DE KRINGLOOP DER ZIEL.
Thans ga ik u van mijn verschrikkelijke einde op aarde en het leven aan gene zijde, zoals ik het binnentrad, vertellen.
Ik, Lantos genaamd, behoorde tot hen, die een eind aan hun aardse leven maakten. Ik doodde een mens, daarna mijzelf, doch dit bleek niet mogelijk te zijn. Een ander leven trad ik binnen en wel het leven van de geest. Dat, wat ik u nu ga vertellen, is de heilige waarheid. (.....)
Waarom moet de één te vroeg zijn vader en moeder verliezen? Waarom heerst er doodslag en geweld? Waarom heeft de één alles en moet de ander van honger omkomen?... Waarom al dat leed, terwijl er een Schepper is, een God van liefde?....
In de roman 'De kringloop der ziel' beschrijft Lantos zijn moeizame weg naar het kosmische leven. Ook dit boek heeft Jozef Rulof van gene zijde ontvangen.
De roman bestaat uit drie delen: Het stoffelijke leven, Het geestelijk leven en Het kosmische leven.
Hoewel het verhaal van Lantos is, heeft het boek een veel diepere betekenis. Het gaat in op wezenlijke levensvragen en toont aan, dat alles met alles verbonden is. Het boek laat zien at hoe diep een mens ook gevallen is, er altijd een uitweg is. De weg kan lang zijn en vol beproevingen, mar uiteindelijk bereikt ook de diepst gevallen mens de bron van het licht waaruit hij ooit is voortgekomen.
De schrijver maakt duidelijk dat de wetten van karma, die de wetten van God zijn, niet wreed en zinloos zijn, maar liefdevol en zinrijk.

Hieronder een gedeelte van dit aangrijpende boek.
In mijn kerker:
Men voerde mij weg en ik werd in een kerker opgesloten. Daar zakte ik ineen, naar ziel en lichaam gebroken. Na een poos werd ik wakker. Had ik geslapen? Diepe duisternis heerste rondom mij, een vreselijke dorst kwelde mij en ik voelde stekende pijnen in mijn borst. Alles deed mij pijn, mijn ledematen schenen verlamd, want ik kon mij niet bewegen. Om mij heen voelde ik de stilte van de naderende dood; dat deed mij huiveren. Ik voelde mij als een wrak, mijn ogen brandden in mijn hoofd en mijn tong kleefde aan het gehemelte. Ik was verpletterd: zou dit mijn einde betekenen? Mijn roem was in de kerker als in een flits weggevaagd. Ik kon het mij niet voorstellen, het was niet te aanvaarden. Op mijn levensoceaan had het gestormd, mijn nietig klein scheepje was vergaan en als een hoop ellende was ik op de kust gesmeten. Doch dit was waarschijnlijk nog niet voldoende, ook mijn verstand zou ik wel verliezen. Want dit zou ik niet kunnen uithouden, daaraan moest spoedig een einde komen. De dorst kwelde mij hevig. Toen voelde ik mij wegzinken en viel in zwijm.

Toen ik voor de tweede keer tot bewustzijn kwam, voelde ik mij iets beter. Er was nu licht om mij heen. Had de nacht plaatsgemaakt voor de dag? Ik kon nu ook wat beter denken en mijn lichaam iets meer bewegen. Ik voelde dat die slaap mij had goed gedaan, maar o die dorst! Als ik maar een beetje drinken had om mijn lippen te bevochtigen, dat zou reeds voldoende zijn. Zoiets had ik nog nooit beleefd. Daarnaar verlangde ik, dat was mijn enige wens.
Nu hoorde ik enig leven, waren het mensen? Mensen zouden mij thans angstig maken, ik wilde niemand zien. Alleen drinken, drinken! Ik bevond mij in een cel, maar waar? Men had het niet nodig geacht mij in boeien te sluiten, ik kon mij vrij bewegen. Naast mij zag ik die ketens, waaraan men een geweldig monster zou kunnen vastleggen. Bevrijden was niet mogelijk, de schakels waren te dik, te hecht. Opnieuw hoorde ik leven en wilde roepen om enig drinken. maar kon geen geluid uitbrengen, mijn keel zat dicht.
We waren midden in de zomer en om mij heen voelde ik een akelige hitte, waarin ik dacht te zullen stikken. Ik wilde opstaan doch dat bleek mij niet mogelijk, ik was als verlamd. Dit drama had mij aangepakt en mijn zenuwen geschokt. Toch wilde ik opstaan wrong mij in allerlei bochten en bereikte zo de ingang. Aan de ingang zakte ik weer ineen en wist van niets meer. Hoelang ik gelegen had, wist ik niet, doch een hevig gekraak deed mij plotseling ontwaken en ik voelde dat men mij tegen de muur van mijn cel drukte.

De man die binnentrad, schrok blijkbaar van mij. Was ik veranderd? Ik zag naar hem op en begreep wat hij kwam doen. Hij, reikte mij een kruik over, die ik gretig vastpakte en tot de laatste druppel ledigde. Heerlijk, nu kon ik wat ruimer ademhalen. Dat was een weldaad, waarvoor ik hem zeer dankbaar was. Zonder een woord tot mij te spreken ging hij heen, de deur achter zich sluitende. Mij was dit goed, ik was het liefst alleen, want ik wilde denken, denken, omdat vele gedachten in mij opkwamen. Ik voelde mijn krachten langzaamaan terugkeren en ik wilde trachten naar mijn vorige plaats in de hoek terug te keren. Hoe was het mogelijk om zo ineens al je krachten te verliezen? Het was niet zo eenvoudig m op te staan, maar ik kwam waar ik wilde zijn, hoe gebrekkig het ook ging. Mijn wilskracht had ik nog niet verloren.

Thans trachtte ik een duidelijk beeld van mijn toestand te verkrijgen en begon over alles na te denken. Die schurk, die schoft, had hij in deze toestand gebracht. Waar was Marianne? Was ook zij gebroken? Arm kind, hoe is ons leven, ons weerzien geweest? Is dit ons beider noodlot? Ik ben een moordenaar, een moordenaar. Enige malen herhaalde ik dit woord om de klank ervan te kunnen beluisteren. Een vreemde klank had het en iets afgrijselijks, het betekende de dood. Dood? Ja, Roni was dood en ik leefde nog. Wellicht wist hij thans meer dan ik. Wroeging voelde ik niet, alleen dat ik een mens was zonder hoop.
Mijn bediende speelde met hem een vals spel! O, had ik maar naar mijn innerlijk gevoel geluisterd, want ik vertrouwde hem immers iet. Moest dit geschieden? Had ik mij hieraan niet kunnen onttrekken? Het noodlot was mij gevolgd tot aan het laatste ogenblik. Zijn schedel had ik verbrijzeld. Spijt had ik er niet van, integendeel, hij had het verdiend.
 
Marianne was evenals ik een kunstenares geworden. Een wonder leek mij dit alles toe. Dat zij juist in aanraking moest komen met hem, mijn vriend, een duivel in mensengedaante, die haar bezoedelde, Marianne, die ik liefhad, uit mijn jeugd kende! Neen, duivels was alles. Ik begreep hier niets van en durfde er bijna niet aan te denken. Zij was van huis heengegaan en mij gevolgd.
Geheimzinnig was dit alles. Ik had haar op die wijde wereld willen zoeken en dicht, heel dicht naast mij leefde zij. Nog verschrikkelijker vond ik dit dan mijn moord en al het andere wat ik zou beleven. Als kind gingen onze wegen uiteen, als volwassenen kwamen wij weer bijeen, maar hoe! Welk een einde! Waar was zij thans? Zou zij ziek zijn? Ik begreep dat haar innerlijk als het mijne was geknakt. Het kon niet anders. Wat zou zij nu gaan doen?

Wat had Roni bezield om op mijn kunst jaloers te zijn? Waarom? Ik vond het heerlijk dat zijn mooie lichaam, waarmee hij zoveel leed en smart veroorzaakte, niet meer tot de levenden behoorde. Zijn verschrikkelijke jaloezie en haat zouden anderen niet meer treffen. Nu begreep ik ook hém, mijn angstaanjagende gevoelens en nare dromen, mijn onrust en gejaagdheid en mijn bediende, nu het te laat was. Enige dagen tevoren had ik het reeds gevoeld. Daarom steeds die angst in mij hem te ontmoeten. Was dit alles toeval, oorzaak of een wet? Een onzichtbare macht? Ik kwam er niet achter en zou er wel nooit achter komen, maar het was verschrikkelijk. Ik kon mij niet van hem losmaken, hoe gaarne ik het ook had gewild. En hij? Wellicht hij ook niet. Wij voelden ons steeds tot elkander aangetrokken en toch haatte hij mij en ik hem. Wonderlijk zou ik het vinden, wanneer het niet zo droevig was, zo intens treurig. In ieder geval had het zijn leven gekost en zat ik hier in een cel, wachtend op mijn einde.

Roni, Marianne en ik, hoe machtig was de invloed die ons drieën verbond. Ons drieën? Ja, want wij waren tot elkander gebracht, maar door wie? Door satan? Bemoeide zich de duivel met menselijke dingen? God zou het niet kunnen zijn, God was Liefde. In ieder geval waren het onzichtbare machten of het was het noodlot en de kracht, die ons eerst had verbonden en daarna vernietigd, die was des duivels. Ik aanvaardde dit onherroepelijk, mij scheen geen andere oplossing mogelijk en toch, wat had de duivel met ons nietige mensen uit te staan? Had hij geen ander werk, had hij niets beters te doen? Maar wie was het dán die ons jonge leven vernietigde? Het was een raadsel, ik kon het niet oplossen. Doch ik was weer bezig te vragen 'waarom en waarvoor', zoals steeds. Ook deze eigenschap had ik door dit alles niet verloren. Als Marianne mij maar kwam bezoeken, als haar en mij dit zou worden toegestaan. Misschien wist zij meer dan ik. Zij had hem leren kennen, ik was blind, geheel blind. Hoe afschuwelijk waren mijn gedachten over haar geweest. Graag nam ik alles weer terug, want een duivelin was zij niet. Neen dat niet, dat was het allerlaatste, het droevigste van alles. Wellicht zou ik haar voor mijn dood nog mogen zien. Ik zou het in ieder geval vragen, neen erom smeken, want ik moest en zou haar spreken, voordat ik stierf.

Er werd aan de ingang gerammeld en een hoog personage trad binnen. Hij stelde mij verschillende vragen, die ik alle beantwoordde. Daarna vroeg ik:
'Zou ik iemand mogen ontvangen? Is er hier nog niemand geweest?'
'Neen', was zijn kort en koel antwoord.
'Wanneer iemand tot mij komt, zou dat dan mogelijk zijn?' Hij zwaaide met zijn hand en ik begreep dat het nog niet zo heel zeker was. Een schrale troost. Het was mijn enige verlangen voor ik zou sterven. Wat waren de mensen hard. Een diepe droefheid overviel mij en ik voelde mij doodmoe. Nog eenmaal kwam er iemand, die mij nogmaals wat water bracht. Hoe dankbaar was ik hem daarvoor. Ik dronk ervan, maar wilde iets bewaren, misschien liet men mij langer wachten, dan zou ik tenminste nog iets hebben. Mijn hoofd deed mij pijn en ik voelde mij verzwakt, kon nergens meer aan denken. Reeds te veel had ik gedacht, het had erg mij erg vermoeid, zodat slaap mij overviel. Ik liet mij gaan, in die toestand behoefde ik niet te denken, voelde ik niets van al mijn ellende. Thans zou ik mij willen doodslapen. Weldra ontfermde de slaap zich over mij.

Toen ik weer wakker werd voelde ik mij diep ongelukkig. Het scheen dag te worden en daaraan berekende ik hoelang ik had geslapen. Ik was echter zo versuft, dat ik enige uren in één en dezelfde houding voor mij uit bleef staren. Door de hevigheid van mijn gevoel diep in mij, voelde ik mij wezenloos. Hoe zou mijn einde zijn? Opgehangen, onthoofd of gemarteld, totdat ik zou sterven? Het was mij alles hetzelfde, als ik Marianne maar mocht spreken. Alles zou ik willen doorstaan, mijn leven voor haar willen geven, maar ik moest weten waarvoor ik het deed. Haar wilde ik zien en spreken. De dagen gingen voorbij. Ik kraste enige tekens op de muur en telde de dagen die voorbijgingen. Bijna twee weken zat ik reeds opgesloten en nog was Marianne niet tot mij gekomen. Ik werd angstig dat ook haar iets was overkomen. Toen op een middag mij dit grote geluk werd gegeven, barstte ik in tranen uit. De grendels van mijn cel werden weggeschoven en Marianne trad binnen. Zij vloog in mijn armen, schreide aan mijn borst en beiden waren wij gebroken. Als een bliksemflits begon ik te denken.

'Kom', zei ik, 'verlies geen seconde tijd, kom spreek.' Ik voelde dat wij één van ziel en geest waren. 'Hoe heb ik je lief, Marianne, van mijn jeugd af. Kom, kindlief, zeg mij alles wat gij van Roni weet, want ik moet sterven. Het zal mij dan gemakkelijker vallen heen te gaan.'
Zij was diep ontroerd, maar kon geen woord spreken. Ik stelde haar vragen en langzaamaan hoorde ik van haar, dat ook zij bitter weinig van Roni wist. Ook zij voelde zich tot hem aangetrokken, een band, een afschuwelijke kracht trok haar tot hem. Nu wist ik nog niets, want eenzelfde toestand had ik beleefd. Enige jaren na mij was zij tot de kunst overgegaan. Meer wist zij niet te zeggen, ook zij begreep niets van dit onbegrijpelijke probleem. Ik drukte haar dichter aan mijn borst, want haar had ik in waarheid lief. Zij had mij het hoogste kunnen geven, doch het was niet meer nodig, mijn leven was vernield en ook het hare. Dan begon zij te spreken.

'Mijn kunst is mijn ondergang geweest, Lantos. Vraag niet naar mijn leven, gij stuurt mij weg:'
'Hebt ge mij lief, Marianne?' Zij zag mij met haar betraande ogen aan en ik begreep haar volkomen. We waren één, één in gevoel, één denken, één leven en dit zou aanstonds uiteengerukt worden. Voor hoelang? Mijn hart bloedde en ik moest mij met al mijn krachten inspannen om mij staande te houden. Ik wilde deze ogenblikken beleven, geheel beleven. Vóór mij zag ik een weg, eindeloos, eindeloos lang, zodat ik geen einde zag. Wat betekende dit? Ik keerde tot de werkelijkheid terug en drukte haar nog steviger aan mijn borst. 'Mijn kind, mijn Marianne, zult ge mij nooit vergeten? Als er een eeuwigheid is zullen wij elkaar daar dan terugzien? Zeg mij, hoe zijn je gedachten daarover?'
'Wij zullen leven, Lantos, leven zult ge, het is Gods wil.'
'Is er dan geen dood? Weet ge daarover meer dan ik?'
'Neen, maar het wordt ons toch geleerd?'
'Ach, gij leert en aanvaardt? Het zij zo. Laten we vertrouwen op een weerzien. Waar het ook is, ik zal je blijven liefhebben, door de eeuwen heen, tot in het oneindige. Voelt ge iets dergelijks, Marianne?' 'Ik voel het, Lantos, ik weet nu wat het wil zeggen, echt en zuiver lief té hebben. Ik had niet lief, kon niet liefhebben, nu echter voel ik anders. Vraag niet naar mijn leven, maar ik heb je lief, innig, innig lief.'

