INTERVIEW MET DON BAMBERG.
Don Bamberg heeft
vele artikelen geschreven voor het Kontaktorgaan, een uitgave -- in het verleden
– van de Stichting Wayti, een blad voor de lezers van de boeken van Jozef Rulof.
Don heeft Jozef Rulof ‘persoonlijk’ gekend en in het onderstaande artikel kunt u
lezen hoe het bij Don allemaal begonnen is. Hij wordt geïnterviewd door Alice op
25 mei 2000.
Alice:
Kun je vertellen hoe je met Jozef in contact bent gekomen na de
oorlog?
Don:
Dat was een ‘toevalligheid’. Ik lag in het ziekenhuis in Den Haag en raakte
in gesprek met een dame die daar ook lag. Ze vertelde mij dat haar man kunstschilder
was. Ik interesseerde me daarvoor en werd voorgesteld om de schilderijen te bekijken.
Zij bleken allebei zeer geïnteresseerd in de boeken van Jozef en waren heel enthousiast.
Ik kreeg toen ‘DE KRINGLOOP’ mee. Toen ik dat boek las, dacht ik: ‘Dat weet ik ergens
allemaal, het komt me zo bekend voor.’
Dat is iets wat je wel vaker hoort hé? Ik
heb de boeken verslonden, al was ik wel kritisch. In het begin vond ik het zelfs
te mooi om waar te zijn, maar mijn gevoel zei: het kan niet anders.
Alice:
Ben je toen
ook al meteen naar de lezingen gegaan?
Don:
Ja dat heb ik direct ook al gedaan, nadat
ik het eerste boek had gelezen. Naar De Ruyterstraat voor de vraag en antwoord avonden
en naar Diligentia waar de lezingen van de meesters Alcar en Zelanus waren. Het is
voor mij een openbaring geweest. Ik heb er wel eens over geschreven. Je had vleugeltjes
toen, je had het wel aan iedereen willen vertellen. Ik vond het een enorme belevenis
om de meesters te horen spreken en ook de ontmoeting met Jozef; het was geweldig
fijn. Later heb ik wel gedacht: je had het eigenlijk eerder moeten weten, daar had
ik een enorme steun aan kunnen hebben. Maar het is in mijn leven niet zo gelopen.
Alice:
Don,
hoe was nu die eerste ontmoeting met Jozef? Kun je dat nog terughalen?
Don:
Het was
vrij afstandelijk van zijn kant. Jozef, die keek je bijna nooit recht aan; ja hij
keek je wel aan, maar ook weer niet. Dat heeft hij later zelf verteld hoe dat zit.
Als Jozef je aankeek dan zag hij soms dingen die hij liever niet zag en hij wilde
ook niet in jou leven betrokken raken. Hij wilde met de narigheid die hij daar zag
geen contact hebben, dan gedroeg hij zich over het algemeen vrij afstandelijk. Een
prachtig voorbeeld kan ik je daarvan noemen. Het was in het begin van 1950. Ik stond
op het punt om naar Amerika te emigreren, ik ben daar namelijk geboren en ik zou
terug gaan. Ik had daar een hele mooie baan aangeboden gekregen en alles was al geregeld.
Ik had al passage geboekt en al mijn spullen verkocht. Ik had mijn baan opgezegd.
Ik heb dat tegen Jozef verteld dat ik naar Amerika zou gaan.
Hij keek me toen heel
wazig aan en zo ongeïnteresseerd dat het mij leek dat je hem net zo goed een verhaal
had kunnen vertellen, dat je voor je kar een nieuwe vlooienband had gekocht. Het
leek alsof het langs hem heen ging. Hij zei alleen: ‘Zo, zo, ga je naar Amerika?’
Die hele Amerika reis daar is dus niets van terecht gekomen en dat wist hij waarschijnlijk
op dat moment wel, maar daarvan liet hij niets merken. Hij beïnvloedde je niet,
dat deed hij absoluut nooit. Jozef voorspelde nooit die dingen, terwijl hij dat absoluut
had gekund, maar dat deed hij niet – never. Alles was al klaar, ik moest alleen nog
doorgelicht worden. Ze hebben toen op de röntgenfoto’s t.b.c. plekjes gevonden en
i.p.v. naar Amerika ben ik toen naar een sanatorium in Davos verhuisd.
