TEGEN CREMATIE! MAAR WAAROM?
Als door de wind
gedragen zweefden zij het crematorium tegemoet.
Kijk, André, dat mooie gebouw, daar
op die heuvels is de pijnbank voor de geest. Voor hen, die zich op Aarde misdragen
hebben, neemt het leven na de dood daar een gruwelijke aanvang. Het heet een huis
des vredes te zijn, maar in werkelijkheid is het , het huis der smarten. O, mens,
begrijp in uw onwetendheid, dat gij uzelf en de anderen op die pijnbank legt en dat
gij degenen, die van u heengaan, daardoor niet alleen eert, maar dat gij hen martelt
op de vreselijkste wijze, die er bestaat. Geloof in ons en neem deze waarschuwing
ter harte, want gij spot in uw onwetendheid met Gods wetten. Wij, die in het land
aan de overzijde van het graf leven, wij willen u de goede weg wijzen, welke naar
de waarheid leidt.
Wij hebben geen egoïstische verlangens, wij verlangen slechts
u te helpen. Wij willen u de waarheid brengen, omdat wij weten, hoe ontzettend hier
geleden wordt, hier, in dit huis der smarten. Wij roepen u nogmaals toe: Blijf op
Gods wegen. Ga zelf geen wegen bouwen, welke slechts stoffelijk zijn en donker, omdat
zij door de duisternis gaan en de bouwers blind waren en het geestelijke licht dus
niet konden zien. Wij roepen u toe: MAAK EEN EIND AAN DEZE VRESELIJKE TOESTANDEN
EN KEER TERUG TOT DE NATUUR, die gij reeds zo lang verlaten hebt. Open uw ogen en
zie hoe wij u zullen steunen. Zie, hoe uw vrienden bij u staan, uw zusters en broeders,
die voor u heengingen. Wij willen u helpen en wij willen hen helpen, die op deze
wijze gefolterd worden. Wij zijn om u heen, maar uw stoffelijke ogen zien ons niet,
omdat gij u afgesloten hebt en de waarheid niet wilt zien. Open uw ogen en oren en
ge zult ons niet alleen zien, maar ook horen spreken. Voorwaar, wij kunnen dat, omdat
wij de kracht daartoe van God ontvangen hebben.
Wij zijn naast u, om u te beschermen,
wanneer ge bescherming nodig hebt. O, zoek niet verkeerd, zoek op duistere dagen
niet naar het zonnelicht, dat er niet is, maar wacht, totdat het weer licht wordt.
Dan zult ge ons zien, want wij zijn dat zonnelicht....
Tot zover Meester Alcar in
,,Een Blik in het Hiernamaals''.
De bovenstaande boodschap van Meester Alcar waarschuwt
ons op ernstige wijze voor de crematie. Uit zijn woorden blijkt duidelijk dat de
mens op Aarde niet weet wat hij veroorzaakt en wat hij zichzelf aandoet indien hij
besluit zich te laten cremeren. Wat heeft de mens ertoe bewogen om meer en meer van
begraven af te zien en op zoek gaan naar een andere vorm van lijkbezorging. Waarom
valt er een steeds groeiende voorkeur voor crematie te constateren? Is dit een bewuste
keuze geweest, met een duidelijke kennis van zaken? Of handelt de mens vanuit onbewuste
impulsen, verblind door bijvoorbeeld de ogenschijnlijke hygiëne en doeltreffendheid
van de hedendaagse technische mogelijkheden?
Of is het uiteindelijk, zoals Meester
Alcar in het bovenstaande citaat schetst onwetendheid en worden er wegen gebouwd
die slechts stoffelijk en donker zijn, omdat zij door de duisternis gaan?
Voordat
we in dit artikel dieper op deze vraagstukken zullen ingaan, wil ik u eerst meenemen
in een stukje historie waarin we het ontstaan en de ontwikkeling van de lijkverbranding
in vogelvlucht zullen passeren. Dit is niet alleen interessant om te volgen, maar
het is ook een beetje noodzakelijk willen we een compleet beeld krijgen van het onderwerp
en heel belangrijk, willen we de woorden van Jozef Rulof en de Meesters in het verdere
betoog beter begrijpen en kunnen aanvoelen.
HISTORIE:
In vroegere tijden was men
alleen gewend om de dierbaren te begraven. Niettemin werd er in vroegere tijden in
Europa gecremeerd. Vanaf het midden van de Bronstijd tot in historische tijden werd
er niet alleen door de Kelten en Germanen, maar ook door de Romeinen en de Grieken
aan lijkverbranding gedaan. Met de komst van het Christendom kwam daar echter grote
verandering in. Daar zijn verschillende redenen voor aan te voeren. Het begraven
van de doden is evenzeer een Joodse als een christelijke traditie. Lijkverbranding
in Israël was ongewoon. Enkel in zeer uitzonderlijke gevallen werd het toegepast,
voornamelijk als straf. Zo werden mensen in die tijd verbrand als zij zich schuldig
hadden gemaakt aan bloedschande (Lev. 20:14, 21:9). Achan werd gestenigd en daarna
verbrand, nadat hij zich had vergrepen aan oorlogsbuit waarop de ban lag (Joz.7:25).
De christenen erfden van de Joden zowel het begraven als de afkeer tegen lijkverbranding.
Niettemin werd de verbranding door de christenen in bijzondere gevallen toegepast,
zoals bij het verbranden van ketters en heksen en bij rampen als de pest. Men veronderstelt
echter dat er belangrijkere redenen voor de christenen waren om hun doden te begraven.
In eerste instantie werd Jezus Zelf begraven in een door Jozef van Arimatea aangekocht
graf (Matt. 27:60). Daarnaast was Christus uit het graf opgestaan. De christenen
geloven dat ook zij uit het graf zullen verrijzen (Joh. 5:28, 5:29). Dit geloof aan
de verrijzenis impliceerde dat men te ruste werd gelegd in een graf, in een soort
slaap zou men kunnen zeggen, in afwachting op het moment dat het tijdstip daar was,
ergens in de toekomst, waarop men door de macht van de terugkerende Christus uit
het graf verrees als een nieuw mens met een nieuw lichaam.
