel voor gegeven om dié schoonheid eens te beleven, want zij, in haar gevoelsleven, zegt: ik ben niet beschikbaar voor een wild beest.'
Daar zat meneer. Ik zei: 'Jij vindt Parijs leuk', ik zeg, 'maar wat je dáár ziet, leeft in je eigen huis en is veel mooier dan dat.' Ik zeg: 'Dat is een moeder van je kinderen.'
Ik moest die man van de grond af aan weer wakker schudden en kijken en hem laten zien wie hij was. Ik zeg: 'Nu hou jij je mond eens even dicht. Jij gaat zwijgen.' Ik heb het u op een avond eens verteld. 'Jij zwijgt. Je zegt alleen 'ja' en je gaat iets ontleden. Wanneer ze zegt: 'Hoe was het, regent het buiten?' dan moet je eens echt hoffelijk beginnen, met veel interesse om te zeggen: 'Nou kind, volgens, ja, de geleerden', al wil je geen geleerde spelen dan ga je haar hoffelijk, menselijk, mannelijk ga je haar zeggen: 'Nou het ziet er tamelijk uit. We kunnen wel mooi weer krijgen.' En nu ga je eens dingen bepraten, je gaat eens over het leven spreken, meneer. Je gaat eens zitten. Je gaat eens aandacht schenken dat daar een godheid leeft.' Ik zeg: 'Wil je die vrouw terughebben, dan krijg je ze terug binnen veertien dagen.'

Vier jaar waren ze aan het rauzen, ze sleurden elkaar met de haren door het huis heen, smijten met de boel; lampen kapot, porselein kapot. 'Wij wouden het op een avond met een heerlijk glas wijn doen', hij zegt, 'vijf minuten erna vloog de fles wijn al door de spiegel.' Hij zegt: 'Daar is niet meer mee te praten.'
Ik zeg: 'Meneer, u gaat nog niet eens zitten.' Ik zeg: 'U bent vermaatschappelijkt. U hebt niets meer.' Toen ging hij zwijgen. Ik zeg: 'U wilt geluk.' Hij zegt: 'Dat was toch prachtig. Hoe kan een mens zo ineens kapot zijn?'
En het is waar, ik heb het hier 's avonds, heb ik het erover gehad. Maar denkt u daar weleens aan? 'Toen wij begonnen te koeren', zei ik, 'dan zien wij geen karakter', dame, 'maar Moeder Aarde ontwaakt in ons.' Al loopt ze met zulke knobbels in het gezicht, zulke grote, krom en scheef; als zij het is, koeren wij. Waar of niet?.. Ja.(gelach) Dan gaan we koeren.
Maar dat gevoel... Een mens bijvoorbeeld die bij mij komt, net als die meneer.... In vier maanden is een mens kapot. 'Dat kan niet en bestaat niet.' In vier maanden is een mens uitgeleefd. 'Bestaat niet. Kan niet.' Een mens is kosmisch diep, een man en de vrouw, maar vooral de vrouw, de moeder, is ontzagwekkend diep. En in vier maanden, meneer de Wit, is een moeder volkomen van de kaart. Ja, met hyena's kun je niet leven, natuurlijk niet. Maar wanneer de mens wil, dan kan het gebeuren dat een heel nieuwe wereld ontwaakt.

Ik zei alleen maar tegen die mensen: 'Jullie zwijgen. Als het ergens om gaat, ga je niet praten, ga je zwijgen.' Heb ik ze als kinderen moeten leren denken.
En na vier dagen zegt hij: 'Mijn god, mijn god, wat is er met jou gebeurd?' Toen zeiden ze eens een tijd niets, toen voelden ze hun eigen stilte terug en toen gingen ze lekker praten en na vier maanden gingen ze naar de Rivièra, hadden ze een nieuw leven gekregen. Ik heb ze weggestuurd; maar ja, voor de eigen centjes. (gelach) Maar ze kwamen terug en zeggen: 'God, wat is het met jou. ..' Ik zeg: 'Is het niet prachtig?' Ze kwamen het ene hotel in en het andere weer uit. Ik zeg, ik ben ze gevolgd: 'Hoe bestaat het.' Wat is het gelukkig dat je een mens weer het geluk en zichzelf terug kunt geven.
Ik heb er zo twintig, dertig, veertig, vijftig, zestig in elkaar gezet. Ik heb ervoor gevochten als een duivel om ze bij. .. Ik had ze links en rechts van zestig, van vijftig; links en rechts zat zij naast me op de knieën, en hij erbij. Als twee kleintjes heb ik ze weer naar het paradijs gestuurd. Maar ik stond er middenin. Niet als de levensboom, maar ik was aan het sissen. Ik zeg: 'En nu weg', en dan worden ze weer klein, dan worden ze weer mooi.
'Wij begrijpen elkaar niet.'
Wil je geluk, wil je leven? Terug. Als je dan kerks bent, protestantistisch, en heb je duizenden en duizenden dingen en je hebt er niet één afgemaakt, dan blijft in ons: het waarom en het waarom; en het ja ja, jazeker; maar dat moet je me maar bewijzen. Dan kan de vrouw, en kan de man de moeder niets bewijzen, wij hebben geen gevoel voor elkaar, en geen liefde. Nu moet je beginnen bij het eerste fundament: aanváárd dit leven.