Toen begreep ik ook die hele vlooienband geschiedenis van hem, zijn afwezige blik, want hij wist natuurlijk op dat moment dat er niets van mijn plan terecht kwam. Maar op dat moment voelde het wel vreemd voor mij. Ik voelde me teleurgesteld, ik dacht op dat moment: ‘Is dat nu de enige reactie.’ Het is net of het hem niet interesseerde, terwijl hij heel goed wist dat ik een trouwe adept was.
Jozef was nuchter, vreselijk nuchter, daar kom ik straks nog op terug. Maar ik ben het zelf ook. Ik geloof niet in hokus-pokus verschijnselen, kruisen in de lucht en ik moet ook zeggen: ik heb ook nog nooit zolang ik leef een dergelijke ervaring gehad, behalve één keer… De schilder waar ik je over vertelde, die mij met Jozef in contact bracht, die belde mij op toen ik thuis aan het wachten was voor de opname in Davos – en zei: ‘Don, ik heb een rot bericht voor je. Jozef is dood.’ Ik raak nog geëmotioneerd als ik er weer aan denk… (spreker kan door emoties even niet verder praten).
Hij zegt ‘Jozef is dood’, ik ben nu geëmotioneerd, toen was ik het helemáál, ik wilde
mij terugtrekken en het eerste wat me te binnen schoot, was ‘ga de wc in’. Ik de
wc in, deur op slot en bléren en op een gegeven moment krijg ik een klap op mijn
schouder, op mijn linkerschouder, niet een tik, nee, een enorme dreun, een dreun
ja. Je kunt wel begrijpen van wie die dreun was, voor mij was het wel duidelijk.
Ik kreeg toen gelijk het gevoel: waar grien je nou over, je weet toch wel beter (kijkt
even stil voor zich uit).
Dat was eigenlijk mijn enige ervaring, die stoffelijk niet
te verklaren is en dat was geen verbeelding, echt niet. Jozef was niet zachtzinnig,
dat was hij ook niet met woorden, dat was echt een dreun van Jozef, dat was vlak
na zijn overlijden, hij was nog niet begraven, enkele uren na zijn overlijden was
dat… In die tijd was ik al aan het schrijven. Ik heb dat nooit tegen Jozef verteld,
dat ik dat aan het doen was.
De reden dat ik ging schrijven was niet om te proberen
stukken te schrijven die al geschreven waren. Ik zag voor mezelf een andere taak
weggelegd. Ik heb nl. gemerkt, dat je mensen die hier gevoel voor hebben niet hoeft
te overtuigen, integendeel. Jozef zei altijd, je moet niet leuren met de boeken,
als de mensen ze willen lezen dan komt het op hun weg.
Maar ik heb gemerkt dat er
een categorie mensen is die er wel een beetje voor openstaan, maar het nog niet direct
kunnen accepteren, vanwege hun aardse geleerdheid, dus de wetenschappelijk denkende
mens. De mens die alles wil terugvoeren tot de rede en alle andere dingen als onzin
bestempeld. Voor deze mensen wilde ik schrijven. Ik schreef toen onder een pseudoniem,
Sinclair Weston, een serie artikelen: ‘de kloof tussen de stoffelijke en geestelijke
wetenschap’. Deze artikelen zijn toen verschenen in de Europese Heraut. Ik heb er
nooit met Jozef over gesproken. Hij wist dat ik journalist was, ik denk dat hij er
zijn eigen ideeën over had, maar er is verder nooit met hem over gepraat. Ik schreef
ze wel maar ik wist nog niet wat ik er mee zou gaan doen.
Het is werkelijk iets wonderlijks
hoe dat toen gegaan is. Er waren er een stuk of 7 klaar toen Nico van R. bij mij
thuis kwam met een dame Lies S. Hij zei: ‘Don er is een bevriend uitgever die artikelen
van ons wil opnemen, wil jij wat artikelen schrijven? Ik zei: dan bof je heel erg,
er liggen er al 7 klaar. Ze waren werkelijk verbijsterd. Ze hebben ze meegenomen
en waren heel enthousiast.
Alice:
Het was hetzelfde tijdschrift als waarin Jozef als Marja Radjany zou publiceren?
