ANTHONIE VAN DIJCK EN ZIJN TAAK VOOR DE MENSHEID.
Als wij het over meester Alcar hebben, dan weten wij allemaal over wie wij spreken.
Waarschijnlijk weten wij ook dat hij in zijn laatste stoffelijke leven de bekende Vlaamse schilder Anthonie van Dijck was.
Maar weten wij wel iets meer over deze schilder dan alleen maar het feit dat hij de beste leerling was van Peter Paul Rubens?
Laten wij even teruggaan in de geschiedenis. Anthonie van Dijck werd geboren te Antwerpen als zevende kind in het gezin van Frans van Dijck op 22 maart 1599. 
Zijn vader was een koopman in stoffen en laken en behoorde tot de welgestelde ingezetenen van de stad. Zijn moeder heette Maria Cuypers, die de naam had een bekwaam borduurster te zijn. Zij stierf in het kraambed tijdens de geboorte van haar twaalfde kind op 17 april 1607. Anthonie was toen acht jaar oud.

Op zijn tiende jaar ging hij in de leer bij de ANTHONIE VAN DIJCK schilder Hendrik van Balen en in 1612 werd hij een leerling van Peter Paul Rubens, alwaar hij zich ontplooide als een schilder van formaat, die al zijn medeleerlingen verre overtrof in de schilderkunst. Hij werd een der voornaamste medewerkers van Rubens en dit bleef hij totdat hij in september 1620 zijn eerste reis naar Engeland maakte op verzoek van Lord Thomas Howard, de graaf van Arundel. 
Hij werd door de Engelse koning Jacobus I aangesteld als hofschilder met een traktement van 200 pond per jaar. Anthonie voelde zich aan het hof toch niet op zijn plaats en in februari 1621 vertrok hij weer naar Antwerpen. Rubens ontving hem met open armen, want hij werd overstelpt met orders voor de 'versiering van kerken en kloosters.
Zijn verblijf te Antwerpen duurde niet lang, want op 3 september 1621 vertrok hij voor een reis naar Italië. De eerste stad die hij aandeed was Genua, later volgden Venetië, Florence, Rome, zelfs Sicilië vereerde hij met een bezoek. In Italië bouwde hij zich een grote reputatie op als portretschilder en hij was een graag geziene gast aan het pauselijk hof.

In de zomer van 1626 arriveerde Anthonie weer in Antwerpen, juist op een tijdstip dat Rubens op een diplomatieke missie was naar Spanje en pas weer in 1630 zou terugkeren. In 1627 maakte hij nog een korte reis naar Engelánd, maar omdat zijn beschermheer de graaf van Arundel zijn invloed aan het hof had verloren, gelukte het Antonie niet om bij de koning in audiëntie te worden ontvangen. Hij keerde weer terug naar Antwerpen en schilderde vele religieuze stukken, totdat in 1631 de reiskoorts hem, weer te pakken kreeg en hij de reis naar de noordelijke Nederlanden aanvaardde.
In 's-Gravenhage. verbleef hij aan het stadhouderlijke hof van Frederik Hendrik en diens vrouw Amalia van Solms. Van hen beide en hun kinderen schilderde hij een aantal portretten. Hij verbleef ook enige tijd in Haarlem alwaar hij kennismaakte met de bekende Nederlandse portretschilder Frans Hals.

Weer keerde hij terug naar Antwerpen, maar niet voor lang, want in het voorjaar van 1632 reisde hij voor de derde keer naar Engeland. Nu was de sfeer aan het Engelse hof verbeterd en Anthonie raakte zeer bevriend met de Engelse koning. Deze Karel I overlaadde hem met gunsten en sloeg hem tot ridder.
Anthonie keerde na enige tijd weer terug naar Vlaanderen en verbleef afwisselend in Antwerpen en Brussel. In de laatstgenoemde stad was hij werkzaam als hofschilder van Isabella, de regentes der Zuidelijke Nederlanden. Op 18 oktober 1634 werd hij tot eredeken van het Sint Lucasgilde benoemd. een eer die vóór hem alleen Rubens ten deel was gevallen. In dat zelfde jaar keerde hij weer terug naar Engeland waar hij met vreugde door het Engelse hof werd ontvangen. De gehele Engelse adel kwam bij hem op het atelier om door hem te worden geportretteerd.
In 1640 kreeg hij bericht vanuit Antwerpen dat Peter Paul Rubens was overleden, tévens was door politieke verwikkelingen koning  Karel 1 genoodzaakt zijn hof naar York over te brengen.

Deze twee feiten deden Anthonie besluiten om weer naar Antwerpen terug te keren. Hij beleefde nu weer een productieve periode en kreeg meer opdrachten dan hij kon afleveren. Dit duurde niet lang, want weer kreeg de reiskoorts hem te pakken en in januari 1641 vertrok Anthonie naar Parijs in de hoop van de Franse koning Lodewijk XIII de opdracht te krijgen om enkele zalen van het Louvre te mogen beschilderen.
Door tegenwerking van het Franse schildersgilde ging de opdracht zijn neus voorbij en werd Nicolaas Poussin met de opdracht belast. Anthonie zag nog wel kans om een portret te schilderen van kardinaal Richelieu, maar door zijn afnemende gezondheid besloot hij naar Engeland terug te keren om zich bij zijn vrouw Mary Rutven te voegen met wie hij in 1639 was gehuwd.

