DOOR DE GREBBELINIE NAAR HET EEUWIG LEVEN.
Ook dit boek heeft
Jozef Rulof mediamiek ontvangen. Hij schrijft in het voorwoord: 'De intelligentie,
die het mij doorgaf, werd door mijn leider Alcar tot mij gebracht. Deze stond hem
toe over zijn leven, over zijn sterven op het slagveld tijdens de meidagen van 1940
en over zijn binnentreden in de geestelijke wereld te vertellen.'
De geestelijke
schrijver die in zijn aardse leven 'Theo' heette, is als soldaat gesneuveld in de
loopgraven van de Grebbelinie in de Tweede Wereldoorlog. Hieronder plaatsen wij een
gedeelte van dit prachtige boek, dat u beslist zou moeten lezen.
Mijn einde op aarde
gezien van gene zijde uit:
We betraden het huis binnen dat Annie, mijn dochter en
ik in Arnhem bewoonden. Ik merkte tot m'n grote schrik dat er thans andere mensen
in huisden. Er kwam een droef gevoel in mij, dat veroorzaakt werd, doordat ik Annie
en m'n dochter hier miste. Waar woonden ze thans, ik zou ze zo heel graag willen
zien. Toen maande vader me: 'Heb nog wat geduld, mijn jongen. Straks zul je alles
zien. Hij heeft gelijk, ik moet me ook nu aan zijn leiding geheel overgeven. Het
droeve gevoel blijft. Dan neem ik beelden uit het verleden waar. Ik zie mij met Annie
en ons kind het huis verlaten en naar het station gaan. Ze zullen naar Rotterdam
reizen om daar haar ouders op te zoeken. Onderweg overvalt me een verschrikkelijke
droefheid, het neerdrukkende, donkere verdriet, dat ik ook nu beleef. Ik kan bijna
geen afscheid nemen van vrouwen kind. De vraag komt in me op: zal ik hen ooit terugzien?
Dan rijdt de trein met hen weg.
Onweerstaanbaarder nog dan daareven komt het verlangen
in me op die beiden eindelijk weer eens te zien. Is Annie verhuisd uit deze woning,
uit deze stad? Ik vraag er vader naar, maar deze dringt erop aan: 'Heb toch geduld,
Theo. Ook dit moet je leren: geduld te oefenen, mijn jongen.'
Dan geef ik me maar
gewonnen en stel me geheel op vader in. Ik zie me nu temidden van de soldaten. Ze
zijn erg opgewonden. De vraag of we in de oorlog zullen worden betrokken, wordt druk
besproken. Niemand kan er met enige zekerheid op antwoorden.
Dan komen de jongens,
met wie, ik al vaker over geestelijke onderwerpen gesproken had, bij me met de vraag,
hoe ze handelen moeten als de oorlog dadelijk een feit is. Moeten ze terugslaan,
mogen.(ze doden? Het zijn vragen, waarmee ikzelf al geworsteld heb. Ik stel me in
op vader en - ik zie nu wat ik toen al gevoeld heb - hij is bij me in deze moeilijke,
ernstige uren. Zijn woord is het dat me een duidelijk antwoord geeft op al m' n kwellende
vragen, en hij is het ook, die me inspireert als ik de jongens dringend waarschuwt
niet te doden, onder géén omstandigheden te doden, omdat dit moord zou zijn en een
moord hen in het duister van de hel zou doen storten.
Het is Jack, voel ik thans,
die gestuwd door vader tot de soldaten spreekt. Langzaamaan zakt Theo nu in die persoonlijkheid
weg. Het is ook alleen Jack, met zijn innerlijk bezit, die zo spreken kan.
Het duister
van de nacht valt over de aarde. Ik neem echter nog een duisternis waar, de duisternis,
waarin zij leven, die tot de demonen van de hel gerekend moeten worden. Ze leven
thans in de sfeer der aarde, ze zijn uit op lage, wrede genietingen, die ze hopen
te beleven als straks de slag ontbrandt.
De storm van gevoelens, die me overweldigt,
nu ik met de gebeurtenissen en problemen verbonden ga worden, welke zo'n verpletterende
indruk op m'n ziel maakten, ja me het eeuwige leven deden binnentreden, doet me m'n
zelfbeheersing verliezen. Door maar even te denken aan de verschrikkelijke belevenissen
in de Grebbelinie word ik daar al heengetrokken. Ik ren vader vooruit, maar dit is
geen beleven meer. Dit is me laten meeslepen door de gebeurtenissen, een in de blinde
weg voorwaarts snellen. Ik ga sneller dan de gebeurtenissen zich hebben voorgedaan
en moet daardoor een speelbal worden van de machten en krachten, die deze zo gruwelijk
maakten. We gaan dus weer terug naar huis. Hier moet ik me eerst goed leren instellen,
anders zal ik niets weten van hetgeen allemaal geschied is. In dit leven kan niets
worden overgeslagen, laat vader mij voelen, hier moet alles tot in de diepste diepte
beleefd worden, of we kunnen telkens weer van voren af aan beginnen. Maar al besef
ik dit volkomen, het blijft mij toch een bovenmenselijke inspanning kosten om me
te concentreren. Telkens krijgt de Grebbelinie me te pakken en dan dreig ik mezelf
te verliezen, los ik op in de afschuwelijke belevenissen.
Ik blijf me echter teweerstellen
en langzaamaan komt de noodzakelijke rust in me. Vader laat me voelen dat ik thans
bewust door al die verschrikkingen heen moet, hij kan me er niet bij helpen. Hij
moet me vrij laten, anders dan eens op aarde, toen hij zich met mij verbonden had
om me bij het gruwelijke beleven van de massaslachting te helpen. Ik beleefde alles
toen, alsof het mij niet aanging, alsof ik het gebeuren in een bioscoop voor me zag
afdraaien. Maar nu moet ik het alles beléven en wel in z'n volle, verschrikkelijke
werkelijkheid.
Vader gaat mij thans voor en ik volg hem. We zien overal troepenbewegingen.
De soldaten trekken op naar de hun aangewezen stellingen. Ik let goed op, want ik
wil alles volgen. Bij sommige soldaten zie ik astrale wezens, vaders en moeders,
zusters en broeders. Waarom zij hen vergezellen kan ik niet bevroeden. Ik krijg daar
nog wel antwoord op.
Nog altijd neem ik de twee toestanden van duisternis waar, die
van de aarde, waar het nacht is, en die van deze wereld, de sfeer van de demonen.
Ik zie mezelf tussen de troepen, die als versterking van de Grebbelinie zijn bedoeld.
En meteen snel ik al weg naar dit oord, weer heeft het gebeuren me te pakken. Te
vlug volgens vader, ik matig me en keer weer terug.
Eerst moet ik in de gevoelens
terug die me begeleidden op de mars naar de Grebbelinie.
Onder dit voortgaan ben
ik bezig een ander mens te worden. Het is alsof ik droom, volkomen werktuiglijk zet
ik de ene voet voor de andere. In die droomtoestand leef ik eigenlijk, al een paar
dagen. Het is alsof ik niet meer op aarde ben. Sinds mijn vrouwen kind naar Rotterdam
vertrokken, is dit vreemde gevoel nog verergerd.
Vader is bij mij op deze tocht. Hij
werkt op mij in en trekt mij in zijn wereld op. Dit kost hem geen moeite, in mij
liggen de krachten, die het hem mogelijk maken. Ik ben niet geheel Theo meer, deze
is bezig in mijn onderbewustzijn af te dalen. Daar moet hij blijven leven. Jack is
het die het organisme langzaamaan zal overnemen en voor Theo gaan handelen. Zo verandert
onder het voortgaan mijn eigen ik.
Op aarde was dit alles niet zo duidelijk te voelen,
omdat die veranderingen in me toch m'n leven als Theo raken. Theo is in dienst gegaan,
maar Jack is het die nu iets beleven moet. Nog is Theo niet geheel weggezakt. Als
we onze stellingen bereikt hebben weet hij hoe er gehandeld moet worden, hij geeft
bevelen en voert bevelen uit. Jack beleeft alles mee.
Ik als Theo ben innerlijk versteend.
Allen merken dat het met mij niet in orde is. Zo handelt een normaal mens niet. Zo
heeft men mij nog nimmer gezien.
Angst, denken ze, omdat velen zich nu angstig en
nerveus tonen. Ik moet bij de commandant komen.
Of ik angstig ben, wil hij weten
en vervolgt meteen dat ik dit niet zijn mag. Bijna állen hebben vrouwen kinderen
of ouders. Waarom ik geen goed voorbeeld geef?
Ik haal m'n schouders op. Het is mij
onmogelijk hem antwoord te geven, ik zou hem zoveel kunnen zeggen. Er is in mij geen
angst, ik haat die gedachten van angst. Voor de dood ben ik niet bevreesd. Voor niets
heb ik angst. Er is alleen maar geen gevoel in mij. Hoe moet ik hem dat verklaren?
Moet ik hem zeggen dat alles mij steenkoud laat? Hij zou mij toch niet begrijpen,
ik doe het zélf niet eens...
Een uur later moesten we met velen bij de overste verschijnen.
De bevelvoerende generaals zijn daar verzameld en drukken ons op het hart geen duimbreed
af te wijken zo er gevochten moet worden.
Eén ervan valt mijn duffe houding op. Hij
roept mij apart.
'Bent u angstig? Is er angst in u voor de dood?'
Ik mompel iets,
zonder hem goed verstaan te hebben.
'Zenuwen', hoor ik hem dan zeggen.
Zenuwen, ze
hebben er zo goed als allen last van. Ieder reageert op eigen wijze, maar allen zonder
uitzondering voelen zich rillerig.
Het lege gevoel in mij wordt steeds erger. Ik
kan nauwelijks meer denken. Om mijn middel ligt een strakke band, het is precies
onder mijn hart. Die plek ontbreekt het aan warmte, voelt koud aan. Er ligt onrust
bij, die met het uur groter wordt. Ik ben koud als ijs en toch gloei ik. Ik slik
aspirine, maar het betert niet. Pas na geruime tijd trekt de kou in mij weg. Het
strakke gevoel om mijn hart blijft echter. Dan wordt het heel stil in mijn binnenste.
Die stilte blijft bij mij en hierin zal ik leven, zolang ik nog op aarde ben.
Toen
heb ik me al deze verschillende gevoelens niet gerealiseerd. Nu evenwel ga ik erop
in. Het is vader die me ermee verbonden heeft. Vader was toen naast me als nu en
volgde me. Hij was boven en onder me, links en rechts, voor me en achter me, of beter
nog, hij was in me. Onze zielen waren en zijn geheel één.
Hij beschermde me en
dit was hem mogelijk, doordat hij mij in het leven van
Jack had kunnen optrekken.
Daar deze persoonlijkheid in een voor deze wereld groot probleem leeft, kon hem dit
lukken.
Als Jack is er maar één doel dat mij drijft. Ik heb het leven gekregen om
goed te maken en om te beleven. Voor dit beleven sta ik thans. Mijn leven van Jack,
die een geleerde is, stijgt boven mijn bewustzijn van Theo uit. Maar straks zullen
ze in elkander overgaan. Dat voel ik nu. Dan - na het gebeuren dat me wacht - zal
het leven van Jack gehéél overheersen, en dit is mogelijk, doordat ik in het leven
van Theo niets heb beleefd dat mijn ziel schokte. Ik ga nu dieper voelen dan voorheen
en ik ben daar vader zeer dankbaar voor. Het is enorm leerzaam wat ik te voelen en
te verwerken krijg.
Theo bezat geen gevoelens als geleerde, hij wist van deze studie
niets af, dat behoorde Jack toe.
In dit laatste leven op aarde ben ik Theo en behoor
ik vader toe. In dat andere leven bestond er echter ook een band tussen ons, hij
was toen mijn vriend. Zo is het mogelijk dat hij me nu helpt, wat anders wellicht
onbestaanbaar zou zijn gebleken. Hoe ingewikkeld de mens is, wordt mij thans duidelijk.
Het is stil geworden in Jack. Theo maakt nog maar voor vijfentwintig procent deel
uit van de honderd, die ik ben.
Voor hem is er geen oorlog of verschrikking; hij
ziet alles als in een droom. Jack daarentegen is hevig bewust, hij staat op één punt
ingesteld en maakt zich voor het beleven gereed. Vader heeft hem hierbij geholpen.
Het is nu wachten op de dingen die geschieden zullen.
Jack vindt het maar een rommel
daar in de stellingen. Dat rondkruipen en afwachten staat hem tegen. Hij staat ver
van alles wat met het krijgsgedoe te maken heeft. Hij leeft alleen voor z'n zieken
die hij dicht bij zich voelt.
Theo loopt intussen rond en maakt gekheid. De soldaten
en z'n superieuren geloven er al niet meer in dat hij angstig is. Hij praat honderd
uit en doet precies alsof er geen gevaar voor oorlog bestaat. Zijn onverschilligheid
steekt de massa aan. De jongens voelen zich gesteund door z'n opgewektheid en vergeten
de heersende spanning er een beetje door.
De dag trekt desondanks tergend langzaam
voorbij.
Nu ga ik weer waarnemen in deze wereld en zie hoe duizenden astrale wezens
naar de aarde gekomen zijn. Vader laat me voelen dat al deze zielen hun hemel verlaten
hebben om hen te halen, die straks in de strijd zullen vallen en naar de sferen gebracht
kunnen worden.