Zij kuste mij en ik voelde haar wegzinken, doch ik hield haar in mij vast en zei: 'Marianne, blijf bewust, spaar die seconden, geef mij die kostbare tijd, verlies jezelf niet, blijf wakker, blijf wakker!'
Zij sloeg opnieuw haar ogen op en zag mij aan. Goddank, geen seconde wilde ik missen. 'Verlang naar mij wanneer ik er niet meer zal zijn, zult ge?' Zij drukte zich nog inniger aan mijn borst en schreide. Ik kon niet meer denken en toch had ik nog zoveel te vragen, maar ik voelde mij leeg. 'Verlang, verlang', die éne gedachte kwam in mij op, verlangen, steeds maar verlangen, totdat gij niet meer kunt. Als er een God is, Gij in waarheid Uw kinderen liefhebt, verbindt ons dan na de dood. Verlang naar mij, naar de liefde! Marianne, zult gij verlangen, steeds naar mij blijven verlangen? Wachten, steeds wachten totdat Hij, die zich God noemt, het ons geeft? Als er een Vader in de Hemel is, dan smeek ik u, vernietigt niet dit schone, niet deze liefde, laat ons dit éne, dit heilige behouden.' Ik sprak voort, steeds smeekte ik om onze liefde niet te vernietigen. Ik, die aan Hem niet geloofde, smeekte toch. Ik was mij van Zijn kunnen niet bewust, toch vroeg en smeekte ik, kon op dit ogenblik niets anders doen. Een ongekende rust lag er in mij.

Dan voelde ik mij weer leeg, kon niet meer denken en een duizeling overviel mij. Met geweld verzette ik mij er tegen doch het was mij niet mogelijk. Niet Marianne, maar ik zakte ineen. Nog voelde ik haar in mijn nabijheid, haar lippen op de mijne gedrukt, op mijn ogen en wangen, maar ver, ver weg zonk ik in een oneindige diepte.
In de nacht werd ik wakker. Rondom mij was het duisternis, doch deze duisternis was mij lief, liever nog dan de dag, dan het licht, want hierin kon ik denken. Ik herinnerde mij alles en vond het ellendig, dat ik dit niet meer mocht beleven. Ook dat werd mij niet gegund. Hoe verlangde ik naar de dood. Nu maar zo spoedig mogelijk sterven, dan houdt alles op, ook deze ellende. Weg uit dit leven, van de aarde, van mensen en dieren. Eerst dan was ik van dit vervloekte leven verlost. Ik hunkerde thans naar de stilte van het graf. Naar de dood, dat afschuwelijke monster, daarnaar verlangde ik.

Het werd dag en weer nacht. De dagen en nachten volgden elkaar op en het ging regelrecht naar mijn einde. Maar waarom duurde het zolang? Ik moest toch sterven, dus dan maar zo spoedig mogelijk. Eindelijk brak de tijd aan dat ik veroordeeld zou worden. Zou ik Marianne nog ontmoeten? Op een morgen kwam men mij halen en werd ik voorgeleid. Ik zag rond, maar Marianne was niet aanwezig. Zij was ziek, zo ik hoorde. Ik werd niet ter dood veroordeeld, maar zou levenslang in een kerker opgesloten worden. Ik vroeg om de dood, doch zij gingen daar niet op in, mijn vonnis was voltrokken. Levenslang in een kerker opgesloten, het was verschrikkelijk, ik moest er niet aan denken. Hoe gaarne had ik mijn hoofd op het schavot neergelegd. Alles was mij lief, doch dit was ontzettend. Men bracht mij naar een andere plaats. Geblinddoekt leidde men mij daarheen en ik voelde, dat ik op een eiland werd opgesloten. Noch van mijn ouders, noch van Marianne hoorde ik iets meer. Ik was een levende dode.

Overpeinzing:
Nu had ik de tijd om na te denken. Mijn cel was enige meters in het vierkant groot. Een zwak lichtschijnsel dat door een klein venster naar binnen viel, was mijn enige verlichting. Wanneer de zon onder ging werd het ook voor mij duister. Geen ander licht was in mijn bezit. In het begin van mijn aankomst hier, zocht ik naar een mogelijkheid te ontvluchten. Doch spoedig moest ik die gedachte opgeven, het bleek onmogelijk. Of ik boven of beneden de grond leefde. wist ik niet. Het moest wel boven de grond zijn, anders had ik geen licht. Doch bij mijn binnentreden telde ik de treden die wij waren afgegaan en het waren er twee-en-dertig. De muren van mijn cel waren enige meters dik. Wat zou ik hieraan kunnen veranderen? Niets immers. Dus gaf ik mij al spoedig gewonnen en aan het noodlot over. Uren achtereen lag ik nu op mijn rug naar boven te turen. De eerste dagen gingen op deze wijze voorbij.

Ik had de tijd met alles, behoefde mij in niets te haasten. Mijn gehele aardse leven ging aan mij voorbij. Ik dacht aan mijn jeugd, hoe onbezorgd was deze geweest. Hoeveel hielden mijn ouders van mij, doch zij waren vals en gemeen. Hoe had ik hen leren kennen! Maar de heerlijke uren met Marianne waren de schoonste van mijn leven, de heiligste ogenblikken geweest. Daarna in die andere omgeving, bij verschillende opvoeders, die mij niets hadden geleerd. Toch was ik een groot kunstenaar geworden. In mij was er een kracht, die ergens voor diende en nuttig was. Nu vroeg ik niet meer hoe ik aan mijn kunstgevoel kwam, ik kreeg daar toch geen antwoord op. Wanneer ik thuis was gebleven zou dit niet zijn geschied. Maar ik moest. Een voor mij onbekende kracht dreef mij van die gloeiend hete bodem vandaan en ik ging, met dit als einde. Wraak voelde ik mijn gehele leven, wraak, niets dan wraak
.
Was er een God van wraak? Zouden mijn ouders van dit einde weten? Ik had de hoop nog gekoesterd dat zij mij zouden bevrijden. Maar neen. Zouden zij nog een rustig uur kunnen slapen wanneer zij dit wisten? Zou Marianne het hun vertellen? Ook dat zou niet gebeuren, want ik had het haar immers verboden. Leefde Marianne nog? Was zij door al die aangrijpende gebeurtenissen niet bezweken? Wanneer mijn ouders dit zouden te weten komen, dan zou het hun geluk nog meer vergallen en hun licht verduisteren. Hun God was nu een God van wraak, dat stond voor mij vast. Ik moest echter aan al die dingen niet meer denken. De eerste dagen was ik ellendig geweest over mijn mislukt leven, maar langzaamaan kwam ik er overheen, ik kon er nu eenmaal niets aan veranderen. Het was geschied en thans moest ik de straf met mijn leven boeten. Toch voelde ik mij gelukkig dat ik met mijzelf mijn geslacht had vernietigd. Geen erfgenamen zouden er meer komen, ik, de enige, zat in een kerker opgesloten.

Hier in dit hok wachtte ik op mijn einde. Ik zou niet eens nakomelingen willen bezitten, maar waarom wist ik niet. Toch deed het mij goed dat die zon voor hen niet was opgegaan. Ook zij zaten thans in het duister, hun hoop, hun licht, hun taak had ik vernietigd. Ik voelde nu hoe verkeerd hun gedachten waren. In mijn jeugd dacht ik er reeds over na, maar begreep het niet voldoende, eerst nu voelde ik het. Hun God dacht nu anders over hen. Zouden zij Hem nog kunnen liefhebben, na zoveel onheil? Dit was mijn enige troef die ik had kunnen uitspelen, om hun geluk te vernietigen. En het was vernietigd. Ik was aan hun marteling ontkomen, maar ook nu werd ik gemarteld. Had mijn vader mij maar dood geranseld, dat was mij liever geweest. Toch ook weer niet, want ik gunde hem dát geluk niet. Of hij zich daarvoor leende? O, zeker, daar kende ik hem te goed voor. In ons geslacht waren die wezens en in hen lag vernietiging en geweld. Er waren vroeger, heel diep in het verleden, wel andere dingen gebeurd. Als kind had ik er reeds van gehoord, toch kwam ik niet achter de waarheid. Ik vroeg mijn moeder of dit waarheid bevatte, maar ik was nog te jong, zei zij en zou dit niet begrijpen. Geschiedenis interesseerde mij hevig, maar onze geschiedenis werd voor mij verborgen gehouden.

Tenminste, dat dacht ik. Ik zag en voelde zoveel geweld dat niet goed te praten was. Alles wat in het verleden was geschied daar hadden de levenden niets mee te maken. Wat voorbij was, daar moest ik niet te veel in snuffelen, zo zei mijn moeder. Toen ik er met mijn vader over sprak, haalde hij zijn schouders op, zodat ik niets wijzer werd. Ik werd nu in mijn gedachtengang gestoord, doordat ik aan Marianne moest denken, want ik verteerde van liefde, zodat grote droefheid in mij kwam.. Toch wilde ik niet droevig zijn, want er was nu eenmaal niets aan te veranderen. Het was wel merkwaardig, toen Marianne mij in mijn cel kwam bezoeken, voelde ik, dat ik het zelf niet was die zo sprak.. Ik zou op een dergelijke wijze niet hebben kunnen spreken. Het kwam uit mijn diepste innerlijk voort, dat ik zelf kende noch begreep. Maar vreemd was het. Nu verlangde ik niet meer, ik wachtte nog alleen maar op de dood, want hier kwam ik toch niet meer uit. Ik trachtte dus al die gedachten van mij af te houden, doch telkens keerden ze terug en ging ik verlangen. Mijn liefde was innig, blijkbaar had ik te veel lief. Dacht Marianne aan mij? Als dat zo was, dan voelde ik haar duidelijk en het verwarmde mijn innerlijk.

De éne dag volgde de andere op. Ik hield geen aantekening meer van de dagen of weken, want het maakte mij maar van streek en ik wilde zoveel mogelijk rustig zijn. Ik voelde tevens dat de winter in aantocht was, want het werd steeds kouder. Wanneer de wind door de kieren van het enige luik boven mij loeide, werd ik angstig. Een pijnigend gevoel was het, wanneer de elementen in opstand waren. Hoe kon men nog in een God van Liefde geloven? Hier waren er honderden met mij, die Hem vervloekten. Al die kerels hadden het aller-ellendigst, maar ik zag hen echter nooit, want ik kwam nier buiten mijn cel. Hier leefde ik, dit was mijn en hun wereld. Wanneer ik heel hard tot hen zou roepen, zouden zij mij niet eens horen. Waarom stond God dit toe? Behoorde ik tot hen die vernietigd werden? God was ons aller Vader, Hij zou mij en al die andere mensen kunnen bevrijden. Maar het gebeurde niet.
Het eten was slecht en niet voldoende, evenals het water dat men mij te drinken gaf. Mijn arm lichaam kromp ineen en toch dronk ik ervan, want ik kreeg geen ander. Omdat ik zo' n verschrikkelijke dorst had, moest ik het wel drinken. Maar bij iedere slok voelde ik stekende pijnen in mijn buik.

Waren zij hier bezig om mij op deze wijze dood te martelen? Waarom dan niet ineens, waarom zo te pijnigen? Dat konden alleen mensen doen, een dier deed zulks niet, diens gevoel was niet zover ontwikkeld, dat was niet dierlijk genoeg. Een mens echter bezat intellectuele begaafdheid en kon dan ook beter kwellingen uitdenken. Maar gaf God hem daarvoor deze gaven? Waren de mensen daarom goddelijk, zoals de bijbel zei. Ik was een moordenaar, moest boeten, maar tot zoiets was ik toch niet in staat. Zoiets te doen leek mij afschuwelijk, nog wreder dan mijn daad, het was nog slechter en gemener. Ik had in drift gehandeld, maar zij hier pijnigden mij en al die andere stumperds op langzaam folterende wijze. We moesten dood, maar hoelang zou het nog duren? Het schavot verkoos ik boven deze langzame ondergang. Daarbij kwam mijn innerlijke droefheid, dat opgesloten zitten en dat denken, steeds dat denken, dat niet te beschrijven is. Al dat leed maakte, dat ik naar de dood verlangde, hoe eerder, hoe liever het mij was. Was ik maar niet geboren. Zou ik daarvoor op de aarde zijn gekomen? Ik vervloekte het ogenblik dat ik geboren werd. Of was het mijn eigen schuld dat ik hier was opgesloten? Wie kon mij daar antwoord op geven? Hoe haatte ik mijn ouders, nu nog meer dan vroeger. Na elk leed dat ik voelde, groeide mijn haat. Hoe lang zou dit nog moeten duren? Misschien tien, twintig of dertig jaren. Ik zou er waanzinnig van worden.

Uren lag ik met beide handen onder mijn hoofd voor mij uit te staren. Ik was als een levende dode. Toch klopte mijn hart als van ieder ander mens en voelde ik in mij verlangens naar een beetje zon, een weinig liefde en menselijkheid. Ik hunkerde ernaar en de mens die vrijheid bezat, besefte niet dat hij het nog zo goed had. In mij leefde het en het knaagde aan mijn arme..hart. Doch wanneer ik dit alles doorvoelde, dan gingen toch mijn gedachten naar die onbegrijpelijke God en smeekte ik Hem, om aan deze ellende een einde te maken. Hij, de Almachtige, kon dit doen. Maar ik deed het innerlijk, geen mens of dier zou het mogen horen. Ik durfde niet hardop te vragen of te bidden, als dat bidden was. De diertjes die om mij heen waren, zouden medelijden met mij hebben, als zij zich daarvan bewust waren. Zij vertegenwoordigden het enige leven dat ik hier zag en voelde. Hun aanwezigheid deed mij goed, ik was dan niet de enige hier die was opgesloten.