De christelijke lijkbezorging
bezat dus religieuze motieven en de behandelingen van het lijk en de lijkplechtigheden
kregen zo een religieus karakter. Daarbij heeft de verering van de martelaren ook
bijgedragen aan de overtuiging van het begraven. Op het graf van de martelaren werd
een altaar gebouwd en daaroverheen weer een kerk of een kapel. Men werd dicht bij
het graf van de martelaar begraven in de hoop dat op deze wijze ook de eigen ziel
dichtbij de ziel van de martelaar was, welke in de heerlijkheid van Christus vertoefde.
De eerste christenen kozen dus voor het begraven. Toch was het idee van een verrijzenis
uit de as de kerk niet onbekend. Dit kunnen we terugzien in de oudchristelijke literatuur
en kunst waarin men regelmatig het symbool van de Fenix tegenkomt. De fenix was aan
het eind van de eerste eeuw, bij Clemens Romanus (volgens de overlevering de tweede
bisschop van Rome na het verblijf van de apostel Petrus aldaar) het symbool van de
verrijzenis. Hij schrijft over de fenix in zijn eerste brief van Clemens aan de Korinthiërs,
omstreeks het jaar 96.
De fenix is een mythologische vogel die zich vrijwillig in
het vuur van een houtstapel stort, om er vervolgens getransformeerd en getooid in
prachtig gekleurde en vernieuwde veren uit tevoorschijn te komen.
Toch bestonden
er situaties die het aanvaarden van de lijkverbranding voor de christenen beletten.
In de ogen van de heidenen was het begraven van de doden door de christenen een dankbaar
onderwerp om hun het leven zuur te maken. De heidenen wisten dat de christenen niet
verbrand wilden worden, omdat zij anders van hun onsterfelijkheid werden beroofd.
Zo groeven heidenen in 177 na Christus de lijken van Lyon op om ze te verbranden.
De as werd vervolgens in de Rhone geworpen.
Ook de graven van de martelaren van Nicodemië
werden opengelegd en de overblijfselen werden verbrand en in zee geworpen, omdat
men hun geen eer zou bewijzen in hun graven. Vanaf die tijd werd het verbranden van
lijken dan ook door de christenen totaal geweerd. In bijna 20 eeuwen katholicisme
werd de begrafenisritus vervolmaakt tot een symbool van het geloof in de verrijzenis
en het eeuwig leven. In het liturgisch spraakgebruik vindt men teksten terug als
het toevertrouwen van de overledenen aan de schoot der Aarde. Hiermee wilde men tot
uitdrukking brengen dat de mens tot de Aarde behoorde, welke Gods schepping was.
Gelovige verbondenheid ging gepaard met eerbied voor het menselijk lichaam. Beide,
lichaam en ziel, waren voorbestemd tot een eeuwig voortbestaan in afwachting van
een opstanding tot eeuwig leven. Een graf werd dus met eerbied behandeld, omdat daarin
het lichaam van de mens rustte.
Deze wijze van begraven bracht voor veel mensen tevens
een ander gevoelsaspect met zich mee. De band met de overledene was niet voorgoed
afgesneden. Bij het graf kon men zo in alle rust verwijlen bij de geliefde, waardoor
een blijvende verbondenheid met de dierbare overledene levend werd gehouden. Het
verstrooien van de as, dat steeds meer in zwang raakt, was en is voor velen, zeker
in emotioneel en geestelijk opzicht, een gebaar van: Voor altijd verdwenen.
Ondanks
de lange traditie van begraven in Europa dook de crematiegedachte in het midden van
de 19e eeuw toch weer op. In de literatuur wordt Jacob Grimm algemeen beschouwd als
de vader van de moderne crematiebeweging.
Bekend is zijn voordracht ,,Über das Verbrennen
der Leichen" gehouden in de Koninklijke Academie van Wetenschappen te Berlijn in
1849, waarin een duidelijke sympathie voor lijkverbranding naar voren kwam, vooral
vanwege opmerkingen en conclusies van meer persoonlijke aard. Hij beschouwde het
verbranden met betrekking tot opstanding, dag des oordeels en eeuwig leven als geen
probleem. Door te geloven aan alleen een geestelijke opstanding kon men de crematie
in haar waarde laten.
Ook de Nederlander J. Molenschott, hoogleraar te Heidelberg,
pleitte voor lijkverbranding in zijn publicatie Der Kreislauf des Lebens in 1852.
Zijn opmerkelijke denkbeelden bestonden uit het verbranden van de doden omwille van
de ammoniak die de lucht zou verrijken. De as, die bouwstoffen voor nieuwe planten,
dieren en mensen bevatte, zou in zijn opinie kunnen worden gebruikt om grond te bemesten.
Ook waren er andere kwesties in vroegere tijden waar men mee te kampen had. De huidige
kerkhoven beantwoordden aan het beeld van een bed. Een rustplaats voor de overledene.
In de voorgaande eeuwen was dit echter wel anders. De gelovigen werden zo dicht mogelijk
bij en rond de kerk begraven (de rijken werden in de kerk begraven), die in het centrum
van het dorp of de stad stond. Grafschenners door mensenhanden of door natuurlijke
omstandigheden waren meer regel dan uitzondering en ten tijde van een oorlog waarbij
tienduizenden soldaten stierven, die vaak zomaar ergens in massagraven werden gegooid,
was het niet verwonderlijk dat dit tot onverantwoordelijke situaties leidde, omdat
de medische wetenschap, en de hygiëne eenvoudig nog niet op een aanvaardbaar peil
stonden. Als een lijk niet goed wordt begraven kunnen zich bacteriën verspreiden,
vooral als de dode aan een besmettelijke ziekte is overleden, iets wat in vroegere
tijden veelvuldig voorkwam.
Als antwoord op deze toestanden dienden twee artsen in
1869 op het internationale medische congres te Florence, in naam der openbare gezondheid
en der beschaving, met succes een motie in, waarbij het congres de wens uitsprak,
dat alle mogelijke middelen zullen worden aangewend om de gezondheidswetten te doen
wijzigen, zodanig dat de verbranding der lijken in de plaats van de tegenwoordige
begraafmethode wordt gesteld. Gelijkertijd ontstond de succesvolle propaganda voor
invoering van crematie vanuit vrijmetselaarskringen in Italië. Het internationale
vrijmetselaarscongres te Napels in 1869 sprak zich uit voor de bevordering van de
crematie. Enkele jaren later schreef het koninklijk Lombardisch Instituut voor Wetenschappen
en Letteren een prijsvraag uit voor het ontwerpen van een methode die het begraven
zou kunnen vervangen. Men kon nu eenmaal niet zomaar tot verbranding van lijken overgaan
omdat men dan met vele praktische zaken werd geconfronteerd.
