‘’JEUS VAN MOEDER CRISJE'
Jozef Rulof
(1898-1952) werd geboren in de Gelderse Achterhoek. Jeus -- zo werd Jozef Rulof in
het gezin genoemd -- had al vanaf zijn jeugd contact met de wereld van het ongeziene,
Gene Zijde ofwel de wereld van het leven na de dood. Zijn leven speelde zich dan
ook in twee werelden af.
We kunnen hem op de voet volgen hoe zijn jeugd verlopen
is, en in zijn gevecht in de keiharde maatschappij en hoe hij als jong kind oudere
mensen in zijn werkomgeving in het gareel weet te brengen. Stuk voor stuk zijn, zijn
belevenissen levenslessen, die voor velen in de hedendaagse maatschappij ook nog
herkenbaar zullen zijn. Hij doet door deze ervaringen veel mensenkennis op, die van
enorm belang voor zijn verdere leven zal zijn.
Zijn leider Alcar, die de lezer in
het eerste deel als de 'Lange' en later als Casje zal leren kennen, gaat ondertussen
door met de ontwikkeling van zijn 'instrument'. Stap voor stap bouwt deze aan zijn
verdere ontwikkeling om straks wanneer de geestelijke gaven bij Jeus tot volle werking
zijn gekomen, zijn grootste taak tot uitvoer te brengen.
Op openhartige wijze wordt
geschreven over zijn eerste liefde, die uiteindelijk voor hem op een bittere teleurstelling
uitloopt. Gekraakt maar toch gesterkt door een niet aflatend geloof in de waarheid
en de liefde neemt hij afscheid van zijn ouderlijk huis en zijn geliefde moeder Crisje
en gaat hij naar Den Haag. Het is daar dat zijn feitelijke taak een aanvang neemt.....
Een schitterend en boeiend levensverhaal.
Hieronder een gedeelte uit deze drie boeken.
JEUS DE SCHRIJVER:
Doordat Jeus zieke mensen zijn levensaura schenkt en ze hierdoor
geneest, heeft hij een nieuw, dienend leven en bestaan gekregen. Intussen beleeft
hij thans zijn geestelijke reizen achter de kist, die dan door zijn mediumschap beschreven
worden. Nu begint hij met: 'Er is géén dood! Doodgaan is 'Evolutie'! Doodgaan op
aarde is het terugkeren tot God en de 'ALBRON'! Het is het voortzetten van het menselijke
geestelijke bestaan, in een bewuste geestelijke wereld voor de ziel als een 'Astrale
Persoonlijkheid'! Miljoenen mensen weten dat nog niet en de wetenschap moet die fundamenten
nog leggen. De kerken spreken nóg over een God van wraak en haat, een God, die zijn
kinderen verdoemt en dat is ónwaarheid! De meesters brengen door Jeus een andere
God op aarde en Die is eeuwigdurend 'Liefde'! Hoe meester Alcar de Grote Vleugelen
voor Jeus heeft opgebouwd, weten wij. Ik zeg u echter, alléén daarover zijn tien
boeken te schrijven, zoveel heeft Jeus tijdens die ontwikkeling beleefd en moeten
verwerken. Jeus is echter ruimtelijk geslaagd, hij is gereed om zijn meester te volgen,
om zijn eerste reis te beleven voor de boeken.
Ik blijf bij zijn organisme om over
dit kostbare instrument te waken. Ik let op, dat geen andere krachten, astrale wezens,
tijdens zijn afwezigheid de rust van dit leven storen, want duisterlingen loeren
op Jeus, zij breken af wat door het goede opgebouwd werd en meester Alcar dertig
jaar aan gewerkt heeft. Dat gebeurt wel niet zo spoedig, omdat Jeus alleen voor het
goede openstaat, maar het organisme heeft afstemming op de aarde. Jeus bezit die
concentratie nog niet om over á1les van hemzelf te waken, doch ook dát komt en eerst
dan ga ik mee op reis, maar dan staan wij voor de Kosmologie! Jeus immers, heeft
de strijd aangebonden met het kwaad en hij moet kapot, het kwaad loert op zijn leven,
waardoor ook Rudolf Steiner en Pythagoras hun prachtige tempels verloren en het oude
Egypte het verkeerde van heeft gekend! Omdat er nog steeds mensen voor het verkeerde,
voor afbraak openstaan, hebben wij daar rekening mee te houden.
Meester Alcar zal
hem thans geestelijke wetten verklaren voor de crematie en hierna de hellen en de
hemelen. Kent u zijn eerste boek: Een Blik in het Hiernamaals? Ook voor Jeus was
dat waarlijk een blik in andere en wel geestelijke werelden. Zijn meester brengt
hem nu met de crematie in verbinding, omdat die vervloekte crematie van de aarde
moet verdwijnen! Als André beleeft Jeus die afschuwelijke toestand, meester Alcar
volgt een mens die tijdens zijn leven besloten heeft zich te laten cremeren, doch
waarvan hij de wetten niet kent. Jeus ziet thans, dat deze mens zich pijnlijk bewust
is van zijn ellende, omdat deze persoonlijkheid vastzit aan het organisme, doordat
hij zich tijdens het aardse leven heeft vergeten. En nu gaat dat geheel de oven in,
de persoonlijkheid is bewust en maakt dat mee, het is het afschrikwekkendste wat
wij kennen. Dit gebeuren én de zelfmoord is het vreselijkste dat gij u zelf kunt
opleggen en komen wij u voor waarschuwen door Jeus van moeder Crisje!
Door het duistere
leven op aarde te volgen, zit de ziel als een geestelijke persoonlijkheid vast aan
het organisme, en zijn de wetten voor ons en uw geestelijk bestaan. Dat hebt u zelf
in handen! Immers, een die het goede zoekt, liefheeft, bezit een andere afstemming
en voelt zich ná het sterven vrij van het organisme, doch niettegenstaande dat geluk,
is ook voor hem de crematie stoffelijke én geestelijke afbraak. Dat alles leert Jeus
nu kennen en zal het straks aan uw leven doorgeven.
Duizenden mensen laten zich cremeren,
maar kennen de wetten niet achter de kist, die voor hun ziel en geest. Ze denken,
dit is beter dan die verrotting in de grond, maar zij weten niet, dat juist door
die verrotting de geestelijke persoonlijkheid levensauràs opzuigt en nodig heeft
om het geestelijke bestaan te beginnen, die als fundament dienen. Omdat de stoffelijke
mens zijn hiernamaals niet kent, komt hij abnormale gedachten ten opzichte van zichzelf
in ons leven, dat hebben miljoenen kinderen van de aarde moeten aanvaarden. Ge staat
thans voor een afschrikwekkende marteling, die met niets te vergelijken is en gij
op aarde door het kwaad beleven kunt, dit is zo afschuwelijk, zó ónmenselijk bovendien,
dat wij alles doen om die en uw vervloekte crematie op te ruimen en dit eerst nu
mogelijk is! Eerst nu, geachte lezer, omdat wij hiervoor een instrument bezitten.
Waarom heeft Ramakrishna, hebben Dante, Boeddha, Pythagoras, hebben de oude Egyptenaren
er niet over gesproken? Omdat zij dit contact niet konden beleven. U ziet hierdoor
reeds, dat Jeus een wijsheid zal ontvangen die álles overtreft. Ook de balseming
is universeel verkeerd, het is het in leven houden dat toch volgens de ruimtelijke
wetten móét sterven, wil de ziel alles van zichzelf beleven voor het opnieuw verdergaan.
Nu mist zij iets door die vervloekte wijsheid van de mens en staat stil voor haar
evolutie! Niet duidelijk soms? Ge zult aan alles vaststellen, dat Jeus 'Geestelijke
Wetenschap' op aarde brengt en door géén van allen werd beleefd. Ik kan u thans duizenden
malen voor deze waarachtigheid plaatsen, ik hoop echter, dat gij in staat zult zijn
voor u zélf deze Goddelijke waarachtigheid vast te stellen, door hetgeen u door de
groten hebt gekregen. Want dat is thans mogelijk!
De ellende die u zichzelf oplegt
door de crematie is met geen pen te beschrijven. U moet dit lugubere toneel zelf
kunnen zien, eerst dán dringt het tot u door, dat gij met ziel, geest en leven spot
en de universele wetten nog niet kent.
Eerst wanneer de crematie haar stoffelijke
afbraak heeft verricht, komt de ziel vrij van haar organisme, maar die verbranding
sleept zij achter zich aan, zij is als een brandende fakkel en blijft in leven. Aan
deze toestand komt voorlopig geen einde, omdat u als mens op de duisternis uw afstemming
hebt; er is geen liefde en dus ook geen licht in uw leven, gij voelt u stoffelijk
en ook de wereld waarin u leeft bezit diezelfde afstemming, dat uw gevoelsleven is!
Eerst dán, wanneer u innerlijk ontwaakt, dus verandert, komt er verandering in uw
toestand. Maar nu wij weten hoe moeilijk het is om 'n nietig karaktertrekje tot het
geestelijke te voeren; wat is er dan nodig voor de ganse persoonlijkheid? En die
moet gij overwinnen, eerst dan minderen die pijnen, lost die brand op, gij barst
vanbinnen en uiterlijk, uw levensbloed is er niet meer, gij hebt wetten bezoedeld,
mismaakt, de mooie crematie ontnam u alles!
Jeus ziet dat, hij is bewust, hij hoort,
dat de mens kermt, schreeuwt alsof men hem levend zijn huid afstroopt, waarvan hij
kan schreien, zo ontzettend is het. Vanzelfsprekend doen wij alles om deze kinderen
te helpen, maar wij staan machteloos, omdat zij hun duistere afstemming hebben te
aanvaarden en kunnen thans geen hand uitsteken. Meester Alcar vond dit, in opdracht
van zijn meesters, het aller-noodzakelijkste voor de miljoenen mensen van de aarde
tot de ruimtelijke ontleding te voeren, zodat uw afgrijselijke crematie verdwijnt!
Als dat voorbij is, volgt meester Alcar met Jeus deze ziel en ziet Jeus, dat dit
leven afstemming heeft op de duisternis. Wat hij te beleven krijgt, is ontzettend.
Daar rent nu dat aardse kind rond en is martelend geslagen. Van zachtheid, licht,
leven en liefde is er geen sprake meer, dit kind is waanzinnig van smart en is het
eigen natuurlijke bewustzijn bijna kwijt, maar blijft levend, omdat de ziel eeuwigdurend
is en verder moet, terug tot God. Jeus kermt ook al, hij schreeuwt de mensen op aarde
reeds toe: vergrijp u niet aan de Goddelijke wetten, gij kent uzelf niet. Wat u daar
zo mooi vindt, is voor hier dierlijk gedoe. En meteen staat Jeus voor de hellen in
het leven achter de kist en kan hij vragen stellen.
'Zijn er brandende hellen, meester?'
'Néén, Jeus, die zijn er niet.'
Meester Alcar legde die eerste vraag in zijn leven.
Miljoenen mensen van de aarde lopen met deze vraag rond en zitten vast aan een God
van haat en verdoemenis, doch dat is kletspraat, máár, ook de kerk, uw dominee zijn
nog geestelijk onbewust, ook zij kennen God niet, géén wet van ons geestelijk astraal
bewustzijn, niets. God kan ZIJN kinderen niet verdoemen!