Het was wel wonderlijk, maar door hen droeg ik gemakkelijker mijn leed, want ik volgde hen op de dag in alles en zo vervloog de tijd, gingen de dagen voorbij en naderde mijn einde. Iedere dag die voorbijging, betekende voor de mensen in vrijheid ouderdom, voor mij zwakte en verlies aan krachten. Door dit eten moest en zou ik doodgaan, moest mijn arm lichaam aftakelen, het kon niet anders. Daarom zat ik steeds te denken, ook aan God. Doch de dagen en weken vervlogen en nog leefde ik. God hoorde mij niet. Moest ik luid, heel luid om hulp roepen? Nog was mij dit niet mogelijk en ik betwijfelde het of God mij zou horen. In kerken zong men dat men het op straat kon horen en ook daar werden geen gebeden verhoord. Zo vermagerde ik zienderogen, mijn arme lichaam leed door reumatiek, koude en armoede en mijn gelaat werd hoekig. Maar de nachten vond ik het verschrikkelijkste, die duurden mij een jaar. In mij begon het weer te verlangen. Mijn hart vroeg naar al die aardse dingen die het leven op aarde veraangenaamden. Ik hunkerde naar zon, eten en drinken, naar wat ruimte en vele andere dingen. Mijn hart vroeg en mijn ziel smeekte. Beide waren droevig, waren aan het afsterven. Als ieder mens op aarde dit mocht beleven, zouden zij hun bezit beter waarderen. Zij beseften niet wat het is, vrijheid te bezitten, eten en drinken en al het andere.

De ongelukkigsten op aarde zijn rijk, bij mij en al die anderen vergeleken. Her gekweel van de vogels, het geblaf van een hond, met een mens te kunnen spreken, o, hoe gelukkig zou mij dat maken. Naar al deze dingen, gelijk ik reeds zei, naar al dat aardse geluk hunkerde ik. In mijn leven had ik het steeds gewaardeerd, maar nu had ik niets van dat alles. Het firmament te mogen zien, de nacht en de dag op aarde, mij te kunnen uitleven in mijn kunst, ach, niets, niets had ik meer. In mijn andere cel wilde ik geen mens ontmoeten, nu verlangde ik ernaar. Een beker water, een vrucht, voor die kleine en nietige dingen gaf ik mijn leven. Mijn lichaam vroeg naar al deze dingen omdat ik leefde. Maar hier was het koud, akelig koud en ik zat ineen gedoken en vocht met mijzelf.

Mens, waardeert  gij bezit. Hoe ondankbaar zijn velen. Gij moppert en klaagt, gij zijt ontevreden en toch hebt gij alles. Gij waardeert het zonlicht niet dat u beschijnt. Sluit u op en gij zult leren waarderen. Ook ik was ondankbaar, maar begreep het niet.. Toch leefde ik met de natuur, zij gaf mij rust en vreugde. Nu zat ik hier in diepe duisternis en tuurde, tuurde, zodat mijn ogen brandden en pijn deden, totdat ik moe was van dat staren, dat denken en verlangen en ineen zonk en wenste dat ik niet meer wakker zou worden. Doch steeds opnieuw ontwaakte ik en ging dan weer verlangen en vragen: waarom, waarvoor dit alles? Ik heb gezondigd, ik bén een moordenaar, maar wat zoudt gij hebben gedaan? Zoudt gij u in alles hebben beheerst? Ik had mij dit reeds vele malen afgevraagd, doch kon er geen antwoord op vinden. Ik zal boeten, zal alles verdragen, maar ik voelde dat er weinigen onder u zouden zijn die anders gehandeld zouden hebben. Die krachten zijn niet in... u wanneer gij liefhebt, waarlijk liefhebt. Mijn liefde voor Marianne deed mij daartoe overgaan, alleen door liefde. Moest ik toezien dat hij, Roni, zijn satansspel geheel voleindigde? Toezien dat hij haar bezoedelde?

Al deze gedachten en daarbij die verschrikkelijke stilte maakten mij bijna krankzinnig. Toch wende ik daaraan, maar ik voelde dat er iets in mij ging veranderen.
Zo volgde ik dus steeds al mijn gevoelens en de dagen, weken, maanden en jaren gingen voorbij.
In contact met de onzichtbare wereld:
Telkens veranderde het in mij en dit hield me bezig, het liet mij denken en voelen en het tevens verwerken. Ik leerde daardoor en leerde de vele eigenschappen die in mij waren kennen en al die verlangens te onderdrukken, zodat ik tevens leerde aanvaarden. De stilte was huiveringwekkend, het was alsof de dood mij toegrijnsde. Hij zou mijn lichaam spoedig in ontvangst kunnen nemen, maar veel zou er dan niet meer van over zijn. Ik voelde hem, hij wachtte op mij en vroeg of laat zou hij tot mij komen. Dan zou ik mij aan hem overgeven, want hij was mij lief, heel lief. Mijn liefde voor hem was gegroeid. 't Klinkt vreemd, maar toch spreek ik de waarheid. Wanneer de duisternis om mij was dan werd ik angstig. De vorige nacht dacht ik niet meer alleen te zijn. Ik meende schimmen te zien die om mij heen zweefden en omhoog en omlaag gingen. Ik keek ernaar, daarna sloot ik mijn ogen, maar bleef hen toch zien. Toen ik na een lange tijd mijn ogen opende, waren zij er niet meer en verdween mijn angst. Wanneer de avond viel en het nacht werd, huiverde ik. Al deze dingen zouden mij waanzinnig maken en dat leek mij iets verschrikkelijks, dat wilde ik niet worden. Ik wilde bewust blijven tot aan het laatste uur.

De daarop volgende nacht zag ik ze weer.
Ze geleken zelfs op mensen! Dit aanvaardde ik echter niet, want ik was hier alleen en wilde mij dus niet suggereren. Toch was het niet meer te loochenen, ik zag ze steeds scherper omlijnd en wist niet hoe mij daartegen te verzetten, of mij ervoor af te sluiten, zodat ik naar de dag hunkerde. De nachten waren nu een vreselijke kwelling voor mij, want iets dergelijks had ik nog nooit beleefd. Het moest mijn lichamelijke krachten ondermijnen, want daartegen was ik niet bestand, dat voelde ik nu zeer goed. Wanneer ik dat waarnam was het of mijn ziel schreide. Ik zat daar stil, heel stil en verroerde mij niet, ik zou het niet hebben gedurfd. Iedere nacht kwamen ze terug, wat moest ik beginnen? Ik wrong mijzelf in duizend bochten. sloot mijn ogen, dacht aan andere dingen en toch drongen ze zich aan mij op en vergalden mijn rust die ik zo hard nodig had. Wanneer het dag was, dacht ik steeds dat ik mij iets verbeeld had, maar 's nachts werd het tegendeel bewezen. Een nacht duurde mij thans een eeuwigheid. Er kwam geen einde aan en ik wist mij geen raad. Het waren net mensen, zij hadden lichamen als u en ik en toch geleken ze op dieren, want er lag een onbeschrijfelijke wreedheid, angst en vernietiging om hen heen. Ik verbeeldde mij niets, dat zou ik niet kunnen, daarvoor was ik te nuchter en te veel zoeker in mijn leven geweest, maar ze waren er.

Wat dit te betekenen had wist ik nog niet, maar veel goeds zouden zij mij niet brengen. Zij konden gaan waarheen zij wilden, ik zag ze door die dikke muren verdwijnen en terugkeren. Zij genoten tenminste de vrijheid. Overal waren zij, want ik zag er steeds meer, boven, onder en naast mij, zelfs gingen ze door mij heen. Hiervan had ik nog nooit gehoord. Wat waren het voor wezens, als het tenminste wezens waren? Ze werden steeds duidelijker voor mij, ik zag zelfs hun handen, die op klauwen geleken. Waren het mensen of dieren, leefden zij op deze of in een andere wereld? Ik vroeg mij af wat de bedoeling van dit alles was. Op een nacht zag ik hun ogen die als vuur straalden en toen ging ik aan mensen geloven. Maar waar zij vandaan kwamen, dat begreep ik niet. Overdag smeekte ik om hulp want ik zou er gek van worden. Was er dan geen God? Moest ik dit alles beleven? Op de dag zag ik niets want dan sliep ik. Maar ik wilde niet slapen, ik moest wakker blijven en 's nachts slapen, zodat ik hen niet meer zou zien. Toch lukte het mij niet wakker te blijven en zo was de dag voor mij nacht en de nacht dag geworden. Een vreemde toestand, de ene kwelling was nog verschrikkelijker dan de andere en thans had ik er vele. Ik riep om genade, doch ik zag geen verandering. Al mijn hulpgeroep hielp niets, God was doof voor mij, als er een God was. Nu ging ik nog meer twijfelen, niets was er meer in mij, dat nog aan iets geloofde. Een God kon dit niet goedvinden, want het was niet om uit te houden. Soms schreeuwde ik het uit, niet zacht, maar hard, maar niets, niets, geen hulp. Eindelijk gaf ik het op. Een God was er niet, de mensen beeldden zich dat maar in. Intussen gingen die wezens voort mijn leven als een hel te maken, zij stoorden zich aan niets, ook niet aan mijn gesmeek.

Zodra de schemering inviel, was het om mij heen duisternis. Dan zat ik diep ineengedoken af te wachten. Mijn lijden was niet uit te houden daar het zo donker was dat ik geen hand voor ogen kon zien. Ik zat te rillen en te beven, zo waren de zenuwen mij de baas. Hoe taai is een menselijk lichaam en toch kon men in het leven zo weinig verdragen.
Mijn gedachten toen ik hier binnentrad waren, dat ik dit niet lang zou kunnen uithouden, doch de tijd verging en de verlossende dood kwam niet, hoewel ik slechts een geraamte was. Toch kan een mens ontzettend veel uithouden, want in mijn vorige cel viel ik ineen toen ik nog niets beleefd had.
Het was stil en huiveringwekkend om mij heen. Ik voelde dat ze zouden komen en zag reeds beweging. Uren gingen soms voorbij, zonder dat ik iets waarnam en dan trachtte ik te slapen, maar kon niet in slaap komen. Ik wilde niet zo angstig meer zijn en mij er tegen verzetten, wellicht werd het dan anders. Nu zag ik bij mij enige wezens en een ijskoude luchtstroom ging door mij heen. Wat was dat nu weer? Doch zij gingen heen en ik werd wat rustiger. Ik moet echter in slaap zijn gevallen, want toen ik wakker werd was het dag. Goddank, deze nacht had mij wat rust gegund. Hoe gelukkig was ik, hoe dankbaar voelde ik mij dat ik had geslapen en die wezens niet had gezien. Ik had geen trek in eten en voelde geen dorst meer, ook dat was merkwaardig. Het werd steeds kouder en ik moest trachten dat te overwinnen. Alles wilde ik uithouden wanneer die geheimzinnige diermensen of wat het ook was, maar weg bleven. Mijn angst voor de nacht werd steeds heviger. Als ik maar wist waar het einde was.

Plotseling dacht ik weer aan Marianne, in lange tijd had ik aan haar niet gedacht. Ik werd te veel in beslag genomen, want er gebeurde hier zo oneindig veel dat mijn geest moest verwerken. Doch de laatste nachten had ik geen schimmen meer gezien, zodat ik vanzelf aan andere dingen kon denken. Reeds dacht ik dat ik mij had vergist, dat mij de duisternis parten speelde.
Arme Marianne! Hoe zou zij het maken? Wanneer ik aan haar moederschap dacht, maakte ik mij kwaad. Waarom moest ik haar op deze wijze terugzien? Maar ja, zij wist van mijn leven niets af, niet eens dat ik leefde. Zou zij haar daad moeten goedmaken? Ik was reeds bezig te boeten en straks ging ik de hel in. Nog was het niet genoeg; als ik daaraan dacht en aan mijn naderend einde, kromp ik ineen. Al deze verschrikkingen en dan ook nog verdoemd? Mijn ziel beefde daarvan.
Marianne vergaf ik alles en ik zou haar blijven liefhebben. Ik mocht aan haar leven niet denken, had zij mij gevraagd en toch deed ik het zo gaarne, het zou mijn tijd doden. Mijn liefde voor haar voelde ik weer ontwaken en dit kwam doordat ik naar warmte hunkerde. Hoe meer ik leed, hoe meer mijn liefde voor haar groeide. Voor mij was dat een zalving, het streelde mijn innerlijk. Doch alleen maar voor haar, voor geen God of ander mens voelde ik liefde. Soms dacht ik dat ik Marianne hoorde bidden. Kon dat? Doch ik slingerde deze gedachten van mij af, want ik wilde mij niets wijsmaken.

Hij, de Schepper van Hemel en Aarde kon mij verlossen. Hoe is het mogelijk, dacht ik, dat ik steeds tot God terugkeer? Ik geloofdé niet in Hem, maar in mij was er iets, dat mij steeds aan Hem deed denken. Zeer vreemd vond ik het, zoals alles en mijn gehele leven was geweest. Het kwam uit mijn diepste innerlijk omhoog. Had dan toch met God te maken? Leefde in mij iets van Hem? Waarom steeds dat vragen en waarom moest ik daaraan denken, steeds en steeds weer? Het was alsof ik een deel van Hem was, ik kon mij daarvan niet bevrijden, steeds keerden mijn gedachten tot Hem terug.
Wanneer ik aan Marianne dacht en haar liefde voelde, dacht ik weer aan God. Waarom dat gesar, was mijn leed nog niet genoeg? Drong God Zijn Liefde aan mij op? Hoe gaarne zou ik U willen liefhebben, gij God van Liefde, maar zie eens naar alles wat vloekt, wat onrechtvaardig is. Met geweld onderdrukte ik al deze gevoelens voor God en Marianne. Toch keerden mijn verlangens naar liefde terug, ik hunkerde naar die warmte, neen ik smeekte erom. Die andere ellende voelde ik niet eens meer, alleen dit. Het verstoorde echter mijn zielenrust, het martelde mij zo verschrikkelijk, dat het was, alsof ik op de geestelijke pijnbank lag. Was dit liefde? Of verbeeldde ik mij maar wat? O, een glimlach van haar te mogen ontvangen, haar voor mij te zien, haar die alleen van mij was, hoe groot mijn geluk dan zou zijn, was niet te omvatten en zou ik in geen woorden kunnen uitdrukken. Van de éne gedachte kwam ik op de andere. Mijn brein raakte verward, ik voelde het aan mijn denken.

God, Marianne, liefde, eten en drinken, die wezens en mijn gehele leven, maakten mij gek. Toch, hoe vreemd het ook was, ik ging naar die schimmen verlangen, omdat ik angstig was dat ik waanzinnig zou worden. Dat gaf mij tenminste afleiding, de tijd vervloog en ik hield dan mijzelf bezig. Wel voelde ik dat ik een speelbal van mijn eigen gedachten werd, overal, naar links en rechts werd ik heen en weer geslingerd, maar ik zou liever mijn hoofd tegen de muur te pletter lopen, dan dat ik krankzinnig zou worden. Dat leek mij  helemaal niet te dragen. De liefdegedachten die in mij waren, deden mij pijn, maar toch verwarmden ze mij ook. In mijn vrijheid had ik de warmte van de liefde niet zo gevoeld, nu echter was het, of die liefde grootser, ruimer en waarachtiger werd. Hoe zou ik thans kunnen liefhebben. Ik verlangde niets anders dan liefde te kunnen geven, voor mijn liefde te zorgen, haar toe te lachen en te beschermen, dan zou ik mij als in een paradijs voelen.