En als je dan dat uiteindelijke wilt beleven, mevrouw, ja, dat duurt natuurlijk nog wel even. Ik kan het nu nog geestelijk doen en dan zult u eens kijken wat ervan overblijft. Dan kunt u ook zien. .. Ik zal u nog wat moois vertellen vanavond. Alles wat u nu in dit leven beleeft, dames en heren, dat is maar gekregen goed. Die vrouw die u nu hebt, en die man waar u zo razend op bent, hoort u niet eens toe.. Misschien. Hij kan het nu al zijn. Maar voelt u wat daarin zit? Ik heb mensen meegemaakt die zitten nu aan gene zijde en hij zei: 'Nog voor geen kosmos wil ik deze lieve ziel kwijt.' En ik heb hem en ik heb haar aan gene zijde teruggezien en ik heb haar moeten vragen door de meester: 'Is hij er nog?'
'Neen', zegt ze, 'hij behoort een ander toe.'
Ik zeg: 'En kunt u dat?'
'Jazeker, want mijn leven is in aantocht en komt.' Mevrouw, als u tegen mij zegt: 'O, ik hou zoveel van dat leven'. dan zal ik u bewijzen hoe diep of uw liefde is. En dit is nog maar maatschappelijk, dit is maar aards, en nu gaan we naar gene zijde en dan kan het wel, dan kan degene die bij u behoort, die leeft nu nog in Amerika of in Frankrijk of ergens anders, maar eens komt dat leven; en diegene die u nu hebt, daar kunt u veel van houden, jazeker, moet ook, maar is gekregen bezit van een ander. Is het niet eerlijk? Én daar doet u gaarne afstand van, want u krijgt uw eigen gevoelsleven terug en dat voelt u, dat is het wit van het wit, en het geel van het geel, daar kan niets bovenuit, u krijgt uw eigen leven te zien en te beleven en uiteindelijk, dame, zijn we allemaal met onze miljoenen volkomen á1s één moeder en één man, één leven, één gevoel. Dus het komt allemaal goed.
Vragen hierover?

Ik heb nog meer. 0 nee, hier staat:
Weerzien is dat pas wanneer je in de sferen aankomt waar de geliefden zijn, of direct met het overgaan?
Voelt u, deze vraag: ... of direct met het overgaan? Ik heb met mensen gepraat en gepraat en gepraat en die lagen zo ontzettend ver uit elkaar. Toen zegt die man: 'In vredesnaam, als ik ze dan nog maar zie als ik daar kom.'
Ik zeg: 'Dat kan ik je zo geven. Ik kan je dat geven.' Ik zeg: 'Ik geef het niet want je moet er zelf voor vechten.' Ik zeg: 'Als jij je hoofd buigt voor alles, ook al denk je het beter te weten, maar toch kunt aanvaarden', ik zeg, 'dan krijgt zij de mogelijkheid om je straks op te zoeken. Maar snij jij dit leven de pas af', gevoel, begrijpen, harmonie, liefde, voelt u wel, die pas afsnijden zit in de persoonlijkheid, dat doet u met uw gevoelsleven, met uw liefde, 'dan ziet u die mens niet.'
U ziet elkaar. .. de mensen waar u niet mee te maken hebt hier, die ziet u allemaal straks terug. Ik zie u allemaal. En er kan er mij niet één ontlopen, ik zie ze allemaal en ik zal ze allemaal weerzien aan gene zijde omdat ik met u te maken heb. We zijn niet vreemd van elkaar aan gene zijde. Daar staat mijn kind, en daar is mijn moeder, ik ben weer kind, ik ben weer vader, en zo gaat het maar door. We zijn één leven geworden in die tijd, in die wereld. En als je dan daar aankomt dan is het eerste wat je vraagt - die kern leeft in ons, natuurlijk- : 'Mijn man, mijn vrouw?' Nu sta je voor geestelijke, ruimtelijke, kosmische wetten. En dan komt er naar voren: Zijn wij in liefde, in harmonie met elkaar? U voelt wel, werelden, werelden zijn het. Begrijpt u dit allemaal? En dat moeten wij ons eigen maken, dame. En of u wilt of niet, u hebt geen trek in lezen, u staat straks toch voor de wetten want we gaan allemaal hier, wat de mens noemt, dood.