Meester Alcar vertelt Jeus:
'Er zijn hier alleen duistere werelden, maar brandend vuur is er niet te zien, wat
de bijbel daarvan zegt, is onzin, Jeus, zijn leugens en zullen wij volgen. Wanneer
de mens op aarde het afbrekende, dus haat en geweld volgt, daalt hij in deze sferen
af, omdat hij hier zijn afstemming vindt.'
Jeus denkt; meester Alcar gaat verder
en zegt: 'Hoe zou God, Die een Vader van Liefde is, Zijn kinderen kunnen verdoemen?'
'Ik geloof dat niet, meester.'
'Ik heb je dat reeds in je jeugd verteld, Jeus.'
'Maar
dan vertelt de bijbel, die toch Gods woord vertegenwoordigt, afschuwelijke dingen,
meester.'
'Dat is waar en ik zal je die onwaarheden verklaren.'
Jeus beleeft thans
de hellen, hij kan zichzelf overtuigen. Hier, ziet hij, leven miljoenen mensen. Maar
dat weet men op aarde niet, wat men daar weet is in strijd met de werkelijkheid.
Door deze reis leerde hij enorm. En dan keerde meester Alcar naar zijn organisme
terug. Nu reeds vliegt hij Boeddha en Ramakrishna voorbij, allen, omdat Jeus bewust
is en als een astrale persoonlijkheid in deze wereld voor zijn geest leeft. De groten
hebben deze ontwikkeling niet gekend, zij werden niet aan hun hand genomen om deze
reizen te maken, die evolutie zou nog komen. Zij dienden voor hun eigen tijd,
Jeus
voor de Eeuw van Christus! En dan beginnen wij aan het eerste boek: 'Een Blik in
het Hiernamaals'.
Aan de garage was ik reeds begonnen om Jeus gedachten en gevoelens
te geven voor het schrijven. Wij lieten hem daar kladderen, vellen vol, om zijn leven
en persoonlijkheid daarop in te stellen, zijn geest voor het schrijven gevoelig te
maken. Nu heeft hij reeds een wereld van wijsheid ontvangen en mogen beleven en toen
hij in zijn organisme ontwaakte, wist hij precies waar hij was geweest, Jeus bleef
immers bewust wakker achter de kist. Niets is er van zijn reis verloren gegaan, hij
heeft de graden van slaap overwonnen, de 'Grote Vleugelen' zijn in zijn bezit. Hij
geeft zijn meester, nu hij in zijn organisme ontwaakt: 'Ik dank u, mijn meester,
het was geweldig.'
Voor de crematie is hij op de dag uitgetreden, de rest tijdens
zijn nachtelijke uren. Hij zegt tegen de Wienerin: 'Nu word ik een schrijver.'
'Wat
zeg je?'
'Ik word 'n schrijver.'
Ja, is dat wat, Crisje? Jan Lemmekus, wij beginnen.
Jeus heeft duizenden bewijzen beleefd, zal hij daar nu aan twijfelen? Maar het is
me nog al wát. Toen hij vijf jaar was, heeft hij deze voorspelling de wereld ingestuurd.
Anneke Hosman en de andere vriendjes, weten het, zij kunnen er nu over vertellen.
Deze voorspelling wordt bewaarheid! Zo legde meester Alcar voor zevenentwintig jaar
terug reeds de eerste fundamenten voor dit gebeuren. Ook, soms telepathie? Hiervan
wist Jeus als kind niets af, deze gedachten werden hem gegeven. Dat hij een geestelijk
schrijver zou worden, is een apart wonder, wie heeft dit, wie bezit deze gaven? Annie
Besant had tot Jeus moeten komen, wellicht had meester Alcar haar andere wonderen
mogen schenken, maar stonden al die zielen voor dit open? Dit is een profetie van
ongekende schoonheid én zekerheid! Jeus vraagt zich nu niet af: hoe bestaat het,
kan dat wel, hij wéét!
In hem leeft thans het gevoel om te schrijven, hij koopt papier
en begint, aan wat? Onder geestelijke inspiratie worden die vellen vol gekalkt, maar
hebben nog niets te betekenen, hij kan het geschrevene in de prullenmand gooien,
wij zijn nog niet echt begonnen. Wij schrijven hem eerst los, zelfs de zenuwen en
spierstelsels moeten op het schrijven worden ingesteld, ingeschakeld, moeten op het
schrijven reageren en mogen wij niet vergeten. U ziet het, voor welk geduld wij worden
geplaatst, om van 'n stoffelijk mens een bruikbaar geestelijk instrument te maken.
In de garage al kladdert hij zijn vellen vol, allerlei verhalen zijn het over leven
en dood, de occulte leer. Neemt hij 'n pen in handen, dan begint onmiddellijk zijn
hand te schrijven, precies als bij het tekenen. Zo ga ik even verder en kan thans
mijn en zijn meester verder gaan.
De eerste reis én verschillende occulte bewijzen;
de genezingen zullen deel uitmaken van het eerste deel, van de trilogie: 'Een Blik
in het Hiernamaals'. Er zijn thans verschillende gaven in dienst gesteld, het genezen
als állereerste gave, waardoor hij zijn eten en drinken verdienen kan. Wolff krijgt
thans rust en kan voor zichzelf iets doen, in de ruimten van God, Wolff vertrekt
naar de Maan om aan zijn 'Kosmologie' te beginnen, waar hij met miljoenen andere
zielen in ons leven, de eerste openbaringen door God geschapen en tot de verstoffelijking
gebracht, volgt en beleeft, om zich daarvan de wijsheid eigen te maken, maar vooral,
zich gereed te maken voor een nieuwe geboorte op aarde. Doch thans om de wetenschap
te dienen! Het geluk van de mensheid, ook dat is voor elkeen in de sferen van licht
mogelijk.
Ik ben van zijn geboorte af met Jeus in verbinding geweest, ik ken dus
zijn gevoelsleven en weet er raad mee. Maar meester Alcar zelf is bezig en legt de
nieuwe fundamenten voor het schrijven. Langzaamaan zakt Jeus nu dieper in trance,
eerst tussen de vierde en vijfde graad van slaap kunnen wij zélf schrijven, voordien
is het nog altijd onder inspiratie. Jeus is door Wolff, het schilderen zover gekomen.
Nu stellen wij hem voor het moeilijkste, voor ons het gemakkelijkste, namelijk, wij
willen direct op de machine beginnen. Immers, de pen is een deel van uzelf, dat hebt
u in handen, de machine niet en is moeilijker voor een schrijver, voor anderen weer
het middel om zich vrij te kunnen concentreren buiten alles en iedere aanraking om,
omdat de pen het gevoelsleven direct beïnvloedt, een middel is, dat direct reageert
op uw gedachten, maar nog láng geen inspiratie kan zijn. Omdat u dat van kind af
geleerd en gedaan hebt, wordt u beïnvloed door uw pen als middel om te schrijven
en willen wij nu voorkomen. Jeus koopt dan ook zo'n ding van vijf en twintig gulden,
'n leuk oudje, waar hij geen raad mee weet, wij wel. Hij heeft nog nooit achter zo'n
ding gezeten.
U voelt het zeker, wij voeren hem juist verder van zijn eigen kennis
en kunde weg, hoe minder hij weet, des te beter kunnen wij door hem werken.
U kent
zijn jeugd, de tijd op school en wat hij in de maatschappij geleerd heeft, is niets,
hij leerde niks, niets om thans te schrijven, van taal noch teken heeft hij verstand!
Hij kan het niet, weet het ook niet, hij heeft het niet geleerd en thans slaan wij
zijn pen ook nog uit handen, hij mag niets voor zichzelf kunnen en is het moeilijkste
voor hem, maar wordt het gemak voor ons, wij staan nu niet tegenover zijn stoffelijk
geleerd bezit van uw wereld. Hoe dat geschrijf ook in het begin is, doet er niets
toe, wanneer meester Alcar het waarachtige occulte door Jeus kan vastleggen is dat
álles, het geschaaf en geslijp voor de stof komt later. Aan stijl en kunst wordt
niet gedacht, dat komt later. Als Jeus zou zeggen: ik 'heef' de hellen gezien, dan
is dat waarachtig, maar voor uw oren klinkt het, dat de 'Gelderse Achterhoek' tot
uw leven praat, maar is voor ons waarheid, doch nu komt het er op aan te schaven
en te slijpen en ook dat zal gebeuren. Jeus krijgt dus geen onderricht van de aarde,
hij mag zich geen onderwijs laten geven, wij lopen ons dan te pletter ten opzichte
van wat hij heeft geleerd, en wil zeggen; hij denkt, hij doet iets voor zichzelf
en hij mag niet denken, niets voor zichzelf doen, wij doen dat dóór hém, wij denken
door hem, zijn leven, en is het machtigste wat er is. Dat hebben geen Boeddha; Krisnamurti
en Ramakrishna gewild: niet aanvaard, omdat zij het zélf wilden zijn! Maar hierdoor
zult gij zien, gaat juist Jeus verder en dieper en is thans ten opzichte van de Goddelijke
wetten een bruikbaar instrument!! Doordat Jeus afhankelijk is van zijn meester, hij
alles krijgt, is hij tevens het grote wonder, het instrument voor de Eeuw van Christus
en Zijn Universiteit!
Meester Alcar begint nu. De naam: 'Jozef' komt en ineens is
Jeus wakker en bewust. Hij vraagt al: 'Wat is er, meester?'
'Ik heb je naam neergeschreven,
Jeus, waardoor je wakker werd.'
'Wat betekent dat, meester?'
'Als ik je naam schrijf,
dan stel ik mij hier, waarin ik nu leef, op je leven in. Begrijp je dat?'
'Ja, meester,
want ik hoorde dat u mij riep.'
'Zie je, Jeus, dat stoort ons. Ik moet over je leven
vertellen, maar ik zag dat alles niet aanraken, want dan word je wakker en staan
wij voor een stoornis.
Ik kan dat nu alleen voorkomen, wanneer ik je een andere naam
geef.'
'Doe dat dan, meester.'
'Ik geef je de naam... André... je hebt deze naam
vroeger gedragen Frankrijk was het.'
'Ik voelde, meester, dat u mij als het ware
riep en toen werd ik wakker.'
'Juist, dat is het, Jeus, en dat spreekt vanzelf, want
ik riep je tot het dagbewustzijn terug.'
'Beschrijft u nu alles van mijn jeugd, meester?'
'Neen. Jeus, zover zijn wij nog niet en dat kan thans dus niet gebeuren dat komt
later. Ik zou je geregeld wakker maken en daar heb ik rekening mee te houden. Wanneer
ik je jeugd moet beschrijven, Jeus, dan wil ik álles van je leven vertellen en houd
je je eigen naam, omdat je leven en hetgeen wij tezamen mochten beleven, zo schoon
was, zo machtig en dat willen wij niet verdoezelen. Nu moet ik angstvallig om je
bewustzijn en je leven heen schrijven, maar tóch vertel ik en leg ik vast wat wij
hebben beleefd en jij mocht omvangen, doch nu door 'André' en zul je aanstonds voelen.
Ik vertel nu over het leven van 'André- Hendriks' . .. maar elke belevenis behoort
jou toe. Het machtige sterfbed, dat je voor een tijd terug mocht beleven met die
zuster, leg ik vast in deze boeken, maar ik verbind dat leven met je tante, doch
waarvan wij weten, Trui was niet zo gevoelig. Ik kan straks alles uit je leven niet
beschrijven, Jeus, omdat het tien boeken zouden worden en wij hebben meer te doen.