Don:
Ja
precies, dat was na zijn dood. De naam Jozef Rulof werd toen niet gebruikt, want
de tijd was er niet rijp voor, vandaar dat pseudoniem. Later heeft iemand dat open
gebroken. Ik geloof niet dat dat de bedoeling is geweest van Jozef, maar dat is mijn
persoonlijke mening. Later toen ik in het sanatorium lag, kwam de Europese Heraut
er ook en heb ik hem laten lezen aan mijn medepatiënten. Er zijn er toen een heleboel
geweest die ik enthousiast heb gemaakt. Ze wisten niet dat ik het was die schreef,
dat was heel grappig, dat heb ik ze nooit verteld. Er was één van die jongens en
dat zie ik als één van de weinige positieve dingen van mijn leven, die ik heb kunnen
behoeden voor zelfmoord. Hij was een hele long kwijt, plus nog een stukje van zijn
tweede long, toen hij die artikelen ging lezen. Hij heeft weer geloof en hoop gekregen
door deze leer. Hij is teruggekeerd uit het sanatorium als genezen, is getrouwd en
heeft nog een kind verwekt. Ysbrand V. heette hij. Ja daarvoor was het allemaal al
de moeite waard.
Alice:
Even terug naar de periode dat je Jozef hebt meegemaakt, zo
van 1946 tot 1952. Heb je hem alleen tijdens de lezingen ontmoet of ook daarbuiten?
Don:
Het
was zo. Jozef was verschrikkelijk belast met al deze dingen, hij had een taak op
zijn schouders die bijna onmenselijk zwaar was. Het zou van heel weinig begrip getuigen
als je hem zou opzoeken in zijn ‘vrije tijd’. Dat kon natuurlijk niet, en ik geloof
dat Jozef dat ook zoveel mogelijk zou hebben vermeden. Hij moest met rust gelaten
worden, hij had die rust hard nodig. Ik ben wel eens bij hem thuis geweest, om met
de ‘Wienerin’ te praten, zo noemde hij zijn vrouw altijd. Anna Fuchs. Later na zijn
overlijden kwam ik daar vaker.
Alice:
Hoe waren de ontmoetingen met de Wienerin?
Don:
Zij
was lief, heel lief en aardig, zij steunde Jozef echt wel. Over de leer werd er nooit
met haar gepraat, zij vond het fijn dat we enthousiast waren en dat heeft ze op haar
manier willen stimuleren.
Alice:
Vertel eens wat over lezingen die je bijgewoond hebt.
Don:
De
lezingen van Jozef die waren heel bijzonder, vooral Diligentia was altijd een hoogtepunt.
Het was geweldig, een belevenis om mee te maken. Dat zijn de lezingen waar Jozef
niet zelf sprak, maar dat meester Zelanus of meester Alcar door hem sprak, in grote
tegenstellingen tot de lezingen in De Ruyterstraat. Jozef had een enorm gevoel voor
humor en hij was ontzettend nuchter. Hij hield niet van mensen die met gevouwen handen
en neergeslagen ogen door het leven gingen, die had hij nog een trap toe willen geven
bij wijze van spreken. Hij hield er niet van om voor heilige te spelen. Leef maar
gewoon je leven. Gewichtigdoenerij of geleerdheid daar had hij helemaal een hekel
aan. Er werd daar ook waanzinnig gelachen. Om je daar een voorbeeld van te geven:
Er was daar een dame die met zo’n jammerstem bij hem beklagen ging dat ze last had
van haar overleden man. ‘Als ik dan thuis kom, dan zie ik zijn geest daar op de trap
zitten, wat moet ik doen Jozef?’
Ze kreeg toen een heel frappant antwoord van Jozef,
die zei als je hem weer ziet moet je aan hem vragen of hij een krentenbol lust of
een stuk rammenas. Ja, daar had hij het ook altijd over rammenas. De zaal natuurlijk
bulderen, maar de bedoeling was natuurlijk om haar nuchter te krijgen, met twee benen
op de grond te zetten. Kijk het leven loopt nu eenmaal zoals het is, je bent zoals
je bent. Lies S. heeft wel eens tegen me gezegd: ‘Don, jij wijst de goede weg wel,
maar je gaat hem zelf niet.’ Ik moet tot mijn schande bekennen dat het de beste diagnose
is, die iemand over me gesteld heeft. Dan vraag je je af als dat zo is, heb je dan
het recht om zelf te schrijven. Ben je dan geen hypocriet, dat wil je ook niet.