Ik zie vaders en moeders bij hun kinderen, ze zijn dicht bij hen,
verbinden zich met hen. De mannen merken het niet. Ze gaan hun gewone gang, onwetend,
dat geestelijke wezens met hen wachten op het ogenblik dat de hel zal losbarsten.
Ze hebben allen iets van de Christus, deze lichtuitstralende gestalten. Ze willen,
als Hij, dienen, geven, zichzelf inzetten. In hun aura zie ik al de liefde stralen,
die zij voor het leven van God voelen.
Al dadelijk valt mij op dat geen van hen
onrustig is. Ik zie jonge, beeldschone vrouwen in prachtige gewaden rondwandelen,
alsof ze zich alleen temidden van de heerlijkste natuur bevonden. Ik zie ook kinderen
onder hen, die hier bijeen zijn, kinderen, die ouder zijn dan veertien jaar, laat
vader mij weten, jonger kunnen zij hier niet aanwezig zijn. Zij zijn elk in gezelschap
van hun leermeester en gereed voor de hunnen te doen, wat in hun vermogen ligt.
Duizenden
van deze liefdegeesten zie ik rondom mij. Ze spreken met elkander en in deze gesprekken
gaan ze in op het gebeuren , dat hen hierheen brengt. In hen allen is rust en vrede,
ja ik voel de blijdschap die in hen leeft om de komende hereniging met hun geliefden.
Ook in mijn vader ligt geluk nu.
Er zijn echter anderen, neem ik waar, in wie het
stil is van innerlijke smart. Hun leed ga ik volgen, ik behoef me maar op hen in
te stellen of ik krijg hun gedachten in mij. Maar - valt me plotseling in - er zijn
wezens bij, die ik zó niet peilen kan. Het is alsof ik bij m'n instellen door hen
heen ga, ik krijg geen houvast, ik voel ze niet. Vader vraag ik naar de betekenis
hiervan en van gevoel tot gevoel bereikt mij het antwoord. Deze wezens zijn hoger
afgestemd dan ikzelf, zodat zij, deze gevoelswerelden, voor mij niet te peilen zijn.
Ik kan die zielen thans waarnemen, omdat zij zich op dit aards gebeuren hebben afgestemd.
Zouden ze zich echter in hun eigen wereld terugtrekken, dan lossen ze allen voor
mijn ogen op en waren ze onzichtbaar voor mij. Deze zielen, zegt vader, leven in
de tweede, de derde, de vierde, de vijfde, de zesde en de zevende hemel. Zij kennen
precies het doel waarvoor ze hier gekomen zijn. Ze zweven in de ruimte en wachten
maar niet zo af, doch zijn reeds bezig zich met het leven op aarde te verbinden.
Hoe ontroerend, ja overweldigend is de gedachte voor mij, dat de zielen hier hun
hemelen hebben verlaten, om hun geliefden, die voor zulke ernstige problemen staan,
hulp te bieden. Hoe groots en goed en machtig is Gods wereld ingericht dat zoiets
mogelijk is!
Er zijn er onder, die bij de gedachte aan hun geliefden op aarde, het
geluk in zich voelen stijgen, er zijn anderen, die naast hun geluk droefheid voelen.
Ik begrijp hun droefenis. Nu al weten zij, dat hun beminden, die hun kinderen, hun
vaders of broeders kunnen zijn, zichzelf zullen vergeten. In de komende strijd zullen
ze doden, moord op moord begaan en zich daardoor op de duisternis afstemmen. De hellen
zijn de enige plaats, waar ze dan kunnen binnengaan. God duldt niet, dat wij mensen
Zijn Heilig Leven ombrengen. Deze zielen hier weten dat dit geschieden zal. Is het
een wonder, dat hun hart pijn doet bij deze wetenschap? Ingrijpen kunnen ze niet,
de mens tegenhouden evenmin, zolang de haat, zolang het kwaad deze harten regeert.
Als ouders moeten ze aanvaarden, dat hun kinderen zichzelf in de duistere hellen
storten. Welke vader en moeder kan zich gelukkig voelen bij de gedachte, dat het
leven, hetgeen hun lief is, zichzelf vernietigen zal? Welke moeder kan in haar hemel
blijven en haar geluk beleven in de wetenschap, wat haar kind aanrichten gaat?
Daarom
zijn ze hier en zullen ze hun kinderen helpen zoveel als hun dat mogelijk is. Ze
voelen droefenis bij de gedachte hier voor een muur te staan, door hun geliefden
zélf opgericht, ze voelen leed bij de verschrikkelijke wetenschap dat zij eigenlijk
niets en niets kunnen doen, omdat hun kind, hun vader, hun broer slechts luisteren
zal naar de stem, die uit hun eigen duistere innerlijk komt. En zo kan hun droefenis
hen toch niet overweldigen, want hun verkregen bewustzijn zegt hun, dat deze arme
zielen de gevolgen van hun zelf geschapen leed moeten doormaken om eruit te leren,
dat géén mens, onder welke omstandigheden dan ook, het recht heeft Gods leven te
doden. Zij weten, dat na al dit vernietigen, dit lijden en goedmaken ook voor déze
zielen eens de sferen van licht zullen opengaan. Nu beleef ik een ander wonder dat
mij geweldig treft. Ik hoor reeds Duits praten en toch is er nog geen vijand te zien.
Waar hoor ik deze taal, wordt ze op aarde of aan deze zijde gesproken?, En wie is
het, die het zo vloeiend spreekt? Ik volg de zielen, die hier bijeen zijn, en weet
nu, dat er reeds lange tijd in deze taal is gesproken. Ik heb het evenwel tot nu
toe niet gehoord. Dit beleefde ik al vaker; van vader weet ik, dat een geest alleen
dat volgen kan, wat hem bezighoudt, al het andere wat zich voordoet, gaat aan hem
voorbij.
Ik zie een prachtige gestalte voor mij die een hemels licht uitstraalt en
van een ongelooflijke schoonheid is. Het is zo moeilijk om in aardse woorden een
beeld te geven van het uiterlijk van deze zielen. Zij is een moeder, laat vader mij
voelen, ze wacht op haar kind, die een Duitser is. Zij, en met haar vele anderen,
hebben zich bij hun afstemmen op de komende gebeurtenissen tevens ingesteld op de
taal, die hun verwanten of vrienden spreken.
In de sferen bestaat dat verschil in
taal niet meer. Een ieder verstaat daar de ander, doordat men één is in liefde.
Verschil
is er slechts in afstemming en als gevolg daarvan, in de diepte van het denken, het
voelen, het handelen.
Wat een onderscheid met de aarde. Daar doet de ene mens geen
moeite de andere te begrijpen, daar strijdt men tegen elkander met de meest verschrikkelijke
wapens, die het menselijk brein heeft kunnen uitdenken, en vergiet men stromen bloeds.
Hoe anders is het beeld, dat de sferen bieden. Zie ze daar bijeen, de geesten van
het licht, zusterlijk en broederlijk verenigd, altijd bereid tot dienen en geven.
En zo bedoelde God het. Hij wilde dat Zijn schepselen elke dag, die Hij hun schonk,
bezig zouden zijn om nader tot elkander te komen en te bouwen aan een durende liefdesband.
De moeder, die ik mag waarnemen, en de velen met haar, spreken Duits en hier stoort
het niemand. Zij weten, hoe het soort, waartoe hun kinderen behoren, gehaat wordt.
Zij weten echter eveneens, dat ook de Duitser een kind is van God, ons aller Vader.
En in dit besef zijn ze hier om te helpen. Ook onder de Duitsers, die straks mijn
land zullen aanvallen, zijn er die liever zelf vallen dan de hand op te heffen tegen
het leven van God. En voor de anderen, en dit geldt ook voor ónze soldaten, in wie
nog haat en geweld leven, is er hier ook hulp, voor zover hun toestand, hun afstemming
deze tenminste toelaat.
Zo zij op aarde niet te helpen zijn, wacht hun hulp aan deze
zijde. Want als zij zich van de chaos, de oorlogsverschrikking, hebben losgemaakt
en hun zielen tot rust gekomen zijn, komen hun verwanten uit de lichtende sferen
opnieuw tot hen om te trachten hen in hun leven en bewustzijn op te trekken. Gelukt
het hun deze zielen te openen, dan doen zij alles om hen geestelijk te ontwikkelen.
Sommigen, zo laat vader mij voelen, zijn ook dan nog niet te helpen. Deze vechten
op aarde of in de duistere sferen nog honderden jaren door en blijven op vernietiging
en haat ingesteld. Ze zijn door hun verwanten niet te bereiken en deze moeten wel
naar hun sfeer terugkeren en daar hun eigen leven verder beleven. Ze blijven deze
armzalige stakkerds echter volgen en wachten tot het ogenblik, waarop ze eindelijk
tot rust komen. Toe te moeten zien dat ze zichzelf te gronde richten, is een verschrikking.
En wat moet er omgaan, overweeg ik, in een geest van het licht, als hij moet beleven,
dat zijn geliefd kind, z'n vader of broeder, eeuwen doorvecht en niet loskomt van
de giftige haat, die hem vervult. . .
Hoe ontzettend is een oorlog toch. Daar zijn
mensen die voortdurend het goede nagestreefd hebben, die zichzelf hebben afgebroken,
hun foute eigenschappen bevochten om ze in goede om te zetten, mensen die in God
geloofden en Hem zochten te dienen en in een oorlog zetten ze al hun zo moeizaam
verkregen bezit op het spel en verliezen het door te doden... Zij denken nog goed
te doen, ze geloven hun God te dienen door gehoor te geven aan het bevel van hun
overheid hun vaderland te verdedigen.
Maar... God kent alléén Zijn schepselen en
hun gaf Hij het bevel mee elkander lief te hebben.
Wie de sferen van licht wil binnentreden,
mag geen bloed aan de handen hebben. Eén slechte gedachte doet de poorten van de
sferen al voor ons dichtgaan. Hoe zouden we dan met een moord op ons geweten daarin
kunnen binnengaan?!
God vraagt van ons dat wij Zijn heilige wetten opvolgen. Déze
moeten ons het eeuwigdurend geluk binnenvoeren. Wetten die het kwáád vertegenwoordigen
kent God niet. Zij zijn door het kwade ik in ons mensen uitgedacht. Is het een daad
van liefde zijn medemens te doden? Kan dan de wet, die hiertoe beveelt, uit God zijn?
Elke geest, die een hemel zijn woonplaats mag noemen, kan u vertellen dat het alléén
de daden van liefde waren, die hem de poorten tot zijn hemel ontsloten. Een moord
- en het doden van een medemens in oorlog is een moord - wijst u onherroepelijk terug
naar het duister van de hellesferen. Zo gebiedt het Gods rechtvaardigheid; armzalig
is de mens die het anders gelooft. De bittere werkelijkheid hier zal hem moeten overtuigen.
Het is stil geworden in de Grebbelinie. Stiller nog is het hier aan gene zijde. De
soldaten lachen niet meer. Nederland wacht af, is paraat. Ook gene zijde is gereed.
Ik moet me nu op heel veel gebeurtenissen gaan instellen.
De nacht valt over de Grebbelinie.
Sommige soldaten zijn ervan overtuigd dat er heel spoedig iets gebeuren gaat. Vanwaar
hebben zij die voorgevoelens? In mij komen die gedachten eveneens, vader geeft ze
me, als ik even ingeslapen ben. Zó geschiedt het ook bij mijn kameraden. Andere astrale
wezens hebben zich op de gebeurtenissen aan gene zijde van de grens ingesteld. Hierdoor
weten ze dat de voorbereidingen daar voltooid zijn en de Duitsers binnen luttele
uren ons land zullen binnenvallen. Ze drukken deze wetenschap, indien mogelijk, op
hun verwanten af en zo is het mogelijk dat deze met stelligheid de komst van de Duitse
troepen aankondigen.
Een uit mijn compagnie, een kleine, blonde knaap, is zo ook
te bereiken geweest. Hij is ,er zeker van dat de Duitsers zullen komen. In de morgenuren,
let maar op. Zo zeker is hij dat hij zijn hoofd ervoor wil inzetten. Hij verheugt
zich nu al op het treffen. Dat zal me wat worden, zegt hij, en er ligt een verbeten
trek op z'n gezicht. Hij zal er niet weinig voor zijn rekening nemen.
Thans neem
ik waar dat hij zelf een van de slachtoffers zal zijn van het geweld, waarnaar hij
nu zo verlangt... En de geest, die van gene zijde tot hem gekomen is, zal onverrichter
zake weer terugkeren, de haat in zijn kind sluit het voor elke hulp af.
Het is zover,
de berichtén, dat de Duitsers onze grens hebben overschreden, komen binnen. En in
korte tijd begint de oorlog zijn wrede, afschuwelijke spel.
De vreemde vliegtuigen
komen in golven ons land binnen. Ze verschijnen ook boven onze stellingen en gooien
bommen af. Deze monsters spatten uiteen en richten een vreselijke chaos aan; er vallen
doden en gewonden. Ik kijk naar die doden, vanuit de wereld, waar ik nu ben.
'Goddank',
zegt een zachte stem naast mij. Zij hoort toe aan een vrouwelijke geest. Het is een
moeder, die bij het dode lichaam van haar kind staat.