Tóch moet ik de mensen op aarde een beeld geven ván en vóór het sterfbed, hoe machtig
het sterven is en kan ik thans alleen, door die gebeurtenissen André laten beleven.'
'Ik begrijp alles meester.'
'Dan zullen wij enkele proeven nemen, Jeus. Luister,
ik begin.' En meester Alcar begon met 'André, wat scheelt je, verberg je niets?
Hoe komt het, dat je de laatste tijd zo vreemd doet? Voel je je niet goed? Kun je
mij niet vertellen, wat het is? Toe, wees niet zo verdrietig en denk toch niet, dat
wij het niet merken of voelen. Daarvoor houden wij te veel van je. Kom, zeg mij,
wat het is. Je bent niet zoals vroeger en je hebt er niet zoveel zorg meer voor.
Kom, wij zijn alleen, zeg mij nu alles.'
Men had Jeus elke dag kunnen vragen 'wat
is er?' Meester Alcar begint dus heel voorzichtig aan zijn verhaal en legt de belevenissen
van Jeus door André vast. Toch heeft meester Alcar Jeus moeten vragen: 'Luister eens,
Jeus. Jij bent daar in trance en toch moet je álles volgen, je zou daar tevens kunnen
inslapen. Maar dat wil ik niet. Immers, je beleeft nu niets en blijf je voor het
schrijven dom, her gaat thans óm je leven heen. Wil ik nu, dat je daar slaapt, zoals
ik zoëven zei, dan begin ik nu reeds met de boeken van Jeus, ikzélf houd ál die stoornissen
tegen, en dan kan ik een taal gebruiken, die niets met je leven heeft uit te staan,
voor mij is dan alles veel eenvoudiger. Máár, mijn Jeus, als je daar toch wakker
wilt blijven, dan moet ik mij afstemmen op je leven én je bewustzijn, doch nu leer
je alles, ook dit, je maakt je dus álles eigen, hoewel wij je het schrijven nier
kunnen leren. Jij moet mij nu zeggen, wát of je wilt. Het wakker blijven is het moeilijkste
voor je. Maar dan leer je ook ontzettend veel. Ga ik buiten je leven om, leer je
de wetten wel kennen, omdat je die reizen meemaakt, maar ik kan je de ontleding niet
schenken, daarvan beleef je niets.'
'Ik begrijp u, meester, ik kies het moeilijkste,
ik wil álles leren. mijn meester.' 'Dan dank ik je, Jeus, en ga ik nu verder. Deze,
'André' nu wordt een andere persoonlijkheid voor jezelf, die leeft in je en later,
is dat voor je leven als Jeus, de meester.'
'Ook dat begrijp ik, meester. Ik ben
u zeer dankbaar.'
'Mooi, Jeus, dan begin ik, ga ik verder, maar ik blijf in je leven.'
Wij zien thans, dat meester Alcar kinderlijk eenvoudig aan her eerste deel begint.
Jeus is een kind, maar wanneer hij zich ook deze wijsheid eigen maakt, doordat meester
Alcar ál deze wetten ontleedt groeit zijn persoonlijkheid, blijft hij niet achter
en kan het volgende boek méér zeggen, is de stijl en de ontleding dieper, suggestiever,
elk boek krijgt nu een andere stijl, woordenkeus ook, omdat het leven van Jeus ontwaakt
en hij een sterke concentratie krijgt en bezit.
U voelt nu zeker reeds; hoe moeilijk
eigenlijk alles is en tóch weer eenvoudig, omdat meester Alcar door het gevoelsleven
van Jeus die middelen ontvangt. De liefde van Crisje is het nu, die Jeus in trance
streelt en hemniet storen kan. Hij hoort alles, voelt alles, wat zijn meester vastlegt,
hij maakt het schrijven mee, beleeft het in zijn toestand en kan zich nu het gevoelsleven
van André eigenmaken, de kunst om geestelijk te denken.
Bewust en berekend gaat zijn
meester verder. Hij legt de genezingen vast door André, waarvan Jeus de bewijzen
heeft beleefd. Hoe kinderlijker nu het eerste deel is, des te zuiverder komen de
geestelijke problemen tot de stoffelijke ontleding en kan Jeus niets aan verhaspelen,
omdat zijn meester die stof vastlegt, beleeft voor hem, maar door zijn wakker zijn
in trance stromen al die gevoelens door Jeus heen en voelt hij zich gelukkig door.
Na een tijd vraagt meester Alcar aan Jeus: 'En Jeus, hoe voel jij je daar beneden?'
'Best, meester, ik hoor u denken.'
'Als jij je best doet, dan mag je straks met mij
bewust de ontleding van ál deze wetten beleven en leer je ook dit wonder kennen.'
'Heerlijk, meester, ik zal mijn best blijven doen.'
U ziet het, Jeus begrijpt zijn
meester. Meester Alcar geeft de wetten een stoffelijke ontleding en dit zijn de geestelijke
boeken van Jeus. De romans die straks zullen volgen, zijn noodzakelijk, om elk mens
te bereiken, en ik weet dat reeds, krijg ik in handen óf, een ander, 'n adept wellicht,
want ook dat is mogelijk.
Hoe meer mensen en helpers wij kunnen opbouwen, des te beter
voor Jeus en zijn meesters, omdat wij voor duizenden werken staan, die Jeus vanzelfsprekend
niet ontvangen kan, omdat zijn leven té kort is.
Maar André Hendriks is geboren.
Dat 'Hendriks' heeft iets te betekenen.
Meester Alcar dacht zo: ik geef Jeus de naam
van zijn vader, de Lange, maar ik doe er een 's' bij. En nu is alles goed. De tante
is dus een zieke van Jeus. U leert in dit werk, deze trilogie, tante Trui kennen.
Tante Trui was niet zo gevoelig, zo lief, maar hierdoor bleef meester Alcar tóch
zijn leven bezielen, bleef Jeus in trance wakker.
Ging meester Alcar te ver uit zijn
leven weg, dan werd het ook voor Jeus vreemd en dat moet weer voorkomen worden. Het
gaat in de trilogie 'Een Blik in het Hiernamaals', alléén óm de feiten, de bewijzen!
De rest heeft niets te betekenen, á1les echter wat u daarin leest, is heilige waarheid.
U ziet de schilderijen van Erich Wolff, en u staat voor zijn genezingen, alles waarheid!
En nu ik aan de geestelijke roman ben begonnen, de trilogie van 'Jeus van moeder
Crisje' moet schrijven, in opdracht van de hoogste meesters, is ook tante Trui hier
om te beamen dat ik haar leven en persoonlijkheid volgens de werkelijkheid doorgeef,
á1len zullen tot mij en Jeus komen om te bewijzen.
Trui leeft in ons leven, ook Crisje
heeft haar eeuwigdurend bestaan betreden, zij is thans weer één met haar 'Lange'!
U weet reeds, dat die ganse plankengeschiedenis van André door Jeus in Nijmegen beleefd
werd, daar werden de eerste fundamenten gelegd. Nu wij de romans schrijven, kan Jeus
zeggen: ik heb á1 de wetten overwonnen en thans beleven wij geen stoornissen meer.
Wij doen dat tezamen, ik lééf in hem en hij beleeft zijn leven door zijn meester
en mij, wij zijn thans in alles één! Thans staan zij allen om ons heen, ook Crisje,
de Lange, Miets, Irma, Jan Knie' p, ome Gradus, á1len komen tot ons, omdat wij hun
levens aan raken, openen voor de aarde en haar kinderen, máár, omdat deze boeken
Goddelijke fundamenten zijn voor de 'Universiteit en de Eeuw van Christus'!
Hier
komen wij straks nog op terug. Nu Jeus echter schrijft door zijn meester, behoef
ik nog niet op de voorgrond te treden, máár, Jeus zal mij straks leren kennen, omdat
ik dan het boek over mijn leven schrijf en de titel krijgt: 'De Kringloop der Ziel'!
U voelt zeker ook, het eerste deel van: 'Een Blik in het Hiernamaals' . . . is een
pseudoniem ook al weer noodzakelijk, omdat het Jeus maar zou overvallen. Meester
Alcar maakt het werk af en nu moet het naar een drukker. Is er geld? Heeft Jeus de
centjes voor zijn eerste boek? En waar zal het gedrukt worden? Komt hij in goede
handen terecht? Dat zijn vragen die wij stellen en waarvoor meester Alcar te zorgen
heeft.
Miljoenen worden er op aarde voor afbraak en vernietiging verknoeid. Kan men
een boodschap, gelijk deze, niet steunen? Ja zeker, maar waar leven die mensen? Het
bewustzijn van de massa is nog niet zover, is onbewust en angstig voor Goddelijke
Occulte waarheid. Niemand zal hem helpen. Maar de Wienerin en Jeus zijn zuinig, hun
door bloed verdiende centjes, dubbeltjes en kwartjes moeten thans naar de drukker.
Ja, de Wienerin kijkt wel even sip en donker, want nu is er weer geen cent in huis
en ook zij heeft van alles nodig, doch dit gaat vóór alles. Dit zuur door bloed en
tranen verdiende geld dient voor het eerste deel: Een Blik in het Hiernamaals, de
boodschap van de meesters uit het leven na de dood, voor deze mensheid!
Jeus heeft
heel erg zijn best gedaan. Het eerste deel werd wel driemaal geschreven.
De eerste
ontvangst was telegramstijl.. de tweede maal beleefde de ontleding en dan ging het
verder, omdat meester Alcar het leven van Jeus niet direct voor deze kunst kon en
mocht plaatsen, was ook dit alweer noodzakelijk.
Doch hierdoor leerde Jeus de wetten
kennen en maakte zich alles eigen op aarde, hetgeen hij aan gene zijde had gezien
en ontvangen. Door in dagbewustzijn het werk over te schrijven, leerde hij veel,
doch telkens hoorde hij nu zijn meester zeggen: 'Stop, Jeus, hier ga ik even verder,
hier is een scherpere ontleding nodig' . .. en dan zag
Jeus wat er gebeurde, voor
vijftig procent is nu zijn leven gesplitst. Als het werk gereed is, ziet Jeus op
'n middag een astrale persoonlijkheid bij zijn meester en hoort hij: 'Zie je deze
mens, Jeus?'
Ja, meester.
'Welnu, Jeus, hij is mijn leerling aan deze zijde. Toen
hij nog op aarde leefde, was hij het hoofd van een grote drukkerij. Die is er nog
en daar gaat ons eerste boek heen om gedrukt te worden. Je bent daar in goede handen
en zult niet bedrogen worden.'
Hij zoekt in het telefoonboek en vindt het adres. Hij
belt op, men stuurt hem een vertegenwoordiger en die man neemt het manuscript mee.
Indien men daar nu wist en aanvaarden kon, dat de directeur zelf aan Jeus verschenen
was; indien de opvolgende directeur én de wereld, de mensheid dat bewustzijn bezat,
hadden die mensen het werk van Jeus wel verzorgd en had het hem geen cent gekost,
dan had de maatschappij voor deze Goddelijke zending gezorgd. Maar deze directeur,
die door zijn heengaan alle rechten heeft verloren, hij is het, die weet welk een
enorme boodschap Jeus aan de mensheid doorgeeft, hij kan Jeus echter niet steunen,
men zou hem daar midden in zijn gezicht uitlachen. Maar deze drukker en uitgever
is nu een leerling van zijn meester geworden.