In 1873 werd te Wenen
op de wereldtentoonstelling voor het eerst een verbrandingsapparaat geëxposeerd.
Het ontwerp van deze omgebouwde oven werd door prof. C. Reeclam, gerechtelijk arts
te Leipzig en Friedrich Siemens, glasfabrikant in Dresden, als antwoord op de prijsvraag
van het Lombardisch Instituut ingezonden. Dit winnend ontwerp voldeed aan de hygiënische
en ethische eisen. Voortaan zou de techniek geen belemmering meer hoeven te vormen
voor de invoering van de lijkverassing. Onmiddellijk in datzelfde jaar vond de eerste
verassing plaats in het op het Campo Santo te Milaan gelegen crematorium. De eerste
wettelijke regeling van de lijkverbranding kwam ook in Italië tot stand, nl. op 22
juni 1874. In 1878 volgde Duitsland met een crematorium te Gortha in het Thüringer
Woud. Uiteindelijk werd dus in de 19e eeuw de eeuwenoude traditie van het begraven
in Europa doorbroken. Voorlopers waren Italië en Duitsland. Redenen van ethiek en
hygiëne waren de grootste drijfveren hierachter.
Ofschoon men in alle christelijke
kerken lange tijd huiverig stond tegenover crematie, omdat zij indruiste tegen de
eeuwenoude algemeen christelijke traditie, kwam het verzet van de Rooms Katholieke
Kerk het sterkst naar voren en duurde ook het langst. Dit was mede het gevolg van
de antichristelijke en antikerkelijke tendens in de propaganda van de Vrijmetselaars.
Sedert de Instructie van het H. Officie van 5 juli 1963 is de discipline van de rooms-katholieke
kerk inzake crematie echter verzacht, alhoewel zij de voorkeur heeft voor begraven.
De Protestantse Kerk en de Gereformeerde Kerk voeren een tolerant beleid ten aanzien
van de crematie. In Joodse kringen werd lijkverbranding door de orthodoxie in strijd
geacht met de Joodse gedachte en streng verboden. Het progressieve Jodendom is ten
aanzien van de crematie verdeeld.
Het duurde tot 1914 voordat de eerste, niet legale,
crematie in Nederland plaatsvond. Omdat de wetgever verzuimd had aan te wijzen wie
er voor het niet begraven aansprakelijk gesteld moest worden, konden de beklaagden
niet vervolgd worden. En hoewel de wetgever niet de bedoeling had crematie toe te
laten, had zij verzuimd deze bedoeling om te zetten in een verbod met bijbehorende
strafwettelijke sanctie. Uiteenlopende en tegenstrijdige politieke, ethische en godsdienstige
meningen in de politiek maakte dat de herziene Wet op de lijkbezorging in Nederland
pas in 1968 de crematie uiteindelijk legaliseerde. Tegenwoordig is de crematie uitgegroeid
tot een algemeen geaccepteerde manier van lijkbezorging, welke steeds meer door de
westerse mens wordt toegepast.
Hieronder volgen enige cijfers ter illustratie:
Crematies
in Nederland naar godsdienst:
1935
1970
Ned. Herv. 337 4.099
Rooms Kath. 3
1.187
Gereform. 1 119
Overige 117
1.050
Geen godsd. 289 8.494
Totaal
---------- ---------
747
14.949
Crematies en crematiepercentage in Nederland:
Jaar Crematies
Aantal sterfgevallen %
1940 1.061
87.686 1,21
1970 14.949 109.619
13,64
Bronnen: Grote Winkler Prins
Wat betreft de historische gegevens over crematie
heb ik dankbaar gebruik gemaakt van het boek: Crematie in Nederland 1875-1955, de
Vereniging van Facultatieve Crematie en de Wet op de Lijkbezorging, door I. Franke.
Nu, anno 2000, ligt de verdeling van begraven en cremeren op 50-50. Crematie groeit
dus zeer verontrustend door. Het is opmerkelijk te noemen dat met het proces van
ontkerkelijking en de enorme vooruitgang van wetenschap en techniek, tevens gelijktijdig
het proces van groeiende acceptatie van crematie in de Westerse wereld is te volgen.
In welke mate het één met het ander te maken heeft valt niet onmiddellijk te zeggen.
De nog steeds in omvang toenemende individuele geloofsovertuiging van de Westerse
mens over existentiële onderwerpen en levensvragen zijn mede door de ontkerkelijking
en de wetenschap zo divers in beleving en uitdrukking geworden, dat het moeilijk
is hier algemene redenen voor aan te geven.
Niettemin lijkt het erop alsof door deze
ontwikkeling de mens dieper is afgedaald in de materie en daardoor zijn meer natuurlijke
afstemming van hoe hij dient te leven en te sterven voor een belangrijk deel heeft
verloren.
Daarentegen zijn de medische en hygiënische richtlijnen, alsmede de menselijk
maatschappelijke ethiek (wat iets anders is dan kosmische ethiek), alleen maar verder
geëvolueerd en op een hoger plan gebracht.
Tevens bestaan er situaties in kleine
dorpen en gemeenten waar de begraafplaats gekoppeld is aan de kerk. Voor niet kerkelijke
mensen kan het dan een te grote stap zijn om zich op een dergelijke begraafplaats
te laten begraven, terwijl het crematorium een meer neutrale instelling heeft.
Als
laatste argument kan de dieper doorgevoerde materialistische visie inzake efficiency
en kostenbesparing in relatie tot lijkbezorging worden genoemd. Termen als ,,als
ik dood ben, moet ik niemand meer tot last zijn'' zijn niet ongewoon. ,,Tenslotte
zadel je, je kinderen of de nabestaanden op met de zorg en de financiële verplichting
van het onderhouden van een graf''. Crematie kent die zorg niet en is goedkoper dan
begraven.
Naast bovengenoemde redenen om tot crematie over te gaan, schuilt er misschien
nog een reden in het Westerse bewustzijn. Wellicht een persoonlijke voorkeur die
op meer gevoelsmatige en ,,romantische'' ideeën is gestoeld en past bij het klinisch
beeld van deze tegenwoordige ,,ontaarde'' bureaucratische en technologische maatschappij.