'Goddank, mijn kind is gered.'
De ziel, als geest, is bewusteloos. De moeder buigt zich over dit leven heen en met
haar nog een wezen, een zuster van de soldaat. Beiden dragen de ziel naar de sferen.
Groot is hun geluk, zonder door haat of moord bezoedeld te kunnen worden, heeft dit
zieleleven de aarde verlaten. Hun geluk kent geen grenzen en met hun dierbare last
op de armen zweven ze het eeuwige leven tegemoet.
Zo zweefde eens Angelica met vader
naar de sferen van licht. Heilig is het. Het geluk van deze zielen komt in mij, het
deelt zich ook mee aan de andere astrale wezens, die hier bijeen zijn. Tientallen
zie ik gedood worden. Ik beleef verschillende overgangen naar deze wereld. Er zijn
er die eveneens gehaald kunnen worden, ze worden door hun geliefden de sferen binnengebracht;
daar zullen zij hun ogen weer openslaan om overtuigd te worden, dat zij hun stoffelijke
lichamen verlaten hebben en hun voortaan het eeuwige leven toebehoort.
Er zijn er
echter ook die niet geholpen kunnen worden. Toch hebben zij niet gedood; de dood
overviel hen nog voor ze één schot konden lossen. Vader verklaar het mij: Deze zielen
brachten hun aardse leven door met haat en hartstocht. Ze stapelden de ene fout op
de andere. Demonen zijn het die voor geestelijke hulp ontoegankelijk zijn, ook al
is deze aanwezig.
Ze vallen in deze wereld in slaap en de duisternis, waarover ik
al sprak, trekt hen aan. Een hel trekt deze demonen tot zich en daar liggen ze neer,
slapen tot ze uitgerust zijn en gereed om tot het duivelse leven hier hun deel bij
te dragen. En ook in deze mensen leeft de vonk Gods, maar wat moet er in hen nog
veranderen vooraleer ze tot hun Schepper kunnen terugkeren...
Weer anderen, en hun
aantal is groter, vallen niét in slaap. In dit leven zijn ze meteen gereed om te
vechten, hun haat en woede richten ze tegen de vijand, wiens projectielen hen deden
vallen. Maar nog moeten ze wachten, ze werden gedood door afgeworpen bommen, op de
grond is er nog niet gevochten, er is nog geen contact geweest met de vijandelijke
troepen. Dan beleef ik dat deze zielen van hier weggetrokken worden. Door vader begrijp
ik, waarheen zij gaan. Ze worden aangetrokken door de massa, die elders in een hevige
strijd gewikkeld is. Daar is de gelegenheid voor hen hun haat en hanstocht uit te
leven. Dan nadert de vijand, het helse lawaai neemt toe.
'Ze komen hier nooit doorheen',
roepen de mannen elkaar grimmig toe. Een verschrikkelijke afslachting begint. Ik
zie mezelf door de vreselijke chaos een weg banen. Gevoel is er niet meer in mij.
Ik loop de anderen in de weg. Mijn God, wat een verschrikking! Links en rechts vallen
mijn vrienden; De anderen kijken er niet naar, ze leggen telkens opnieuw hun geweren
aan; het gif staat hen op de lippen.
Hartverscheurend is het beeld, dat dit strijdtoneel
vanuit deze wereld biedt.
Wat doen de stakkerds, die door een projectiel uit hun
lichaam worden geslingerd? Van wie de lichaamsdelen afgerukt en her- en derwaarts
verspreid worden? Ze beginnen er in deze wereld onmiddellijk naar te zoeken.
Ik zie
een jongen voor me, een bomscherf scheidde hem het hoofd van de romp. Als waanzinnig
begint hij er hier naar te zoeken. En toch is zijn astrale gestalte geheel gaaf,
wat mij leert dat de ziel nooit en nimmer te vernietigen of te beschadigen is! De
jongen wordt beheerst door maar één gedachte: zijn afgerukte hoofd te vinden. Vader
laat me de betekenis ervan voelen. Doordat die lichaamsdelen tot het gevoelsleven
behoren, dwingt de ziel hiertoe.
Elke meter grond zoekt hij af. Hij vindt andere
hoofden, hij vindt rompen, armen en benen. En eindelijk kan hij zijn luguber gezoek
staken, daar stuit hij op een hoofd, dat hij als het zijne herkent. Nu hij het gevonden
heeft, lacht hij als een klein kind. In zijn vreugde wil hij het optillen, maar...
dit lukt hem niet. Zijn handen klauwen naar het hoofd, hij wil het omvatten, maar
zijn handen gaan erdoor! Voortdurend herhaalt hij zijn pogingen, afschuwelijk is
het om dit aan te zien, zijn wilde woede, zijn bijna dierlijke angst zijn hoofd niet
te kunnen oppakken en zonder dit verder te moeten...
Zoals hij, zie ik er tientallen.
Anderen gillen om hun moeders en vaders, het klinkt als de schreeuw van een dier
in stervensnood. Ze zijn met een gewelddadige ruk in dit leven geslingerd. Ze weten
niets van het eeuwige leven af, zijn daarentegen volkomen opgelost in haat en angst.
Weer anderen zetten het gevecht aan deze zijde onmiddellijk voort, ze weten niet
dat ze de dood en daarmee een nieuw leven zijn ingegaan. Ze storten zich op de aanvallende
Duitse soldaten en begrijpen niet dat deze niets van hun slaan en schreeuwen bemerken.
Maar dan krijgen ze de gevallen Duitsers in het oog. Met een vreselijk geschreeuw
vallen deze, nu astrale wezens elkander aan en trachten elkaar te verscheuren. Maar
de ziel is niet als het lichaam te vernietigen, ze vechten dan door tot de ander
bewusteloos in elkaar zakt.
En intussen duren op aarde de gevechten voort. Temidden
van het helse lawaai van de ontploffingen stormen de mannen onafgebroken op elkander
los. Steeds feller worden de gevechten, de menselijke lichamen vliegen aan stukken
en brokken in het rond. Velen worden waanzinnig in deze afgrijselijke hel, ze rennen
uit de stellingen, ze willen de Duitsers te lijf gaan, maar worden al na enkele meters
aan flarden geschoten. Anderen moeten door hun eigen kameraden worden neergeschoten...
En het verschrikkelijkst van alles is dan te zien hoe de demonen van de hel - want
deze is leeggestroomd - zich verlustigen in de nood, de angst en het leed van de
arme, aardse mens. Ze schateren en schreeuwen - vreselijk om aan te horen is dit
- en wakkeren de haat nog aan en leven zich uit ten koste van de strijdende en gevallen
soldaten. Duivels vieren hier feest en het is het meest afschuwelijke wat tussen
hemel en aarde geschieden kan. Maar wat weet de aardse mens van dit alles?
Hoe moet
ik al deze onbeschrijfelijke, afschuwelijke beelden verwerken? Ik schrei grote tranen,
mij breekt het hart. Telkens denk ik te bezwijken.
Zo verging het mij ook op aarde,
in deze verschrikkelijkste oorlog aller tijden. Als verdwaasd heb ik rondgelopen.
Gebeden tot God, om hier in te grijpen, de mensen te dwingen op te houden met deze
waanzin. Maar als de uren verstrijken, het geweld nog maar meer toeneemt, wordt het
leeg in m'n binnenste, er is geen gevoel meer in me, ik kan bidden,noch denken. Als
daar vaders en Jacks krachten niet in mij geweest waren, zou ik opgelost zijn in
het geweld en de haat die als een giftige damp boven het strijdgewoel hangt en mezelf
vergeten hebben door mee te schieten, mee te moorden, uit verontwaardiging om zoveel
onrecht, zo'n bruut geweld.
Dan stuit ik op het deerlijk verminkte lichaam van mijn
commandant. Zoals ik hem thans vanuit deze wereld zie, is zijn ziel bezig zich lós
te rukken van zijn lichaam. Dit houdt hem echter gevangen. Vreselijk is het gebrul
dat hij uitstoot. Ik wil toesnellen om hem te helpen, doch vader houdt mij tegen.
Ik begrijp ineens. dat hij niet meer te helpen is. Het gevecht dat zich hier tussen
lichaam en ziel afspeelde is allang ten einde. Maar zo natuurlijk kan ik de beelden
uit het verleden waarnemen. Het brullen houdt aan, pas na geruime tijd komt de armzalige
tot rust. Telkens roept hij in deze verschrikkelijke uren om zijn moeder. Zo doen
er velen. Om de moeder wordt het meest geroepen, in het Duits en in het Hollands.
De band met de moeder overheerst alle andere.
Hij wordt aangetrokken door de duistere
sferen, mijn commandant, daar zal hij, na tot rust gekomen te zijn, ontwaken. In
deze ellende heeft hem het edele soldatendom gestort, waarover hij altijd zo hoog
opgaf. Niemand in dienst was fanatieker dan hij, als hij sprak over het gebruik van
de wapenen. In het hanteren hiervan kon een man bewijzen wat hij waard was, zich
een kerel tonen die van zijn tegenstanders slechts stukken en brokken zou overlaten.
Van welke plaats in het eeuwige leven heeft hij zich met deze 'idealen' verzekerd?
Kan God deze mens anders dan een hel toewijzen? Of moet Hij hem, die zó dacht over
een mensenleven, soms een plaats aanbieden in Zijn hemel? Mens der aarde, ik vraag
u, kunt u nu nog, met deze wetenschap in u, wapens ter hand nemen, die uw evennaaste
van het hem door God geschonken leven beroven en uzelf in de afgronden van de hel
storten? Niets, niets, geen doel ter wereld, geen bevel van wie dan ook, zal u in
Gods oog rechtvaardiging doen vinden! Zegt dit u niet alles?
De beelden die de verder
woedende strijd mij te zien geeft, worden alsmaar verschrikkelijker. Ik kan bijna
niet meer. Als vader mij niet helpt, zal ik toch bezwijken. Maar dan mag ik iets
wonderbaarlijks beleven. Ik krijg eens te meer een bewijs hoe Gene Zijde de aardse
mens helpen wil en kan. Met me dat te laten waarnemen, loopt vader op de gebeurtenissen
vooruit; het volgende speelde zich af na het beëindigen van de strijd in de Grebbelinie.
Vader doet dit echter kennelijk om mij in dit verschrikkelijke stadium een poos een
meer weldadige aanblik te bieden.
Men is bezig de lijken op een hoop te leggen, ze
zullen dadelijk weggevoerd worden. Ook de gewonden haalt men weg. Dit volgend, valt
mijn oog op een jongeman, die door een beenschot in een diepe, bewusteloze toestand
is geraakt. In de mening dat hij dood is, komt men om z'n lichaam te halen. De jonge
soldaat is uit z'n lichaam getreden, het fluïdekoord, dat dit met de ziel verbindt,
is evenwel ongebroken, zodat voor hem het leven op aarde niet beëindigd is. .. 'Hij
is dood', constateren de mannen echter na een snelle blik en de leider van het troepje
wijst op de bergen lijken achter hem.
Ontzet ziet de jongen vanuit deze wereld het
grote gevaar, waarin hij zich bevindt; men zal zijn lichaam bij de doden op een hoop
gooien en straks begraven of verbranden. Hij gilt het uit om de mannen te weerhouden,
maar er komt geen geluid uit z'n mond. Radeloos, niet wetend wat te doen, blijft
de jongen roepen.
Vader, zie ik, snelt toe en met hem andere liefdegeesten. Met vereende
krachten dwingen ze de jongen in zijn lichaam terug. En nu kan hij zich weer bewegen,
ook de stemorganen gehoorzamen weer aan zijn wil. Het gevaar is voor hem afgewend.
Rode-Kruis-soldaten brengen hem weg.
Meerdere mannen worden op deze en andere wijze
geholpen. Zo machtig is Gene Zijde!
Dan valt me plotseling deze schrille tegenstelling
op: hier spannen twee werelden alle krachten in om één mens te redden, Gene Zijde
en de aardse medici; en intussen worden duizenden jonge levens om niets in het vuur
gejaagd en afgeslacht. Waanzinnige wereld; waanzinnige mensen, die zich leiders van
de volken noemen en zó omspringen met levens, die zich aan hun zorgen toevertrouwden...
En door deze gedachten zit ik meteen weer midden in het oorlogsgeweld.
Met het vorderen
van de uren woeden de hartstochten heviger, als duivels vechten de mannen. Aan het
gefluit van de projectielen, het geraas van de ontploffingen, het gekerm van de gewonden
en stervenden komt geen einde. De wereld schijnt uit elkaar te springen en het enige
dat me gelukkig maakt, is te zien, hoe verscheidene soldaten, uit beide kampen, over
hun tegenstanders heen schieten. Ze worden gedreven door de liefde, welke zij in
zich dragen, voor hun medemens, die zij niet haten kunnen, door hun liefde voor God
en Christus, Wiens bevel, om niet te doden, zij willen opvolgen.
Jammer en pijn,
dood en verderf is er rondom mij. Twee van mijn vrienden zijn door de waanzin gegrepen.
Ze zijn de loopgraven uitgeklauterd en de vijand tegemoet gerend. Ze worden neergeschoten.
Dit beeld doet iets in mij springen. Theo verdringt Jack in mij, ik ben thans de
sergeant-majoor die de dienst, de wapens kent. Er is een dolle woede in mij opgestaan.