Dan
dacht ik als je bijv. naar een genie als Mozart kijkt – niet dat ik me ermee vergelijk
– dat was een rotzak, een gedegenereerde figuur, maar hij heeft wel goddelijke muziek
geschreven. Blijkbaar kan dat, daar heb ik voor mezelf troost uitgeput. Kijk waar
Jozef helemaal een hekel aan had was aan mensen die hij lauw noemde. Hij zei: ik
heb liever een vent die met krachttermen, die zus of zo zegt, daar zit tenminste
pit in, daar zit leven in, als iemand die lauw is, daar kan ik niks mee beginnen.
Daar hield hij niet van en ik eerlijk gezegd ook niet. Soms denk ik wel eens als
ik wat schrijf, dat kan je niet schrijven, dan haal ik het er later weer uit. Het
is ook een kwestie van temperament, van emotie, je slaat wel eens de plank mis, je
slaat wel eens door. Het geeft niet, dat kan gecorrigeerd worden, er komt tenminste
wat uit, het is betrokkenheid. Ik heb het wel eens tijdens een lezing gehad dat ik
het met een antwoord niet eens was, dan werd ik kwaad en gebruikte krachttermen.
Dat geeft niet. Jozef hield van reacties, die lokte hij ook wel eens uit. Waar ik
me woest over maakte was het volgende. Jozef zei: ‘Die lui in Hollywood zijn gek,
die schilderen het heelal als donker en het heelal is licht! Ik kwam toen met een
verhaal aan, dat licht bestaat bij de gratie van reflectie en als er niets is waar
het licht op kan reflecteren het dus donker blijft. Jozef zei toen tegen mij:
‘Je moet je schoolgeld terug halen’. Ik werd er des duivels om, ik heb hem zitten
uitfoeteren. Maar later ben ik er over na gaan denken en dacht hoe kan dat nou. En
toen dacht ik: Jozef ziet voor hem het heelal als astraal en voor hem was het licht,
voor ons niet. Als wij in een raket zitten is het donker, maar Jozef zag het heelal
astraal en voor hem was het licht. Niettemin stonden we op dat moment als kemphanen
tegenover elkaar. Ik was het lang niet altijd met hem eens, maar ondanks dat kreeg
ik toch die klap op mijn schouder… Ik deed niet aan ‘hero worship’. Ik heb Jozef
nooit vereerd, want er zaten al genoeg dwepers bij. Ik wil niet discrimineren en
ik ben ook geen vrouwenhater, zelfs integendeel, maar die dwepers zaten vooral bij
de vrouwen, rijenvol. Hij moet er gewoon beroerd van geworden zijn. Het ging uiteindelijk
om wat hij bracht, niet om de persoon, ofschoon Jozef een leuke vent was om te zien.
Ik kan me voorstellen dat hij voor sommige vrouwen aantrekkelijk was. Het was een
leuke vent om te zien, had een enorm gevoel voor humor, hij zei alles als het erop
aan kwam, heel recht voor zijn raap. Over dat recht voor zijn raap gesproken, hij
had het een keer over mannelijke scheppingskracht. Toen stond er iemand op, ik zal
zijn naam niet noemen (het was een bekende), die zei: ‘Jozef ik heb ook zo’n scheppingsdrang.’
Ik wil het woord niet gebruiken dat Jozef toen gebruikte, een schuttingwoord en die
kerel kreeg een kop als een biet en ging zitten. Jozef draaide er niet omheen. Waar
hij het ook vaak over had was ‘de droedels’, een paardenziekte. Niemand wist in het
begin waar hij het over had. Het is dialect uit de Achterhoek. Dan had hij het over
‘koeren’… Het was een bijzonder figuur, hij moet de constitutie van een rinoseros
hebben gehad, om dat alles te kunnen doen. Niemand van ons, ik zeker niet, realiseerde
zich wat voor een onmenselijk zware taak hij op zijn schouders moet hebben gehad.
Ik heb me dat eigenlijk pas later gerealiseerd hoe zwaar dat geweest moet zijn. Wat
ook opviel was dat Jozef in een zeer eenvoudige woning woonde, terwijl hij schatrijk
had kunnen zijn als hij gewild had. Dat was op zich al bijzonder. Want hoeveel mensen
zijn er die in de gelegenheid worden gesteld een hoop geld te maken, er voor kiezen
zo sober te leven. Hij had geen enkele vorm van luxe.
Alice:
Kon de Wienerin dit accepteren?
Don:
Ja,
volgens mij was ze ook zo ingesteld. Het was een oud huis, trappen op in de Esdoornstraat.