Als dode terugkeren naar de Aarde, waar wormen en ander ongedierte aan je zullen
knagen, waar het bovendien stinkt en waar het vooruitzicht van voorgoed dood neer
te moeten liggen een ondefinieerbare eeuwigheid toeschijnt, strookt niet met het
bijna steriele, gecomputeriseerde interieur van onze hedendaagse, van alle materiële
gemakken voorziene woningen en kantoren. Nee, het idee van een schone, hygiënische
en snelle verbranding spreekt dan meer tot de verbeelding.
Daarbij kijkt de Westerse
mens ook nog eens met een schuin oog naar het Oosten. In tegenstelling tot de (oud)
Christelijke Europeanen hebben de Hindoes van bijvoorbeeld India en Suriname een
totaal andere kijk op crematie. Als dodenbezorging heeft het cremeren voor de Hindoes
een religieuze betekenis. In de Yajoer Veda (40:15) staat: ,,Bhasmaantam shariram'',
wat betekent: Het lichaam heeft zijn einde in de as. Het verbranden in vuur wordt
daarom beschouwd als de snelste en zuiverste manier om het lichaam terug te geven
aan de kosmos. Hier vinden we dus het aspect van snelheid en zuiverheid (sterielheid)
terugkomen en dan nog wel in harmonische relatie tot de kosmos. Aspecten die de tegenwoordige
Westerse mens schijnen aan te spreken.
In de boeken ,,Een Blik in het Hiernamaals''
en ,,Vraag en Antwoord, deel 1'' van Jozef Rulof wordt publiekelijk een ernstige
en grote waarschuwing voor de crematie. Niet eerder in de ons bekende geschiedenis
wordt op een zo indringende wijze een verhelderend beeld gegeven van de verregaande
gevolgen voor de mens indien hij zich laat cremeren. Deze standpuntbepaling is des
te opmerkelijker omdat men tegenwoordig steeds meer stemmen hoort, die zeggen dat
crematie voor de bewustere mens, dat wil zeggen de mens die het goede en God in zijn
leven heeft gezocht, niet zoveel kwaad kan. Wat deze mensen dan precies bedoelen
met ,,niet zo veel'' is voor niemand duidelijk en voor henzelf waarschijnlijk ook
niet. Om dit ,,niet zo veel kwaad'' goed te kunnen inschatten is kennis nodig, heel
veel kennis. Meester Alcar bezat deze kennis en in ,,Een Blik in het Hiernamaals''
zegt hij hierover het volgende:
Maar niet alleen voor ongelukkigen van geest is
de crematie af te keuren, ook de gelukkigen hebben er nog enigszins onder te lijden.
Dit hangt geheel af van de mate van hun innerlijke kracht. Maar zelfs wanneer zij
in de eerste of tweede sfeer thuishoren, dan nog is crematie voor hen af te raden.
Alles komt dus hier op neer, hoe zij innerlijk zijn en op het geestelijke zijn afgestemd.
Zoals dus hun licht is, dat zij bezitten, zo zal hun geluk en kracht zijn. Zo ook
hun leed en smart, zo hun lijden.
Een geest, die van de Aarde onmiddellijk naar de
derde of vierde sfeer gaat, zal zo goed als niets van de crematie voelen, maar hoewel
deze geesten niet meer aan hun lichaam vastzitten, zullen zij -- bij aankomst in
hun sfeer -- toch voelen, dat zij iets missen en daarvan last ondervinden.
Door de
ontzettende hitte van de verbrandingsoven wordt het stoffelijk lichaam verteerd met
een geweld, dat tegen de natuurwetten indruist en volkomen tegen Gods bedoeling is.
Moge deze gewelddaad dus eerlang -- tot heil der mensheid -- geheel hebben afgedaan
en voor de gewone teraardebestelling plaats maken.
Alvorens we de geestelijke consequenties
van crematie nog dieper zullen gaan bekijken, moeten we eerst onderzoeken hoe crematie
heden ten dage precies in zijn werk gaat. Dit is nodig willen we ons vervolgens beter
kunnen voorstellen welke verregaande invloed dit proces heeft op het dode, fysieke
lichaam en in het bijzonder, op de bij het fysieke lichaam behorende, levende astrale
persoonlijkheid, die een proces heeft te ondergaan om zich geheel van zijn fysieke
lichaam te kunnen bevrijden teneinde naar die geestelijke wereld te kunnen vertrekken
waarop hij innerlijk afstemming heeft. Om mij hiervan zo goed mogelijk te informeren
maakte ik een afspraak met het dichtstbijzijnde crematorium.
Een vriendelijke vrouw
verwelkomde mij aan de ingang van het prachtige en harmonieus gelegen complex. Ik
vertelde haar dat ik nieuwsgierig was naar het proces van crematie en hoe dat allemaal
in zijn werk gaat. We weten bijna allemaal uit eigen ervaring of uit tv beelden dat
een kist bij een begrafenis voorzichtig in het uitgegraven gat in de Aarde wordt
neergelaten. Vervolgens loopt men langs de kist en werpt een bloem of wat aarde op
de kist en men neemt afscheid. Wat er precies achter de gordijnen met de kist gebeurt
of wat er met de kist gebeurt als deze de vloer in zakt bij een crematie blijft echter
een mysterie. De manier waarop mijn gids het gesprek met mij begon is typerend voor
deze branche en voor het bewustzijn van onze maatschappij, want zij ging er onmiddellijk
van uit dat mijn ,,tijd'' voorlopig nog niet kon zijn aangebroken, dit gezien haar
inschatting van mijn leeftijd. Tevens behoort de dood bij het leven, nietwaar mijnheer?
Ik knik ja. Bij dergelijke gesprekken begint het altijd in mijn buikstreek te kriebelen
en kan ik een glimlach niet onderdrukken.
Want praten over de dood vereist in deze
maatschappij nu eenmaal veel tact en voorzichtigheid, helemaal als men in een crematorium
werkt.
Zij nam me al pratende mee en liet mij alle zalen en kamers zien en hun betreffende
functies. Uiteindelijk kwamen we bij een mooie, rustige zaal aan waar de laatste
bijeenkomst wordt gehouden alvorens de crematie een aanvang neemt. De zaal bezat
geen gat in de grond waar de kist in zou gaan verdwijnen, maar er stond een rechthoekige
verhoging met dezelfde afmetingen als van de lijkkist. Deze verhoging staat op een
rail en heeft als functie de kist over de rail te transporteren naar een ruimte achter
mooie gordijnen.