'Die duivels, die moordenaars', schreeuw ik, als ik het niet langer kan aanzien,
hoe op deze heerlijke, vredige plek grond door een niets en niemand ontziende vijand
dood en vernietiging gebracht wordt. Nimmer, nimmer deden wij hun kwaad en thans
richten ze een bloedbad onder ons aan. Dit móét ophouden en als om zoveel onrechtvaardigheid
te wreken, legde ik m' n geweer aan.
Maar nu beleef ik, dat mijn hand niet afdrukken
kan. Even, heel even was ik uit Jack, uit vader gestapt, toen kreeg de Grebbelinie,
het geweld en de haat hier me te pakken. Maar dan trekt vader mij weer op. Hij is
het, die mijn geweer naar omlaag duwt en me toeroept: 'Dát niet, mijn jongen, dát
niet, Theo!'
Ik herken vaders stem, ik roep om hem. Dan hoor ik een ontzettend gefluit
dat nader en nader komt. Vlak voor mijn voeten ontploft een granaat. Op dat ogenblik
word ik aan flarden gescheurd: Ik onderga een geweldige schok en verlies het bewustzijn.
Dit duurt maar heel even, na een seconde herkrijg ik het. Ik beleef het vrijkomen
van m'n stofkleed. Nog overheerst echter een schrijnend gevoel in mij; het is de
pijn die door het losscheuren van m'n lichaam wordt veroorzaakt. Alles geschiedt
zo snel, dat ik het gebeuren niet realiseren kan. Meters hoog vlieg ik de ruimte
in en ik zie dat vader mij opvangt. Intussen sla ik reeds m'n ogen op en kijk in
een gelaat dat uit een floers naar voren treedt en duidelijker wordt, totdat ik het
gezicht van vader herken.
Dan verzwakt de hevige, schrijnende pijn, mijn ziel ontspant
zich, er komt rust in mij en ik voel me alsof ik juist van een zware ziekte hersteld
ben.
Nog steeds zie ik mezelf in de Grebbelinie. Vader heeft me op de grond neergelegd.
Nu ben ik zover dat hij me naar m'n sfeer kan brengen. Ik beleef dit thans scherp
bewust. Hij maakt mij geheel los van de aarde en kan dit doen, doordat niets mij
meer aan m'n uiteengerukt stoflichaam bindt. We zweven door de ruimte. Steeds wordt
de afstand tussen ons en de aarde groter. Zo voltrok zich dus mijn overgang naar
deze wereld. Vader laat mij hem nu opnieuw beleven, het is alles zo machtig, zo moeilijk
het in één keer te beleven en te verwerken.
Weer beleef ik de afschuwelijke schok,
die mij uit mijn lichaam slingerde, opnieuw volg ik hoe het fluïdekoord breekt en
vader mij opvangt, om zo dadelijk met mij de ruimte in te zweven.
Mijn lichaam is
op afzichtelijke wijze verminkt, mijn ziel echter leeft, is gaaf, is door niets te
vernietigen.
Om achter deze werkelijkheid te komen, heeft Jack zich levens achtereen
het hoofd gebroken. Fanatiek zocht hij naar deze wijsheid. En thans in het leven
na de dood krijgt hij het antwoord op z'n vragen. Niets, niets gebeurt er met de
ziel, als het lichaam uiteengerukt wordt, want de ziel kán niets overkomen, zij is
eeuwigdurend, doordat in haar de vonk Gods leeft. Wat weten de aardse psychiater,
de psycholoog af van de ziel? 0, áls zij de wetten en toestanden voor de ziel eens
kenden, voor welke enorme mogelijkheden zouden we dan staan! Nu dringt het leven
van Jack zich weer felbewust aan mij op. Ik ga er geheel in over, zie en denk als
de geleerde die maar één streven kent: achter de geheimenissen te komen, die het
zieleleven van zijn patiënten zo ondoorgrondelijk maakt en die hij kénnen moet, wil
hij tot hun herstel kunnen bijdragen. God geve dat ik de menselijke ziel eens zal
kunnen leren kennen en begrijpen. Eén stapje ben ik al nader gekomen. Ontzagwekkend
diep is echter de mensenziel; beter dan ooit besef ik dat thans, staande in het eeuwige
leven. Het duizelt me als zich in een flits die diepte openbaart en ik moet me geweld
aandoen niet ineen te storten.
Mijn ogen zoeken vader, de liefde en kracht, die me
uit hem toevloeien, sterken me. Ik steek hem m'n beide handen toe en dank hem uit
de grond van mijn hart voor alles wat ik van en door hem ontvangen heb. Het is aan
mij al de gekregen wijsheid vast te houden en te verwerken.
We nemen thans afscheid
van de Grebbelinie. Wat ik er beleven moest, is nu door mij beleefd. Met het aardse
leven heb ik afgerekend, vrij ben ik van de aarde, niets bindt mij er meer. Een nieuw
leven gaat voor mij beginnen. Ik ben de wereld van de geest binnengegaan, daar wachten
geestelijke schatten op mij.
Daar zijn echter nog mijn vrouwen kind. Ik wil graag
zien hoe zij de oorlog doorkwamen en hoe ze nu leven. Vader laat me voelen, dat ik
ook dit nog volgen zal. Het hoort bij het leven van Theo.
Jack zal Theo geheel gaan
verdringen, straks als de laatste zijn leven afgemaakt heeft. Jack brandt van verlangen
om te gaan beginnen, hij wil verder aan zijn studie, iets doen voor de wetenschap
en dus voor de mensheid.
Van die beide persoonlijkheden in mij is het Jack die iets
goeds iets nuttigs te brengen heeft. In de sferen bouwen we slechts voort aan de
levens waarin we ijverden voor een taak, een opgave, die geestelijke betekenis heeft.
Daarom móét het leven van Theo in mij wegzakken, want hij heeft: de wereld niets
te brengen, hij beleefde het leven gelijk een klein, onbezorgd kind.
O, hoe duidelijk
en werkelijk is alles. Het harde, rusteloze streven van Jack om de ziel te leren
kennen, in het belang van de lijdende mensheid, heeft hem tot een persoonlijkheid
gemaakt, die in elk verder leven krachtiger werd. Het is déze persoonlijkheid, deze
gevoelswereld, deze Jack, wiens wil om te dienen, wiens bezieling andere persoonlijkheden
in mij verdringt. Hij is het ook, die eenmaal in de sferen dadelijk naar de wegen
zoekt, die hem kunnen brengen naar de vervulling van zijn idealen. Het zou niet anders
mogelijk zijn.
Ik wil studeren, vader, alles weten wat mijn geest verwerken kan.
Wellicht zal ik dan eens mogen terugkeren naar de aarde. Ik hoop het zo, vader. Ik
verlang naar niets anders, dan naar de nieuwe geboorte. De wetenschap wil ik helpen,
haar mededeling doen van alles, wat ik hier over de mens en zijn zieleleven ervaren
mag. Deze gevoelens en verlangens leven in mij. God zal ik vragen, of ik terugkeren
mag. En vader laat mij voelen dat ik daar goed aan zal doen.
Het lijkt of Theo in
mij luistert naar vader en Jack. Ook hij is mij lief. Ik zal hem thans volgen. Als
Theo denk ik aan mijn vrouwen kind, als Jack hebben zij geen betekenis voor mij.
Dan heb ik hen lief, zoals ik ál het leven van God liefheb.
Vader zegt me dat ik me
gereed moet maken voor nieuwe belevenissen. En op mijn vraag, waarheen we zullen
gaan, antwoord hij, dat ons doel, in Rotterdam ligt.
Jozef Rulof.
VRAAG
EN ANTWOORDEN.
In de periode 1949-1950 en 1950-1951 werden de aan Jozef Rulof tijdens
contactavonden in het gebouw 'Ken U Zelven' te Den Haag door toehoorders gestelde
vragen en de door hem gegeven antwoorden, schriftelijk vastgelegd.
Op deze wijze
kwamen vele voor de mens van groot belangzijnde levensvragen naar voren, welke door
Jozef Rulof -- als het instrument van de Universiteit van Christus -- werden besproken
en ontleed.
Het vastleggen en uitwerken hiervan geschiedde door mevr. C. Bruning,
die door Jozef Rulof speciaal hiervoor was aangewezen. Nadat alle vragen en antwoorden
in genoemde perioden waren verwerkt en -- in aantal bladzijden gezien -- tot een
boekwerk waren gegroeid, heeft Jozef Rulof hetgeen was vastgelegd, gewijzigd en aangevuld
tot het een voor hem verantwoord geheel was geworden.
Aan Jozef Rulof werd destijds
op één van de contactavonden visionair getoond hoe titel en bandontwerp van het boek
moesten worden.
Op het moment, dat hij met dit beeld verbonden werd, gaf hij hetgeen
hem werd getoond aan de toehoorders in de zaal door.
Volgens deze aanwijzingen nu,
welke ook op geluidsband zijn vastgelegd, heeft mevr. Rie Reinderhoff de band-illustratie
verzorgd.
Om het opzoeken van een bepaalde vraag en het gegeven antwoord te vergemakkelijken,
zijn in enkele van de zes boeken van Vraag en Anwoord de te behandelen onderwerpen
alfabetisch gerangschikt en in een inhoudsopgave aangegeven.
Hieronder een gedeelte
uit één van de zes boeken.
Donderdagavond 31 januari 1952.
Goedenavond, dames en
heren, ik ben aan het tokkelen vanbinnen. Wie heeft er wat geluid voor me? Ik begin
met - we zullen het wel losschreeuwen hoor - Wát is nu precies karma?
Van wie is dit?
(Mevrouw in de zaal): 'Van mij.'
Dame, wat is karma? Er zijn mensen die maken van
alles karma, maar karma is: als u met een mens iets goed hebt te maken. Dus karma
lost reeds op in oorzaak en gevolg. Kleine dingen, leugen, bedrog en we leven-maar-raak,
dat is nog altijd oorzaak en gevolg. Maar karma, direct karma is een wet. En oorzaak
en gevolg is ook wel een wet, maar die wetten - ik hoop dat ik vanavond gelijk krijg
van mijn vriend - die wetten hebben, moet u goed luisteren, met de mens te maken,
en karma direct op God. Als u karma, een karmische wet beleeft, iemand doodt, dan
hebt u onmiddellijk de goddelijke wet in handen. Maar oorzaak en gevolg... leugen
en bedrog en leef-maar-raak, al die dingen meer, die worden oorzaak en gevolg en
dat is: de mens. Het verschil nu tussen oorzaak en gevolg en karma wil dus zeggen,
dat wat we zelf in handen hebben, en dat wat de goddelijke wet aangaat: de geboorte,
moederschap, vaderschap. Maar alleen reïncarnatie, dat is karma. En nergens anders
is er karma voor want die ene wet heeft alleen maar met wedergeboorte te maken. Begrijpt
u dit? Voelt u nu het machtige verschil tussen dat wat de persoonlijkheid toebehoort:
oorzaak en gevolg... maar een karmische wet die dringt direct tot het leven door,
waardoor wij mensen het leven hebben gekregen. En dat is de goddelijke wet die wij
verbreken door moord.
(Meneer in de zaal): 'Dat noemen wij karman, geen karma, maar,
karman.'
Dat is oosters, maar wij leven hier in Den Haag en dan heet het karma. .
(Meneer in de zaal): 'Ja [...] maar karman ook.'
Maar karman, o dat is een kárman.
Ik heb eens met iemand gepraat, meneer - ja ik ben met haar, met deze dame bezig
- toen had die man het ook over een karman. Ik zeg: 'O, dat is zeker zo'n man op
straat die een kar vooruit duwt.' Ik zeg: 'Mevrouw, dat begrijpt geen mens.' Die
oosterlingen hebben wel gelijk, natuurlijk. Als je dit, als je karma bespreekt met
een theosofische Rus of een metafysische Rus dan heet het ook karma, maar dan heet
het in het Russisch, maar dat verstaan we niet.
Maar karma wil zeggen: een wet verbreken
die u met het leven verbindt; met het leven. En dan staan we voor karma indien we,
het leven aan de mens ontnemen, dus door doodslag en geweld; dan sta je, en dan moet
je terug en dan moet u aan dat leven een nieuw lichaam schenken. Die tijd die wij
die ziel, die vonk, dat goddelijke ik ontnemen, die tijd moeten wij weer teruggeven;
en dat is vanuit de disharmonie naar harmonie gaan. Dus wij hebben ons door moord
al uit het goddelijke harmonische vandaan geslagen. Hebben we zelf gedaan.
Maar nu
hebt u honderdduizenden dingen en zaken, karaktereigenschappen die hebben nu oorzaak
en gevolg. Wij staan hier op dit ogenblik volkomen tegenover ons eigen oorzaak en
gevolg. Heb je weer met - dat weet u misschien niet, natuurlijk niet - heb je met
moord te maken dan is daar de karmische wet weer aan verbonden. Begrijpt u dit, dame?
Zijn er nog vragen over?
(Mevrouw in de zaal): Ja, hoe meer kinderen dat je zou hebben,
zou je dan voor meer kinderen goed te maken hebben?'
Mevrouw, dat meer kinderen,
als u dat vraagt. .. Hebt u de boeken gelezen?
(Mevrouw in de zaal): 'Ja.'