Op 16 november 1641 verkreeg Anthonie van de Franse koning een reispas voor hemzelf, zijn reiswagen met vier paarden en vijf bedienden. Het zou de laatste maal zijn dat hij zich op reis begaf naar Engeland en Europa zou de Prins van de schilderkunst nooit meer aanschouwen.
In Londen aangekomen kreeg Anthonie een zware longziekte en zijn gezondheid ging nu snel achteruit. Op 1 december 1641 schonk zijn vrouw het leven aan een dochter, op 4 december liet Anthonie zijn testament maken en op 9 december 1641, juist op de dag dat zijn dochter bij het doopsel de naam Justina ontving, sloot Anthonie van Dijck voorgoed de ogen op de leeftijd van 42 jaar, 8 maanden en 17 dagen.
Hij kreeg van de Engelse koning een staatsbegrafenis die alleen de allergrootsten van het land ten deel vielen. Op 11 december 1641 werd zijn stoffelijk overschot bijgezet in de St. Pauls Cathedralo Deze kerk werd tijdens de grote brand van Londen in 1666 volledig in de as gelegd, zodat de juiste plaats van het graf van Anthonie van Dijck niet meer te achterhalen valt.

Het bovenstaande was zeer in het kort het leven van Anthonie van Dijck. De lezer zal begrijpen dat hij een van de begenadigde kunstenaars was die zijn inspiratie uit hogere bronnen ontving. Anthonie van Dijck stemde zich af op het hogere en maakte zich ontvankelijk voor de krachten die op hem inwerkten. Als kunstenaar voelde hij soms heel duidelijk de inwerking van voor hem onzichtbare machten. In zijn vele gesprekken met Peter Paul Rubens kwam dit dikwijls naar voren. Anthonie van Dijck was zelf van mening dat zijn meesterschap als schilder geen doel op zichzelf was, maar eerder een middel om een doel te bereiken wat hem tijdens zijn leven op Aarde nog niet geheel helder voor ogen stond. Tijdens dit leven zag hij die machten en krachten dikwijls in de vorm van nauwelijks waarneembare gedaanten en schimmen, waarvan hij de stellige overtuiging had dat dezen hem inspireerden en zijn werk die grootheid gaf waardoor hij zich onderscheidde van alle andere schilders.

Een bepaalde graad van helderziendheid moest hem wel aangeboren zijn.
Nu 350 jaar later weten wij meer van deze kunstenaar. Het is ons nu bekend, dat hij als Meester Alcar zijn werk voortzet ten behoeve van de gehele mensheid.
 Het kunstenaarschap van Anthonie van Dijck werd gevormd in vele voorafgaande levens, zoals wij die allemaal hebben moeten beleven om te geraken tot wat wij nu zijn. In deze eeuw liet hij door Jozef Rulof een serie boeken tot stand komen, die voor de gehele mensheid van belang is en de zoekende en vragende mens een uitleg geven voor al zijn problemen. Het was geen toeval dat hij schilder was, want diegene die het ware kunstgevoel bezit zal openstaan voor alle andere gaven die God de mensheid schenkt.
Kunst  onverschillig of dit toonkunst dan wel beeldende kunst is, zal de mens die er voor openstaat de juiste richting aangeven, waar hij moet zoeken om een antwoord te vinden op al zijn levensvragen.

Meester Alcar begon tijdens zijn aardse leven door onder andere het schilderen van religieuze voorstellingen de mensheid er van te doordringen dat doodgaan een irreëel iets is, een menselijk abstract begrip, beter gezegd een wanbegrip.
Hij die de KUNST verstaat en de boeken van Jozef Rulof leest is van zichzelf overtuigd van een eeuwig voortgaan. Geboren uit de wateren en weer terug tot de Alvader,  denk niet in jaren of eeuwen, tijd speelt in de evolutie van de mensheid geen enkele rol. Vergeet de tijd want de eeuwigheid is ruim bemeten en geeft de evoluerende mens alle gelegenheid om met vallen en opstaan daar te komen waar zijn einddoel ligt.
Wees niet bang voor de schijnbaar ingewikkelde wetten van de metafysica, Na een of twee keer lezen van de boeken zullen ze uw geestelijk bezit nog kwartier lezen vergt voor velen onder ons een half uur nadenken en dat is  gene zijde precies bedoelen:

MENS DENK NA!!
Deze eeuw wordt niet voor niets de Eeuw van Christus genoemd, een enorme technische vooruitgang gepaard gaande met een groeiende honger naar lectuur, die de mens wil overtuigen van een leven na de dood, een eeuwigdurend leven, waarin wij echter niet op onze lauweren kunnen gaan rusten, maar waar wij ons moeten bekwamen voor de taak die ons later zal worden opgelegd en die wij graag zullen aanvaarden, omdat wij dan de wetenschap zullen hebben, dat wij vooruit gaan door te DIENEN.
De wereld heeft vele wijsgeren gekend, die reeds aanvoelden dat het bij de dood ophoudt, o.a. Socrates, Plato, Kant, Rudolf Steiner en Frederik van te noemen. Zij allen zetten hun gedachten op papier en gaven aan de gevoelens verstonden grote geestelijke wijsheid mee.
Dit zijn mijn gedachten die ik op papier zette, waarbij ik een oprechte hoop heb, dat het velen zal bereiken, misschien zal het voor hen een deur openen naar een bewuster leven en zal het hun angsten wegnemen of kwellende vragen beantwoorden.
R. H. M. M.
 

HOME.
VOLGENDE.