Nadat iedereen afscheid heeft genomen van de dierbare overledene,
wordt de kist over de rail de ruimte achter de gordijnen binnen gereden. Feitelijk
hoort de kist weg te rijden als de aanwezigen zich nog in de zaal bevinden, maar
dit gebeurde maar zelden, omdat bijna niemand wil zien hoe de kist via de rail achter
de gordijnen verdwijnt. Staat de kist eenmaal achter de gordijnen in de nieuwe ruimte,
dan wordt de kist op een karretje geplaatst en de ruimte uitgereden, een gang op,
waar de bloemen en kransen van de kist worden afgenomen, op één enkele bloem na en
vervolgens wordt de kist verder gereden een tegenoverliggende deur door de ruimte
in waar de ovens zich bevinden. De bloemen en kransen worden in een soort bezinningstuin
neergelegd, waar men na het hele gebeuren even kan vertoeven. Uiteindelijk wordt
de kist van het karretje op een soort slee gezet die de kist de oven in schuift.
Als men zo voor de deuren van de oven staat, bekruipt je het gevoel dat er iets niet
klopt. Veel tijd om hier verder bij stil te staan krijg ik niet, want mijn vriendelijke
gids neemt mij verder een deur door en we komen nu in de ruimte waar de ovens, de
bedieningspanelen en afvoerleidingen tot in detail te zien zijn. Dit geeft een zeer
eigenaardig gezicht, bijna onwerkelijk, vooral vanwege de blinkende aluminium panelen
die de ovens afdekken en de computergestuurde bedieningspanelen met rood en groen
flikkerende lampjes en gekleurde drukknoppen. Dit alles vormt een buitengewoon, bijna
extreem contrast met de wetenschap dat zich binnen in de oven een astrale mens bevindt
die zichzelf misschien, al dan niet met de grootste moeite, tracht te bevrijden van
zijn, inmiddels in brand staand, stofkleed. Want het toeval wilde dat er op dat moment
net een crematie in volle gang was. Mijn gids maakte mij hierop attent door met een
handel een luikje weg te klappen zodat zij een blik kon werpen in de oven. Zij vertelde
vervolgens dat de crematie reeds enige tijd aan de gang was en of ik ook in de oven
wilde kijken. Terloops vermeldde ze ook nog dat zij hier reeds twintig jaar werkte,
maar dat het haar een lange tijd had gekost om voor het eerst bij een crematie een
blik in de oven te werpen.
Dit zijn van die momenten waarop je snel moet beslissen
en dus luisterde ik naar wat mijn innerlijke stem zei en die zei onmiddellijk: Kijken!
Ik klapte met behulp van de handel het luikje weg en keek door het glas (blijkbaar
speciaal glas omdat het niet smolt door de hoge temperaturen) in de oven. In de lengterichting,
van boven naar beneden, zag ik de overblijfselen van een skelet, waarvan de schedel
en de ruggengraat nog het duidelijkst te herkennen waren, omdat ze donker afstaken
tegen het omringende vuur, waarvan de vlammen zo'n 30 tot 40 centimeter hoog reikten.
De bodem van de oven was bedekt met brokken smeulende as.
De aanblik van dit alles
is zowel intrigerend als afstotend tegelijkertijd en er vliegen binnen enkele seconden
als het ware duizenden dingen door je heen. Ik besef dat wat ik nu heb neergeschreven
nogal luguber overkomt, maar het levert -- denk ik -- een belangrijke bijdrage om
de uitleg van de Meester van Gene Zijde over de gevolgen van crematie voor de mens
dichter bij ons aardse denken en voelen te brengen. En ik kan u verzekeren dat een
dergelijke ervaring van alleen even te kijken in de oven waar zich het proces van
de crematie afspeelt diep ingrijpt, zeker indien je over de meegedeelde kennis van
de Meesters over crematie beschikt en als zodanig wordt je denken en voelen over
dit onderwerp aanzienlijk verdiept.
Voordat de kist de oven in gaat, is de oven reeds
op een temperatuur gebracht van zo'n 700 graden Celsius. Van daaruit wordt de temperatuur
langzaam opgevoerd tot maximaal 1300 graden Celsius. Vlammen zijn er in eerste instantie
niet te zien, de oven is gevuld met hete lucht. Als de kist naar binnen wordt geschoven
kan er even een spontane verbranding ontstaan, waarbij de verf van de kist in een
oogwenk in de verzengende hitte oplost. Ook kunnen er even zwarte rookpluimen uit
de schoorsteen komen, die van binnenuit de ovenruimte door een raam in het dak te
zien was. Maar dat komt dan omdat de overledene bepaalde kleren aanhad of in het
ergste geval rubberen laarzen droeg. Niettemin werd er mij verzekerd dat crematie
een zeer schoon proces is waarbij nauwelijks afvalstoffen in de buitenlucht terecht
komen. Daarbij duurt de crematie hooguit anderhalf uur mijnheer, in tegenstelling
tot het begraven waarbij het dertig jaar duurt voordat het lichaam is vergaan. Ik
kon merken dat men trots was op de productieresultaten, de hygiëne en de efficiency
en de voorkeur van crematie boven begraven werd steeds duidelijker gepropagandeerd,
vooral toen ik kennis maakte met de directeur van het complex voor wie crematie een
uitgemaakte zaak was.
In de ruimte waar de ovens zich bevinden bevonden zich op een
tafel ook enkele kratten. Eén daarvan was tot de nok toe gevuld met stalen heupen
en knieprotheses en wat dies meer zij. Een andere krat was met een bodemlaag bedekt
met verwrongen gouden sieraden en tanden. Dit goud werd regelmatig geschonken aan
goede doelen. Twee andere kratten bevatten brokken as uit de ovens, er bovenop lag
een steentje met een nummer er in aangebracht. Deze nummers vertegenwoordigden namen
van de overledenen opdat men zo niet in de war zou geraken.
Deze brokken as, ter
grootte van een vinger of een vuist, dienen eerst door een soort maaltrommel met
zeef te gaan, alvorens men van ,,bruikbare'' as kon spreken. Ik was verbaasd te horen
dat het merendeel van de nabestaanden de as niet me nam naar huis. De verdere verwerking
van deze geweigerde as werd met een zekere regelmaat door een schip op zee geloosd.