Hij had er geen behoefte aan, gaf er niet om. Hij was net als Socrates. Van Socrates
werd verteld dat hij bij een hele rijke man werd uitgenodigd en hem zijn rijkdom
liet zien. Socrates maar glimlachen. ‘Waarom glimlachte u zo?’ Socrates antwoordde:
‘Ik glimlach bij de gedachte aan alles wat ik niet nodig heb’. Dat was Jozef ook.
Ook Jozef had het niet nodig. Hij had het heelal, van hem kun je niet verwachten
dat hij zou bezwijken voor een Mercedes. En dan waren er ook in De Ruyterstraat bij
de lezingen, mensen die bijzondere dingen hadden gezien. Er waren de gekste dingen;
vooral dromen en gedachten die ze kregen. Daar was hij ook altijd heel nuchter in.
Hij zei: als Gene Zijde een boodschap voor je heeft dan zal je dat heel goed begrijpen.
Ze werken niet met allerlei mysterieuze dingen, waar je als een soort legpuzzel achter
moet komen. Je krijgt dan een duidelijke boodschap die zo helder is als glas en als
het niet zo is, vergeet het dan maar. Als Gene Zijde een boodschap voor je heeft
vergeet je dat nooit meer. Ik ken dus mensen, o.a. mijn vrouw die heeft drie maal
in haar leven iets doorgekregen. Ik heb dat nooit meegemaakt, ik ben niet sensitief
genoeg. Ik ben zo bot als ik weet niet wat. Ik heb weleens gedacht, het is je geluk
dat je zo bent want ik weet ook dat er grote gevaren aan zijn verbonden en dat ik
niet de engel Gabriël ben. Het is ook een bescherming. Het is dus bij die ene klap
gebleven en juist omdat het die ene keer was is het voor mij van immense betekenis.
Dat zal niemand me uit het hoofd kunnen praten, dat ik me dat verbeeld heb. Dat is
niet mogelijk.
Alice:
Heeft het jouw leven veranderd?
Don:
Ja heel erg. Ik heb toen zekerheid
gekregen van iets wat latent in mij aanwezig was. Ik had ooit een boek gelezen van
Marie Corelli. Ik was daar zeer van onder de indruk. Vooral één passage, dat ze in
astrale vorm over de aarde zweefde en dat de mensen daar beneden nog kleiner waren
dan mieren. En God zou zich dan met ieder van dat leven kunnen bemoeien, dit leven
te bestraffen en dat leven voor te trekken? Dat vond ik een waanzinnige gedachte.
Die ene boodschap heeft me aan het denken gezet. Ik dacht: dat kan helemaal niet,
dat is te gek. Er moet wat anders zijn. Ik heb die boeken van Jozef verslonden, ik
had het gevoel alles, nou ja 70% ongeveer, dat weet ik al, maar het stond er een
keer zwart op wit.
Alice:
Lees je nu nog steeds, de boeken?
Don:
Ik zal je vertellen,
ik lees de boeken bijna nooit meer. En weet je waarom niet, omdat ik schrijf, ik
wil geen zinnen overschrijven die er al staan. Ik probeer het vanuit mijn eigen invalshoek
te doen. Ik wil niet eens weten wat de Meesters erover geschreven hebben. Om te beginnen
doen ze het veel beter dan ik, dat is punt 1. In de tweede plaats zie ik mezelf als
een onderwijzer op de lagere school voor de hele kleintjes. Daar schrijf ik voor.
Als ze opgroeien geef ik ze de boeken van Jozef. Ik schrijf voor mensen die verstandelijk
en kritisch zijn ingesteld, maar toch openstaan voor de leer, voor die groep. Ik
schrijf niet voor de gevoelsmens en zeker niet voor de mensen die de leer al kennen,
dat zou zinloos zijn.
Alice:
Er is toch ook een deel in je wat voor zichzelf schrijft?
Don:
Ik
ben pas weer gaan schrijven toen ik Nico V. bij Rienes W. weer zag. Ik had toen van
1955 tot 1985, in 30 jaar geen letter geschreven op dit terrein. Na Davos ben ik
opgehouden, dat was toen een eenmalige serie. Jozef was er niet meer en ik was het
niet eens met de leiding. Mijn artikelen werden verkeer geïnterpreteerd. Ze dachten
dat ik voor Jozef wilde gaan spelen. Het is werkelijk om te gieren alleen de gedachte
al, het maakte me toen hels. Ik dacht toen: barst maar. Ik heb toen niet meer geschreven.