Als u
dat vraagt, meer kinderen, dat voert ons nu naar wel twintig problemen, andere toestanden
dus. Er zijn moeders, dat houdt alweer verband met. .. er zijn moeders die willen
gaarne een kind bezitten en krijgen geen kinderen. Wat is dat? Dit is een stoornis.
Want volmaakt in harmonie, nu alleen voor moederschap, moet toch dat lichaam kunnen
baren; en het gaat niet, dus is een stoornis. Een dokter die zegt: 'Mevrouw, u mankeert
niets. Het is normaal.' Goed. De man onderzocht, haar, alles is in orde. Krijgen
geen kinderen. Er zijn mensen op deze wereld, die zouden ze gaarne willen bezitten,
krijgen geen kinderen. Een andere moeder krijgt er tien, twaalf. Je krijgt daarbij
psychopathie, je krijgt zieke kinderen en gezonde kinderen. En dat zijn allemaal
problemen en die zijn allemaal te ontleden. Maar nu krijg je ook dat de moeders die
geen - daar hebt u het weer - geen kinderen willen hebben en hier lopen nog misschien
wel een paar, tien-, twintig-, honderd miljoen moeders die geen kinderen willen bezitten,
die beseffen niet wat ze door moederschap kunnen beleven. Die' moeders... indien
ook de rest van de wereld, als moeder, zou weigeren - begrijpt u dit? - staat de
schepping stil. En die schepping die kunnen wij toch niet in handen krijgen. Ook
al willen wij geen kinderen, en we willen ze wel- hoeveel moeders jagen die vrucht
niet weg en willen die kinderen maar wegsturen - die schepping gaat toch door.
En
nu kom ik op uw vraag, die ene moeder die heeft geen kinderen, die wel, en zij niet
en zij weer wel, u voelt wel, dat is een grote chaos. Dat kan niet meer een goddelijke
harmonie betekenen want hier blijkt het nu dat de mens zelf de kosmos, de geboorte,
reïncarnatie, moederschap en alles in handen heeft; denkt de mens, omdat zij kan
zeggen: 'Nou, ik wil het niet, dat is alweer weg.' Ik heb met een moeder gepraat,
zegt ze: 'Ja, ik moet een kind hebben want ik heb er al acht vermoord.' In opdracht
van hem want hij wilde geen kinderen. Maar zij kreeg er een stuk of zeven, acht.
'En wat er gebeurt, gebeurt er, maar ik wil goedmaken.' Die had een boek gelezen,
en het schoot in haar hart; toen zegt ze: 'Wat er nu gebeurt, gebeurt er, maar ik
moet een kind hebben, ik wil goedmaken.' Ze kreeg een kind. Goed.
Maar die zielen,
hoeveel zielen worden er niet aangetrokken, teruggestuurd? En hoeveel miljoenen,
duizenden zielen, nu moet u eens goed luisteren, misschien wel een honderdduizend
mensen - dus wij praten nu over zielen, dat zijn mensen die terugkomen als vonk,
embryo - wachten tussen leven en dood, dat is de wereld voor wedergeboorte, om naar
de aarde te gaan om geboren te worden, alleen maar om vader en moeder te zijn, want
dat voert ons tot God terug, en krijgen geen lichaam, zijn niet in staat om een lichaam
te krijgen, anders werden ze aangetrokken, maar wachten al duizenden jaren op een
nieuwe geboorte. Moet u die chaos eens voelen.
En als u dan de wereld even bekijkt,
dan ziet u dat er vandaag misschien in Den Haag wel weer een vijfhonderd terug zijn
gestuurd. En nu komen er duizenden problemen op af. En dan heb je bijvoorbeeld, voordat
wij naar het normale gaan, de katholieke kerk - pastoor, nu goed, die kan geen kinderen
baren, maar hij zal scheppen - maar hoeveel vrouwtjes, hoeveel nonnetjes, hoeveel
moeders heeft de katholieke kerk niet aangetrokken die weigeren om moeder te worden?
En dit is het goddelijkste, heiligste, zaligste, of zalig is het niet, maar het machtigste
waardoor wij mensen evolueren. Maar die zijn nu zo heilig dat ze geen moeder willen
zijn.
(Mevrouw in de zaal): 'Ja, maar dan zeggen ze dat wel weer tegen de parochianen,
hè.'
Ziet u wel, maar daar heb ik het niet over, wat ze zeggen, dat doet er niet
toe. Maar het gaat hierover, die moeders weigeren ook. En het aantal moeders voor
de ruimte - weer een ander probleem, en mooi - wij hebben bijvoorbeeld hier, laten
we zeggen, een honderd miljoen moeders - en er zijn een honderd miljoen vaders, mannen
- er zijn er natuurlijk biljoenen, maar we nemen honderd miljoen, en nu weigeren
er van die honderd miljoen tien miljoen om te baren. En die mannen... die harmonie,
dat heen en weer gaan, sterven, geboren worden, daar is een chaos in gekomen door
moord - oorlog is verschrikkelijk - zelfmoord. Die mensen zijn dus, die tien miljoen
die hebben het goddelijke harmonische versnipperd, verknoeid, zegt u maar, bezoedeld,
omdat ze niet moeder willen zijn.
En wat gebeurt er nu? Nu komt daar, eigenlijk zouden
wij... Dat heb gezien, ik praat uit kern, ik heb die wetten gezien, ik treed uit.
Wat krijgen we nu, wat hebben we nu gekregen, dat u als mens kan... Wij gaan trouwen,
de moeder baart twee kinderen, voor haar één en voor mij. Of het nou jongens of meisjes
zijn, doet er niet toe, dar worden andere kinderen geboren, dat harmonieert zich
vanzelf. Ik kom op die harmonie bij haar weer terug, die harmonie leeft in de mens,
maar God en Moeder Aarde heeft die harmonie nog in handen, anders -- wat ik zoëven
al zei, kunt u aanvaarden -- was de schepping, zeg maar in vijftig jaar volkomen
uitgeroeid, door ons. Nu moet de moeder twee kinderen baren, voor u één en voor mij
één, om straks -- u voelt wel, die evolutie gaat door - om die evolutie te beleven
worden wij straks weer aangetrokken. Nu wil die moeder geen kind, die nonnetjes die
willen geen kinderen, die zijn heilig goed, ze zijn met Onze-Lieve-Heer getrouwd,
dat is al genoeg. Maar u zult nu eens zien hoe fataal het is om hier op aarde heilig
te zijn en de schepping, baring, het goddelijke in ons te negeren, te verkleinen
en eigenlijk dood te drukken. Nu moet een andere moeder tien, twaalf, veertien kinderen
baren om die straks het leven te geven, dame. Nu krijgt u mijn antwoord. Is het niet
vreselijk? Nu zegt de mens in de maatschappij als je daar komt bij mensen die daar
tien, twaalf, veertien kinderen "hebben: 'Daar heb je weer dat konijnenhok.' Maar
o wee, als u weet wat er aan de hand is. Dat een moeder nog in staat is om tien,
twaalf kinderen te baren, dat is al . dienen voor de eigen graad. Wij zijn aan een
graad verbonden.
Daarom zeg ik, er komen duizend problemen op, en al die wetten,
dat zijn allemaal wetten, hebben met dat moederschap te maken. Wij zijn aan een graad
verbonden, en dat is logisch als je nagaat; je hebt de graad voor het organisme,
dan gaan we vanuit het oerwoud naar het blanke ras, maar nu komen we bij de graad
ook weer in het blanke ras, dat zijn overgangen. Dus we hebben hier vanavond bij
ons zitten misschien zes overgangen in één graad. Voelt u dit? Dus al die mensen,
die mannen en vrouwen, hebben met een graad te maken waardoor zij hun zelfstandigheid
vertegenwoordigen, als moeder en man. En nu komt het, nu bent u aan mijn graad, in
onze graad verbonden, ik wil dat niet en nu is het zo wonderbaarlijk, moeder, dat
u daar twaalf kinderen baart om die graad vast te houden, anders roeiden wij onszelf
uit. En nu het machtigste voor u allemaal, wij kunnen klaarmaken wat we willen en
al moorden we en brandstichten wij, de mens zelf zorgt weer voor harmonie, dat bent
u, dat is een ander die, die kinderen baart voor die nonnetjes, anders konden die
nonnetjes straks niet meer terug. Die kinderen die denken, als ze hier doodgaan dan
komen ze in de hemel, ze hebben mooi geleefd... Hadden ze het maar anders gedaan.
Veronderstel dat de katholieke kerk dit nu eens kon aanvaarden, dat de nonnetjes...
het hoogste gezag voor God is: baart kinderen. En nu maken ze die meisjes heilig.
Ze bidden maar, ze doen goed werk. Maar het machtigste werk dat ze kunnen doen is
een kind te baren. Als u honderd nonnetjes neemt, dan moeten er negenennegentig naar
de aarde terug want ze zijn geen moeder. Een mens - nu kunt u dat volkomen vaststellen
- een mens die, onbewust of bewust doet er niet toe, het gevoelsleven reageert thans,
pertinent, één lijn volgt - dat is ook alles van zichzelf op één kaart zetten - één
lijn, één weg volgt en nu een sekte, een godsdienst aanvaardt in plaats van de goddelijke
kosmos, moederschap, voelt u, hoe zielig, hoe arm dat wordt ten opzichte van God,
Christus, ruimte, kosmos, macrokosmos.
Die mensen, die vrouwtjes die zetten alles
op één kaart, op één leven, en verzuimen, vernietigen -- verknoeien hoeft je niet
te zeggen, ja het leven wordt verknoeid -- verknoeien als het ware, nee, pertinent
hun leven op aarde ten opzichte van hun evolutie. En nu baart die ene moeder tien,
twaalf kinderen, veertien, zestien, alleen om de menselijke graad in stand te houden.
En nu denkt de mens - en dat wilde ik u vertellen - nu denkt de mens dat hij als
het ware met zichzelf kan maken en breken wat hij wil; hij knoeit, hij doet dit,
hij doet dit, hij zegt... 'Ik ben baas over mijzelf', zegt een vrouw, 'en ik wil
geen kinderen, ik wil met dat gedoe niet te maken hebben.' Dat is voor dit leven,
dat kunt u allemaal uitspelen.
Maar weer naar u toe en naar een andere moeder, een
ander moet nu zorgen dat zij straks de mogelijkheid krijgt om terug te keren, want
die moeten terug, net als die nonnetjes, die moeten moedér worden. Dit leven, hoe
heilig ook, is volkomen verknoeid. Die mensen staan stil. Is dat duidelijk? Want
wij zijn in evolutie wanneer we het moederlijk organisme bezitten, en baren. Dat
is de hele macrokosmos, dat is God.
Maar waar het nu om gaat is dit: Moeder Aarde
- nu kunnen wij wel zeggen, ja. dat doe ik, en ik doe dat zo, en ik wil dat zo -
maar Moeder Aarde die geeft de mens weer de gelegenheid om terug te komen. En nu
blijkt het, dat niet de mens die wil heeft en bezit om te maken en te breken wat
hij zelf wil, maar de aarde als moeder trekt de mens terug en zegt: 'Hé, wacht eens
even.'
Dus je ontkomt niet - nu gaan we weer naar beneden toe - aan dat oorzaak en
gevolg. Nu sta je voor het menselijke karakter, voor die moord, nu is dat karma,
en zolang wij in een karmische wet leven, dus buiten onze eigen evolutie om... Wij
moeten dus het hoogste organisme dar de aarde aan haar kind kan geven, dat is het
blanke ras of een kleurling, doet er niet toe, dat is de zevende graad voor het organisme,
wanneer wij mensen als geestelijke persoonlijkheid dat lichaam hebben bereikt, als
vader en als moeder, laat de aarde ons los wanneer wij nu - en nu daar weer naartoe
- met de karmische wet klaar zijn, dus wanneer wij de levens... En dat zijn er honderdduizenden,
dame. Geloof maar gerust dat wij in die tien miljoen, twintig miljoen jaar dat we
nodig hebben gehad om van het oerwoud hier naartoe te komen, naar het blanke ras,
dat we daar honderdduizenden mensen in de papketel, soep ketel hebben gestopt en
een lekker soepje hebben gemaakt, en dat deden we daar om te eten en te drinken,
en later gingen wij schieten, schieten, schieten, dat de stukken eraf vlogen.
Nu
in de maatschappij, nu in deze tijd moordt en brandsticht men nog, en dat is de enige
karmische wet die - nu hebt u het weer, meneer, dat is interessant voor u - die de
aarde in handen heeft. En de planeet zegt nu, dat is een kracht, dat is gevoel, en
dat gevoel zegt tot ons: 'Hé, wacht eens even', en moeten wij terug om moeder te
worden. En nu weigeren we moederschap; ziet u hoe fataal dit is? Wij moeten terug
om het moederlijke organisme te... Als man kun je aan een mens geen leven geven,
je moet dus, als ik u het leven ontneem, ik ben nu man, dan moet, ik word moeder
om die ziel een nieuw lichaam te geven voor de tijd die ik aan dat leven heb ontnomen.
Is dat niet rechtvaardig? En dat heeft de aarde als machtsgevoel, bron in handen.