Ik wilde niet liefhebben zoals de mensen denken lief te hebben, neen zo niet, maar ik wilde één zijn van voelen, van begrijpen en van gedachten. Dan zou ik in haar God zien, in haar God kunnen voelen. Als kunstenaar kon ik dat nog niet en daarom begreep ik nu, dat het leed en de smart die ik thans ontving en beleefde, de liefde van de mensen rijpen, rijpen moeten, omdat ik ging waarderen wat ik eens bezat en nu miste. Zie, daar dacht ik aan, ik voelde het in mij, het brandde in mijn ziel en ik liet het branden, want in deze koude deed het mij goed. Mijn hart en mijn gehele wezen schreeuwden en schreiden erom. Zo gingen weer dagen en nachten voorbij. Een tijdlang had ik niets meer van de schimmen gezien. Ik ging naar hen verlangen, want ook dit denken was niet meer om uit te houden. Het kon mij niet meer schelen of het nu nacht of dag was. Alles was mij hetzelfde, want ik was uitgedacht. Ik had geen verlangens meer noch hunkering naar iets liefs. Ik voelde mij alleen leeg en moe, want alles vond ik onrechtvaardig en onbarmhartig.

Tegen de koude had ik enig goed ontvangen en ik was daar zeer gelukkig mee. Nu kon ik die lange winter trotseren, als het nodig mocht zijn en de dood mij niet eerder kwam halen. Ik zat weer in mijn hoekje, want het rondlopen in mijn cel, dat steeds maar ronddraaien, maakte mij duizelig en zo wachtte ik op de dingen die zouden komen.
Ik maakte een eind aan mijn leven en het binnentreden in de geestelijke wereld:
Alles was emotioneel wat ik hier beleefde, maar nu begon ik toch hevig naar de dood te verlangen. Al mijn verlangens hadden plaatsgemaakt voor deze ene gedachte 'de dood'. Roni was gelukkiger dan ik; had hij mij maar, inplaats van ik hem, de schedel ingeslagen want dit lijden was verschrikkelijk.
De dag was heengegaan en de nacht naderde. Ik wilde tracht wat te slapen. De wind huilde weer door het luik, maar dat maakte mij niet angstig meer, daaraan was ik nu gewend. Ik verlangde alleen nog te mogen sterven, meer niet. Innerlijk voelde ik mij wat rustiger, maar toch kon ik de slaap niet vatten, zodat ik onwillekeurig weer om mij heen begon te zien. Ja, daar zag ik weer beweging, dus waren zij in aantocht. In lange tijd had ik van hen niets gezien. Ik had mij dus niets verbeeld. Nog steeds wist ik niet of het mensen of dieren waren. Ik volgde al hun bewegingen en vond het wonderlijk, dat ik niet meer zo angstig was als voorheen. Ze werden steeds duidelijker, maar bleven in een waas gehuld. Ik volgde hen in alles. Waarlijk, zo dacht ik, het zijn mensen. Maar waar komen deze mensen vandaan? Nu hoorde ik een fluisterend geluid en trachtte de betekenis hiervan op te vangen. Maar het was te zacht. Toen vroeg ik plotseling: 'Zijn hier mensen? Zijt gij levende wezens?'
Ik wachtte, maar hoorde niets, doch het leven werd dichter en dichter om mij. Onverwachts voelde ik iets onbegrijpelijks in mij komen. Het was alsof er tot mij werd gesproken. Nogmaals vroeg ik of er mensen waren. Weer hoorde ik spreken, maar ik verstond het niet en vroeg: 'Zijt ge waarlijk een mens?'

Plotseling hoorde ik heel duidelijk zeggen: 'Zoals gij.'
Zoals ik? Maar dat kon immers niet? Ik zat hier opgesloten en was alleen. Ik vroeg: 'Welke krachten zijn het dan, die gij bezit?'
'De uwe' ,hoorde ik zeggen.
'De mijne?' herhaalde ik.
'De uwe', hoorde ik weer.
'Zijt ge mens of dier?' vroeg ik.
'Mens, zoals gij.'
'En waar leeft u?'
'Hier, dicht bij u, om en in u.'
Daarvan begreep ik niets. In mij? Was ik met de onzichtbare wereld verbonden, met het Hiernamaals? Was er dan toch een voortleven? Ik vroeg opnieuw: 'Zijt gij gestorven?'
'Neen', hoorde ik, 'wij leven immers?'
Nu wist ik nog niets. Naast mij zag ik nu verschillende wezens. Ik kon hun lichamen waarnemen en zag, dat het mensen waren. Ze spraken dus de waarheid. Zij zagen mij aan en glimlachten mij toe. Ik herhaalde mijn vraag, doch kreeg geen antwoord.
Nu vroeg ik: 'Zijt gij van de aarde?'
'Ja, hoorde ik zeggen, maar in een andere wereld. Tussen de aarde en het Hiernamaals.' Ook daarvan begreep ik niets. Ik meende, dat men mij voor de gek hield, of suggereerde ik mijzelf? Doch op hetzelfde ogenblik hoorde ik zeggen: 'Ik spreek de waarheid, u ziet ons toch?' 'Ja, ik zie u.'

'Welnu, kom dan tot ons', hoorde ik zeggen, wat mij onwillekeurig deed huiveren. 
'Tot u?' vroeg ik.
'Hier zijt gij van al uw kwellingen bevrijd. Hier is leven en kunt ge u vermaken.' Dit maakte mij van streek, want zij wisten waarnaar ik hunkerde. Dan moesten het mensen zijn, want zij dachten zoals ik. Maar waarom geen rechtstreeks antwoord op mijn vraag, of zij op aarde waren gestorven? 'Zijt gij gestorven', vroeg ik. Toen dacht ik een duivels gelach te horen. Waren het duivels? 'Vertel mij wie gij zijt: vroeg ik opnieuw.
'Is niet mogelijk', hoorde ik.
'Waarom niet?' vroeg ik en hoorde: 'Verrelt gij aan een ieder wie gij zijt?' Dit antwoord was duidelijk, zo denken en spreken konden alleen mensen. Daarna vroeg ik: 'Kunt u denken zoals ik?'
'Zoals gij.'
Geruime tijd hoorde ik nu niets meer, maar zag hen duidelijk. Eerst wilde ik dit verwerken, want ik begreep er nog niets van. Toch stelde ik nog enige vragen, maar ik kreeg geen antwoord meer. De nacht verstreek en de dag naderde, maar nog was ik niet achter de waarheid. De ganse dag dacht ik aan alles en verlangde naar de duisternis, want ik beleefde dingen waarvan ik in mijn leven niet had gehoord.

Eén ding was mij duidelijk: ze waren afschuwelijk die wezens. Het waren gedaanten, menselijke wezens, maar meer duivels. Op de dag, wanneer het licht was, zag of hoorde ik niets van hen. Het daglicht konden ze blijkbaar niet verdragen. Toch hunkerde, ik naar de nacht, want het ontnam mij mijn andere gevoelens, mijn leed, honger en dorst en verlangens. Nu duurde de dag voor mij een jaar. Hoe lang ik reeds hier was wist ik niet. Maar aan het jaargetijde, wanneer de warmte plaats maakte voor de koude, wist ik, dat er weer een jaar om was. Hoe mijn arme lichaam dat kon uithouden begreep ik nog steeds niet. De koude deed mij bijna bevriezen en de zomer soms stikken. Toch gebeurde geen van beide, ik bleef in leven, hoe armzalig het met mij ook was gesteld. Al die verschillende gevoelens die door mij waren heengegaan, kon ik van elkander onderscheiden. Het meest had ik door die verschillende angstgevoelens te lijden gehad, evenals door mijn verlangens. Nu was er een nieuwe bezigheid op komst en daarmee zou ik mij vermaken, daarnaar verlangde ik, zodat de dag mij thans een eeuwigheid duurde. Wellicht kwam ik nu achter de waarheid, zouden zich vele raadselen oplossen. Alles zou in mij veranderen, wanneer ik eerst maar alles van hun leven afwist. Uiterlijk behoefde ik niet meer te veranderen. Wanneer ik, zoals ik nu was, voor mijn vrienden verscheen, zouden zij mij niet meer herkennen. Ik droeg een lange baard, mijn haar hing tot op mijn schouders en het was sneeuwwit. Ik zag er uit als een geleerde, als een eerbiedwaardig mens en toch was ik een moordenaar. Innerlijk en uiterlijk had in mij een grote verandering plaats gegrepen.

Ik nam als gewoonlijk in mijn hoekje plaats en wachtte de nacht af. Naarmate het duisterder werd zag ik ook hen naderen. Nog waren zij in een waas gehuld en ik wist reeds wanneer ik kon gaan spreken en zij mij zouden antwoorden. Om hen heen zag ik thans een roodachtig licht, maar daar doorheen groene lichtflitsen en onwillekeurig moest ik aan een naderend onheil denken dat met hen tot mij kwam. Doch toen zij dichterbij kwamen, dacht ik alleen nog maar aan mijzelf en aan de vragen, die ik zou mogen stellen. Zag ik duidelijk? Waarlijk, ik zag een vrouw. Waar kwam zij vandaan? 'Zijn hier vrouwen?' vroeg ik. Geen antwoord. Ik had toch duidelijk de vrouwelijke lijnen waargenomen, daarvoor was ik kunstenaar. Een kunstenaarsoog zag scherper dan dat van een gewoon mens. Weer zag ik vrouwen, het was er niet één maar het waren er tientallen. Ik zag hun lichamen bewegen, op en neer gaan, als speelden zij een spel, zoals duizenden muggen kunnen doen. Zwierig zweefden zij omhoog om dicht langs mij heen te gaan. Ze waren tastbaar, doch ik durfde mij niet te verroeren. Droomde of waakte ik? Ik betastte mij, sloeg met mijn vuist tegen de muur, kneep mij in mijn ingevallen wangen en constateerde dat ik wakker was. Ja, het waren vrouwen, ik zag ze nu duidelijk. Ik luisterde of ik hen hoorde spreken en zag dat zij elkander omhelsden. Het was vreemd, maar ik was zeer rustig en zag toe.
Plotseling hoorde ik een stem die ik dadelijk herkende en tevens was ik ervan overtuigd, dat ik die innerlijk hoorde.

'Wilt gij vragen stellen?' hoorde ik zeggen.
'O',zei ik, 'gaarne, heel gaarne.' En ik vroeg: 'Zie ik goed, zijn dat vrouwen?'  'Gij ziet juist', hoorde ik en was gelukkig.
'Vertel mij, waar komen deze vrouwen vandaan?'
'Van de aarde', zei de stem. Dit is, dacht ik, een duidelijk antwoord.
Daarna hoorde ik zeggen: 'Ziet gij mij?'
'Neen', zei ik, 'Ik zie u nog niet', maar ik bemerkte, dat zich dicht naast mij iets verdichtte. 'Ja', riep ik heel blij, 'nu zie ik u.' Ik keek in twee groen uitstralende ogen die mij doordringend aanzagen.
Daarna hoorde ik zeggen: 'Ben ik een mens?'
'Ja, u bent zoals ik, een mens, ik dank u.' Daarna trok hij zich terug en ik vroeg: 'Is daar vermaak?'
'Hier is alles. Wij leven zoals wij zelf willen.'
'Prachtig', zei ik. Het gesprek vlotte nu snel, het ging als vanzelf 'Wat moet ik doen om daar bij u te komen?'
Heel duidelijk hoorde ik toen: 'Maak een einde aan uw leven, blijf niet in die kerker, kom tot ons.'
'Meent gij dat?' vroeg ik.
'Ja zeker; ik meen het.'
'Zeg mij eerst nog, bent u gestorven?'

Het wezen scheen te moeten nadenken en na enige tijd hoorde ik: Wij zijn allen gestorven.'
'Zo', zei ik en liet erop volgen: 'Dus er is een hiernamaals?' 'Iets dergelijks.'
'Er is dus geen dood?'
'Neen', hoorde ik zeggen, doch het klonk mij scherp in de oren 'Heerlijk', zei ik, 'u leeft dus aan de andere zijde van het graf?' 'Ja', boorde ik, maar het had lang geduurd voor ik dit antwoord kreeg.
'Stoort ons iets?'
'Ja', zei de stem.
'Dat dacht ik al', zei ik. 'Maar leeft u in de hel?'
'Neen', zei hij, 'hier is het heerlijk.'
Toen hoorde ik een gelach, maar begreep niet waarom zij om vraag moesten lachen; ik meende het toch ernstig.
'Zij lachen niet om u', hoorde ik, 'zij maken pret.'
Pret:?' herhaalde ik. En ik verveelde mij dood. Daar hadden zij vermaak, waren tezamen en ik was steeds alleen. Nu hoorde ik na mijn gedachten zeggen: 'Kom dan tot ons?'
'Ik zal er ernstig over nadenken', zei ik. Daarna vroeg ik, wat mij het meeste bezig hield: 'Zeg mij, lieve vriend, is daar God?' Ik hoorde nu een verschrikkelijk gelach en ik voelde dat mijn vraag dom was gesteld. Satanisch klonk hun gelach mij in de oren. Toch vroeg ik:
'Lacht u om mij?'
'Neen', zei hij.

'Kent u dan een God?'
'Ik niet en wij allen niet', hoorde ik hem zeggen.
Dat was weer een duidelijk antwoord, zij kenden God ook niet.
'Zeg mij, waarde vriend, maar geef mij duidelijk antwoord, zijt gij verdoemd?'
Ik luisterde aandachtig en hoorde hem zeggen: 'Geen van ons weet er iets van.'
'Dus daar bij u is geen verdoemenis?'
'Hier niet.'
Als dat zo was, wilde ik naar die wereld. 'Nog één vraag, die u mij duidelijk moet beantwoorden.'
'Vraag zoveel gij wilt', hoorde ik.
'Ik dank u, ben u zeer dankbaar. Brandt er vuur bij u?'
'Vuur' zegt ge.
'Ja, vuur? In de hel brandt toch vuur?'
'Hier is geen vuur.'
Ook dat niet? Zijn dan de geestelijken op aarde krankzinnig, of ben ik het, dacht ik.
'Het zijn krankzinnigen', hoorde ik hem zeggen en hij herhaalde, 'hier brandt geen vuur.'
'Hoe gelukkig maakt u mij, lieve vriend, hoe gelukkig ben ik.' Een diepe zucht ontsnapte mijn borst. Als dat zo was kon ik weer liefde voor God voelen.