Een ander deel van de nabestaanden strooit de as uit over een daartoe bestemde plek
op het terrein van het crematoriumcomplex. Het kleinste deel van de nabestaanden
nam de as mee. Ik zal u de verhalen van mijn gids over wat zij zoal meemaakte verder
besparen, ze zijn in deze context ook niet belangrijk, maar ongewoon waren zij wel.
Om te weten te komen wat er op het moment van de crematie feitelijk met het fysieke
lichaam en de astrale persoonlijkheid gebeurt, geeft Jozef Rulof in het boek ,,Vraag
en antwoord, deel 1'' eenduidig antwoord:
Omdat bij crematie de natuur het evolutieproces
ontnomen wordt, staat de mens voor eigen geschapen wetten en die slaan hem, folteren
hem, mismaken hem zo, dat hem horen en zien vergaat en hij zijn natuurlijk leven
verliest! De mens heeft zoveel uitgevonden op Aarde, dat niet Goddelijk meer is,
waarvan hij denkt: ,,Zo is het beter''. Maar laat hij afblijven van ,,ziel en geest'',
want zij hebben andere wetten te beleven en die zijn nog altijd Goddelijk!
Wat vernietigt
u nu eigenlijk door crematie? Welke levenssappen ontneemt u de geest? Of denkt u,
wanneer ge de grond ingaat -- hier dus bent gestorven -- dat de geest niets meer
met het organisme te maken heeft? Luister, dan zal ik u deze wetten verklaren en
kunt ge ze aanvaarden. Het is de Goddelijke waarheid, ik heb die mensen gezien en
de wetten mogen beleven.
Wij, als mensen nemen de grondstoffelijke levensaura van
het organisme in ons op en dat is de stof, die aan Gene Zijde dient om ons grond
onder de voeten te geven, anders zouden wij wegzinken en hadden wij geen bestaan
meer. Die stof krijgen wij pas volkomen -- een aura is het dus -- wanneer het organisme
in de zevende graad van verrotting is gekomen, dan zuigen wij die aura in ons op
en dit begint reeds, wanneer wij het organisme hebben verlaten. Kunt u dat nog, als
u bent gecremeerd? Nee, door één wet, verbranding nu, ontneemt de mens zich, vernietigt
de mens zijn verdergaan, de bron van leven en bestaan, hij vernietigt geestelijke
fundamenten, die hij nu mist en daardoor als een zeepbel ronddwarrelt, geen grond
bezit onder zijn voeten. En dit geschiedt door crematie!
Naast alle hinderlijke
last en in het ergste geval de onvoorstelbare verschrikking die de astrale persoonlijkheid
bij een crematie dient te ondergaan, indien hij geen afstemming heeft op de hogere
lichtsferen, krijgt hij dus onmiddellijk te maken met een fundamentele natuurwet.
Deze wet werkt buitengewoon vernuftig en harmonisch voor hem als hij zich laat begraven.
De natuurlijke rust en de tijdsduur die de astrale persoonlijkheid ten volle krijgt
bij een begrafenis, geeft hem alle gelegenheid om de levensaura van het stoffelijk
lichaam op te nemen, zonder daarbij te worden gestoord en deze te gebruiken om in
zijn nieuwe wereld goed te kunnen functioneren. Bij een crematie werkt dezelfde wet
echter kompleet averechts voor hem en zelfs desastreus, want er is geen sprake van
een natuurlijke rust en tijdsduur deze is teruggebracht tot anderhalf uur in plaats
van jaren zoals bij een begrafenis.
In het boek ,,Een Blik in het Hiernamaals'' laat
Meester Alcar Jozef Rulof (André genoemd) een crematie van nabij meemaken. Zij bevinden
zich in de astrale wereld en kunnen alles wat in de stoffelijke, aardse wereld plaatsvindt
gadeslaan:
André keek en kon met zijn geestelijke ogen duidelijk het lichaam in
de verbrandingsoven waarnemen. De hitte, welke er heerste, was geen belemmering voor
hen, daar het stoffelijke hitte was. Nog steeds werd het orgel bespeeld, maar de
mensen, die de ,,overledene'' de laatste eer bewezen, waren heengegaan. André zag
nu, dat het lichaam ineenkromp, zich heen en weer wentelde en zich kronkelde als
een levend mens, terwijl hij daarbij een schreeuwen, brullen en huilen hoorde, dat
hem van ontzetting deed beven. Het was niet om aan te zien en aan te horen. Hoe afgrijselijk
werd hier geleden!
Daar voor hem bevonden zich twee lichamen, het stoffelijke en
het geesteslichaam. Het ene ogenblik stonden ze, dan vielen ze en kronkelden dan
weer om elkaar heen. ,, Alcar, ik kan niet meer. Laat ons hier weggaan''.
In dit
verband rijst misschien de vraag hoe het dan precies zit met de gevolgen voor de
mens als hij zelfmoord pleegt en door wilsbeschikking, gecremeerd wordt. Zal hij
dan het verrottingsproces van zij fysieke lichaam moeten meemaken, terwijl het omhulsels
reeds tot as is verbrand? (Het is namelijk zo dat iemand die zelfmoord pleegt, zich
niet van zijn fysieke lichaam kan losmaken. Hij blijft aan zijn fysieke lichaam vastzitten
voor een tijdsduur die hem op Aarde was gegeven totdat hij op een natuurlijke wijze
zou zijn gestorven. De zelfmoordenaar, als astrale persoonlijkheid, beleeft dus het
verrottingsproces van zijn fysieke lichaam op een buitengewone intense manier mee).
Jozef Rulof geeft hierop antwoord in het boek ,,Vraag en Antwoord, deell'':
Nee,
als u gecremeerd wordt, is er van rottingsproces geen sprake meer. U denkt nu wellicht,
dan is crematie beter, je bent dan spoedig van al die narigheid af, maar, wat gaat
er dan gebeuren? Indien een zelfmoordenaar wordt gecremeerd, wat door ,,wilsbeschikking''
kan gebeuren, nietwaar, wordt het organisme verbrand, maar de geest zit thans aan
zijn brand vast. Mocht u dit niet begrijpen, dan is dit te verklaren, wanneer u bijvoorbeeld
een moordenaar volgt, die door ,,wroeging'' lijdt, zo vreselijk, dat zijn geest die
smarten niet kan verwerken en toch tot het leven blijft behoren. Die man loopt met
zijn ellende rond, hij kan zich er niet van bevrijden, die mens beleeft dit. Wij
blijven ,,achter de kist'' zoals wij hier zijn, met andere woorden, aan ons innerlijk
is niets veranderd.