En als we dat goed hebben gemaakt dan gaan we, dan kunnen we naar gene zijde vertrekken
met ons oorzaak en gevolg, dan hebben we zeven duistere onbewuste werelden - u leest
nu maar 'Een Blik in het Hiernamaals', en die ganse schepping die ligt voor u open
- dan krijgt u daar wat we noemen de hellen, dat zijn onbewuste werelden. En als
u daarin komt, als u die beleeft dan stijgt u langzaamaan, en daar zijn we mee bezig;
als u zich daar vrij van wilt maken, dan stijgen wij boven dat onbewustzijn uit en
gaan naar een eerste sfeer en daar vraagt u ook iets over.
Hebt u nog vragen, dame?
(Mevrouw in de zaal): Ja, ik wou u vragen, bijvoorbeeld de man waar je mee getrouwd
bent, kan je daar ook aan goed te maken hebben bij wijze van spreken?'
Mevrouw, er
is geen mens op aarde die kan zeggen van zichzelf: ik heb niet goed te maken. Wij
zitten allemaal tot over onze oren in de narigheid, geestelijk en lichamelijk. En
is die narigheid er niet, wij hebben nu in ieder geval geen paradijs hier. Maar er
is geen mens vrij van oorzaak en gevolg, dat bestaat niet.
(Mevrouw in de zaal):
'Ja, maar die gaan er maar gemakkelijk eroverheen die……
Wat zegt u?
(Mevrouw in de
zaal): 'Dat je van die mensen hebt en die leven maar raak en die schijnen maar aan
niemand goed te maken te hebben nog.'
Och mevrouw, er zijn hier mensen die worden
geslagen en getrapt en zeggen: 'Ik doe niets terug.' Maar straks, dame, wij waren
allemaal demonisch wild, en dat ligt nog niet zo lang terug, achter ons. Maar we
waren allemaal onbewust. Ik zeg toch al, we hebben de mens in de soepketel gestopt
in het oerwoud en deden aan kannibalisme en even later, wat ik daar zag en leuk vond,
dat draaide ik zo even dat hoofd af.
En nu zijn we in een maatschappij, staan we,
laten we zeggen, voor oorzaak en gevolg. U wordt niet begrepen, u wordt geslagen,
die wil dit niet en die wil dat, en die man slaat, of die vrouw die doet dit. Mevrouw,
elke verkeerde gedachte moet elk mens goedmaken. (Mevrouw in de zaal): 'Er schijnen
er nog te zijn, die daar nog niet eens aan toe zijn.'
Nee, natuurlijk niet. Natuurlijk
niet. Als er morgen wat gebeurt en we steken een hand uit, we nemen een revolver
en we knallen raak, dan zijn we nog verder van huis. Maar wij komen zover. En elk
mens staat voor die kosmische goddelijke wetten en dat is: heb alles lief wat leeft.
En die moeten vroeg of laat beginnen, maar nu vertikken ze het nog, nu doen ze het
niet.
(Mevrouw in de zaal): 'Leuk als je daar nog mee te maken hebt.' Ja, en daar
hebben we mee te maken, ziet u? Maar ik geloof dat we er allemaal wel een beetje
mee te maken hebben, de hele maatschappij is het, u bent heus niet alleen.
Hebt u
nog meer?
Denk maar na dan krijgen we nog wat anders.
Wie heeft er nog vragen?
Meneer,
wilt u nog op de karma ingaan? Begrijpt u het nu? Ja, als u het aanvaarden kunt.
(Meneer
in de zaal): 'Ik weet wat u bedoelt, maar ik ben het er niet mee eens.' U bent er
niet mee eens, natuurlijk niet. Ja, dat is jammer, want dan kan ik niks meer zeggen.
Daarom zeg ik, de theosofie, en de rozenkruisers hebben het geloof ik ook, er zijn
meer sekten, dat is karma karma karma karma karma, maar ze weten niet wat karma is.
Ik heb het meester Alcar gevraagd en hij zegt: 'Ga maar mee, dan zal ik je met de
neus erin stoppen.' En toen stopte hij me er met mijn hoofd in. Hij zegt: 'Kijk,
alleen moord, de rest is oorzaak en gevolg.' Waar moet dat karma nog voor dienen?
Ziet u? Alles wat wij mensen in handen hebben, wat we in handen hebben. .. Karma
hebt u niet eens in handen, karma wil zeggen: een opgelegde straf. Kun jij je en
wilt u zich een straf opleggen, bewust? Kunt u niet eens. U kunt wel zeggen: 'Nu
wil ik eens echt heerlijk sterven', maar het gebeurt niet. U wilt echt dit; gebeurt
niet. Dat bewijst dat je wel voor jezelf kunt leven en kunt denken, maar wanneer
de karma verstoffelijkt wordt, dan gaat het regelrecht naar de macht en de kracht
die Moeder Aarde in handen heeft. En de rest dat heeft met onszelf te maken en heet
nu: oorzaak en gevolg. En daar lossen honderd duizenden dingen op; geen moord, maar
diefstal, leugen en bedrog, hardheid, slaan, trappen, bezoedelen en gaat u maar door.
Het hele woordenboek kunt u er bijnemen. En Christus zei alleen: 'Dood niet want
ge zult gedood worden.' Maar hij had erbij kunnen zeggen: of ge zult terug moeten
gaan naar de aarde en dan kun je het weer goedmaken. Wij komen hier niet weg. En
daarom - dat hebben wij alreeds besproken - leven wij mensen hier te lang op aarde,
wij hadden reeds voor miljoenen jaren terug aan gene zijde kunne zijn indien wij
harmonisch de wetten hadden gevolgd en beleefd. Is dat niet eerlijk?
Meneer in de
zaal): 'Daar kan geen nagel tussen.'
Daar kunt u geen speld tussen krijgen. En zo
is het. Maar ja, als ik tegen meneer zeg: 'Ik heb dat gezien', dan zegt hij, 'ja,
ik moet het ook zien.' Dát is hetgeen Jeruzalem heeft beleefd, meneer. Zegt hij:
Nou ja, die kun je er zelf wel in gekrast hebben.'
Christus ontmoette iemand die
zei, nou dit dan: 'Nou ja, zegt hij, ik heb verleden ook iemand gezien en die zei:
'Ik ben Christus', en U bent het ook, dat zijn er al twee, dat bestaat toch niet?'
Kijk, geloof... Dit is niet meer te geloven, wat ik u zeg over de kosmos, over wedergeboorte,
over hellen, hemelen, aantrekken, moederschap, vaderschap, reïncarnatie; die wetten
heb ik gezien. Ik heb alles bij ondervinding. Ik sta hier niet te dazen over een
leer. Ik heb niets uit theosofie genomen, ik mocht het niet lezen. Ik heb nog nooit
een boek over theosofie in handen gehad. De bijbel heb ik ook nog nooit gelezen.
Meneer, als u het aandurft dan kunt u mij de vragen stellen, dan haal ik alle fouten
uit de bijbel, wat is dat?
Meneer in de zaal): 'Dat is heel jammer.'
Waarom?
(Meneer
in de zaal): 'Omdat de kern van de bijbel...'
Och meneer, wat bent u toch weer ver
van huis af. Kijk, meester Alcar die zei dit. . .
Ja, u komt niet verder. U ziet
het, telkens dit en dit, dat zijn die remmen voor uzelf. Ik ga op u in, maar ik doe
het niet meer.
Kijk eens, meester Alcar, de meesters zeggen dit. .. Ik zeg: 'Waarom
is dit?' Niet lezen, want we zullen je de reine bijbel laten zien.' En toen zag ik
gene zijde en toen kende ik de bijbel. Toen zag ik de hellen, toen zag ik de bijbel.
Toen zag ik het beginstadium toen Abraham Mozes en de anderen op de wereld kwamen,
we gingen naar de wereld van het onbewuste en ik zag, ik beleefde dat ogenblik. Meester
Alcar zegt: 'Ga maar mee', zegt hij, we zullen het ogenblik beleven toen Mozes op
aarde werd aangetrokken.' Hij zegt: 'Want je zult niet geloven, je zult [....].'
Nu ken ik de hele bijbel. Dan zegt meneer: 'Dat is jammer.' Er staat in iets van
liefde. Meester Alcar bracht me naar het Al, naar het Albewustzijn. Ik heb daar Onze-Lieve-Heer
driemaal gezien en gesproken. Gelooft u zeker ook niet? Die heb ik al als kind gezien,
ik heb hier tegen de mensen verteld, Die kunt u elk ogenblik beluisteren, als u dat
en dat en dat maar doet. Maar het Alweten... Die meesters die met mij naar die ruimte
gingen, die wet, ik vraag iets, ze zeggen: 'Ik ga naar die wet. Dat is leven, dat
is ziel, dat is geest, dat is een deel van God. En denk erom: mijn woord is wet.'
Meester Alcar kan zeggen, met meester Zelanus en al die andere meesters: 'Ik ben
een Alwetende voor deze ruimte. Een Alwetende.' En dan moet ik eens even zeggen:
'Dat bestaat niet'? Dan lig ik eruit. Ik krijg nooit meer contact, ik krijg niets
meer.
(Meneer in de zaal): 'Zoals die bijbel, in dat Oude Testament, ons geeft, daar
zit geen liefde in, hoor.'
Hèhèhè. Dat is zo satanisch, dat ze God dat in Zijn handen
leggen, want God heeft dat nooit gedaan, allemaal mensenwerk. God heeft nooit als
mens gesproken. En daar praat hij dag en nacht. Hij heeft ruzie met Noach over drie
vaatjes cognac. 'Neen', zegt hij tegen Noach, 'je krijgt er maar drie.' Noach wil
er vijf hebben, hij zegt: 'Want ik heb trek. Je kunt, met cognac kun je alles doen',
zegt Noach. Maar hij kreeg er maar drie. En dat is God?
God die loopt daar...
Heb
je de film gezien, 'Grazige weiden'? Dan ziet u God, dat is heel mooi, een grote
neger, en die loopt dan zondags, komt hij even op aarde kijken en dan zit daar een
jongen, en een meisje, in de natuur en die spelen. 'Heb je niks anders te doen?'
zegt God. Die jongen die ziet Hem natuurlijk niet. Maar God zie je overal, in een
zwart pakje. De dominees die gingen geweldig tekeer dat die film kwam, maar die film
is onbetaalbaar. Je gaat hem twintigmaal zien. In de hemel roken ze zondags sigaren
van een kwartje en zijn ze aan het vissen, en toen kreeg, zo'n klein negertje kreeg
een visgraat je in de keel en toen kreeg hij voor de broek. Ha, je lacht je een aap,
maar het is waar, hoor, want daarmede hebben ze enigszins het naïeve van de bijbel,
in het begin, het naïeve willen aantonen. En die film die hebben ze uitgespuwd, maar
daar was geen stilstand te krijgen in de mensen. Hij liep geloof ik veertig keer
in één bioscoop.
Kijk, de mens wil weten en de mens die zal weten. En wij hebben
godzijgedankt de wetenschap gekregen, wij hebben de meesters gekregen; ik heb ze
niet gevraagd en ik heb ze niet gezocht, ze kwamen tot mij en zeiden:
'Wij brengen
jou naar de wetten.'
En nu gaan we door.
Ik heb hier nog een vraag: Weerzien is dat
pas wanneer je in de sferen aankomt waar je geliefden zijn?
Mevrouw. Weerzien is
dat pas wanneer je in de sferen aankomt waar je geliefden zijn? Waarom moet u aan
gene zijde zijn om uw geliefden te zien, dame? Voelt u, dat u hier. .. en' dat is,
over het algemeen is dat allemaal, is dat het denken van de Alziel, de Algeest -
niet de Algeest - ik bedoel de massamens. De mens denkt dat hij in de sferen moet
zijn om zijn liefde te zien. Maar dat is niet zo. Hier is die liefde. Want als u
die liefde hier niet hebt, dan krijgt u die liefde daar ook niet. En dan zult u wel
denken: Maar als ik dan hier maar geslagen en getrapt wordt, en al die dingen meer,
wanneer krijg ik dat dan? Dat hebt u in handen en ligt aan uzelf indien u dat geluk
bezit, ja waarlijk, dan kunnen we spreken: "Achter de kist' krijgt ge uw eigen toestand
te zien.
Maar deze vraag slaat op vele vragen. Weerzien, is dat pas wanneer je in
de sferen aankomt? Er is haast bijna geen mens op aarde van uw eigen levensgraad,
en dat zijn miljoenen mensen, die u niet kent, niet hebt beleefd, waar je niet een
zuster van was, geen vader van was, geen moeder van was. Er is niemand bijna in die
ruimte die u niet hebt gedragen en hebt gebaard. U bent man geweest, u bent moeder
geweest, duizenden en duizenden malen. En nu krijgt u één kern uit al die liefdestijden,
problemen te beleven en te zien, één kern.
En daar gaat het u om? Om die ene kern?