Ik dacht lang na en ook hij sprak niet tot mij, alsof hij blijkbaar wist dat ik moest denken. Na lange tijd vroeg ik: 'Zijn al die geestelijken - en er zijn er velen - dan verkeerd ingelicht?'
'Ja', hoorde ik, 'dat moet zo zijn.'
'En de Heilige Vader?' 
'Ook hij.'
'Dat is verschrikkelijk', zei ik. Miljoenen mensen werden dan bedrogen. Als zij het niet wisten, wie dan? Zij waren toch de vertegenwoordigers van God? Ach, die onbegrijpelijke God. Al die geleerden, die God kenden, waren dus op een dwaalweg, wisten van God niets af, evenals ik. Ik was mijn vriend zeer dankbaar, doch dit probleem werd steeds ingewikkelder, nu kon ik er helemaal niets meer van begrijpen. Wat een mysterie!
'Kom tot ons', hoorde ik hem zeggen, 'en uw leed en smart is voorbij. Alles wordt opgeheven, kom, kom spoedig, de tijd dringt.'
'Zal ik bij u zijn?'
'Welzeker.'
'Is het bij u nacht en dag?' vroeg ik. 'Hebt u mij niet gehoord?' vroeg ik opnieuw, daar het zolang duurde voor ik antwoord kreeg. 'Jawel', zei hij na een tijd, 'maar ik kan u dit niet verklaren.'

'Is mijn vraag dan zo moeilijk?'
'Dat niet, maar vergeet niet dat wij in een andere wereld zijn.' Dat was waar, dat ik daaraan niet had gedacht. Toch vond ik het vreemd. Mijn vraag was niet diep, maar menselijk. Van dag en nacht wist het kleinste kind af is die wereld dan zo onbegrijpelijk? Het moest wel zo zijn, want alle mensen op aarde wisten er niets van, zelfs de hoogste geestelijken niet, zoals zij zeiden.
'Vertel mij', vroeg ik, 'hebt gij genoeg te eten en te drinken?' 'Wij hebben alles wat uw hart begeert.'
'Wat zijt gij daar dan gelukkig, ik bezit helemaal niets.'
'Kom dan en wacht niet langer.'
Nu vroeg ik weer:, 'Gij zijt dus toch gestorven?'
'Ja, zei hij.
'Dank u, thans bent u duidelijk. Op aarde?'
'Op aarde', hoorde ik.
'Kunt u mij nog meer vertellen?'
'Alleen wat gij mij vraagt.'
Ik dacht na en kon niet tot vragen komen. Toch waren er duizenden in mij. Na een tijd vroeg ik weer: 'Weet u dat ik hier op mijn dood wacht?'
'Ja, hoorde ik, 'dat hebt u mij reeds verteld.'
Ik word nog gek, dacht ik, want ik verwarde alles dooreen. 'U bent dus dood en u leeft?' vroeg ik en was verheugd over mijn scherpe vraag.
'Ja, hoorde ik, 'wij zijn dood en wij leven.'
Nu wist ik voldoende. Er was dus geen dood. Zij leefden in een andere wereld en ik zou daarin binnentreden. Dan was de dood iets eerlijks en behoefde ik mij niet angstig te maken. Ik vroeg: 'Hebt ook gij een einde aan dit aardse leven gemaakt?'
'Ik niet, doch velen hier.
'
'Heerlijk', zei ik, 'ik kom spoedig, moet er eerst goed over nadenken.' Het leek mij een grote stap, maar dan was ik van alle ellende bevrijd.
'Wat denkt gij te ,doen?' hoorde ik nu weer.
'Ik zal eerst denken en dan zal ik het u morgennacht zeggen.' Daarna hoorde ik zoiets als een gegrom, doch dacht dat het niet voor mij was bestemd en dat één of ander wezen dat deed, wat ik had opgevangen. Vervolgens hoorde ik:
'Ik raad u aan spoedig te besluiten, de tijd dringt.'
Voor de tweede maal werd mij dit gezegd en ik antwoordde: 'Ik zal voortmaken.'
'Goed', hoorde ik, 'heel goed, want gij bezit nu nog de kracht het te doen. Straks zal uw uitgehongerd lichaam niet meer in staat zijn dit te kunnen.'
'Dat is duidelijk', zei ik, 'daaraan heb ik niet gedacht.' Hij had gelijk, spoedig zou ik die krachten niet meer bezitten. Ik bedankte hem, maar vroeg nog snel, daar het reeds begon te schemeren: 'Helpt u hier nog andere gevangenen?' .
'Ja, nog één.'
'En die anderen?' vroeg ik.
'Die horen en zien ons niet.'
'Dus ik ben bevoorrecht?'
'Dat bent u', zei hij. 'U bent begaafd', liet hij erop volgen.
Dat was waar; hoe duidelijk was dit antwoord. 'Weet u', vroeg ik nog, 'dat ik een kunstenaar ben?'

'Ik weet het.'
'Van wie?'
'Ik zie en voel het.'
'Prachtig', zei ik, 'u hebt mensenkennis. Is die andere die u helpt ook begaafd?'
'Neen', hoorde ik zeggen. 'Gij zijt gevoeliger dan hij.' Dat begreep ik ook en was daar verheugd over. Nog hoorde ik: 'Nu ga ik heen en denk goed na; tot vannacht.'
'Tot vannacht', zei ik, 'en heel, heel veel dank.'
De wezens losten voor mij op, want de nacht maakte plaats voor de dag. Nu had ik heel veel problemen om over na te denken. Zou ik ertoe besluiten? Merkwaardig vond ik alles. Zeer interessant was het. Ik verheugde mij het meest, dat de geestelijken van de aarde van al deze problemen niets afwisten. Hoe schermden zij met hun wijsheid! Hoe geleerd waren al die mensen! Zij waren de uitverkorenen en toch wisten zij niets, niets van dit leven af. Ik voelde mij zeer gelukkig en was al mijn ellende vergeten. De gehele dag dacht ik na. God verdoemde niet, er was geen vuur, twee grote problemen waren dus al beantwoord. Men had daar te eten en te drinken, men leefde daar en men kon gaan waarheen men zelf wilde. Het kon niet mooier. Ik zou er een einde aan maken, vast en zeker. Maar hoe zou ik dit doen? Aan die tralies? Dat was de enige plaats die ervoor in aanmerking kwam. Met mijn hoofd tegen de muur lopen was niet zo zeker. Hier wilde ik niet langer blijven, want ik verlangde naar de mensen, naar feesten en naar eten en drinken, naar liefde en geluk. Mannen en vrouwen waren daar bijeen, het kon niet heerlijker zijn en ik was met alles tevreden. Hier bezat ik niets en het zou nog lang kunnen duren voordat ik zou sterven. Ik wilde die afschuwelijke nachten, die ik in het begin had doorgemaakt, niet weer beleven, dan zou ik krankzinnig worden. Nu bezat ik nog de kracht, over enige tijd niet meer, want ik werd steeds zwakker. Zou ik hier als een zieke moeten liggen?

Neen, ik was vastbesloten er een einde aan te maken en verlangde reeds dat het nacht werd, om het hem te kunnen zeggen. Om door al dat ongedierte te worden opgegeten, daar voelde ik niets voor. Was Roni ook in die wereld? Dan had ik niet gedood, maar hem alleen het aardse leven benomen. Een gevoel van verlichting kwam er in mij. Roni leefde dus en wist thans meer dan ik; ik zou hem zelfs terugzien. Ook Marianne! Dan zouden wij hand in hand verdergaan en elkaar kunnen liefhebben. O, welk een geluk wachtte mij daar. Als zij er reeds was, zag ik haar wellicht onmiddellijk. Wanneer ze echter nog in leven was, dan zou ik wachten. In ieder: geval leefde ik, leefde zij, er was geen vuur en men wist daar van geen verdoemdheid af. Vele schone dingen wachtten mij. Spoedig kon men mijn lijk gaan begraven. Ik zou hun gezichten wel eens willen zien. Wanneer ik hier schrijven kon, zou ik er een heerlijk briefje bij leggen en hun voor alles danken, wat ik in al die tijd had genoten. De zon ging onder, aanstonds zou het nacht zijn. Ik dacht aan al de vragen die ik nog had te stellen en wilde voorbereid zijn. Zuiver moest ik trachten re denken. De vorige nacht werd het mij bijna noodlottig. Mijn brein raakte verward, maar toch had ik de voornaamste vragen onthouden. Het waren die vragen, waarnaar mijn gehele ziel hunkerde. Ik nam als gewoonlijk plaats en wachtte af. Links van mij zag ik reeds beweging. Dadelijk stelde ik een vraag, maar kreeg er geen antwoord op. Nog zou ik moeten wachten.
Maar waar ik ook keek, overal zag ik nu leven. Uit de diepte kwamen zij omhoog, hetgeen werkelijk vermakelijk was. Plotseling hoorde ik zeggen:

'Goedenavond, mijn vriend.'
'Goedenavond', zei ik, 'het verheugt mij dat u zo vroeg zijt gekomen. Weet u dat het avond is?' vroeg ik.
'Ik hoorde het u zeggen', zei hij.
'Weet u dat zelf dan niet?' Ik luisterde, maar hoorde niets. Toen, na enige minuten, zei hij: 'Wat een onzin.'
'Wat een onzin?' herhaalde ik zijn gezegde. 'Ja, zei ik tot mijzelf, het is ook onzin. Ik heb wel andere vragen te stellen. Mijn beste vriend hoort u mij?'
'Ik: hoor u en luister.'
'Dank u, maar luister nu goed, ik heb u wat te zeggen. Ik zal er een eind aan maken.'
'Helpt u mij?'
Zult u mij gelukkig maken?' Ik schrok geweldig, want een satanisch gelach weerklonk.  Zijn het duivels? dacht ik. Onder al dat gelach dacht ik een afschuwelijk gekrijs te horen.
Waar had ik dat eens gehoord? 0, ja, toen Roni stierf. Nu wist ik niet meer wat ik vragen zou.
'Waar denkt gij aan, lieve vriend', hoorde ik hem zeggen. 'Waarom lacht u om mijn vraag?' 
'Hoe komt u erbij, ik lachte niet.'
'Ben ik achterdochtig?'
'Ja, zei hij, 'dit gaat u niet aan.' 'Waarom lachen zij dan?'
'Zij vermaken zich.'
'O, dat verandert.' Ik zag nu vele wezens bijeen en zij maakten zich vrolijk. Iets was er dat mij afstootte, waarvan ik walgde, doch ik slingerde het van mij af. Zij meenden het goed met mij en ik mocht niet ondankbaar zijn. Toch keerde die walging in mij terug en het maakte mij angstig. Daarom vroeg ik hem : 'Wat is het dat mij angstig maakt, weet u dat?'
Scherp was zijn antwoord en ik hoorde: 'Uw geweten.'
'Mijn geweten?' Maar ik moest dit beamen, de man sprak de waarheid. Ik was een moordenaar, ik had gedood.
'Hebt gij nog iets te vragen?'
Ik dacht na, maar wist niets meer te vragen.

'Ik heb weinig tijd', hoorde ik.
'Zo, dat is jammer.'
'Ik zal u helpen.'
'Dat is goed', zei ik, 'dat is heerlijk.'
'Morgen dus?'
'Morgen', zei ik. Ja, morgen zou ik het doen. Nu raakte ik versuft, hun wereld werd onzichtbaar voor mij en ik viel in slaap. Het was  reeds licht toen ik wakker werd en ik voelde mij heerlijk uitgerust. Dat hebben zij mij gegeven, dacht ik. Ik voelde mij sterk en aanstonds zou ik mij gereed maken om van hier te vertrekken. Her voedsel, dat men mij als gewoonlijk bracht, liet ik staan. Nu had ik geen voedsel meer nodig, ik kreeg ander, wanneer ik eerst maar bij hen was. Mijn uitgehongerd lichaam zou ik niet belasten, het had genoeg geleden. Ik sprak mijn arme lichaam toe en zei, dat het ander voedsel zou krijgen en vele andere dingen meer, maar bleef plotseling in mijn gedachtengang steken. Als dit lichaam dood was, dan had het immers geen voedsel meer nodig? Welk probleem kwam thans in mij op? Merkwaardig waren mijn gedachten.
Dat ik daar niet eerder aan had gedacht. Waar kwamen die gedachten zo ineens vandaan? Ik voelde mij duizelig worden. Het licht in mijn ogen werd zwakker. Zou ik blind worden? Ik sprong op en liep heen en weer. Langzaam ging ik weer beter zien. Ik werd zwak heel zwak, het werd de hoogste tijd dat ik er een einde aan maakte. Spoedig zou ik alles gereed maken. Van het stro zou ik een lange stok maken en dan een touw achter de tralies bevestigen. Maar ik had geen touw. Dan moest ik mijn dek maar stuk scheuren. Rustig zat ik nu aan mijn strostok te werken, maar toch waren mijn gedachten bij dat probleem, bij doodgaan en voedsel, want ik begreep niet goed wat dat betekende. Ach, dat ik daar niet verder aan gedacht had. De geest, natuurlijk, had geen voedsel meer nodig.
Doch ook daarvan wist ik niets, had ik nog nooit van gehoord, maar zo zou het wel zijn. De geest, herhaalde ik weer, de geest!

'De geest', hoorde ik plotseling in mij zeggen.
'Wie sprak tot mij? Er werd in mij gesproken. 'De geest, hij leeft, de geest blijft leven.' Ik werd angstig, dat maakte mij van streek, ik was mijzelf niet meer. Ik vervloekte mijn eigen gedachten. Waanzin, niets anders dan waanzin! Ik moest voortmaken, hij had mij van tevoren gewaarschuwd. Maak voort, Lantos, schiet op, je wordt gek, blind en nog veel meer. Aanstonds zou ik sterven, dan behoefde ik niet meer te denken.
'Niet hierover, maar over duizend andere dingen', hoorde ik.
'Zijt gij het?' vroeg ik. 'Kunt gij mij op de dag bereiken? Heerlijk is dat. Ik ben zo gereed, zei ik. Ik knoopte nu al die smalle repen aaneen, bond ze van boven aan mijn strostok vast en probeerde ze achter de tralies te krijgen.
Terwijl ik probeerde dit te doen, begon op hetzelfde ogenblik mijn hart zo hevig te kloppen, dat ik dacht ineen te zullen zinken en de dood zich uit zichzelf over mij ontfermde. Wat betekende dit nu weer? Een kracht voelde ik door mij heengaan, die niet de mijne was. Ik moest steun zoeken om niet te vallen. Ook mijn gezicht verzwakte en zo moest ik mijn plan even opgeven, teneinde op adem te komen. Ik word nog blind, dacht ik. Het is de hoogste tijd, ik zeur te lang. Toch had ik gedacht dat dit gemakkelijker zou gaan. Het was, alsof men mij in mijn doen tegenwerkte. Toen ik daar zo zat uit te rusten, hoorde ik plotseling op de celdeur kloppen. Dat was nog niet geschied. Werden de oppassers beleefd? Weer hoorde ik het. Wel, wel, je wordt stapelgek, als je niet maakt dat je daar komt, dacht ik. Maar eerst moet ik nog wat op adem komen. Mijn gezicht werd hoe langer hoe zwakker, want mijn omgeving zag ik in een waas gehuld. Doch in dat waas zag ik beweging komen. Waren het mijn vrienden? Het waas werd dichter en dichter en nu zag ik een verschijning, die zich net zo opbouwde, zoals zij het steeds hadden gedaan. Alleen zag ik nu licht, een sterk licht omstraalde dit wezen. Duidelijk kon ik zijn vormen zien. Een mooi gelaat had deze verschijning. Wat zou ik nu weer beleven? Daar hoorde ik tot mij spreken.