Já, denkt Jeus, die naam bestaat in
Den Haag, alles klopt weer als een bus, maar daar gaan zijn centjes. De chauffeur,
die later zijn rekening aan Jeus overhandigt, die dubbeltjes en kwartjes, guldentjes
en tientjes ziet, laat zich ontvallen: 'Dit is ook bloedgeld, mijnheer?'
Ja, dat
is het, maar voor een geweldige zending, als je het weten wilt en ook voor je eigen
leven. Maar staat dit leven ervoor open? Néé, men lacht daar om de geestelijke fratsen,
want is crematie niet beter, dan dat je daar in je graf ligt te rotten? Ga maar verder
en maak het boek af, dat interesseert Jeus geen cent.
Hij heeft zijn sigaretje ervoor
laten liggen, géén bios, niks van dat alles, hij weet het, ook de Wienerin, zij hebben
een taak te vervullen en wát voor een. Hadden de kringleden hem niet kunnen helpen?
Daar leven mensen die zijn boek ineens hadden kunnen betalen. Mevr. G. heeft het
niet, zij moet leven van haar pensioentje, doch de anderen hebben geld en bezit,
maar dringt het tot die levens door? Néén, wat wil Jeus eigenlijk? Ze hebben enkele
schilderijen van hem gekocht, maar kan hij voor twintig en vijftien gulden zijn boek
uitgeven? Het eerste deel kost hem vijftien honderd gulden, meester Alcar en zij
beiden hebben het geld bij elkaar geschraapt, het is er, maar nu is er geen cent
meer. Straks, denkt Jeus, als de boeken er zijn krijgen wij immers nieuw geld?
Daar
gaan de centjes, is dat wat? En even later is het boek uit. Naar links en rechts
wordt het verzonden om gerecenseerd te worden. Jeus voelt zich gelukkig, wat zal
men van zijn eerste werk zeggen? Ook het blad, zijn courant, geeft een recensie.
De dokter die het boek in handen krijgt, kraakt Jeus van moeder Crisje, zo erg, dat
hij wel belken kan. Van het boek zegt die man niets, hij moet Jeus hebben. De man
denkt hem met zijn pen te mogen kraken! Deze weggelopen dominee maakt Jeus voor de
maatschappij af. De man schept er behagen in, hij bezit die macht, hij denkt, dat
hij er iets van weet en vermoordt Jeus. Bar is het! Jeus leest thans hoe men over
hem en zijn Goddelijke taak denkt. De man moet hem niet! De man gelooft nog niet
in de occulte wetten, hij kan immers niet achter de kist kijken en wie zegt hem,
dat dit timmermanskind gelijk heeft? Als dat zo is, dan krijgt hij er straks lelijk
van langs, wanneer hij dit leven verlaat, zijn leven is gewogen en te zwak bevonden.
Maar een ander, een ingenieur komt niet uitgepraat over het prachtige werk en schenkt
Jeus alles, die man voelt waar het om gaat. De één maakt het werk af en ' n ander
hemelt het torenhoog op, zo iets schoons, liefs en kinderlijk reins had hij nog nooit
gelezen. En het eigenaardige is, de mensen vragen zich af: wat is er met dat boek?
Máár, weggelopen dominee, wij spreken elkaar nog. U hebt u aan een Goddelijke zending
vergrepen! U hebt uw oorspronkelijke taak aan uw stoffelijke kapstok gehangen, Jeus
niet! U staat straks voor uw eigen knuppels door uzelf geschapen, achter de kist
en die zullen u een bewust pak slaag geven, u hebt erom gevraagd. U had het recht
niet om dit geestelijke werk te kraken, daarvoor is het te heilig. Maar u kraakte
iets dat u niet kent, geloof het: gij hebt opnieuw Christus aan het kruis geslagen,
want dit boek werd in naam van Christus beleefd en geschreven!
U komt straks aan
deze zijde. Dan zult ge uw eigen soort zien en beleven. Al de afbrekers en vernietigers
van de aarde zult ge zien en die zuigen u wel leeg. Gij hebt zoiets verschrikkelijks
gedaan, door uw pen... dat ge eeuwen lang vast zult zitten aan deze ellende, uw eigen
rotte duisternis achter de kist. Miljoenen zullen er u opwachten, uw eigen soort,
die nu reeds verlangend zijn dat u komt, zij slepen u wel naar uw rotte, stinkerige
wereld, waarop gij afstemming hebt. Of wilt ge zeggen, dat ge dient? Ge zult schreeuwen
als een geslacht varken van de aarde, het dier dat gaat begrijpen, dat de mens het
afmaakt. En dat door uw afschrikwekkende pen!
Uw soortgenoten zullen dat beleven
met u. Allen, die denken, het goede te mogen afmaken, omdat ze het niet begrijpen,
vergrijpen zich aan het leven van God! Uw leven stinkt, mijnheer... weet het, voor
het astrale leven en de ruimten van God zijt gij 'n duivel, een satan.
De recensie
is verschrikkelijk. Het ding slaat Jeus tegen de grond? Dat zouden ze wel willen,
maar dat gebeurt niet! Elk ander talent had het opgegeven, zo bar was het woord.
Jeus niet, hij gaat verder, de mens is nog niet zover, maar al die afbrekers voor
het goede, krijgen na de kist hun kosmische pak slaag te beleven, daar kunnen zij
niet aan ontkomen. Zij dienen voor een afschrikwekkend halt voor Moeder Aarde en
haar kinderen, zij houden de menselijke evolutie tegen. Meester Alcar die er alles
van weet, vraagt Jeus: 'En, Jeus, heb je het al gelezen?
'Ja, meester, heeft die
kerel mij even gekraakt?'
'Wat zegt het je, Jeus?'
'Niks, meester, maar het is jammer
voor die man, straks, als hij bij u is.'
'Zo is het, Jeus, wat hij dan te beleven
krijgt is verschrikkelijk.'
'Dat werk is gevaarlijk, meester?'
'Ja, Jeus, wéé de
mens, die zich aan waarachtige wetten vergrijpt, die het leven van Christus raken
en daar afstemming op hebben. Ons boek is een boek van Christus! En daaraan heeft
dat leven zich vergrepen. Achter de kist ontmoet hij zijn eigen kunst, ze slepen
hem tot zijn eigen soort, voor eeuwenlang heeft hij zichzelf gekraakt, Jeus, en géén
mens kan hem helpen. Hij heeft dat gewild en zal straks in dit leven zien hoe hij
het had móéten doen, doch dan hebben wij hem niet meer nodig. Wij gaan verder, Jeus.'
'Natuurlijk, meester, die man doet mij niks.'
Wat zegt Onze Lieve Heer? Onze Lieve
Heer weet het al, dokter. . .we zullen uw naam niet neerschrijven, maar ster en planeet,
tot het nietigste insect van God, weet nu, dat gij u vergrepen hebt aan een Goddelijke
zending. Miljoenen mensen achter de kist, al de engelen uit de hemelen weten het,
dat gij Jeus z'n eerste boek voor de mensheid hebt gekraakt, wat gij niet had mogen
doen, omdat alles hierin beschreven, waarheid is én in opdracht van Christus naar
de aarde werd gebracht! Of blijft gij de verdoemdheid aanvaarden? Waarom hebt ge
uw studie verloochend? Waarom bleef u niet voor dominee spelen? Hummels zijn het,
weet Jeus, Godsverraders en de zuivere bloeddrinkers van Christus. Demonen zijn het
door hun vervloekte pennen en hun dikdoenerij, ze leven door het kind van God af
te maken. Daardoor verdienen ze hun eten en drinken. Zwart gedoe! Maar de engelen
weten het. Christus weet het! De meesters weten precies wie hij is en waar hij voor
dient en leeft. Maak u maar dik, mijnheer de dokter, om Jeus van moeder Crisje en
andere kinderen van God, die alles inzetten om de mensheid het universele ontwaken
en bewustzijn te schenken, maak dat maar kapot, kraak het werk gerust, wij zullen
u tonen dat gij dat niet eens kunt.
's Avonds bestijgt Jeus de trappen van Mevr.
G... De andere aanzittenden zijn er al, deze zittingen gaan verder, totdat Jeus het
bericht zal krijgen ook deze zittingen stop te zetten. Maar wat voor een treurige
boel is het hier toch? Moet je die gezichten zien. Wat is er gebeurd met jullie,
kinders? Baron, generaal, of wat ben je eigenlijk, wat is er? Residentsvrouwe, wat
is er, je trekt zo'n hulpbehoevend gezicht? Wat heb je vanavond? Is er iemand van
je familie begraven? Weet je nog niet, dat er achter de kist leven is? Hier, voelt
hij direct, hangt een treurige invloed en dat gaat om hem, zij hebben natuurlijk
ook de recensie gelezen. Moet je daar nu om treuren? Jeus laat zich ontvallen, 'mens,
mens nog aan toe, wat is het leven wondervol!'
Ze weten het niet. Daar staat Jeus,
groet ze en zet zich neer. Máár, nu begint het. 'Weet je dan niets, Jeus? Heb je
die recensie niet gelezen? Dokter R. heeft je gekraakt.'
'Natuurlijk heb ik dat,
dame. Maar wat wil dat zeggen?'
En nu hoort Jeus iets, waarvan hij wel kan kotsen,
onwel wordt als allen hem wijs willen maken dat hij moet ophouden, ook mevr. G. heeft
hem dat te zeggen. Ze geven hem een geweldig pak slaag, de intellectuelen die denken,
voelen, iets beleven, en hem raad menen te moeten geven, maar trappen hem van de
wal in hun armoedige slootje, hun kleine persoonlijkheidjes, waarvoor Jeus niets
voelt.
'Je houdt toch zeker op met je geschrijf, Jozef?'
'Wat zegt u daar, dame?'
Een ander zegt: 'Je houdt toch zeker op? Heb je dan de recensie niet gelezen?'
'Maar
natuurlijk dame, mijnheer de baron, 'van eiges'. Maar weet die domme man iets van
het leven achter de kist af?'
Als mevr. G. ook denkt, hem te moeten geven, dat hij
moet ophouden, breekt z'n klomp. 'Gadverdikke' nog aan toe, denkt hij, wat voor stakkers
zijn dit nog. Hebben deze mensen dan niets geleerd? Hebben zij geen verstand meer?
Weet je nu, Jeus, dat al deze mensen van je kring, deze kinders, géén cent voor je
werk over hebben, ook al zitten zij er met hun neus bovenop? Ze beleven deze avonden
voor de leukigheid? Dat nu net niet, maar je ziet het, het besef dat jij 'n apostel
bent, voelen ze niet, denken zij niet aan. Dit alles hier gebeurt voor hen zelf,
denken ze.
Armoedig gedoe is het hier en zul je nog wel leren kennen, de eerste tik
heb je nu te pakken!
'Néé,' zegt Jeus, 'ik schei er niet uit. Ik ben al aan het tweede
deel begonnen en ik geef het nooit op, 'nooit niet'!!'