De brand nu door crematie tot stand gekomen, is verschrikkelijk.
Je bent geestelijk verbrand en dat is niet te genezen, dat moet de mens zelf genezen,
doordat hij aan een beter leven begint en vanzelfsprekend al zijn fouten goedmaakt.
Langzaam verdwijnen de littekens door de crematie ontvangen, doch voordat hij ervan
is bevrijd, zijn er wel een vijfhonderd jaar voorbij gegaan en langer duurt het,
voordat de mens weer terug is tot de harmonische wetten van God.
Wat betreft de
gevolgen voor kinderen als zij gecremeerd worden zegt Jozef Rulof, ook in ,,Vraag
en Antwoord, deel 1'':
Luister goed, in de eerste plaats dit: Er worden weinig kinderen
gecremeerd en dat is maar goed ook! Nee, het kind lijdt niet door de crematie. Hoe
meer bewustzijn wij bezitten voor foutieve gedachten en liefdeloosheid, des te meer
heeft dit betekenis voor de crematie. Hoe meer wij dus de duisternis vertegenwoordigen,
des te meer kan de crematie ons slaan en lopen wij met die wet rond. Het kind bezit
dus niet het bewustzijn van de volwassen mens met al zijn kwaad. Hierdoor, dit moet
u toch duidelijk zijn, heeft de crematie geen vat op dat leven, omdat het gevoelsleven
zich zelf voor al die ellende heeft uitgeschakeld. Dit kunt ge begrijpen. Er leven
geen kinderen van vier tot veertien jaar in de hellen, dat is niet mogelijk!
Nee,
de kleintjes hebben niets te maken met de crematie, alleen de volwassen mens. Maar
door de crematie is toch ook het kind iets kwijt en dat doen nu die goede, die liefhebbende
ouders.
Tot slot de vraag wat er gebeurt als de mens door een ongeluk verbrandt.
Jozef Rulof zegt hierover ook weer in het boek ,,Vraag en Antwoord, deel1'':
Nu
is de geest onmiddellijk vrij, want het gevoelsleven wilde immers geen zelfmoord.
De mens die een dodelijk ongeval beleeft, ondergaat een geestelijke schok. Nu voltrekt
zich voor de levensaura een proces, namelijk het nemen van de lichamelijke aura,
wat anders maanden duurt, in slechts enkele minuten en dit betekent voor het gevoelsleven
en de persoonlijkheid de schok en dit heeft de persoonlijkheid te verwerken!
Niettemin
kan de vraag blijven hangen wat er dan precies gebeurt met al die mensen uit de Oosterse
landen die zich laten verbranden. Lijkverbranding in het Oosten wordt immers al duizenden
jaren toegepast. Door Jozef Rulof weten wij echter dat lijkverbranding voor ieder
mens nadelige gevolgen heeft.
Tegenwoordig is het begraven echter ook niet langer
zonder gevaren. Veel ,,doodskisten'' zijn tegenwoordig allang niet meer alleen van
puur hout gemaakt. In veel kisten is anorganisch materiaal zoals fineer (spaanplaat)
en kunststof verwerkt. Dit maakt dat de doodskist tot een soort conserveerblik wordt
omgetoverd. En dit heeft verregaande gevolgen. Na tien jaar wordt een zogenaamd huurgraf
,,geschut''. Dit houdt in dat het graf wordt leeggehaald en dat het stoffelijk overschot
in een ander graf wordt gelegd, laat ik het zo maar vriendelijk uitdrukken. Als de
kist uit puur hout bestond, dan zal deze bij het openleggen, het zgn. ,,schudden''
van het graf totaal vergaan zijn. Van de stoffelijke resten zullen zo goed als alleen
de botten zijn achtergebleven.
Van ooggetuigenverslagen weten wij echter dat er ook
praktijkgevallen voorkomen waarbij graven worden geschud, die kisten laten zien die
nog niet vergaan waren. Helemaal intact waren ze natuurlijk niet meer, maar de contouren
van een doodskist waren nog goed te onderscheiden. De stoffelijke resten uit deze
kisten waren dan ook nog lang niet vergaan en bezaten zelfs nog de vormen van een
menselijk lichaam. Wellicht dringen zich nu beelden bij u op van het balsemen van
stoffelijke overschotten, zoals dat bijvoorbeeld in het Oude Egypte gebeurde. Jozef
Rulof zei hierover in ,,Vraag en Antwoord, deel 2'' het volgende:
U hebt het al gehoord,
meneer Brand. Als u zich hier en daar en overal door het leven, door het lichaam
laat balsemen, dan mist u iets van een aura. Daar ligt iets, ook al is dat een mummie,
maar daar ligt leven. Dat is onbewust leven en houdt door wettelijke medicijnen --
u kent de balseming, wat er allemaal voor nodig is weet ik ook niet precies, maar
goed -- houdt u iets tot stand en dat mist u volkomen aan Gene Zijde, dat mist uw
geestelijke persoonlijkheid aan aura.
Want u neemt aan dat de persoonlijkheid het
gevoel is met kennis, maar het leven aan Gene Zijde is het astrale gevoelsleven.
Voelt u, waarheen ik wil? Dus u mist telkens iets van uw eigen leven, u gaat uw leven
versnipperen. En uiteindelijk, als u zich overal zou laten balsemen, is dat een psychopathische
toestand. U bent nog niet ziekelijk psychopathisch, maar u bent lichamelijk zwak,
onbewust, want het leven, u hebt misschien maar vijfendertig of veertig procent van
de honderd procent aan kracht, aan leven, dat u eigenlijk in een nieuw leven krijgt
en bezit. Is dat duidelijk? Wist u dat het zover gaat met balsemen? Zover gaat dat!
Tegenwoordig hebben we dus bij het begraven ook met een aantal dingen rekening te
houden. De kist dient dus van een pure houtsoort te zijn gemaakt, liever van vuren
dan van eiken. Desnoods van een jutezak. Als het verrottingsproces maar op een natuurlijke
en ,,snelle'' manier verloopt.