Luister, mijn vriend, mijn broeder, luister.' Zijn stem had een andere klank, zoals ik nog niet gehoord had. 'Maak geen einde aan uw leven. Het lijden, dat gij hebt beleefd, is niet te vergelijken met dát, wat gij dán zult ontvangen.'
'Wie zijt gij?' vroeg ik.
'Ik ben een geest van het licht.'
'Waarom komt gij niet dichterbij?'
'Dat is niet mogelijk. Nogmaals, ik kom u waarschuwen.' 
'Mij?'
'U. U zult verschrikkelijk te lijden hebben en eenzaam zijn, maak dus geen einde aan uw leven. Gij kunt uw leven niet vernietigen, want de geest leeft voort in de eeuwigheid.'
'Weet u van een eeuwigheid af?'
'Ik leef in de eeuwigheid, waarde vriend.'
'Ik weet het reeds', zei ik, 'uw broeders hebben het mij verteld.' 'Het zijn niet mijn broeders, maar demonen der hel, die u zullen vernietigen.' 'Wat zegt u, vernietigen?' Ik zag naar het wezen en vroeg: 'Zijt gij gekomen om mijn laatste uren te vergallen?'
'Neen, om u te helpen. Reeds eerder sprak ik tot u, doch gij hebt mij van u afgestoten. Ik ben de geest die zoëven tot u sprak en ik wil u beletten dat gij u zelf doodt.' 'U deed dat? Gij gunt mij mijn dood niet eens? Gij wenst mij nog langer te pijnigen?'
'Stil broeder', hernam hij het woord, 'stil wat, houdt u rustig.' Hij zag mij aan, een machtige stroom bracht mij tot rust.

'Wat wilt gij?' vroeg ik.
'Bedenk, waarde broeder, dat God u het leven gaf. Onze Vader die in de hemel is, uwen mijn Vader, gaf u het leven en dit leven moogt gij niet vernietigen. Het is Gods wil dit niet te doen. God is liefde, mijn kind, vergeet dit nooit. Wanneer gij uw straf hebt uitgezeten, zult gij aan een ander leven beginnen.'
God is liefde, dacht ik, God? 'Gij spreekt van God is liefde?' Ik kon mij niet beheersen en schoot in de lach. God is liefde? 'Weet gij', zei ik, 'hoe ik heb geleden en gesmeekt? Weet gij waarom ik hier ben? Weet gij, waarde vriend, hoe men mij heeft behandeld? Weet gij dat ik hier wordt opgegeten door het ongedierte, dat het in mij knaagt en dat die eenzaamheid mij krankzinnig maakt? Gij spreekt van eenzaamheid, heb ik hier niet lang genoeg alleen gezeten? Ik vraag u, misgunt gij mij mijn dood, mijn geluk? Dáár zal ik geluk bezitten, dáár wacht mij eten en drinken. Dáár wacht mij vermaak en vrienden, vrouwen en mannen. Hier ga ik ten onder, lichamelijk en geestelijk. Scheer u weg, lichtende geest. Ga, vanwaar gij zijt gekomen, ik wil uw zalvende stem niet meer horen. Ga, zeg ik u, ga spoedig. Laat mij met rust, stoor mij niet in mijn werk, laat mij doen wat ik wil, ik heb uw raad niet nodig, nu niet en nooit, ga, ga!' Hoe driftig maakte mij deze mens. 'Gij zijt des duivels! Een geestelijke van de aarde. Komt gij soms van uw meester?' Ik dacht te zullen stikken van de lach, toen deze gedachten in mij kwamen. Mijn vrienden hadden mij daarvan verteld en ik begreep. Hier voor mij stond één van die wezens. 'Ga terug', zei ik. Nog steeds stond hij daar en bleef naar mij kijken. 'Wanneer ik gereedschappen had en steen, zou ik u uitbeelden, zei ik. Toch ging hij niet weg en ik voelde een ontzaglijke rust in mij komen. Het was een merkwaardig iemand. 'Wilt gij niet heengaan?' vroeg ik. 'Nog dit, mijn vriend', sprak hij. 'Gij zijt nu niet te bereiken, doch eens zult gij hulp nodig hebben. Als de eenzaamheid u overvalt, de stilte u droevig maakt, wellicht hebt gij dan hulp nodig. Wanneer het voor mij mogelijk is tot u te komen, zal ik u helpen.

Roep mij, mijn naam is Emschor. Hoort u, Emschor. Wij zullen elkander terugzien, eens, eens. Gij denkt dat ik wartaal spreek, maar gij zult dit alles beleven. Dorst en honger zullen u kwellen. Gij vervloekt God, doch gij vervloekt uw eigen leven. Gij zult steeds verder gaan, want er is geen einde. U zult een ander leven binnentreden en wel het leven van de geest, dáár, waar ik leef. Ik zal terugkeren, doch voor ik ga, lieve vriend, wil ik dit nog zeggen: Ik ben gekomen om u te helpen, doch gij wilt niet geholpen worden, gij wenst geen hulp.  Ook ik maakte eens, vele eeuwen geleden, een einde aan mijn aardse leven. Ik dacht mij te vernietigen, doch ik leefde voort en moest dit aan de andere zijde van het graf boeten. Daarom zeg ik u, deze ellende is niet te vergelijken met wat u daar wacht. Weet, dat ik uw broeder ben en dat ik de waarheid spreek. Vaarwel, mijn zoon, weet wat ge doet. God zij met u. De geest verdween voor mijn ogen. Het waas, waarin hij was gekomen, loste op en ik was weer alleen. Een merkwaardig gebeuren was dit. Ik hield de strostok in mijn handen en was sprakeloos. Waar was hij? Ik riep hem bij zijn naam, wachtte lang, maar hoorde niets. Nogmaals riep ik, geen antwoord. Was ik bezig waanzinnig te worden? Was ik bijna zover, dat ik mijn verstand verloor? Waar bent u, riep ik heel hard, als u mij wilt helpen, kom dan tot mij, zeg mij dan iets. Neen, geen geluid kwam tot mij, niets, niets. Ik klopte tegen de deur, betastte mij van alle kanten, sloeg met mijn vuist tegen de muur, wandelde enige malen mijn cel op en neer, sprak tot mijzelf en keerde terug naar de plaats waar ik zat. Nog was ik normaal, want ik wist en begreep wat ik deed. Maar wat dan? Mijn ogen? Werd ik blind? Ik verbeeldde mij maar wat, want waarom zag ik hem thans niet?

Ik hield mijzelf maar op. Ik zou er vlug een einde aan maken, want ik werd blind, ik kon niet goed meer zien en het werd dus de hoogste tijd. Ik wilde niet in de eenzaamheid terug, ik wilde mensen zien en leven om mij heen. Hier werd ik ziek. Nog bezat ik de kracht daartoe, straks, wanneer ik blind was, was het te laat. Ik sprong op en stak de stok omhoog. Ja, nu lukte het. Het koord trok ik naar beneden en maakte een strop waar ik doorheen moest. Ik keek om mij heen, maar geen wezen was in mijn nabijheid. Eerst probeerde ik of het sterk genoeg was om mij te dragen. Ja, het hield gelukkig, maar bij iedere handeling rilde ik. Ik voelde mij nu koortsig worden, mijn hart klopte in mijn keel en mijn knieën knikten. Wat zou ik nu weer beleven? Ik had het gevoel alsof het bloed uit mijn lichaam stroomde. Was het dan zo moeilijk om te sterven? Nu spande ik al mijn krachten tezamen, stak mijn hoofd erdoorheen en liet mij zakken. Het koord sneed in mijn vlees, een rochelend geluid steeg uit mijn borst en ik voelde dat ik stikte. Mijn hoofd barstte van inspanning, mijn ogen puilden uit de kassen en mijn borst zwol op.

Plotseling dacht ik aan Marianne. Dan vloog in een flits mijn aardse leven aan mijn geest voorbij en voelde ik een afschuwelijk gebeuren. Ik voelde dat ik vaneen scheurde, alsof ik aan stukken werd getrokken. Daarna trok iets mij omhoog en hoorde ik een satanisch gelach om mij heen, dat in mijn ziel trilde. Vals en gemeen klonk het. Waar was ik? Leefde ik? Nu hoorde ik spreken, maar ver, heel ver van mij vandaan. Toch verstond ik ieder woord. Ik hoorde: 'Nu zijt gij hier, bij ons. Gij zult leven zien, veel, heel veel leven. Het dierlijke leven zal aan uw ziel. knagen. Wraak! Eindelijk is dan mijn tijd gekomen, wraak is zoet, Lantos Dumonché. Wraak is zoet, hoort ge? Onze wegen gaan nu uiteen. Weet, dat gij mij eens gemarteld hebt, mij hebt bestolen en te gronde gericht. Uw leven zij vervloekt! Vervloekt, gij en de uwen. Vaarwel, gij hebt uw schuld betaald. Wraak! Wraak! De duivel hale u!'
Verschrikkelijk, wat een monster! 'De wormen zullen in uw ziel een woning vinden. Mij zult gij niet meer ontmoeten. Wraak, wraak', hoorde ik heel ver en de stilte trad in. Doch ik leefde! Was ik bij de doden? Wat bezielde dat wezen? Het was de stem die steeds tot mij had gesproken. Had ik hem iets misdaan? Was ik bezweken? Leefde ik nog op aarde? Waar leefde ik? Ik kon zien en horen en toch was er duisternis om mij heen. Waar zijn nu al die wezens? Wat een schok, hoe afschuwelijk was dat. Was ik gestorven? Ik kon bijna geen ademhalen. Om mijn keel lag een knellende band, mijn hoofd stond gespannen. Ik keek om mij heen, wat was dat?

Naast mij hing mijn stoflichaam en ik herkende mijzelf. Mijn stoflichaam hing daar aan de tralies en ik hing ernaast. Ik trachtte mij te verwijderen, doch iets hield mij vast en trok mij naar het stofkleed terug. Toch wilde ik weg van dat lijk, doch een kracht was sterker dan ik en met een smak werd ik in mijn stoflichaam teruggeslingerd. Afschuwelijk was het. Ik leefde in de geest en kon niet gaan waarheen ik wilde. Droomde ik of was ik waanzinnig? Nu voelde ik een hevige koude. Maar waar waren zij? Waarom lieten zij mij nu alleen? Was ik in de eeuwigheid en had die lichtende gestalte de waarheid gesproken? Waren die anderen demonen? Had ik nog niet voldoende geleden? Ik was bedrogen en barstte in tranen uit. Dit was mijn eerste teleurstelling, maar een verschrikkelijke! Zij hadden mij in een nieuwe ellende gestort. Een ellende die ik moest leren kennen en waarvan ik voelde, dat zij nog erger zou zijn dan die ik reeds had beleefd. Haat, niets dan haat wachtte mij aan deze zijde op.
Wraak, riep het wezen mij toe, wraak is zoet. Had ik hem iets misdaan? Ik kende hem niet eens, wist van niets af. Had ik hem vernietigd, bedrogen en gemarteld? Ik schreide lang, want ik was geschokt en diep ontroerd. Angstig was dit alles en ik rilde van hun haat. Nu wilde ik weten wat mij vasthield, doch eerst moest ik rustig zijn, heel rustig. Ik zag dat uit mij een snoer kwam, dat mij met mijn stoflichaam verbond. Dit koord werkte elastisch. Het lag om mijn gehele stofkleed en het was mij onmogelijk dit te verbreken. Mijn God, riep ik wanhopig uit, wat heb ik toch gedaan? Hoe kunt Gij dit goedvinden? Had ik maar geluisterd naar die lichtende geest, die sprak de waarheid. Ik voelde mij nog ellendiger dan in mijn cel. Hoe vals, hoe gemeen waren zij om mij dit te gunnen. Was ik in de hel? Vuur zag ik niet, dus daarin hadden zij de waarheid gesproken. Nogmaals probeerde ik mij los te rukken, doch mijn krachten bezweken en ik moest ophouden. Mijn keel trok dicht wanneer ik mij tegen dit vastzitten verzette. Wanneer ik rustig bleef, dit had ik reeds gevoeld, was het te dragen en kon ik ademhalen. Doch bij het geringste verzet keerde alles in hevigheid tot mij terug en leed ik afschuwelijk. Rustte op mij een vloek? Ik begreep dit niet. Echter een ding wist ik, dat er geen dood was en dat ik nu in de eeuwigheid leefde. Ik hield mij thans zoveel mogelijk rustig, want ik wilde denken. Eindelijk wist ik dan dat er geen dood was, doch ik was alleen, geheel alleen. Het was een lege wereld waarin ik leefde. Ik trachtte mijn toestand te begrijpen.