De intellectuelen staan tegenover
het kind van moeder Crisje, een kind van Christus. Mevr. G. heeft al zó lang contact,
is een wonder van 'n ziel, maar begrijpt zij dit niet? Van zijn boek is niets te
zeggen, Jan Lemmekus, zeg het zelf... de dokter kraakte hem en niet het werk en wat
dan nog? Schrijvers worden afgemaakt en vooral op dit gebied, weet Jeus al en kan
hij aanvaarden. Is dit soms kif, dat hij als chauffeur boeken schrijft en dat zij
met hun Engels, Frans en Duits dit niet kunnen? Jeus denkt van alles, maar hij wacht
af tot de meesters komen. Hij weet echter, dit is zijn eerste 'Orchidee' voor Christus!
Hier werden zielen gewogen en te licht bevonden, want dat zullen wij hen bewijzen.
Hadden ze daar angst voor het dier als mens dat een vuile pen gebruikt en alles afslacht?
Miljoenen soorten van deze mensen leven er op aarde en zullen dat eens verantwoorden,
achter de kist kunnen zij hun eigen armoede slikken!
Allen hebben hem iets te zeggen,
maar hij slingert ook alles net zo weer van zich af, ze kunnen zijn persoonlijkheid
niet kraken, Crisje. In plaats van dat zij er elk voor zich tien en twintig aan hun
vrienden uitdelen, moet Jeus aanvaarden, dat ze zijn eerste kindje niet willen zien.
En dat van je zusters en broeders, Jeus? Hij volgt ze één voor één, hoort gesmoes,
maar vliegt tot Crisje. In gedachten leeft hij achter de kist. Dit zijn de rijken
en die kamelen, waarvan Christus heeft gesproken, ook de naalden zijn er, en die
willen hem prikken. Néé, dame, néé, mijnheer, ik hou niet op, ik gá bewust verder!
Met hun vijven kunnen ze hem toch niet beïnvloeden, het intellectuele gedoe, voelt
hij, hard is het wat er komt, kan doodvallen!Hij weet het nu, hij behoeft op geen
mens te rekenen, aan deze mensen heb je niets. Als mevr. G. het niet eens meer weet,
wie dan? Deze mensen hebben nog niets voor Christus in te zetten, dit zijn nog lang
geen Jehovamensen, die bewijzen immers wat ze willen? Nu het er op aankomt, zijn
ze verslagen, vóór dat de brandstapel begint. Hij voelt het al, er komt een tijd,
dat zij deze machtige avonden zullen verliezen. En als hij hier niet was, kregen
ze niets. Hoe zullen ze dan reageren? Maar daar komen de meesters.
Meester Cesarino
manifesteert zich aan zijn leven, door een visioen ziet hij, dat deze Romein, ginds
in de verte aan komt vliegen, hij ziet hem zijn paarden mennen, als vroeger in de
arena's van Rome. Het visioen is zo duidelijk, dat hij achteruitspringt, want de
vier witte paarden staan in de kamer. En dan stapt de hoogste meester van die wagen
af, de séance begint. .En er komt onmiddellijk: 'Heb je mij gezien, Jozef?'
'Ja,
meester, ik zag uw paarden, uzelf, was dat eens waarheid?'
'Ja, Jozef, je zag mij
in een tijd, toen ik nog op aarde leefde. Je hebt het visioen duidelijk opgenomen,
je ziet het, van verre kunnen wij je bereiken.'
En dan vraagt de hoogste meester
aan Jeus: 'Ben je gelukkig"met je eerste geesteskind, Jozef?'
'Ja, meester.'
Jeus
krijgt zijn inzegening van zijn hoogste meester Cesarino. Het boek ligt op tafel
en wordt gezegend. Dat is heel iets anders. En dan vraagt de meester:
'Ben je niet
geschrokken, Jozef, omdat de duisternis ons werk heeft gekraakt?'
'Nee, meester,
'van eiges niet'. Die mensen mogen mij niet meer vertellen.'
'Zo is het goed, dat
is het bewijs wat je wilt. Wij gaan verder, Jozef.'
'Ja, meester, natuurlijk, ik
zal mijn best doen.'
De anderen kijken sip, dit antwoord hebben ze te aanvaarden.
Maar die kinderen van vijftig en zestig begrijpen nog niet waar het hier om gaat.
Ze kennen Jeus niet! De meesters spreken over het bloed dat Jeus inzet. De avond
is machtig, omdat hij uittreedt en met de meesters één is, aan gene zijde krijgt
hij zijn kosmisch antwoord.
Jeus weet het, niemand kan hem aan.
Dit is nu net iets,
als hij voor een tijd terug heeft beleefd, ook toen trad hij uit om de waarheid van
de meesters te ontvangen. En achter de kist ontvangt hij de Goddelijke waarheid,
hij hoeft dan aan niets meer te twijfelen.
Toen Jeus zijn donkere zittingen, voor
de directe stem en materialisatie beëindigde, vonden zijn aanzittenden, dat hij verkeerd
was. Dit was niet waar, omdat hij nu de wereld kon overtuigen van Goddelijke wonderen.
De twee spiritisten die zelf boodschappen en wijsheid ontvingen, kregen nu voor hem
van hun meesters bericht, dat hij fout was, hij was nu gereed en mocht deze zittingen
niet sluiten, eerst nu zouden de meesters de mensheid overtuigen. Zo, dacht Jeus..
is dat zo? Maar mijn meester zegt: stoppen! Nu was hij fout, dit bericht van hemzelf
deugde niet. Meester Alcar liet hem uittreden en in de eerste sfeer kreeg hij het
Goddelijke antwoord van de hoogste meesters. Ook daar was meester Cesarino die zei:
'Kijk eens, Jozef, wij lieten je uittreden, omdat je thans voor ons machtige werk
staat en omdat er tegenstrijdige berichten worden ontvangen. Dat bericht van je vrienden,
is fout, dat zijn eigen gedachten, Jozef. Natuurlijk, indien wij het zouden willen,
werd je thans een wereld wonder, maar die bewijzen hebben wij reeds aan de mensheid
geschonken, er bleef niets van over. De mens op aarde ziet deze heilige mogelijkheden
als sensatie en zou je voor die sensatie willen dienen?'
'Neen, meester. ... zegt
Jeus.
'Wij brengen een Goddelijke boodschap op aarde, de boodschap van Christus.
Je dient voor de 'Universiteit van Christus'... Jozef, niet voor materialisaties,
directe stem, dematerialisaties, noch voor apports, wij vertegenwoordigen de 'Geestelijke
Wetenschap'.. .!'
En toen maakte Jeus een heerlijke wandeling in het leven achter
de kist met zijn meester Alcar en stond hij even later voor de astrale persoonlijkheid
van die kring, een bekend mens van de aarde, die daar lessen doorgaf en die hem kon
zeggen: dat zijn hun eigen gedachten, Jeus, natuurlijk, wat jij nu bezit, is machtig,
maar dat begrijpen ook zij niet. Nu kan Jeus aanvaarden, dat men door hem alles bereiken
kan. Jeus is nu in de eerste plaats een prachtig helderziende op honderd procent,
maar hij wordt een 'Kosmisch ziener'. Hij is helderhorend, genezend, schilderend
en schrijvend medium. Hij bezit ál de fysische gaven en dat wil zeggen, wij kunnen
door hem dematerialisaties, materialisaties, apports, directe stem, levitaties állemaal
fysische verschijnselen tot stand brengen, waarvoor miljoenen mensen open staan en
dit dan als sensatie beleven. De meesters hebben die bewijzen reeds aan de aarde
geschonken, maar er bleef niets van over. Toen Kathie King zich vanuit ons leven
materialiseerde voor de professoren, de stoffelijke mens haar zag als een mens, haar
schoonheid vanuit ons leven mocht bewonderen, haar stem hoorden, haar mochten betasten,
een wonder was het dachten die geleerden 's morgens toch nog, dat ze zelf gek waren,
zo machtig was het en té mooi om waar te zijn! En toen kwamen de bedriegers, bleef
er van al die openbaringen niets meer over en konden de meesters opnieuw beginnen.
Dat werd Jeus allemaal verteld, hij kent het bedrog in Den Haag, mensen, mannen en
vrouwen bedriegen door de directe stem, eens worden ze ontmaskerd en dan? Jeus had
echte wonderen beleefd, maar hij dient voor iets beters en hogers, hij wordt een
'Profeet'!
Ook die mensen liet hij praten, straks zullen ze het wel weten. En thans,
nu hij na de zitting huiswaarts keert, overdenkt hij dit gebeuren. Het was daar om
te stikken, vanavond. Dag residentsvrouwe? Mij krijg je nooit, die hoogmoed van je
gaat er wel af. Dat slaat het leven er wel uit. Je hebt als mens nog veel te leren,
vrouw, kind van Onze Lieve Heer! Dat is eigenlijk alles, denkt hij, maar vertelt
niet, thuis dan, dat ze hem verteld hebben om op te houden, hij zelf doet en olie
op dat vuurtje, het werk én het leven hiervoor is moeilijk genoeg, maar hij weet
het beslist, hij staat alléén! Doch zijn meesters staat naast hem, zij geven hem
andere bewijzen, zij hebben iets anders tot zijn persoonlijkheid te zeggen, waardoor
hij een reus wordt, 'n Kosmische persoonlijkheid, een waaráchtig apostel!
De volgende
morgen reeds, als hij op weg is naar zijn zieken, zet hij die klap om in iets beters
en deelt geestelijke schatten uit.
Ineens, zonder erg, staat hij in een slagerswinkel.
Hij denkt nog: wat doe ik hier eigenlijk? Zal wel goed zijn. Dat mag niet gebeuren,
Jeus moet weten wat hij doet. En jawel, naast hem staat er een jongen van negentien
jaar, ook zijn meester is er. De jongen vertelt hem, dat hij verdronken is bij het
zwemmen aan het strand op Scheveningen. Hij zegt nu, dat zijn zusje ziek is en dat
moeder geen geld heeft om een lekker soepje te koken. Gisteren, toen hij bij zijn
zusje was, hoorde hij haar zeggen: 'Moeder, weet je waar ik trek in heb? In 'n paardenbiefstukje
en lekkere rundersoep.'
Maar moeder heeft maar dertien cent en kan niets voor haar
kind kopen. En dan vraagt deze astrale persoonlijkheid aan Jeus, of hij iets wil
kopen, hij heeft haar immers in behandeling? Het is een wonder, denkt Jeus en met
de astrale persoonlijkheid koopt hij voor het zusje iets lekkers, beentjes met vlees
voor lekkere soep en nog twee pond iets hartigs en dan vertrekt hij naar zijn zieke. Onderweg
zegt zijn meester tot Jeus: 'Nu moet je de ouders tegelijk de bewijzen geven, Jeus.'
'Ja, meester, ik zal zeggen, wat ze gisteren tezamen hebben besproken.'
Jeus stapt
de kamer binnen. Moeder en dochter zijn er. Hij zegt: 'Ja, kijk eens, ik hoop niet
dat ik u beledig. Maar gisterenmorgen om elf uur hebt u tegen uw moeder gezegd, dat
u zo'n trek had in een paardenbiefstukje en 'n lekker soepje. Ik heb nu wel geen
paardenbiefstukje meegebracht, maar toch iets anders. En dat krijgt u van uw zoon,
mevrouw, uw kind, dat in Scheveningen verdronken is.'