Dat is het deel, de meesters noemen dat de tweelingziel, maar dat is het deel van
uzelf dat nu ergens op aarde rondloopt. Hebt u dat deel bij u? Nou, dat is misschien
één op honderdduizenden die dat bezit. Er zijn mensen die dat waarlijk op aarde al
hebben. Want dan wil dat zeggen, nu Komt het, dat u, vanaf de Maan - want we zijn
op Mars al aan die afbraak begonnen en op andere planeten en nu op Aarde, ik heb
het zoëven al verteld, wat hebben wij niet gedaan? - zijn wij uit elkaar gegaan
om goed te maken. En nu, vanzelfsprekend is het, dat ik vanuit die wereld ergens
wordt aangetrokken en ik mijn deel dat bij mij behoort moet loslaten, dat is al versnipperd,
maar omdat ik daar en daar en daar iets heb te doen en u ook. En willen we nu dat
kosmisch gevoel van éénzijn terughebben dan moet u onherroepelijk dat deel van uw
leven ontmoeten als man of als vrouw en dan hebt ge waarlijk kosmisch éénzijn. Aan
gene zijde gebeurt dat.
En omdat de mensen dat hier niet hebben, wil zeggen weer:
wij hebben ons uit die goddelijke, we kunnen gerust zeggen: wij hebben onszelf uit
dat goddelijke huwelijk getrapt. Want het huwelijk is het aller-machtigste dat er
bestaat en waardoor wij God beleven en God vertegenwoordigen in welke toestand dan
ook. En nu hebben wij oorzaak en gevolg gemaakt en nu gingen wij uit elkaar. Dat
ligt al miljoenen jaren terug. En nu is de mens op aarde bezig om zichzelf te verruimen,
de mens is bezig zich gevoel te geven en, hoofdzakelijk alleen daarom, terug te voeren
naar dat eigen deel, en dat is een deel van mijn ziel, van mijn leven, van mijn geest
- niet van mijn persoonlijkheid - want dat deel heeft ook de wetten te beleven en
moet zich de macrokosmos eigen maken.
Als u dat beleeft, dames en heren, en u staat
daarvoor, dan barst die ganse kosmos in u open want hierin is het gevoelsleven onfeilbaar.
Maar ik zeg u erbij: het is één op de miljoen mensen die het beleeft, die hier dus
geestelijk bewust is in alles. Want u hebt hier voordierlijke graden, de voordierlijke
mens, de mens die maar raak leeft, die moordt en brandsticht en doet wat hij wil,
die mensen hebben ook elkaar reeds geraakt en zijn één van gevoel, één van kleur,
in hun toestand.
Maar het gaat ons om dat éne gevoel, dat éne geluk. En dat is waarlijk
niet de eerste sfeer, maar u kunt dat hier reeds beleven. Begrijpt u dit? En als
u het hier beleeft, ja... Wij hebben immers... Ik kan hier wel een boek over schrijven,
dit is zo machtig diep niet zo diep dat je het niet begrijpt, maar ik bedoel, hier
ligt zoveel aan vast, omdat je hierdoor de ganse ellende van de maatschappij en heel
de wereld, de hele mensheid kunt opvangen. En u voelt wel wat dat voor een boek wordt,
wilt u deze vraag geestelijk, lichamelijk en kosmisch ontleden. Zo diep is het. Waarom?
Omdat elk mens zijn eigen kern heeft bezoedeld. Is dat zo? Elk mens heeft zijn eigen
goddelijke afstemming versnipperd. En als u al een beetje geluk hebt hier, en u begrijpt
de mens al en de mens begrijpt u, mijn god, mijn god, dat is het machtigste bezit
dat u beleven kunt, want dat zijn fundamenten waarop u staat, of uw bloed stroomt
weg, u wordt levensloos, u kunt tegen dat gekraak niet op.
En als u hier het begrijpen
hebt, mensen, wees er dan dankbaar voor als u samen hier zit en u leest samen de
boeken en u wilt zich samen verruimen. We hebben ze hier die hand in hand naar huis
gaan en slapen: 'Dag kind', handje in handje maken ze de vlucht in gedachten, dat
zijn begenadigde mensen. Daar zijn hier waarlijk al mensen die hebben geestelijk
en lichamelijk, stoffelijk dus, hier op aarde, hebben ze een begrijpen, die zo frappant,
zo merkwaardig één is, waar je van rilt en van beeft. Die mensen die kunnen alles
aan want die lopen bewust in het geluk van de macrokosmos. En dat is man en vrouw.
En dan is het leven een paradijs, ook al leeft u onder de grond. Ook al wordt er
links en rechts van u geslagen en getrapt: u leeft in rust, vrede, welvaart.
Weet
u wat het is, wat het wil zeggen, door de andere mens, man of vrouw, te worden begrepen,
te worden opgevangen en je hebt hetzelfde dorsten, het verlangen? We hebben er hier
en dan kan de vrouw hier en dan kan de man hier zeggen: 'En hoe was het, vertel eens',
en dan moet hij gaan zitten, zij zet dan thee en dan steekt hij zijn sigaretje op,
en dan wordt er gepraat. Eerst krijgt u dat geestelijke ontwaken, dat geestelijke
dorsten, het dorsten om kennis. Beide levens zijn al bezig om zich te verrijken.
Mijn god, mijn god, voelt u, moeders, mannen, hoe mooi of nu een huwelijk wordt?
We hebben geen onwetendheid. Als je nu protestant bent of je hebt nog de bijbel,
dan kom je door je onwetendheid al niet naar de reine ruime klaarte. Waarom kunt
u dit geluk beleven? Dat kan een protestant niet. Ja, ze kunnen zóveel van elkaar
houden, dan is dat houden en die liefde nog maar zó'n kringetje. Neemt u dat? Want
als u op de verdoemdheid staat, en ze weten het niet, dan hebben ze toch ook geen
verruiming? U weet dat ge elkaar straks terugziet. U weet onherroepelijk dat ge eens
uw eigen gevoel en persoonlijkheid zult ontmoeten. En dan staat u voor uw goddelijke
geluk.
Mooi hè, mevrouw? Wat zegt u?
(Mevrouw in de zaal): 'Ja.'
Je zou er zo om
willen belken, vindt u niet?
Daar zet de mens alles voor in. En ons gaat het, de
hele wereld gaat het alleen om die kern. En waarom scheidt de mens? Omdat de mens
niet weet.
Ik heb mensen bij me gehad, dame, toen zegt die man: 'Dat is een wilde
kat, die van mij.'
Ik zeg: 'Stuur die kat eens.' Komt daar een lieflijkheid binnen.
Ik denk hoe bestaat het? Ik zei die dame natuurlijk niet dat hij zei: 'Ze is een
wilde kat.' Ik zeg: 'Mevrouw, wat bent u mooi; niet vanbuiten, maar vanbinnen.' Ik
zeg: 'En uw man. . .'
'Ja'. zegt ze, 'wat heeft hij gezegd?'
Ik zeg: 'Wat hebt u eraan,
mevrouw?' Ik zeg: 'Gaat u maar. U zwijgt maar, u zegt maar niets, dan komt het wel
in orde. Laat hem maar weer terugkomen.'
Toen nam ik hem onder handen, ik zeg: 'Wil
je die wilde kat ineens anders zien?' Ik zeg: 'Dan moet jij beginnen om niet voor
tijger en leeuw te spelen; je bent een blafferd, een opschepper, een dikdoener. Jij
denkt dat je alleen met geld een moeder kunt kopen, en met een jurkje. Nee meneer,
je gaat zitten en je kijkt ze eens aan en je praat eens.' Ik zeg: 'Je bent voor de
maatschappij een hele Pier, maar je bent, voor boven ben je niets waard, geen cent.'
Ik zeg: 'Dat is zó'n mooi mens vanbinnen, maar je hebt er nog nooit eens vijf gram
gevoel uitgehaald. Je hebt er nog nooit eens vijf procent van je liefdelijke gevoel
voor gegeven om dié schoonheid eens te beleven, want zij, in haar gevoelsleven, zegt:
ik ben niet beschikbaar voor een wild beest.'
Daar zat meneer. Ik zei: 'Jij vindt
Parijs leuk', ik zeg, 'maar wat je dáár ziet, leeft in je eigen huis en is veel mooier
dan dat.' Ik zeg: 'Dat is een moeder van je kinderen.'
Ik moest die man van de grond
af aan weer wakker schudden en kijken en hem laten zien wie hij was. Ik zeg: 'Nu
hou jij je mond eens even dicht. Jij gaat zwijgen.' Ik heb het u op een avond eens
verteld. 'Jij zwijgt. Je zegt alleen 'ja' en je gaat iets ontleden. Wanneer ze zegt:
'Hoe was het, regent het buiten?' dan moet je eens echt hoffelijk beginnen, met veel
interesse om te zeggen: 'Nou kind, volgens, ja, de geleerden', al wil je geen geleerde
spelen dan ga je haar hoffelijk, menselijk, mannelijk ga je haar zeggen: 'Nou het
ziet er tamelijk uit. We kunnen wel mooi weer krijgen.' En nu ga je eens dingen bepraten,
je gaat eens over het leven spreken, meneer. Je gaat eens zitten. Je gaat eens aandacht
schenken dat daar een godheid leeft.' Ik zeg: 'Wil je die vrouw terughebben, dan
krijg je ze terug binnen veertien dagen.'
Vier jaar waren ze aan het rauzen, ze sleurden
elkaar met de haren door het huis heen, smijten met de boel; lampen kapot, porselein
kapot. 'Wij wouden het op een avond met een heerlijk glas wijn doen', hij zegt, 'vijf
minuten erna vloog de fles wijn al door de spiegel.' Hij zegt: 'Daar is niet meer
mee te praten.'
Ik zeg: 'Meneer, u gaat nog niet eens zitten.' Ik zeg: 'U bent vermaatschappelijkt.
U hebt niets meer.' Toen ging hij zwijgen. Ik zeg: 'U wilt geluk.' Hij zegt: 'Dat
was toch prachtig. Hoe kan een mens zo ineens kapot zijn?'
En het is waar, ik heb
het hier 's avonds, heb ik het erover gehad. Maar denkt u daar weleens aan? 'Toen
wij begonnen te koeren', zei ik, 'dan zien wij geen karakter', dame, 'maar Moeder
Aarde ontwaakt in ons.' Al loopt ze met zulke knobbels in het gezicht, zulke grote,
krom en scheef; als zij het is, koeren wij. Waar of niet?.. Ja.(gelach) Dan gaan
we koeren.
Maar dat gevoel... Een mens bijvoorbeeld die bij mij komt, net als die
meneer.... In vier maanden is een mens kapot. 'Dat kan niet en bestaat niet.' In
vier maanden is een mens uitgeleefd. 'Bestaat niet. Kan niet.' Een mens is kosmisch
diep, een man en de vrouw, maar vooral de vrouw, de moeder, is ontzagwekkend diep.
En in vier maanden, meneer de Wit, is een moeder volkomen van de kaart. Ja, met hyena's
kun je niet leven, natuurlijk niet. Maar wanneer de mens wil, dan kan het gebeuren
dat een heel nieuwe wereld ontwaakt.
Ik zei alleen maar tegen die mensen: 'Jullie
zwijgen. Als het ergens om gaat, ga je niet praten, ga je zwijgen.' Heb ik ze als
kinderen moeten leren denken. En na vier dagen zegt hij: 'Mijn god, mijn god, wat
is er met jou gebeurd?' Toen zeiden ze eens een tijd niets, toen voelden ze hun eigen
stilte terug en toen gingen ze lekker praten en na vier maanden gingen ze naar de
Rivièra, hadden ze een nieuw leven gekregen. Ik heb ze weggestuurd; maar ja, voor
de eigen centjes. (gelach) Maar ze kwamen terug en zeggen: 'God, wat is het met jou.
..' Ik zeg: 'Is het niet prachtig?' Ze kwamen het ene hotel in en het andere weer
uit. Ik zeg, ik ben ze gevolgd: 'Hoe bestaat het.' Wat is het gelukkig dat je een
mens weer het geluk en zichzelf terug kunt geven.
Ik heb er zo twintig, dertig, veertig,
vijftig, zestig in elkaar gezet. Ik heb ervoor gevochten als een duivel om ze bij.
.. Ik had ze links en rechts van zestig, van vijftig; links en rechts zat zij naast
me op de knieën, en hij erbij. Als twee kleintjes heb ik ze weer naar het paradijs
gestuurd. Maar ik stond er middenin. Niet als de levensboom, maar ik was aan het
sissen. Ik zeg: 'En nu weg', en dan worden ze weer klein, dan worden ze weer mooi.
'Wij begrijpen elkaar niet.'
Wil je geluk, wil je leven? Terug. Als je dan kerks
bent, protestantistisch, en heb je duizenden en duizenden dingen en je hebt er niet
één afgemaakt, dan blijft in ons: het waarom en het waarom; en het ja ja, jazeker;
maar dat moet je me maar bewijzen. Dan kan de vrouw, en kan de man de moeder niets
bewijzen, wij hebben geen gevoel voor elkaar, en geen liefde. Nu moet je beginnen
bij het eerste fundament: aanváárd dit leven.
En als je dan dat uiteindelijke wilt
beleven, mevrouw, ja, dat duurt natuurlijk nog wel even. Ik kan het nu nog geestelijk
doen en dan zult u eens kijken wat ervan overblijft. Dan kunt u ook zien. .. Ik zal
u nog wat moois vertellen vanavond. Alles wat u nu in dit leven beleeft, dames en
heren, dat is maar gekregen goed. Die vrouw die u nu hebt, en die man waar u zo razend
op bent, hoort u niet eens toe.. Misschien. Hij kan het nu al zijn. Maar voelt u
wat daarin zit? Ik heb mensen meegemaakt die zitten nu aan gene zijde en hij zei:
'Nog voor geen kosmos wil ik deze lieve ziel kwijt.' En ik heb hem en ik heb haar
aan gene zijde teruggezien en ik heb haar moeten vragen door de meester: 'Is hij
er nog?'