Was dit het Hiernamaals? Ik legde mij neer om te slapen, doch voelde dat ook dat niet mogelijk was. In mij voelde ik een hevige werking en die werking hield mij wakker. Wat heb ik gedaan, dacht ik, hoe dom ben je geweest. Ik voelde, hoorde en dacht als op aarde, in niets was ik veranderd. Ik voelde mijn hart kloppen, ik had honger en dorst, maar ik bezat niets, geen eten, geen drinken en ik hunkerde er toch zo naar. Ik wilde het nog eens proberen om mij van mijn stoflichaam vrij te maken. Ik wrong mij geheel in mijn aardse kleed en wilde mij bewegen. Neen, het kon niet, ik ging erdoorheen. Het was dood, daar hing mijn lijk, waarin had ik geleefd, dat kleed had mij gedragen en gediend tot aan het ogenblik, dat ik er een einde aan maakte. Ik hier was Lamos Dumonché en dat daar was slechts een bijkomstig iets, een kunststuk van scheppingskracht, maar het had geen waarde in dit leven. Straks zou men dit kleed begraven en ik leefde voort, wellicht tot in het oneindige. Het was wel merkwaardig, wanneer ik aan andere dingen dacht, voelde ik mijn ellende niet zo hevig. Spoedig begreep ik, dat, als ik geheel in die gedachten overging, mij dat andere niet zo kwelde. Behoorden deze krachten bij dit leven? Ik zou op alles goed letten en trachten mij dit eigen, te maken, misschien verzachtte het mijn leed en ook dat, wat ik nog zou moeten beleven. Dit leven, ik voelde dit duidelijk, was zo heel anders dan het aardse leven. In dit leven dacht ik en onmiddellijk ging ik in die gedachten over. Op aarde moest men eerst denken en dan handelen. Hier was het reeds geschied, wat mij duidelijk was opgevallen. Een afschuwelijk probleem leerde ik nu kennen. Ik kende reeds de dood en het eeuwige leven, al wist ik er nog weinig van af. Zou ik ook God leren kennen? Hoe verlangde ik ernaar en toch beefde ik als ik aan Hem dacht. Maar ik zou afwachten, alles goed in mij opnemen en verwerken. Ik had het gevoel, alsof ik tussen hemel en aarde zweefde, want zoals ik reeds zei, deze wereld was leeg, ik leefde in een lege ruimte en voelde geen grond onder mijn voeten.
Kunt gij u iets dergelijks voorstellen? Ik ging nog meer voelen en ik wist nu, dat ik mijn aardse leven zelf had afgesloten, had willen vernietigen wat toch niet mogelijk was. De geest Emschor had de heilige waarheid gesproken en ik zou zijn naam niet vergeten, wellicht had ik hem eens nodig.

Er lag om hem heen licht en aan dat licht herkende ik de waarheid. Wanneer ik dat erkend had was ik nog in mijn stoflichaam geweest. Doch al dat leed en die problemen, al die ellende en dat eenzaam neerzitten, hadden mij naar hier gebracht. Hoe had ik mijzelf vergeten. Maar ik wist niet beter.
Doch ook hier was eenzaamheid, koude en diepe duisternis. Angstwekkend was de stilte die ik hier voelde. Opnieuw volgde ik het snoer, want ik kon het nog steeds niet aanvaarden. Doch toen ik mijn toestand voelde, kwam er een diepe smart in mij, omdat ik dit afgrijselijke dacht te begrijpen. Neen, dat was toch niet mogelijk, dat kon ik niet verwerken, want het zou mij geheel vernietigen. Ik begreep nu, dat eerst mijn stoflichaam verteerd moest zijn, voordat ik mij zou kunnen verwijderen. Zelf moest ik het verteringsproces meemaken.
Mijn ziel kromp ineen, toen ik dit voelde. Nu begreep ik hun gezegde, dat de wormen in mijn ziel een woning zouden vinden. Ach, hoe afschuwelijk was deze waarheid. Daardoor voelde ik die werking in mij, al dat onbegrijpelijke leven. Hieraan viel niet te twijfelen, die waarheid moest ik aanvaarden, want ik zag en voelde het in mijzelf. Dit maakte mij geheel van streek, het was een verpletterende waarheid. Geen marteling, geen ellende op aarde hoe wreed ook, was met deze verschrikking te vergelijken. Had mijn vader mij maar dood geranseld, hoe gaarne had ik mij aan hem overgegeven. Ik walgde van hetgeen ik voelde en waarnam, want het proces had reeds een aanvang genomen. Hoe lang zou dit duren? Een onmenselijk iets ging zich afspelen en dat moest ik beleven. In mij kwam een afschuwelijke lucht en ook dat begreep ik.

Zelfs mijn reukorganen had ik in dit leven behouden. Mijn aardse pijnen en al die smarten in mijn kerker waren kleinigheden bij dit nieuwe en geestelijke leed. Als er dan toch een God is, een Vader van Liefde, als er rechtvaardigheid en barmhartigheid is, als er medelijden bestaat die mensen en dieren voelen, als er een Almachtig Vader in de hemel is die over al Zijn kinderen waakt, dan vraag ik mij af, hoe kunt Gij dit goedvinden? Ik moest wel in de hel zijn. Vuur zag ik echter niet, maar dit was nog erger. Ach, mijn God, na zoveel leed ook dit nog. Hiervan wist men op aarde niets. Hoe diep zijn deze problemen, hoe verschrikkelijk is geestelijk leed.
O mens, maak geen einde aan uw aardse leven. Sluit het daglicht niet af, aanvaard, aanvaard alles, anders staat gij aan deze zijde voor uw mislukte leven.
Hoe zou ik dat aan hen op aarde luid, heel luid willen toeroepen! Wat er ook geschiedt, wat gij ook beleeft, hoe vreselijk uw leed op aarde ook is, doe dit niet, houd het uit, want er komt een einde aan alles. Gij hebt licht, gij ziet mensen, gij kunt gaan waarheen gij wilt, gij hebt uw eigen wil, gij hebt alles.
Maar ik zat hier vast, moest beleven dat mijn lichaam verteerde en voelde het, want in mij speelde zich dit' alles af. Wat is gebroken liefde, wat is het verlies van uw geliefde, uw bezit, geld of goederen en duizend andere dingen, wanneer gij weet dat er een voortgaan is? Door bedroefdheid of verschillende andere dingen maken velen een einde aan hun aardse leven, maar dan zullen zij dit moeten beleven, dit afgrijselijke, het verteringsproces van hun eigen kleed. Hier kwam ik tot nadenken, in de stilte van mijn eigen graf leerde ik deze problemen kennen. 0, als ik dit eens aan de mensheid mocht vertellen, als dit eens mogelijk was en mij werd toegestaan! Wanneer die wetten en krachten bestonden, dán zou ik mijn zielenkrachten erin neerleggen en al mijn ellende beschrijven, om de mensen op aarde voor dit afschuwelijke proces te behoeden. Misschien zou dat mogelijk zijn.

Er waren zoveel wetten en problemen die ik reeds had leren kennen, wellicht was ook dit mogelijk.
Ik voelde dat ik mij op rust moest gaan instellen, anders was mijn leed niet te overzien en niet te dragen. Reeds voelde ik dat, wanneer mij rustig hield, mijn keel niet zo'n hevige pijn deed en ik adem kon halen. Maar stil neer te zitten, dat kon ik toch niet. Ik wilde mij reeds bewegen, moest in beweging zijn, want dan voelde ik de werking niet die mijn lichaam onderging. Ik mocht tevens niet in opstand komen, moest rustig zijn en denken, dan leerde ik al deze toestanden kennen. Het leven dat in mijn stofkleed leefde, ging ik nu steeds duidelijker voelen.
Wanneer ik trachtte hier vandaan te komen, keerde alles in hevigheid in mij terug en toch probeerde ik het telkens weer, omdat ik dacht het toch te kunnen. Maar het ging niet, ik zat onverbiddelijk vast. Ik beleefde de wet van oorzaak en gevolg. Kleine oorzaken hebben grote gevolgen en ik dacht dat dit het grootste en laatste gevolg was. Ik had mij geen grotere ellende kunnen bezorgen. Ik voelde dat dit het diepste leed was. Een wet had ik verbroken, die niet te verbreken is. Nu begreep ik wat de geest van het licht bedoelde.

Ik voelde en zag die wet, neen, ik beleefde die wet met hart en ziel. Wanneer dit was geschied, zou ik dan kunnen gaan waarheen ik wilde en zou mij weer opnieuw leed en smart tegemoet komen? Hoe lang was ik reeds aan deze zijde? Nu dacht ik beweging te voelen. Naast mij zag ik schimmen en die schimmen waren als zij, die mij naar hier hadden gelokt. Ik voelde dat ik van deze plaats werd gedragen en ook dat begreep ik. Men ging mijn lijk begraven. Ik kon de mensen niet zien, niet horen spreken en toch wist ik waarheen ik ging, wat er met mij geschiedde. Ik spande mij in om te luisteren, maar neen, ik hoorde niets, geen geruis drong tot mij door. Voor die wereld was ik afgesloten en dat had ik zelf gedaan. Ik voelde nu dat ik daalde en kwam tot rust, maar de kist zag ik niet, waarin ik toch zou moeten liggen. Wat bij de stof behoorde was onzichtbaar voor mij. Alles was onzichtbaar, alleen mijn lichaam niet, want daarin leefde ik, daar zat ik aan vast. Mijn lichaam en ik waren één door dat vervloekte koord. Wanneer het mijn tijd zou zijn geweest, zou dat koord dan zijn gebroken? Ik begon reeds opnieuw vragen te stellen. Wanneer de mens sterft, zouden zich dan deze lichamen splitsen en ging het ene de aarde in en zou het andere blijven voortleven? Het moest wel zo zijn, want hier beleefde ik het. Ik was geest en de geest leefde voort tot in het oneindige. De geest van het licht die mij gewaarschuwd had, zei mij dit. Wat zou ik dan een eind moeten afleggen.

Waar was God? Hier? Dit kan toch Zijn Hemel niet zijn, want dit was aller-droevigst. De schimmen die ik zoëven had waargenomen, gingen heen. Mijn aardse kleed lag nu in het graf, doch ikzelf leefde ernaast en moest dit alles beleven. In deze afgrijselijke stilte moest ik tot mijzelf komen en zo dacht ik aan mijn gehele leven op aarde. Alles wat ik had gedaan, tot in de kleinste kleinigheden toe, al mijn gedachten en daden gingen weer aan mij voorbij. Toen kwam ik bij Roni, hem had ik gedood. Roni, mijn vriend, waar zijt ge? Leeft ge in deze wereld, of hebt gij een andere dan ik? Zijt ge ook zo bedroefd en hebt gij ook zoveel leed ontvangen als ik? Ach, Roni, kunt gij mij vergeven? Ik dacht geruime tijd aan hem en kon mij van deze gedachten niet losmaken. Steeds maar door dacht ik aan mijn moord en aan hem, mijn vriend, wiens leven ik vernietigde. Hoe afschuwelijk is een moord, om een mens zijn geluk, zijn licht en alles wat het ook mag zijn, te ontnemen. Daartoe bezat ik niet het recht. Hoe vloekte en druiste mijn daad tegen alle wetten in. Hoe verkeerd had ik daarmee gedaan. O, vurig smeekte ik hem om vergeving. Nu ikzelf dit alles beleefde en alle hunkering naar het leven weer in mij terugkeerde, nu ik voelde hoe heerlijk het was op aarde te mogen leven, iets te mogen doen in welke vorm ook, nu besefte ik wat ik had misdaan. Roni, mijn vriend, riep ik, ik zal je om vergeving smeken. Waar zijt ge? Kom tot mij, ik smeek erom, neem dit van mij weg, vergeef mij en ik zal goedmaken, zal alles boeten. Mijn leven wil ik geven, als ge mij wilt vergeven.

Uren, neen weken lang volgens aardse tijd dacht ik aan hem. Ik kon mij maar niet vrij maken, hij alleen hield mij bezig. Waarom, vroeg ik mij af, waarom moet ik zo hevig aan hem denken? Soms verzwakte mijn denken, maar dan weer drong zich alles aan mij op en vergeleek ik deze problemen met zijn leven, dat ik vernietigde. Nu dacht ik meer licht te zien, of verbeeldde ik mij maar wat? In mij was het weer rustig, maar ik bleef aan mijn vriend denken, deze gedachten en gevoelens bleven in mij.
Hoorde ik goed? Ik luisterde aandachtig, het was net of ik iéts hoorde. Een stem? Een zacht geluid? Ik luisterde opnieuw en ja, ik hoorde een zachte stem, een gefluister klonk in mijn oren. Als van verre kwam het tot mij en ik dacht die stem te kennen. Nu werd ze duidelijker en ik hoorde in en om mij zeggen: 'Maakt gij mij wakker?'
'Ach, zijt gij het?' Ik durfde zijn naam niet uitspreken, toch moest het en ik vroeg: 'Zijt gij het Roni?'

'Ja, ik ben het, gij maakte mij wakker.'
'Ik?' vroeg ik.
'Gij, Lantos, alleen gij. Maar het zijn andere krachten die u de kracht geven, om mij wakker te maken. 0, hoe groot is mijn slaap, hoe diep, hoe diep ben ik ingeslapen.'
'Waar zijt ge, Roni?'
'Ik weet het niet.'
'Kunt gij mij vergeven, Roni?'
'Neen', hoorde ik hem zeggen.
'Neen?' herhaalde ik. 'Hoe kunt gij zo hard zijn. Ik smeek erom, Roni, ik smeek u, vergeef mij? Ik heb zo geleden.'
'Ook ik, want mijn leven werd afgesneden en dat deed gij, Lantos.' 'Vergeef mij Roni, toe, vergeef mij?'
'Ik zou het wel willen, Lantos, doch het is niet mogelijk'.
'Niet mogelijk, zegt ge?'
'Niet mogelijk. De daad, uw daad blijft.'
'Hoe komt gij aan die wetenschap?'
'Ik weet dit, want in mij, hoort ge, diep in mij, ligt het. Het is een kracht die sterker is dan ikzelf. Die kracht zegt het, die dringt zich  aan mij op. Ik moet ernaar luisteren, want die drijft mij in deze toestand.'
'Hoe verschrikkelijk, hoe hard zijt ge.'
'Ik ben niet hard, Lantos, ik wil u vergeven, maar het kan niet.
Eerst dán, wanneer dit alles zal oplossen en die wetten in harmonie zijn gekomen. Wij stoorden die wetten, gij en ik. Wij beiden, Lantos, zullen dit alles moeten goedmaken, eerst dán kan ik u vergeven. Maar waarom maakte gij mij wakker?'

'Ik?'
'Ja, gij.'
'Ik ben er mij niet van bewust. Hoe komt gij aan deze wijsheid, Roni?' 'Het ligt in mij, ik voel het. Het is alsof ik droom en uit mijn droom tot u spreek. Wie geeft mij de kracht tot u te spreken? Weet gij dit? Kunt gij mij antwoorden? Toe Lantos, geef mij antwoord!' 'Ik weet het niet, kan u niet antwoorden. Eerst moet zich alles oplossen, zegt ge?'
'Ik voel dat het zo zal zijn.'
'Wat doet ge nu, Roni?'
'Ik moet slapen, maar ik zal leven.'
'Weet gij iets van Marianne af?'
'Neen, maar ik zal haar zien, zal haar ontmoeten.'
'Gij?'
'Ik, Lantos, ik, omdat het moet, want ik voel het.'
'Sart gij mij nog in dit leven? Durft gij mij ook nu nog te haten, gij schoft? Een schurk zijt ge! Gij met Marianne en ik hier? Hoe durft gij dit nog te zeggen? Hoe wreed, hoe duivels zijt ge, hoort ge, duivels. Uw haat is duivels. Gij. . .' Ik voelde dat ik wegzonk; maar  na een ogenblik keerde ik in mijn vorige toestand terug. 'Roni', riep ik opnieuw tot hem, 'meent gij dit?' Ik luisterde, maar hoorde niets. Dán, na een kort ogenblik, hoorde ik hem zeggen: 'Waarom roept gij mij terug? Gij ontsteelt mij mijn rust, laat mij slapen.'
'Zeg mij Roni, of gij dit alles meent.'
'Het ligt in mij, dat ik zal leven en Marianne terugzien. Maar waarom roept gij dit in mij op? Wie geeft u het recht daartoe?'