Geschrei komt er en alles klopt
als een bus! Jeus is gelukkig, haar broertje is gelukkig en de bewijzen zijn enorm,
hier is geen telepathie bij. En Jeus schenkt zijn boeken weg. Graag, o, u wordt hartelijk
bedankt. Heerlijk is het, is dit uw eerste boek? Ja, lieverds. Hij schenkt ze links
en rechts weg, zo goed doet Jeus het, dat meester Alcar hem thans op z'n vingers
moet tikken, omdat hij z'n eigen bron leegschudt en zij straks dus geen boeken en
géén cent hebben om her tweede deel uit te geven. Dat is jammer, denkt Jeus, dat
vervloekte geld ook? Miljoenen worden er weggesmeten, voor dit heilige werk heeft
de mens niets over. Ja, denkt hij, als ik ál die armen nu eens ál mijn boeken mocht
geven? Maar hij begrijpt het best Crisje, dan staat de boel stil en dat kan niet.
Toch heeft hij er reeds 'n driehonderd weggegeven, het doet hem goed, het is het
mooiste wat er is, je voelt je zo gelukkig van binnen. De residentsvrouw heeft er
één voor zichzelf gekocht, maar vandaar krijgt hij kritiek op z'n dak gestuurd, afbraak,
ze blijven zeggen, dat hij moet ophouden met z'n geschrijf. 'Smaakte het soepje van
Onze Lieve Heer... Liesje??'
Ja, hè? En wat Jeus voor je deed, dat weten de engelen
ook. Is het even 'n wonder? Van achter de kist kun je geholpen worden. Já, dat was
een stevig bewijs van voortleven!! Parapsycholoog, is dit nog niet zat? Néén, wij
gaan verder!
's Middags komt er een heer bij hem, de man heeft van hem gehoord en
heeft hulp nodig. Hij zegt, dat zijn jongen van vijftien jaar al acht dagen met hoge
koorts ligt en de dokter kan niets vinden. Acht dagen is de dokter aan het zoeken.
Achter, in en óm deze mens ziet Jeus zijn vader verschijnen en deze astrale persoonlijkheid
weer al, wat zijn kleinkind mankeert. Jeus krijgt van hem én zijn meester: dubbele
longontsteking, maar 'n innerlijke, de dokter kan dus geen verschijnselen zien. Meester
Alcar zegt hem, dat hij ná zijn zieken te hebben geholpen, komt. Onmiddellijk legt
Jeus door zijn meester koude omslagen aan, behandelt de jongen, na 'n kwartier begint
het gezweet, zo erg, dat het water door het bed heen sijpelt. Dat is het, zegt meester
Alcar. Hier, wij zullen u een tekening geven voor uw dokter van de longen, hij moet
morgen 'n röntgenopname maken. De dokter doet het, juist is alles, deze tekening
wordt door de spiritisten opgenomen, maar de dokter kan Jeus niet meer zien. Daar
geeft hij een prachtige voorspelling. Meester Alcar toont hem, dat deze jongen dokter
wordt en dat hij voor alles cum laude zal slagen. De vader zegt: wij hebben geen
centjes. En toch wordt Wim dokter en een goeie ook. En Wim is dokter geworden, 'cum
laude' voor alles geslaagd en werkt op dit ogenblik in Leiden. Vertelt Willem aan
de collega's dat hij door de meesters aangeraakt werd en hij van Jeus die voorspelling
kreeg? Kan hij als mens thans getuigen, dat hij genezen is door de astrale persoonlijkheid?
Had Jeus, door zijn grootvader, niet ingegrepen, dan had het er vreselijk voor Willem
uitgezien en hadden ze hem mogen begraven.
Dat wordt vergeten! Ach, die helderziendheid
ook? Ik ben dokter! Ja ziet u, natuurlijk, er is wel iets, er bestaat veel tussen
hemel en aarde waarvan wij geleerden nog niets weten, maar helderziendheid? Dank
je wel, Willem, ook jij komt straks achter de kist en dan spreken de meesters je
nog wel! Telepathie soms?
Het is thans schrijven én genezen. Hierdoor doet hij kennis
op en beleeft hij zijn wonderen. Jeus is gelukkig, het gaat goed, het schrijven is
een openbaring voor hemzelf. Van ver komen de mensen tot hem. Hij mag zijn helderziendheid
alleen voor het genezen gebruiken. Maar zo nu en dan geeft zijn meester bewijzen
aan de mensen die tot hem komen, omdat die feiten in de boeken worden vastgelegd.
Men stuurt hem een herendas uit Arnhem, men heeft daar van hem gehoord. Een oude
vader is verdwenen, plotseling zoekgeraakt, die mensen daar zitten in angst. Wat
mag hij doen? Ja, zegt meester Alcar, wij zullen dat leven opzoeken, Jeus.
Jeus zit
in zijn stoel en valt op de dag in de psychische trance. De aura, die aan de das
vast zit, stuurt zijn meester naar de plek waar dat leven is. Ze komen voor de Rijn
te staan en thans daalt Jeus met zijn meester in de Rijn af. Ze vinden hem daar.
Hij geeft tot de mensen: over vier weken wordt je vader bij Wageningen opgevist,
hij drijft op dit ogenblik in het water en ik kan hem er niet uithalen. Hij is door
de duisternis in het water gelopen. Het is een vreselijke boodschap voor u allen,
maar ik geef u de waarheid. Hij leeft immers!!
De man wordt bij Wageningen opgehaald.
Toen hoorde Jeus, dat hij vader er toch maar niet uitgehaald had. Dat doe ik nooit
meer, denkt hij, meester, al dit zien is voor onbewusten. Laat mij dat nooit meer
doen. En toch? Een week later smeekt een vader hem om hem te helpen. Zijn jongen
is weg. Waar is die jongen ineens gebleven? Weer treedt hij uit. Hij gaat met zijn
meester naar Antwerpen. Daar, in een slechte buurt is de jongen. Jeus kan zijn gedachten
overnemen en hij weet nu, dat de jongen reeds innerlijk heen besloten om naar zijn
ouders terug te keren. Hij geeft die boodschap door. Na een week staat de jongen
ineens voor zijn ouders. De verloren zoon is terug. Moeten vader en moeder ook maar
niet zo snauwen, zei hij want daar kon hij niet tegen. En dat is waar, géén mens
kan er tegen, maar zoonlief was terug.
Vier dagen later komt er een dokter bij hem.
De vrouw van zijn vriend die in een zenuwinrichting zit, is er uitgerend en men weet
niet waar zij nu is. Is zij dood? Men vreest het ergste. De dokter heeft niets van
de vrouw maar meester
Alcar zegt: 'Kom Jeus, wij zullen even gaan kijken waar zij
nu is.'
Jeus treedt uit, zoals hij meermalen heeft gedaan op de dag, het is voor
hem steeds een openbaring. Ze gaan naar Bloemendaal. (Psychiatrische inrichting in
Den Haag.) Onfeilbaar weet en ziet meester Alcar, waar dat is. Ze gaan naar de kamer
van de zieke. En thans volgt meester Alcar de vrouw, die de benen neemt. Eerst over
een schutting, een muur heen. Maar daar achter ligt een brede gracht. Dat zegt niets,
denkt de zieke, zij zwemt er doorheen en erover. En dan door dé duinen heen, in de
richting van het strand. Daar gaat ze, ziet Jeus, hij achter haar aan. Nu langs het
strand, richting Scheveningen. Heel de nacht gaat voorbij. Tegen tien uur in de morgen
zit zij heerlijk op de Pier uit te rusten, ze pakt een kopje koffie en denkt, daar
ben ik lekker weg, die vuile demonen hebben haar in een zenuwinrichting gestopt.
Om de centjes, zegt meester Alcar, men wil haar kwijt!!
Dan geeft hij de dokter zijn
zien en deze boodschap. 'Ga vlug naar Scheveningen, u kunt haar daar vinden.' En
ze wérd daar gevonden! Telepathie soms? De dokter is er weg van. De vrouw wordt beschermd,
men kijkt nu achter de schermen van dit verschrikkelijk bedrog, het afmaken van een
mens, waarvoor meester Alcar Jeus liet zien, liet uittreden. Já, zegt de dokter,
het is enorm, dát is zien... dat is geweldig Jeus! Al deze bewijzen komen in de boeken,
maar willen wij alles van Jeus opnemen, schrijven wij tien boeken alléén reeds om
de bewijzen vast te leggen, doch ook dat is de bedoeling niet. De bewijzen die hij
zijn zieken geeft, zijn enorm! Hierdoor heeft men in hem vertrouwen. Hij kijkt door
de stof heen, is zélf niks, maar krijgt de wijsheid van achter de kist vandaan, die
mensen vinden een naald in uw levenszee terug! Zegt dit nog niet voldoende? Moeten
er nog meer bewijzen gegeven worden, dat er géén dood is? Ja, want de massa zit vast
aan de bijbel, aan een God van haat en wraak, de wetenschap is nog niet zover, die
fundamenten moeten nog gelegd worden, doch die heren kunnen nu reeds bij Jeus colleges
krijgen! Intussen is de Wienerin wachtende op hun kindje. Nu wil meester Alcar hem
bewijzen geven voor de moeders, die hun kleintjes moeten verliezen door de dood,
die er niet is. Jeus weet niet, dat hij thans met de Wienerin een vreselijk drama
zal beleven. Is dat wat? Hij krijgt een eigen kindje, hij is 'hadstikke' gek op kinders.
Já, hij ziet en beleeft dat allemaal anders. Hij zal met dat leven praten en hij
zal weten, wáár dat leven vandaan komt, hij zal het verleden van dat leven zien.
En dan gaat hij straks tot de reïncarnatie over van zijn kind. Dan zal hij zijn kind
een prachtig leven geven, hij zal van zijn kind iets moois maken. Ja zeker, zijn
eigen vlees en bloed krijgt hij dan in handen gelegd door zijn vrouw.
Hij zal moeder
en kind eeuwigdurend dienen. Ja, wat al niet zal hij doen, als hij eerst maar zijn
kind in handen heeft. Doch dan komen er verschijnselen, hij gaat voelen, dat er iets
verkeerd gaat. Nu de Wienerin drie maanden is, vertrekt hij met zijn meester naar
de kindersferen om de wetten voor her kind, dat vroeg van de aarde vertrekt, vast
te stellen en straks te ontleden voor de moeders op aarde, die hun kleintjes moesten
verliezen. Hij denkt nog niet, dat hij zijn eigen kind niet ontvangt, hij denkt alleen
aan die moeders. Hij ziet daar de kinderen. Jeus betreedt die sfeer. Já, moeders,
uw kinderen blijven in leven. En die reis is voor het tweede deel: 'Een Blik in het
Hiernamaals', zegt meester Alcar.
Wanneer hij terug komt van zijn reis, begint zijn
meester om de wijsheid vast te leggen. Maar plotseling keert de tekenaar terug en
die geestelijke persoonlijkheid tekent door hem een ster, in die ster een kruis en
er onder een gebroken levenstak. Jeus kijkt naar de tekening en voelt, dat ding heeft
iets te betekenen, want de tekening is, volgens zijn meester, voor zijn kind. Hij
weet het al. 'Gadverdikke' nog aan toe, denkt hij, vliegt er over zijn lippen, maar
waarvan de Wienerin niets hoort, dat is erg! Men tekent nu de dood van mijn kind?
Dat vertik ik. Hij verscheurt de tekening en hij verstopt het tekenstift en papier,
hij geeft zich niet meer, niet langer, om de dood van zijn eigen kind te tekenen,
hij wil zijn kind hebben! En nu beleeft zijn meester, dat Jeus weigert om te dienen,
voor het eerst weigert hij instrument te zijn en dat is juist wat meester Alcar van
hem hebben wil. Onomstotelijk willen de meesters de bewijzen doorgeven, dat er achter
de kist leven is en dat gij achter uw kist als astrale persoonlijkheid leeft.