'Neen', zegt ze, 'hij behoort een ander toe.'
Ik zeg: 'En kunt u dat?'
'Jazeker,
want mijn leven is in aantocht en komt.' Mevrouw, als u tegen mij zegt: 'O, ik hou
zoveel van dat leven'. dan zal ik u bewijzen hoe diep of uw liefde is. En dit is
nog maar maatschappelijk, dit is maar aards, en nu gaan we naar gene zijde en dan
kan het wel, dan kan degene die bij u behoort, die leeft nu nog in Amerika of in
Frankrijk of ergens anders, maar eens komt dat leven; en diegene die u nu hebt, daar
kunt u veel van houden, jazeker, moet ook, maar is gekregen bezit van een ander.
Is het niet eerlijk? Én daar doet u gaarne afstand van, want u krijgt uw eigen gevoelsleven
terug en dat voelt u, dat is het wit van het wit, en het geel van het geel, daar
kan niets bovenuit, u krijgt uw eigen leven te zien en te beleven en uiteindelijk,
dame, zijn we allemaal met onze miljoenen volkomen á1s één moeder en één man, één
leven, één gevoel. Dus het komt allemaal goed.
Vragen hierover?
Ik heb nog meer.
0 nee, hier staat: Weerzien is dat pas wanneer je in de sferen aankomt waar de geliefden
zijn, of direct met het overgaan?
Voelt u, deze vraag: ... of direct met het overgaan?
Ik heb met mensen gepraat en gepraat en gepraat en die lagen zo ontzettend ver uit
elkaar. Toen zegt die man: 'In vredesnaam, als ik ze dan nog maar zie als ik daar
kom.'
Ik zeg: 'Dat kan ik je zo geven. Ik kan je dat geven.' Ik zeg: 'Ik geef het
niet want je moet er zelf voor vechten.' Ik zeg: 'Als jij je hoofd buigt voor alles,
ook al denk je het beter te weten, maar toch kunt aanvaarden', ik zeg, 'dan krijgt
zij de mogelijkheid om je straks op te zoeken. Maar snij jij dit leven de pas af',
gevoel, begrijpen, harmonie, liefde, voelt u wel, die pas afsnijden zit in de persoonlijkheid,
dat doet u met uw gevoelsleven, met uw liefde, 'dan ziet u die mens niet.'
U ziet
elkaar. .. de mensen waar u niet mee te maken hebt hier, die ziet u allemaal straks
terug. Ik zie u allemaal. En er kan er mij niet één ontlopen, ik zie ze allemaal
en ik zal ze allemaal weerzien aan gene zijde omdat ik met u te maken heb. We zijn
niet vreemd van elkaar aan gene zijde. Daar staat mijn kind, en daar is mijn moeder,
ik ben weer kind, ik ben weer vader, en zo gaat het maar door. We zijn één leven
geworden in die tijd, in die wereld. En als je dan daar aankomt dan is het eerste
wat je vraagt - die kern leeft in ons, natuurlijk- : 'Mijn man, mijn vrouw?' Nu sta
je voor geestelijke, ruimtelijke, kosmische wetten. En dan komt er naar voren: Zijn
wij in liefde, in harmonie met elkaar? U voelt wel, werelden, werelden zijn het.
Begrijpt u dit allemaal? En dat moeten wij ons eigen maken, dame. En of u wilt of
niet, u hebt geen trek in lezen, u staat straks toch voor de wetten want we gaan
allemaal hier, wat de mens noemt, dood.
Nu heeft de mens nog praatjes, straks ligt
hij op half zeven, wordt een beetje bleek, oogjes gaan dicht, dan wordt... iemand
staat ernaast en die spijkert daar en daar een pin in, hij zegt: 'Dood is dood, jij
gaat de grond in.' En dan kunt u nog wel zeggen: 'Ja...' Er zijn er die steken nog
twee vingers op; ik wil toch gelijk hebben, maar: dood is dood. En dan gaat er een
andere wet beginnen en rukken wij uit elkaar. Nu lost ons oorzaak en gevolg op. Als
we terug moeten naar de aarde - moet u eens gaan beluisteren, moet u eens gaan bevoelen
- u houdt van één leven, u moet ook hier van één leven kunnen houden, maar die liefde
moet uitstralen. U moet alles kunnen liefhebben. Dat wil niet zeggen, zeg ik altijd,
dat je de bedelaars en alles aan de deur en hier in Den Haag dat niet vooruit kan,
moet gaan dragen, dat kunt u toch niet.
Maar dan komen wij terug en staan we weer
als een nieuwe persoonlijkheid op aarde. Wij komen straks weer tot groei, we zijn
meisje of jongen en we beginnen opnieuw te koeren. Weer iemand. Wat gebeurt er in
dit leven? De mens voelt zich klein, de mens heeft complexen, minderwaardigheidscomplexen,
maar de mens is zo ontzagwekkend diep en groot en machtig. Als u die macht en die
ruimte maar wilt zien en beleven. Als jij je staande kunt houden hier in dit leven,
en je wordt geslagen, ook al loopt het bloed weg, dan zijn er miljoenen moeders en
vaders naast u, achter u, waar u bent; hoe dieper, hoe echter de strijd wordt, Christus
staat direct naast u en zegt: 'Ik ben er ook.' Als je dat vasthoudt en je bezwijkt
niet, dat wil zeggen, we gaan niet terugschieten en terugslaan en terugsmijten, dan
worden we getrapt en geslagen en leeggezogen, gemarteld, maar wij zijn bezig voor
die wereld om dat éne te krijgen. En die van mij of die andere die bij u en bij hem
en bij mij behoort die zegt: 'Goed zo. Vecht dat de stukken eraf vliegen, maar sla
niet terug.' Sla niet terug, verdraag het maar, anders komen wij er nooit uit. Het
is waar, je komt er nooit uit als je terugbijt.
Hier op aarde nu, heb je lief, bent
u getrouwd, u hebt kinderen, maar bij de hele maatschappij, nu moet u eens nagaan
hoe kinderachtig het maatschappelijke leven wordt, de eenheid van een volk. Een katholiek
die ziet mij aan voor een demon. Voor Rome ben ik een ketter en een duivel. Voor
elk ander geloof ben ik een krankzinnige. Ze zouden mij, er zijn er genoeg onder,
die zouden mij zo op de brandstapel willen leggen. En ze moeten mij liefhebben. Ik
heb ... ze ook lief. Ik wil ze alleen maar rijker maken. Nu komen wij er niet, wij
kunnen ook niet verder omdat ons nu de maatschappij vasthoudt. Ja, die mensen hebben
niet meer, maar u die die boeken leest, die de ruimte krijgt, ga ook met elkaar verder.
En u bent hier bezig om van het leven iets te maken, u kunt elke dag geluk beleven.
Hebt u dat niet, dan leeft u nog in oorzaak en gevolg. Is het niet zo? Maar hebt
u het, en al wil zij nog niet en hij nog niet, maar u hebt al begrijpen, wees maar
dankbaar als je de man ziet die de kinderen liefheeft en zij kan eens wat verdragen
als je eens daar en daarover praat. Mijn god, mijn god, als je de mensheid en het
menselijke denken kent en voelt - ik heb het u verleden gezegd - dan kunt u zichzelf
rustig voor heilig, voor ongelofelijk verklaren want wie dit al zoekt en naar dorst
en aanvaarden kan, die mens begint waarlijk aan zichzelf te werken, ook al gaat het
niet hard, maar die mens is bezig. Dacht u van niet? U leert...
Ik heb voor een paar
jaar terug gedacht: Ik schei ermee uit. Ik zei dat. En als ik tegen meester Alcar
zeg: 'Ik schei ermee uit', kan hij niets meer doen. Omdat hij mij door de kosmos
heeft gebracht en ons werk is eigenlijk af. Hij zegt: 'Dat kan.' Ik zeg: 'De mensen
leren niet.' Maar ik heb, daarna heb ik gezien dat de mensen ontzettend leren. De
mensen zeiden: 'O, wat zijn die mensen stom.' Maar ik had die mensen voor twee, drie
jaar terug ook horen praten en die waren dom, en nu gaan ze het onbewuste van de
massa zien. En dat hebben ze van de meesters geleerd. Waar of niet?
(Meneer in de
zaal): 'Inderdaad.'
Dames en heren, we hebben nog een paar minuten. Hebt u hier nog
een vraag over? Bent u tevreden, dame? (De geluidstechnicus): 'U hebt nog ruim vijf
minuten.' Hebt u nog? Dan hebben we die vijf minuten.
(Jozef zegt tegen iemand):
Waarom komt u niet binnen, meneer en mevrouw? Moeten die hier zijn, die dame? Mevrouw,
komt toch binnen, u stoort ons toch niet. Ach, kijk eens aan, in de hemel hoeft u
toch ook niet achter de deur te staan. Dag meneer Luienweg.
(Weer tot de zaal): Zijn
er nog vragen, dames en heren? (Meneer in de zaal): 'Meneer Rulof, mag ik u iets
vragen?' Ja meneer.
(Meneer in de zaal): 'Naar aanleiding van die nonnen, die zich
dan zo heilig gaan voelen, dat zetten zij wellicht voort aan gene zijde, zo'n gevoel,
als ook bijvoorbeeld geleerden, kunstenaars zich ook in de tempel der ziel zich begeven
en zich daarop spitsen om hun kunst, hun wetenschap verder door te...'
Ik zal u gauw
helpen, meneer Götte, want we hebben maar een paar minuten en uw denken duurt te
lang nu. Die moeders, dat is een mooi leven wat die mensen hebben, maar ik heb u
die wetten verklaard waarom. En er zijn er van de honderd, vijfennegentig die terug
moeten, en vijf zijn er juist bezig aan die toestand, maar hebben hun kringloop der
aarde volbracht. Die kwamen terug op aarde om hier iets te doen, zijn losgelaten
door de aarde, vrij, en gaan tot een geloof over. Dus er komen er, ook bijvoorbeeld
een kardinaal en een pastoor en een bisschop, die zover zijn geweest, er moeten een
hele hoop terug.
Een paus die denkt dat hij in een hemel komt, maar daar is er niet
één bewust voor de eerste sfeer. .. Vindt u misschien vreselijk als u katholiek bent.
Maar het eerste wat ik meester Alcar vroeg, ik zeg: 'Waar leven de pausen?' 'Ga maar
mee', zegt hij. Meester Zelanus heeft er zeven opgevangen. 'Zeven', zegt hij, waar
ik naast stond. En er waren er twee bij die konden we meenemen naar gene zijde en
de rest moest terug, die losten dadelijk voor je ogen op.' Hij zegt: 'Twee kwamen
er daar. En toen begon ik, ik had de eer om dat leven te overtuigen.' Nou, hij zegt:
'De openbaring om met het hoogste gezag...' Het is maar een sekte, houdt u daar rekening
mee? Het hoogste gezag dat wordt op de aarde wel opgeschroefd, maar aan gene zijde
was dit een mens die het hoogste heeft bereikt voor een geloof. Maar een geloof is
geen God en geen kosmos. 'Dus', zegt meester Zelanus, nu ging ik met hem praten.
We gingen dadelijk terug. 'Hier bent u geboren, daar bent u. . .' Eindelijk kwamen
we bij de kist. 'Hier bent u gestorven.' Toen zag dat leven hoe hij stierf en er
was geen verdoemdheid, en toen begon het al. Uit alles werd maar. .. links en rechts
uit die persoonlijkheid konden we zo naast ons neerleggen en legde ik daarvoor het
nieuwe fundament, het goddelijke kosmische, nieuwe fundament naast.'
Die nonnetjes,
ook terug, vijfennegentig van de honderd terug, maar krijg je zo' n kind, die dus
al zuiver is geweest, ja, dat kind leeft in een schemerland of in de eerste sfeer.
Want is er nog een haatje, en is er nog... Die zijn niet zo heilig, want je moet
ze onder elkaar eens horen. Dan hebben ze het over jaloezie en een haat, dat is meer
dan bar. Er zijn er die zijn zo sterk in het zwijgen, dat ze de één... er zijn meisjes
- ik heb dat meegemaakt hoor, ik vertel geen nonsens - dat de één, zegt ze: 'Dat
kreng heeft al in zes jaar niets tegen me gezegd.' O, wat dat daar afspeelt, dat
is meer dan bar, maar het gaat ons niet aan. Daardoor kan dat kind die eerste sfeer
niet beleven want ze heeft niet lief. Dus ze sluit zich voor de universele liefde
af. Die moet nog eerst liefde leren. Ze moet zich liefde eigen maken, en ze heeft
het maar op één kaart gezet. En Christus zegt: 'Heb alles lief wat leeft.' Nu moet
je die mensen leren, onderwijzen. Dat is het mooiste wat er is. Dat bedoelde u.
Hij
is nu aan het einde, een laatste ademhaling en wij gaan opnieuw beginnen. We krijgen
dadelijk weer een nieuwe geboorte, dames en heren, maar neem eerst maar een kopje
thee. Tot straks.
Jozef Rulof.
Tot zover dit gedeelte uit Vraag en Antwoord.