Dus als antwoord op je vraag: ik schrijf niet voor mezelf. Maar toen in dat gesprek
met Nico zag ik een taak. Diezelfde avond ben ik nog gaan schrijven. Ik zag een taak
en als die taak er niet zou zijn, dan zou ik het niet doen.
Alice:
Don, nog weer even
terug naar Jozef. Hoe kun je hem verder nog als mens beschrijven?
Don:
Jozef was eenvoudig,
door en door eerlijk en integer een joviaal mens, heel recht voor zijn raap. Hij
hield niet van hypocrieten, van schijnvertoningen, hij hield van echte mensen. Dat
wil niet zeggen dat het allemaal engelen moesten zijn. Maar Jozef zag al die karakterfoutjes,
hij keek meer langs je heen, dan hij je aankeek, dat deed hij bewust, hij wilde die
connectie niet hebben. Hij zag teveel bij mensen. Hij zag ook dat sommige mensen
gauw dood zouden gaan. Dat zag hij aan de Aura. Daar zou hij nooit iets van laten
merken. Nee, Jozef voorspelde nooit. Dat doet een bewuste geest nooit, de toekomst
voorspellen. Iemand die de toekomst voorspelt is al zo fout. Dan weet je gelijk al
met wie je te maken hebt. Je moet je voorstellen dat je zou weten wat er volgend
jaar met je gaat gebeuren. Daar zou je toch gek van worden. Dat kan niet.
Alice:
Als
je je leven zo overziet, je hebt in 80 jaar ongelofelijk veel meegemaakt, hoe kijk
je dan tegen deze tijd aan?
Don:
Het is in een heleboel opzichten geen prettige tijd.
Toen ik bijvoorbeeld na de oorlog uit het concentratiekamp kwam had ik geen huis.
Ik ben toen bij een Limburgse familie ingetrokken. Armoe was troef, maar de hartelijkheid
en de vriendelijkheid waren opvallend. Ik ben na 20 jaar terug naar het dorp gegaan.
Die vriendschap bleef bestaan, maar naarmate de welstand steeg werden de mensen onvriendelijker.
Naarmate het de mensen beter gaat, worden ze slechter. Dat gevoel heb ik over deze
maatschappij. We hebben het te goed. We zijn te materialistisch geworden. Zeker degenen
van ons die de oorlog hebben meegemaakt, hebben er een kater van over gehouden. We
hebben als idealisten gevochten in de oorlog voor een betere wereld wat eigenlijk
ook weer flauwekul is natuurlijk, maar goed, dat idee had je. Toen we terugkwamen
uit de oorlog had je het idee, ziezo die klus is geklaard, nu krijgen we het leuk.
Maar ook de ouders zijn er aan schuld, want hoe rotter wij het hebben, hoe beter
je het voor je kinderen wilt hebben. We leggen ze zo in de watten dat ze rotzakken
worden. Dan heb je nog de geloofskwesties, de kerken lopen leeg, het houvast is weg.
Een heleboel jonge mensen geloven niets meer of ze gaan naar één of andere groepering
of fanaat. Maar als dit door zet, deze leer van Jozef, maar ook van andere denkwijzen,
die hiermee overeen komen, dan krijg je een nieuwe basis voor houvast, die er nu
niet meer is. Alles wordt in twijfel getrokken, Christus wordt vereenzelvigd met
de rk kerk. Ze zweren de kerk af en met Christus erbij. Wij weten dat het bij de
evolutie hoort, je moet je eerst losweken van het oude, wil je voor het nieuwe openstaan.
In die overgangsfase zitten we nu.
Alice:
Zou je in deze tijd jong willen zijn?
Don:
Dat
is een moeilijke vraag. Ik durf daar geen ja op te zeggen. Ik weet het niet. Ik hou
het voor gezien. Ik hoop eerlijk gezegd dat dit mijn laatste leven is, maar dat weet
je natuurlijk nooit. Maar ik hoop wel, niet dat ik bang zou zijn om terug te komen,
want natuurlijk is er dan wel het nodige veranderd, veel verbeterd in de wereld.