Dit
moet de moeders steunen! Dit moet aantonen, dat de mens niet kan sterven. Maar het
gaat om Jeus z'n geluk en dat van zijn vrouw. 'Gadverdikke', scheldt hij, kermt hij
al, dat is niet te geloven, dat is erg! En die gevoelens blijven in hem, hij kan
er zich niet van bevrijden. Maar, hij heeft de boel verstopt, ze moeten nu dan eens
proberen om hem aan het tekenen te krijgen. In deze toestand leeft Jeus van moeder
Crisje, hij verzet zich, hij wil niet dienen, hij weigert beslist. En nu zal zijn
meester tonen, moeten bewijzen wat of hij kan.
De mens nu, die niet wil, kan ook
niét voor dat ándere denken nu is de bekende telepathie volkomen uit het menselijke
leven verbannen, uitgesloten, wat de meesters willen beleven door Jeus.
De tekening
is kapot gescheurd, maar meester Alcar schrijft verder en begint aan die uittreding.
Als dat gereed is, leest Jeus wat hij schreven heeft. Dan begint hij te denken. Hij
durft zijn meester niet in zijn ogen te kijken. Hij beseft echter, dat het om zijn
leven. kind gaat.
Wat doet Jeus? Resoluut verscheurt hij het hoofdstuk en gooit
in de prullenmand. Hij vertikt het om te schrijven, om te tekenen en wil zijn kind
hebben en niks anders. Maar wat doet zijn meester, wat willen de meesters beginnen?
Voorzichtig praat hij met de Wienerin, hij wil haar toch voorbereiden op het gebeuren,
want zij verliezen hun kind. 'Veronderstel nu eens' . .. begint hij. .. 'als ons
kindje teruggaat naar de sferen van licht? Dat is immers mogelijk? Wat zou je dan
zeggen?' 'Niets zeg ik, ik wil mijn kind hebben. Hou toch op met je gepraat.'
Hij
komt telkens terug, maar wanneer hij voelt, dat hij te vér gaat en zij zenuwachtig
wordt, geeft hij het over, voor haar althans, maar hij weet, voor straks weet zij
voldoende. Als de ellende begint, kan hij haar weer opvangen, doch dat is kletspraat,
hij wil als zij z'n kind hebben.
Staat meester Alcar nu machteloos? Jeus weigert
beslist! En toch moet zijn meester verder. Weer grijpt hij Jeus voorzichtig bij zijn
kladden, hij ontneemt hem zijn denken en voelen, tegen zijn 'wil' in zet meester
Alcar zich weer voor de schrijfmachine neer en begint opnieuw aan het hoofdstuk over
de kindersferen. Nu leeft Jeus in zijn onderbewustzijn en krijgt niet één gedachte
te beleven van zijn meester, voelt niets van hetgeen daarboven in dagbewustzijn gebeuren
gaat. Ná het schrijven, het genezen gaat gewoon verder, daar staat hij voor open,
houdt meester Alcar hem voor zeker vijftig procent gevoel in zijn macht, in deze
toestand. Jeus is zichzelf en hij is zichzelf niet. Wie met hem praat denkt, dat
hij het is op volle kracht, maar dat is niet waar en niet mogelijk, toch is hij krachtig
én hevig bewust door zijn meester die in hem leeft. Het gaat allemaal best, de zieken
krijgen het volle pond levensaura, maar dat andere, het geteken en geschrijf, daar
leent hij zich, denkt hij, niet voor, maar zit even later voor de schrijfmachine
en ontvangt. Het schrijven moet verder gaan, maar hij vertikt het om te dienen. Jeus
weet hierin niet meer dat hij er nog is, hij is thans waarachtig door een astrale
persoonlijk bezeten. Indien meester Alcar een duisterling was, kwam hij nooit meer
vrij, bleef hij bezeten en kon men Jeus opbergen. U ziet nu, hoe hij reeds de wetten
voor de krankzinnigheid zélf ondergaat, maar waarvan hij straks de wijsheid ontvangt
en die weer beleven zal. Dit nu schakelt elke graad voor de telepathie uit. . . parapsycholoog.
Elke telepathische gedachte! Dit gaat buiten hem om, beleeft hij niets van, en hij
is door géén mens van de aarde te beïnvloeden. Als dit hoofdstuk op aarde komt, is
het een astraal wonder en bewijst het, dat er achter de kist leven is, dat de ziel
achter de kist een astrale persoonlijkheid is! En dat gebeurt!
Weer leest Jeus, vier
dagen later is het, hetgeen er geschreven is. En wéér verdwijnt het in de prullenmand.
Maar Onze Lieve Heer weet waar het om gaat. Dit is een machtig mooi, menselijk gevecht,
tegenover de geestelijke wereld. Het is een occulte gebeurtenis, Egypte, waarvan
u daar lang geleden de wetten van kende, maar thans door Jeus worden beleefd, om
ze aan deze mensheid door te geven. De engelen in de hemelen volgen Jeus. Miljoenen
mensen van de aarde volgen hem, Jeus van moeder Crisje, zij weten waarvoor hij staat
en wat er met zijn kind zal geschieden. Zij begrijpen dit gevecht, als mens weigert
Jeus om te ontvangen en dit is hetgeen Gene Zijde wil omdat dit gebeuren u ónomstotelijk
bewijst, dat er géén dood is! Hierdoor gaat 'Magere Hein' eraan! Crisje, thans slaat
Jeus hem zijn kroon van z'n vreselijke kop, Jan Lemmekus, wat zul je straks snoepen!
Maar, dit wordt te gek voor zijn meester, hij moet verder. Het kind in de Wienerin
is zeven maanden oud. Nu doet meester Alcar het anders, hij daalt in Jeus af en zegt
tegen de Wienerin: 'Wij maken aanstonds een tekening voor uw kind. Wanneer de tekening
gereed is, dan neemt u haar van mij over.'
De Wienerin zegt niets, dat doet ze nooit
als de meester eens tegen haar spreekt, zij denkt en voelt zich gelukkig. Voor haar
kind wordt er getekend? Ze zal niet weten, dat voelt zij niet, dat het de dood is
van haar Gommel. .. dat kaboutertje betekent, en zo genoemd wordt in de stad Wenen,
waar zij eens woonde, maar ze moet het geschenk aanvaarden. Of zij het later waarderen
zal, is weer heel iets anders. De tekening wordt in twee avonden gemaakt, meester
Alcar wist dus waar Jeus het benodigde had verstopt. En thans hoort zij: 'Dit is
voor uw kindje.’
Jeus durft het nu niet in zijn hoofd te halen de tekening te verscheuren.
Hij kan eigenlijk de gedachte niet verstoffelijken om het ding te verscheuren, de
helft in hem van zijn persoonlijkheid weigert om dat te doen. De meester gaat nu
verder, maakt het hoofdstuk en het boek af en stuurt het naar de drukker. Daar zijn
ze reeds begonnen. Geld is er nog niet voor, maar dat komt wel in orde. Meteen is
Jeus vrij, volkomen weer zichzelf en hij weet nu, dat het tweede deel naar de drukker
is, hij kan er niets meer aan veranderen.
Veertien dagen voordat het kind geboren
wordt, treedt hij opnieuw uit. Thans verbindt zijn meester hem met het kind, meester
Alcar maakt dat leven wakker én bewust. Het kind nu, als een astrale persoonlijkheid,
vertelt hem thans dat het dood geboren zal worden, dat het terugkeert vanwaar het
gekomen is; de sferen van licht, en dat het hier is geweest, om de groei en bloei
in de moeder te beleven. Dat zegt zijn óngeboren kind tot Jeus! En Jeus ziet, dat
het kind bewust is. Hij kan dat proces in de moeder volgen, hij heeft te aanvaarden,
wat ook hij als kind reeds heeft beleefd, dat hij door zijn meester achter de kist
kwam en daar ouder was en dat hij de wieg aan het schommelen kon brengen. Hij beseft
nu, dat hij een machtig wonder ontvangt en beleven mag. Hij weet nu ook dat hij een
meisje had gekregen, want dit is een meisje!
Toen Jeus dit beleefde, waren ál de
hoogsten aanwezig. Meester Cesarino is het zélf, die hem deze machtige wonderen verklaart.
Zij hebben, dat ziet Jeus, een geest van het licht aangetrokken. En dit alles is
om de mensheid te bewijzen, dat er geen dood is! Zijn kind is daar reeds dertig jaar
oud en kan hem alles van haar eigen leven vertellen. Ze zegt hem nu al, dat zij elkaar
straks terug zullen zien, maar dan in de sferen van licht. Jeus moet het nu overgeven,
door deze bewijzen is hij echter duizend jaar ouder en ontzettend sterk geworden.
Ik vraag u, hebben Dante, Pythagoras, Ramakrishna, Krisnamuni, uw Rudolf Steiner,
heeft Mohammed, Boeddha, Krisna en honderden groten van de aarde dit beleefd en aan
de mensheid kunnen doorgeven? Néén zeggen wij u, dit hebben zij niet beleefd!! Niet!!
Geen van allen, géén Madame Blavatsky, noch het oude Egypte, dit is mogelijk in uw
eigen eeuw, omdat Jeus voor de Eeuw van Christus en ZIJN Universiteit dient!
Thans
kan hij alles overgeven en wacht hij rustig af. Nu is het een machtig wonder voor
hem en krijgt hij álles van zijn meester te horen. De bewijzen zijn enorm! Buiten
zijn 'wil' om is het gebeurd, dat de hoogste meesters hebben gewild, om elke gedachte,
zoals ik u reeds zei, uit schakelen en telepathie heet.
De twee tekeningen, getekend
voor Gommel, een geschenk voor u allen op aarde, vindt u terug in het tweede deel
van: 'Een Blik in het Hiernamaals'. Want na de eerste tekening kreeg hij nog een
ander en die stelde de reïncarnatie voor van Gommel. Hierdoor is Magere Hein kapót
getekend! Máár, is dat voldoende om de ganse mensheid te overtuigen? De stoffelijke
massa gaat er niet op in en kraakt alles. Maar dit boek zal mijnheer de dokter niet
in handen krijgen, denkt Jeus, die man kan doodvallen. Maar miljoenen zijn wachtende,
honderden moeders zullen wij overtuigen, vertellen, dat zij hun lieverds niet verliezen,
maar terugzien achter de kist.
Gommel komt aan stukken en brokken. op aarde. Het
kind heeft door de navelstreng heen te kruipen zichzélf geworgd. Jeus kan Gommel
begraven. Niemand is er bij hem, op deze koude morgen, hij is weer 'hadstikke' alleen.
Ook de dokter heeft hij bewijzen gegeven, hij vertelde de man, dat zijn kind doodgeboren
was en een meisje moest zijn, hetgeen de man te aanvaarden kreeg. Wie en wat is die
man? Dat is Jeus van moeder Crisje, dokter, kent u hem niet? Waar zijn z' n geestelijke
vrienden? Toch belkt hij zich uit, ook de Wienerin belkt hard, met lege handen komt
ze thuis. En Jeus weet nu, hij krijgt geen eigen bloed en vlees te zien, dat geluk
is niet voor hem weggelegd. Néén, ook die wetten zal hij leren kennen en ook dát
overgeven.