Nu heeft de mens nog praatjes, straks ligt hij op half zeven, wordt een beetje bleek, oogjes gaan dicht, dan wordt... iemand staat ernaast en die spijkert daar en daar een pin in, hij zegt: 'Dood is dood, jij gaat de grond in.' En dan kunt u nog wel zeggen: 'Ja...' Er zijn er die steken nog twee vingers op; ik wil toch gelijk hebben, maar: dood is dood. En dan gaat er een andere wet beginnen en rukken wij uit elkaar. Nu lost ons oorzaak en gevolg op. Als we terug moeten naar de aarde - moet u eens gaan beluisteren, moet u eens gaan bevoelen - u houdt van één leven, u moet ook hier van één leven kunnen houden, maar die liefde moet uitstralen. U moet alles kunnen liefhebben. Dat wil niet zeggen, zeg ik altijd, dat je de bedelaars en alles aan de deur en hier in Den Haag dat niet vooruit kan, moet gaan dragen, dat kunt u toch niet.
Maar dan komen wij terug en staan we weer als een nieuwe persoonlijkheid op aarde. Wij komen straks weer tot groei, we zijn meisje of jongen en we beginnen opnieuw te koeren. Weer iemand. Wat gebeurt er in dit leven? De mens voelt zich klein, de mens heeft complexen, minderwaardigheidscomplexen, maar de mens is zo ontzagwekkend diep en groot en machtig. Als u die macht en die ruimte maar wilt zien en beleven. Als jij je staande kunt houden hier in dit leven, en je wordt geslagen, ook al loopt het bloed weg, dan zijn er miljoenen moeders en vaders naast u, achter u, waar u bent; hoe dieper, hoe echter de strijd wordt, Christus staat direct naast u en zegt: 'Ik ben er ook.' Als je dat vasthoudt en je bezwijkt niet, dat wil zeggen, we gaan niet terugschieten en terugslaan en terugsmijten, dan worden we getrapt en geslagen en leeggezogen, gemarteld, maar wij zijn bezig voor die wereld om dat éne te krijgen. En die van mij of die andere die bij u en bij hem en bij mij behoort die zegt: 'Goed zo. Vecht dat de stukken eraf vliegen, maar sla niet terug.' Sla niet terug, verdraag het maar, anders komen wij er nooit uit. Het is waar, je komt er nooit uit als je terugbijt.

Hier op aarde nu, heb je lief, bent u getrouwd, u hebt kinderen, maar bij de hele maatschappij, nu moet u eens nagaan hoe kinderachtig het maatschappelijke leven wordt, de eenheid van een volk. Een katholiek die ziet mij aan voor een demon. Voor Rome ben ik een ketter en een duivel. Voor elk ander geloof ben ik een krankzinnige. Ze zouden mij, er zijn er genoeg onder, die zouden mij zo op de brandstapel willen leggen. En ze moeten mij liefhebben. Ik heb ... ze ook lief. Ik wil ze alleen maar rijker maken. Nu komen wij er niet, wij kunnen ook niet verder omdat ons nu de maatschappij vasthoudt. Ja, die mensen hebben niet meer, maar u die die boeken leest, die de ruimte krijgt, ga ook met elkaar verder. En u bent hier bezig om van het leven iets te maken, u kunt elke dag geluk beleven. Hebt u dat niet, dan leeft u nog in oorzaak en gevolg. Is het niet zo? Maar hebt u het, en al wil zij nog niet en hij nog niet, maar u hebt al begrijpen, wees maar dankbaar als je de man ziet die de kinderen liefheeft en zij kan eens wat verdragen als je eens daar en daarover praat. Mijn god, mijn god, als je de mensheid en het menselijke denken kent en voelt - ik heb het u verleden gezegd - dan kunt u zichzelf rustig voor heilig, voor ongelofelijk verklaren want wie dit al zoekt en naar dorst en aanvaarden kan, die mens begint waarlijk aan zichzelf te werken, ook al gaat het niet hard, maar die mens is bezig. Dacht u van niet? U leert...
Ik heb voor een paar jaar terug gedacht: Ik schei ermee uit. Ik zei dat. En als ik tegen meester Alcar zeg: 'Ik schei ermee uit', kan hij niets meer doen. Omdat hij mij door de kosmos heeft gebracht en ons werk is eigenlijk af. Hij zegt: 'Dat kan.' Ik zeg: 'De mensen leren niet.' Maar ik heb, daarna heb ik gezien dat de mensen ontzettend leren. De mensen zeiden: 'O, wat zijn die mensen stom.' Maar ik had die mensen voor twee, drie jaar terug ook horen praten en die waren dom, en nu gaan ze het onbewuste van de massa zien. En dat hebben ze van de meesters geleerd. Waar of niet?