Als ik terug kom dan hoop ik – ik heb als kind een gezinsleven gemist – dat ik in
een goed, warm, hartelijk, harmonieus gezin kom met lieve ouders. Dat is een belangrijke
basis voor je leven. Rijkdom zegt me helemaal niets, daar ben ik los van. Ik heb
enige jaren in een concentratiekamp gezeten. Ik heb alle facetten gekend van het
leven. Ik heb in dit leven meer meegemaakt dan anderen in 20 levens, werkelijk ik
heb een ontzettend harde leerschool gehad. Mijn boek ‘Dossier NN’ getuigt daarvan.
Het berust 100% op waarheid. Bij voorbeeld, brood weggooien, dat hoef je mij niet
te vragen hoe ik daar over denk. Het is zo een overlevingsinstinct. Ik had een moord
willen doen voor een korst brood, groen van de schimmel, echt het is niet voor te
stellen.
Alice:
Ben je in die tijd nooit bang geweest voor de dood?
Don:
Nee, het klinkt
gek, maar daar had je geen tijd voor. De enige tijd dat ik ermee bezig was, was in
de dodencel, waar ik 13 maanden gezeten heb. Ik ben ter dood veroordeeld door een
militair tribunaal. Ik hield toen generale repetities hoe ik voor het vuurpeloton
zou komen. Ik heb toen tegen mezelf gezegd ‘hoe hou je je nou, hoe ga je dat nu doen?’
Ik wist voor mezelf dat ik geen blinddoek wou hebben, dat ik die lui naar de hel
zou vloeken, dat was mijn laatste afscheidswens, maar ik zou niet als een lafaard
gaan, dat wist ik donders goed. Als je dat achter de rug hebt, dan ben je niet meer
bang voor de dood, want die concentratiekampen kwamen daarna, ik was blij dat ik
uit de cel was. Ik heb in totaal in 11 kampen gezeten…. Ik vraag me wel eens af wat
ik vroeger voor levens geleid moet hebben. ‘Wat ben je voor een rotzak geweest in
die tijd?’ Ik had die dreun nodig. Ik heb het niet voor niets gekregen. Je wilt het
niet weten, maar je vreest het ergste, dus knaap, heb je goed op je sodemieter gehad.
Ik heb het nodig gehad. Het is goed geweest. Het is geen flauwekul wat ik nu zeg:
ik ben blij dat ik die opsodemieter heb gehad. Ik ben er dankbaar voor, ik meen het
echt. Als je het niet nodig hebt dan maak je het niet mee. Jozef zei altijd ‘je krijgt
een kwartje van me, als je iets zei waar hij iets aan had. Nou van mij krijgen ze
een gulden.
Alice:
‘De Kringloop der Ziel’ is het eerste boek dat je gelezen hebt,
vertelde je. Kringloop is ook een heftig boek. Meester Zelanus maakt ook zeer ingrijpende
dingen mee, zit o.a. ook in de dodencel.
Don:
Het gekke is, meester Zelanus spreekt
me meer aan dan meester Alcar, terwijl Alcar een graadje hoger is. Eens zei iemand
tegen me, bij een nogal scherp artikel van me: dat is precies meester Zelanus wat
je daar geschreven hebt. Ik vatte het op als een compliment terwijl het niet zo bedoeld
was. Wat hij bijvoorbeeld in ‘De Volkeren der Aarde’ geschreven heeft, daar staan
keiharde uitspraken in, dat we weer naar het holstadium teruggestuurd zouden moeten
worden.
Alice:
Je zoekt het scherp van de snede…
Don:
Ik ben wat roekeloos, zoals je
weet rook ik nog steeds, dat zit in me. Ik til er niet zo zwaar aan. Ik heb mezelf
nooit gezien als iemand die een eerste sfeer binnen schuift, ik ben tevreden met
schemerland. Ik hoop dat er een tikje licht is, dat ik niet aan de verkeerde kant
van het schemerland zit. Dat is e plaats die ik mezelf toedicht. Ik zie mezelf echt
niet als een engel rondfladderen.
Alice:
Je weet waar je naar toe wilt….
Don:
En dan
hoop ik als ik daar zit dat er een hulpie komt op een gegeven moment…. Jozef zei:
‘Het kan me niet schelen waar ik terecht kom na de dood, want ik weet hoe ik eruit
kom’. Dat kon hij zeggen, ik niet, hij wist hoe hij eruit kwam. Hij was de fijnste
kerel die ik ooit ben tegengekomen.
Alice Overdijk.