Miets ligt op Barbara... een kerkhof in Den Haag, voor Crisje is zij
op gezegende grond begraven, ook Gommel zullen zij bij Miets leggen. Alleen brengt
hij zijn kindje weg. Géén mens van á1 die geestelijke vrienden is bij hem om met
dat leven te kunnen praten, hij moet alles alléén doen. Met de begraver wandelt hij
naar het grafje van Gommel. Mijn God, denkt hij, wat is alles toch machtig. En daar
gaan ze, deze twee mensen, naast elkaar, Jeus draagt het kistje. Wat is dat? Ja zeker,
zo'n kind weegt toch nog, hij weet al niet meer hoe hij het dragen moet en wil niet
dat de man naast hem helpt Maar ineens is Miets er. Miets, Miets toch??
Miets helpt
hem dragen en thans gaat het vanzelf, hij voelt het kistje niet meer. Daar is het
graf. Miets zegt hem nu, dat Gommel juist boven haar komt te liggen. Dat zegt Jeus
tegen de man en zullen ze straks even onderzoeken. Gommel krijgt haar bloemen, door
hem en de Wienerin zélf gekocht. En dan valt hij in trance; meester Alcar spreekt
tot Gommel, Miets en de begrafenisman. De man zegt, dar hij zoiets nog nooit heeft
beleefd. Bent u dan die bekende chauffeur, waarover men praat, mijnheer? Mijn hemel,
dan heb ik uw eerste boek gelezen. De man herkent Jeus aan zijn trancerede en dat
kan hij aan ál de mensen vertellen, die hij door zijn werk nog zal ontmoeten, zal
beleven, want dit is hemels. De man belkt van geluk en hij, dat weten wij, zal dit
nooit meer vergéten.
Já, Gommel ligt boven Miets en rust daar niet, maar zij ligt
er netjes bij; Wienerin, geef dit over! Wat Jeus bij de katholieke zusters heeft
beleefd, is afschrikwekkend voor zijn ziel en persoonlijkheid. Hoe zijn ze daar eigenlijk
gekomen? Já; Bernards vrouw was er ook en zij zei, dat het daar goed was. Zo kwam
ook de Wienerin weer bij de katholieken terecht. Toen Gommel echter geboren was,
had men zijn Gommel in het sterfhokje neergelegd. Daar zag Jeus Gommel terug, als
een geslacht varken in 'n hoek gesmeten, omdat ze hoorden, dat zij afvallige katholieken
waren. Maar een kindje van vier pond, een beeldhouwwerkje, zag Jeus, ook dood, lag
daar en werd dag en nacht bewaakt en bebeden. Dag en nacht waren daar de zusters
om te bidden, zo mooi was het. Ja, dat is waar, denkt Jeus, mooi was het, maar waarom
hebben zij zijn Gommel daar verdoemd? Daar zal hij straks tegen te keer gaan, tegen
vechten! Vuil gedoe is het! Het gaat daar om de centjes en om het betere 'ik' in
de mens, waarvan ze geen verstand hebben. Hij leerde daar eerst goed het vuile gedoe
van de katholieke kerk kennen!
Miets neemt afscheid van hem, maar meester Alcar is
het, die Gommel naar de vierde sfeer brengt, want Gommel was een meesteres voordat
zij geboren werd, dus een bewuste astrale persoonlijkheid. Jeus zal natuurlijk zijn
kind terugzien.
De Wienerin komt thuis, het eerste boek heeft reeds vele mensen overtuigd,
uit Canada, Indië, Amerika, Duitsland en vele andere landen, komen er kleertjes voor
Gommel en bloemen voor de moeder nu men hoorde, dat zij hun kindje niet hadden gekregen.
Jeus heeft dertig boeken als een sneeuwbal over de wereld laten gaan. Hebt u er één
ontvangen? Deze boeken werden aan vrienden en kennissen doorgegeven, maar aan Jeus
werd geschreven waar ze waren. Hierdoor kreeg hij kisten vol met brieven van dankbare
lezers, tenslotte kwamen de boeken in verkeerde, katholieke of protestantse handen
en gingen ze het menselijke vuurtje in. Niet één kwam er terug bij hem thuis, maar,
die hebben hun werk al gedaan. Hebben de kringleden er nog geen honderd verkocht?
Néé, dat hebben zij niet, ze geloven nog altijd dat hij niet meer moet schrijven!
Mijn God, zijn die mensen blind? En toch sloft Jeus naar de zittingen, maar waarvan
hij weet, straks legt hij ze stil en dan zul je eens wat horen. Ook dat komt!
Het
blijft bloemen stromen van overal voor de Wienerin en haar verloren, néén eeuwigdurende
kindje. Máár, waren dit even bewijzen van voortleven? U kunt ze niet beter voor uw
leven ontvangen, want deze kwamen vanuit de hoogste hemelen tot u; bewustzijn!
Inmiddels
is hij alweer uitgetreden voor de hellen en de hemelen, om die te beleven volgens
de allerhoogste graad voor élk menselijk denken en voelen, en die reis behoort tot
het derde deel. En nu krijgt Jeus Gommel in de sferen te zien. Moeders, is dit even
een boodschap voor uw leven?
Hij staat voor Gommel, maar hij heeft zich eerst volkomen
op dat leven moeten afstemmen. Dan ziet hij zijn kind terug en krijgt het in zijn
armen. Wanneer hij van die reis terugkomt, kan hij de Wienerin vertellen, dat hun
kind leeft en zij straks haar kind terugziet!
Eerst gaan ze door de hellen, hij wordt
daar thans aangevallen, meester Alcar zet alles op alles, want Jeus moet hier doorheen
of hij staat straks voor het menselijke bezwijken. Dat komt toch wel, doch omdat
de meester de wetten dieper aanboort, krijgt Jeus meer te verwerken en wil meester
Alcar straks nog dieper gaan, dan moet hij deze werelden bewust kennen én op aarde
verwerken óf ze staan vroeg of laat voor het ruimtelijke halt. Hij betreedt thans
de zeven sfeer achter de kist, meester Cesarino is het, die hem opvangt om Jeus in
de zevende sfeer, zijn wereld te tonen, dat een universeel geluk voor hem is. En
dan keert meester Alcar met hem naar de aarde terug.
Op aarde is het thans moeilijk
voor hem, hij leeft voor negentig procent in de sferen en kan er zich niet vrij van
maken. Hij kent nu de duistere werelden die de mens voor zichzelf geschapen heeft
en de hogere werelden, waarin niets dan geluk leeft. En die universele liefde mist
hij op aarde, niemand kan hem helpen, hij moet dit zélf verwerken! Het gevecht van
één mens ten opzichte van werelden, haat, kwaad, geweld, voor de ontwikkeling van
deze mensheid, is begonnen . Och, ik zou tien boeken moeten schrijven alléén hierover,
doch dat is de bedoeling niet. Deze strijd wordt duizendmaal erger, heviger, wanneer
meester Alcar dieper de wetten van God, leven en dood, vader- en moederschap, aanboort!
Het is voldoende, wanneer ik zeg, Jeus vecht, dat de stukken eraf vliegen en geen
mens begrijpt hem. Niemand kan hem volgen, niemand voelt zijn enorme liefde aan voor
al het leven van God. Meester Alcar komt hem te hulp, hij maakt hem de volgende dag
vrij van zijn organisme en voert hem naar de derde sfeer achter de kist, waar Jeus
een ander groot medium zal ontmoeten, namelijk de Amerikaan Jackson Davis, die eenzelfde
opleiding heeft beleefd als Jeus. Die vertelt hem waarvoor hij op de moet opletten.
Hij zegt hem, dat hij dieper gaat dan hij ooit heeft ontvangen en mocht beleven,
Davis zegt tot Jeus, dat hij de 'Kosmologie' zal ontvangen, waarvoor ook hij diende,
maar tháns op aarde wordt gebracht. Heel deze nacht is hij één met Davis, twee kinderen
van Onze Lieve Heer die hun levens zullen inzetten voor de menselijk geestelijke
evolutie! Davis heeft zijn taak reeds volbracht en de wereld heeft van hem énige
prachtige werken gekregen. Davis vertelt hem van zijn 'Toverstaf', Jeus zal zijn
'Levensrots' ontvangen, waardoor hij zijn taak gemakkelijker zal volbrengen; de wetenschap
is het, dat hij voor mensheid en meesters dient. Versterkt keert hij aar zijn organisme
terug! Wolff heeft zijn Levensrots al geschilderd. Nu hij thuis komt van zijn zieken,
wil meester Alcar hem het bewijs geven, dat de Levensrots waarlijk betekenis heeft.
Meester Alcar laat hem het schilderij fotograferen, er verschijnt een kruis op het
geheel als teken van waardigheid, dat hij, Jeus van moeder Crisje, voor Christus
dient. Eén machtig geschenk is het voor zijn leven en persoonlijkheid en krijgt een
plaats in het derde deel: Een Blik in het Hiernamaals.
Het is nu André, die Jeus en
Jozef, als stoffelijke persoonlijkheden moeten vertegenwoordigen. Meester Alcar leert
hem, hoe zijn stoffelijk leven te beleven, André leeft in hem en is het instrument,
dat Jeus en Jozef begrijpen en staat hij als André voor de splitsing van zijn persoonlijkheid.
Het dagelijkse leven wordt hierdoor gemakkelijker verdeeld. Het stoffelijke én het
geestelijke leven móét verdeeld worden of hij haalt het niet.
En daarvoor alleen
reeds treedt hij tienmaal uit om door zijn meester onderricht te worden, zodat hij
weet hóé te moeten handelen voor á1 deze werelden waarin hij tegelijk leeft. En dit
nu is grote kunst voor Jeus, Jozef en André, dit is machtig en dat kennen tevens
de groten, heeft trouwens élk mens te aanvaarden, iedere kunstenaar en is ook voor
André, Jeus en Jozef een natuurlijke noodzakelijkheid!
Jeus en Jozef praten tot uw
leven; indien het om stoffelijke zaken handelt, maar André is nu de meester! En nu
moest u hem eens vanbinnen kunnen volgen. 0, mijn God, kermt hij zo nu en dan, kon
ik nu maar iets van André aan deze wereld kwijt, hoe gelukkig zou ik elk mens kunnen
maken.
Zijn vrouwtje, de Wienerin, beleeft Jeus en Jozef. .. alléén, omdat zij André
niet kan volgen en die wereld niet beleven, nóch betreden kan. Is dit niet eenvoudig?
Zó zet meester Alcar deze persoonlijkheid in elkaar en heeft hij als Kosmisch bewust
meester voor gezorgd; á1 de occulte aanrakingen, de belevenissen uit zijn jeugd eveneens,
maken deel uit van André; is het bezit geworden van deze 'Universele Persoonlijkheid'.
Zég nu nog eens dat Jeus en Jozef... stilstaan in dit leven, dat de grote mediums
alléén maar slaven zijn? Word zo'n slaaf en de ruimte van God ligt in uw handen,
mét de Universele Liefde er bij, die in André leeft, maar Jeus, noch Jozef kwijt
kunnen, door géén mens van de aarde beleefd kan worden, omdat die ziel dit contact
niet bezit en ook deze diepte niet voelt. André is nu een 'Prins van de Ruimte' geworden,
maar wordt op aarde door Jeus en Jozef gedragen!
Jozef Rulof.
Tot zover een gedeelte
uit de trilogie Jeus van Moeder Crisje.