(Meneer in de zaal): 'Inderdaad.'
Dames en heren, we hebben nog een paar minuten. Hebt u hier nog een vraag over? Bent u tevreden, dame? (De geluidstechnicus): 'U hebt nog ruim vijf minuten.' Hebt u nog? Dan hebben we die vijf minuten.
(Jozef zegt tegen iemand): Waarom komt u niet binnen, meneer en mevrouw? Moeten die hier zijn, die dame? Mevrouw, komt toch binnen, u stoort ons toch niet. Ach, kijk eens aan, in de hemel hoeft u toch ook niet achter de deur te staan. Dag meneer Luienweg.
(Weer tot de zaal): Zijn er nog vragen, dames en heren? (Meneer in de zaal): 'Meneer Rulof, mag ik u iets vragen?' Ja meneer.
(Meneer in de zaal): 'Naar aanleiding van die nonnen, die zich dan zo heilig gaan voelen, dat zetten zij wellicht voort aan gene zijde, zo'n gevoel, als ook bijvoorbeeld geleerden, kunstenaars zich ook in de tempel der ziel zich begeven en zich daarop spitsen om hun kunst, hun wetenschap verder door te...'
Ik zal u gauw helpen, meneer Götte, want we hebben maar een paar minuten en uw denken duurt te lang nu. Die moeders, dat is een mooi leven wat die mensen hebben, maar ik heb u die wetten verklaard waarom. En er zijn er van de honderd, vijfennegentig die terug moeten, en vijf zijn er juist bezig aan die toestand, maar hebben hun kringloop der aarde volbracht. Die kwamen terug op aarde om hier iets te doen, zijn losgelaten door de aarde, vrij, en gaan tot een geloof over. Dus er komen er, ook bijvoorbeeld een kardinaal en een pastoor en een bisschop, die zover zijn geweest, er moeten een hele hoop terug.

Een paus die denkt dat hij in een hemel komt, maar daar is er niet één bewust voor de eerste sfeer. .. Vindt u misschien vreselijk als u katholiek bent. Maar het eerste wat ik meester Alcar vroeg, ik zeg: 'Waar leven de pausen?' 'Ga maar mee', zegt hij. Meester Zelanus heeft er zeven opgevangen. 'Zeven', zegt hij, waar ik naast stond. En er waren er twee bij die konden we meenemen naar gene zijde en de rest moest terug, die losten dadelijk voor je ogen op.' Hij zegt: 'Twee kwamen er daar. En toen begon ik, ik had de eer om dat leven te overtuigen.' Nou, hij zegt: 'De openbaring om met het hoogste gezag...' Het is maar een sekte, houdt u daar rekening mee? Het hoogste gezag dat wordt op de aarde wel opgeschroefd, maar aan gene zijde was dit een mens die het hoogste heeft bereikt voor een geloof. Maar een geloof is geen God en geen kosmos. 'Dus', zegt meester Zelanus, nu ging ik met hem praten. We gingen dadelijk terug. 'Hier bent u geboren, daar bent u. . .' Eindelijk kwamen we bij de kist. 'Hier bent u gestorven.' Toen zag dat leven hoe hij stierf en er was geen verdoemdheid, en toen begon het al. Uit alles werd maar. .. links en rechts uit die persoonlijkheid konden we zo naast ons neerleggen en legde ik daarvoor het nieuwe fundament, het goddelijke kosmische, nieuwe fundament naast.'

Die nonnetjes, ook terug, vijfennegentig van de honderd terug, maar krijg je zo' n kind, die dus al zuiver is geweest, ja, dat kind leeft in een schemerland of in de eerste sfeer. Want is er nog een haatje, en is er nog...  Die zijn niet zo heilig, want je moet ze onder elkaar eens horen. Dan hebben ze het over jaloezie en een haat, dat is meer dan bar. Er zijn er die zijn zo sterk in het zwijgen, dat ze de één... er zijn meisjes - ik heb dat meegemaakt hoor, ik vertel geen nonsens - dat de één, zegt ze: 'Dat kreng heeft al in zes jaar niets tegen me gezegd.' O, wat dat daar afspeelt, dat is meer dan bar, maar het gaat ons niet aan. Daardoor kan dat kind die eerste sfeer niet beleven want ze heeft niet lief. Dus ze sluit zich voor de universele liefde af. Die moet nog eerst liefde leren. Ze moet zich liefde eigen maken, en ze heeft het maar op één kaart gezet. En Christus zegt: 'Heb alles lief wat leeft.' Nu moet je die mensen leren, onderwijzen. Dat is het mooiste wat er is. Dat bedoelde u.
Hij is nu aan het einde, een laatste ademhaling en wij gaan opnieuw beginnen. We krijgen dadelijk weer een nieuwe geboorte, dames en heren, maar neem eerst maar een kopje thee. Tot straks.
Jozef Rulof.
Tot zover dit gedeelte uit Vraag en Antwoord.     

HOME.
PAGINA 5.