'Ik roep u niet terug, Roni', zei ik, en vroeg: 'Ziet gij mij, Roni?' 'Neen', hoorde ik hem zeggen, 'doch ik voel u, ik kan u alleen voelen. Ge zijt hier bij mij.'
'Dat is niet waar', zei ik, 'ik ben hier.'
'Hoe het ook is', zei hij, 'ik voel u en hoor u tot mij spreken.'
'Ook ik, hoor en voel u', zei ik tot hem.
'Ik ben ingeslapen, maar wanneer ik wakker word voel ik, dat ik zal leven.'
'Denkt gij, Roni, dat het andere krachten zijn waardoor wij dit beleven?'
'Het moet wel zo zijn, want ik haat u, hoort ge, ik haat u.' 'Hoe hard zijt ge.' 'Wie heeft die liefdevolle gedachten voor u in mij gelegd? Nogmaals, ik haat u, Lantos, ik haat u.'
De stem kwam van verre tot mij, ik voelde dat hij, Roni, tot zijn wereld terugkeerde. Waar leefde hij eigenlijk? Alweer een nieuw probleem. Hij zou Marianne zien en ik niet? Waarom hij? Wat betekende dit nu weer? 0, die schelm! Tot na het graf haatte hij mij. Had ik hem wakker gemaakt? Sliep hij dan en moest hij slapen? Het was weer heel vreemd. Wie zou hem en mij helpen? Ik had iets gevoeld, zag meer licht, maar nu was het weer diepe duisternis. Zou het die lichtende gestalte zijn geweest? Emschor? Was hij het? Het moest wel zo zijn. Roni maakte men wakker, als in een droom sprak hij met mij en ik voelde dat er iets was, dat dit tot stand bracht. Ik vond Roni hard, omdat hij mij nog haatte. Maar ik had hem vergiffenis gevraagd en ik voelde mij nu opgelucht. Hij zou nu zelf maar moeten weten wat hij deed. Ik had er spijt van, dat ik mij weer kwaad had gemaakt, maar hij was als een duivel geweest en nog in niets veranderd. Alle zonden wilde ik goedmaken, maar hij niet, hij wilde leven, hij haatte en bleef haten.

Hij wilde opnieuw leven? Of moest het? Was dit een wet? Hij en Marianne? Ik echter voelde haar niet. Waarom hij wel en ik niet? Had hij recht op haar? Door wat? O die duivel, hij sarde mij, hij dacht mij ook hier nog te pijnigen. Doch ik dwong mij weer tot andere gedachten en trachtte tot mijzelf te komen.
Door al dat denken werd ik vermoeid en ik wilde proberen of ik kon slapen. Doch dit moest ik opgeven, het verteringsproces hield mij wakker. Van tijd wist ik nu niets meer, want in mijn cel had ik de dagen niet meer opgetekend en hier zou ik dat niet kunnen. In mijn gevoel waren er maanden voorbijgegaan, maar het konden ook wel jaren zijn. Ik bleef denken en denken en telkens probeerde ik mij te bevrijden. Toch kon ik mij reeds wat verder van mijn stofkleed verwijderen, waardoor ik begreep, dat eens het einde zou komen, hoewel het nog lang kon duren. In mijzelf voelde ik vele andere gevoelens, die regelrecht van mijn stoflichaam tot mij kwamen. Ik kon die pijnen en dat gevoel niet tegenhouden, dat leven ging door, moest doorgaan, anders zou ik hier eeuwig blijven zitten. Hoe sneller zich dit proces voltrok, hoe liever het mij was.

Zo ik reeds zei, bracht mij mijn denken enige verlichting, omdat ik dan in gevoel overging in hetgeen waaraan ik dacht. Ik begreep hierdoor, dat, wanneer ik mij op andere dingen kon instellen, ik mijn pijnen en alle kwellingen die ik nu beleefde, niet zo intens voelde. Alles is hier concentratie en ik leerde mij al die gevoelsafstemmingen eigen maken. Plotseling voelde ik een hevige schok door mij heengaan. Ik vroeg mij af wat dit te betekenen zou hebben. Het kwam van mijn stofkleed. Ik concentreerde mij en begreep de betekenis van dit gebeuren, ik voelde en zag het duidelijk. Mijn aardse kleed was het tweede stadium van ontbinding ingegaan, een dergelijke schok had ik voorheen reeds gevoeld. Doordat ik dit voelde en waarnam, begreep ik dit grote en machtige probleem, hoe verschrikkelijk het ook was. Steeds inniger zou ik deze ellende beleven, totdat mijn stofkleed was vergaan. Hier moest ik doorheen, alles verwerken tot het laatste toe. Een verschrikkelijk proces was het. Onmenselijk! Maar wanneer ik eenmaal vrij was, kon ik gaan waarheen ik wilde en kreeg ik lekker eten en drinken en kon ik mij vermaken. Of waren ook dat leugens en bedrog?
Het verteringsproces stoorde telkens mijn denken en het stadium waarin mijn lichaam zich bevond herinnerde mij eraan, dat ik nog steeds niet verder kon. Dit bracht mij tot andere gedachten. Hierdoor leerde ik mij zelf kennen. Ik begreep daardoor dat ikzelf in mijn aardse leven in alles de leiding had gehad, dat 'ik' mijn lichaam bestuurde en had laten handelen.

Wanneer ik het zelf niet had gewild, zou mijn hand dat stuk marmer niet hebben opgepakt, zou Roni nog in leven zijn en was mij al deze ellende en dat wat ik reeds had beleefd, bespaard gebleven. Ik was Lantos Dumonché, de kunstenaar, mijn kleed was mijn voertuig, maar ook de geest was het voelend lichaam, dat na de dood voortleefde. Zelf was ik het onnatuurlijke en onbegrijpelijke wezen, ik had mijzelf op aarde niet begrepen. Hoe ondoorgrondelijk was ik. Maar wat was het einde van mij, van dit lichaam? Zou dit, wat ik nu was, steeds verder gaan? Steeds maar verder naar nog onbegrijpelijker toestanden en vreemder oorden? Zou ik nooit meer naar de aarde terugkeren? Wat was het doel van de Schepper, want ik begreep en wildé gaarne aanvaarden, dat er iemand moest geweest zijn die dit had geschapen en van tevoren wist wat het begin en het einde zou zijn. Anders deugde van die gehele schepping niets en wanneer ik hier moest blijven leven, was het een armzalige toestand. Dan was het geen schepper, maar een vernietiger. Hoe het ook zou zijn, ik begreep zeer goed dat, wanneer ik mij op aarde had beheerst, alles anders zou zijn geweest. Hoe volmaakt sloten zich deze lichamen ineen, hoe natuurlijk werkten ze in het stofleven, hoe eenvoudig waren beide lichamen, maar hoe diep geheimzinnig voor de mens op aarde die er niet doorheen kon kijken. Als dit voor hen mogelijk was, dan stond de mens op aarde onbegrensde mogelijkheden.

Dan was zijn kunnen onbegrensd, wisten de geestelijken van de aarde dat er niemand verdoemd zou worden,  waardoor zij de angsten van de mensen konden wegnemen. Dan maakte geen mens een einde meer aan zijn aardse leven, omdat hij wist dat het niet mogelijk was en hem anders nieuwe ellende, nog dierlijker  en onmenselijker stond te wachten. Het verheugde mij, dat ik dit alles begreep en het verzachtte mijn lijden. Weer probeerde ik mij te verwijderen en ik merkte, dat ik thans enige meters verder gaan. Ook dacht ik iets nieuws waar te nemen. Het was zeer eigenaardig, wanneer ik naar mijn stoflichaam keek zag ik in de duisternis, maar boven mij was het iets lichter. Was daar boven de ruimte? Op handen en voeten kroop ik rond, maar voelde niets. Alleen zag ik die duisternis en dat licht, iets betasten was niet mogelijk. Maar ik wilde het weten en dacht erover na. Onverwachts voelde ik wat het betekende. Plotseling kwam die gedachte in mij. Die duisternis daar, waar mijn lijk lag, dat was de aarde en hierboven mij was de ruimte. Wanneer ik dus duidelijk voelde, bevond ik mij op de rand van mijn eigen graf. Het snoer rekte uit, doordat mijn lichaam verging. De stofwereld bevond zich in de duisternis en het heelal scheidde zich af, wat ik duidelijk kon zien. Toch was het zo ijl, dat ik nog steeds door de stof heenging.
Zou zich dit eens verdichten, zodat ik mij als op aarde kon voortbewegen? Hoe langzaam voltrok zich dit proces, maar toch zou het einde 'moeten' komen. In stille gelatenheid wachtte ik af en wanneer ik mij niet meer kon beheersen, begon ik opnieuw te denken. Steeds moest ik iets anders proberen, of ik zou het niet kunnen uithouden. Ik voelde en zag opnieuw mijn leven op aarde aan mij voorbijgaan. Enige malen reeds had ik alles gevolgd, maar dan weer begon ik van voren af aan te denken. Geen gedachte wilde ik vergeten. Ik volgde mijn fouten en elke daad telkens weer opnieuw, hoe nietig en klein ook, ik wist mij alles te herinneren.

Uit mijn jeugd begreep ik alleen dit niet, er was een kracht in mij die mij van huis had gedreven, mij had aangespoord om met mijn ouders te breken. Was ik ook daarin mijzelf geweest, of waren het andere, voor mij onbekende krachten, die op mij hadden ingewerkt? Waren zij het, die mij naar deze wereld hadden gelokt? Hij, die mij opwachtte en die ik zou vernietigd hebben? Zie, dat begreep ik niet en toch voelde ik, dat ook dit betekenis had. Dan was er nog iets, dat ik niet begreep, maar dat één en dezelfde kracht moest zijn. Ik wilde mij namelijk van Roni losmaken, maar hoe ik ook wilde, het was mij niet mogelijk. Aan hem was ik vastgeklonken en ik werd gedwongen van mijn ouders weg te gaan. Wie dreef mij van huis? Waarom kon ik mij niet van Roni losmaken? Waren dit wetten, natuurkrachten? Op aarde reeds vroeg ik mij dit af en nog was ik er niet achter. Nu gaf ik het maar op, want ik werd er duizelig van. Plotseling voelde ik weer zo' n hevige schok en ik begreep dat dit met mijn lichaam had te maken. Nog was mijn arme kleed niet vergaan. O, wanneer ik dit goed had verzorgd, hoelang zou het dan geduurd hebben? Nu voelde ik mij gelukkig dat dit niet het geval was geweest. De slaap die ik had gevoeld was nu verdwenen en ik daalde in de duisternis af om te zien, of het einde van dit proces spoedig in aantocht was. In het begin was het een dicht waas, dat om mijn gehele stofkleed lag gehuld en als een snoer mij met mijn lichaam verbond, doch thans was het doorschijnend. Ik verheugde mij daar zeer over, want dit betekende dat ik mijn vrijheid spoedig zou krijgen.

Ik leerde weer andere wetten en krachten kennen. Wanneer ik naar boven wilde, uit mijn graf vandaan, moest ik het willen en dan eerst kon ik mij bewegen. Alles is hier, zo dacht ik, wat je zelf wilt, anders geschiedt er niets en blijf je waar je bent. Daardoor leerde ik mij instellen en dat instellen betekende overgaan in iets anders. Weer kon ik verder komen en dat maakte mij gelukkig. Een tiental meters kon ik mij reeds verwijderen. Nu voelde ik die slaap weer terugkeren, maar ik wist daarvan de betekenis nog niet. Hoe ik ook zocht en dit trachtte te voelen, ik kwam er niet achter, maar de stilte werd inniger en mijn slaap duidelijker. Deze verschijnselen voelde ik eerst na die laatste schok. Ik was nu aan die stilte wat gewend en begon aan duizend andere dingen te denken die ik straks zou gaan doen. Als ik eerst maar vrij was, dan zou ik wel verder zien, dan was mijn leed voorbij en kon ik gaan waarheen ik wilde. Thans moest ik de moed niet verliezen, sterk en dapper zijn en alles dragen. Ik voelde dat het einde naderde, omdat de slaap dieper werd en die stilte in mij drong. Deze beide gevoelens bleven mij kwellen, doch omdat het einde spoedig zou komen beheerste ik mij.

Bijna had de natuur haar werk gedaan en was mijn stofkleed verteerd en ik bevrijd.
Hoe verzorgde men dit kleed op aarde, hoe had men dit kleed lief. Doch nu begreep ik hoe weinig dat kleed in dit leven betekende. Hier had alleen het geesteslichaam betekenis. Hier was het geestelijke het essentiële, dat leeft en leven moet. Aan dat kleed dacht men zo weinig en toch was dit het schoonste en machtigste, wat de mens, als voelend, denkend en werkend leven was. Op aarde had mijn stoflichaam waarde en betekenis, hier werd het tot niets teruggebracht. Het Stofkleed werd op aarde in zijde en fluweel gehuld, maar daar onder leefde diepe droefheid, want het geesteslichaam ging in lompen gehuld. De mens was arm, want hij kende zichzelf niet. Hoe anders voelde en zag ik nu het aardse leven. Wanneer ik nog eens op zou mogen leven, zou ik gelovig worden, want nu wist ik meer. Ik beleefde afschuwelijke dingen, toch leerde ik en maakte me een wijsheid eigen, die men op aarde niet kende en nooit zou kunnen leren noch beleven, omdat die wijsheid bij het geestelijke leven hoorde. Al die wijsheid gaf mij de moed en de kracht niet bij de pakken neer te zitten, maar alles te verwerken, hoe droevig het ook was.

Weer keerde ik terug tot mijn stofkleed en wilde weten hoe ver het reeds was. Ik walgde van de verschrikkelijke lucht, maar het waas was niet meer zichtbaar voor mij. Toch zag ik nog mijn kleed, doch in een ander stadium, de beenderen werden zichtbaar. Het verheugde mij toen ik voelde, dat het snoer aan kracht ging verliezen en ik mij steeds verder kon verwijderen. Maar tevens voelde ik de stilte en de slaap heviger in mij komen. Ik strompelde voort, steeds verder verwijderde ik mij van mijn stoflichaam, doch de slaap dwong mij om uit te rusten. Nu voelde ik mij wegzinken, dieper en dieper en viel neer om te slapen. Nog was ik in gevoel bij mijn aardse kleed, maar de slaap en de stilte overheersten en ik wist nergens meer van.
Tot zover een gedeelte uit dit prachtige boek.
Jozef Rulof. 
 

HOME.
PAGINA 3.