Misschien vraagt u zich af waarom ik zo gedetailleerd
ben geweest? Welnu, als men de woorden van Meester Alcar en van Jozef Rulof over
de verregaande gevolgen van crematie niet kan accepteren, omdat ze bijvoorbeeld nu
eenmaal nog niet wetenschappelijk te bewijzen zijn, dan zou het kunnen zijn dat het
geschetste beeld van het onnatuurlijke en koude fabrieksmatige proces van de hedendaagse
crematie u misschien op andere gedachten gaat brengen. De uitleg van de Meester en
van Jozef Rulof spreekt voor zich, of je aanvaart of je aanvaardt het niet. Een tussenweg
is er nu eenmaal niet. Als er toch nog twijfel is, bezoek dan eens een crematorium
en laat u rondleiden. U kunt dan immers voor uzelf voelen hoe deze, door mensen bedachte,
technische gedrochten op het meest heilige, uw kostbare gevoelsleven, inwerken. De
mensen die er werken voelen er niets van, ongelooflijk, doch waar en een trieste
realiteit.
Alles speelt zich af in bijna steriele ruimten bij koud TL-licht en kale,
betonnen muren, zonder blauwe lucht, zonder gras, zonder bloeiende bomen, zonder
zingende vogels. De astrale persoonlijkheid, voor zover deze nog niet van zijn stofkleed
is bevrijd, ligt daar alleen, alleen in een machine, voortijdig achtergelaten door
al zijn dierbaren, die zich verscholen achter een gordijntje, omdat angst en onwetendheid
in hun overheersten. Toch is dit hun gevoel wat dan op dat moment spreekt, alleen
weten zij dit niet te interpreteren. Zelfs als men niet aan een voortbestaan, in
één of andere vorm, na de dood gelooft, kan men zich toch moeilijk voorstellen dat
men zijn lichaam op deze wijze de laatste weg wil zien afleggen?
Het prachtige en
natuurlijke proces, zoals God het heeft bedoeld, de scheiding van lichaam en geest
als het lichaam zijn taak moet neerleggen, deze geest, deze menselijke versluiering
van de ziel, van de Goddelijke vonk, onderwerpt men vrijwillig aan een ,,dodelijke''
machine.
Als we willen weten wat in overeenstemming met de natuur is, met de Goddelijke
wetten, omdat we dit zelf niet goed meer weten of aanvoelen, laat ons dan kijken
naar het leven van de Christus. Hij liet zich begaven. Als Hij de Goddelijke Mens,
gewild zou hebben dat men Zijn lichaam zou hebben gecremeerd, omdat dat het beste
was, dan zou dit onherroepelijk zijn gebeurd. Maar dat wilde Hij niet. Zouden wij
het dan beter weten dan Hij?
A.V.
CREMATIE,
NOGMAALS!
VRAAG:
Wij zijn jarenlang in contact geweest met een genezend medium, de
heer C zuiver en betrouwbaar zoals Jozef Rulof. Nadat hij over was in het jaar 1958
kwam hij al gauw door bij het helderhorend medium, dat tot zijn vriendenkring behoorde
en zei:
Die boeken van Jozef Rulof moeten onder de mensen. Deze zijn buitengewoon
leerzaam. Lees die boeken en onthoud ze! Ze zijn een wegwijzer en zijn ook om je
staande te houden. De boeken van Jozef Rulof zijn zeldzaam mooi. Ze zijn natuurlijk
en waar! Dit komt van uit het Licht, dit is WAARHEID!
Je zou het zo kunnen zeggen:
Dit is de Waarheid en het Leven. In deze woorden zit alles.
Nog een andere keer kwam
C. spontaan door en zat vol van de crematie. Hij moest ons waarschuwen met het volgende
voorval, dat hij zelf in de sferen had meegemaakt. Hij bracht een man mee, die kortgeleden
was gecremeerd en die uitriep:
'Oh, oh, wat heb ik beleefd! Zeg het aan de mensen:
LAAT JE NOOIT VERBRANDEN! Ik heb zo iets verschrikkelijks beleefd, zo verschrikkelijk,
het is niet te vertellen, niet te vertellen! Ik heb het verbranden overal gevoeld.
De verbranding is op mij teruggekaatst, want ik werd meegetrokken. Ik moest er bij
zijn. Hoewel ik met het lichaam niet verbonden was, hetgeen ook wel gebeurt, heb
ik alles moeten doorstaan, wat mijn lichaam heeft ondervonden.
Het is één grote weerkaatsing!
Zoiets verschrikkelijks, dat kan ik niet vertellen! Waarschuw de mensen dat zij dat
nooit moeten laten doen! De reactie op het gehele gebeuren is verschrikkelijk. Dat
moet nooit meer gebeuren! Ik kan het eigenlijk nog niet vertellen.
Het medium C.
zei verder:
Ik heb dat nu ook gezien, hoe dat allemaal daar gaat en hoe mooi en hoe
prachtig hygiënisch dat gaat; het is één gruwel! Als dat eens tot de mensen doordrong,
wat zou dat een voorrecht zijn wanneer de mensen daarvoor bewust werden. De man van
daarnet doet niets anders dan huilen, zo ondersteboven is hij. Ik zelf was er ook
ellendig van. Ik moest het meemaken, want anders kan ik er niet over spreken. De
muziek was schitterend, maar doordat het zoiets verschrikkelijks was, leek het een
drama en zo klonk de muziek ook in de oren bij ons in het leven na de dood.
Het is
het grootste vraagstuk van de Aarde, die verbranding, het grootste, waar een verschrikkelijke
tegenwerking bij is, omdat zij, die de crematoria leiden, zoveel drang op de mensen
uit oefenen. DE CREMATORIA zijn één van de grootste drama's op Aarde.
ANTWOORD:
dood wordt dit een zware geestelijke foltering genoemd. Wie zich inleeft in de wetten
van de geest, zal zeker deze waarschuwing aanvaarden en zich dikwijls afvragen of
hier tegen op Aarde niet met meer kracht zou moeten worden ingegaan. In eigen familie,
vrienden en kennissenkring zal men dan ook zeker alles doen om deze waarschuwing
door te geven. Maar als dit serieus wordt geprobeerd, dan ervaart men tevens hoe
moeilijk het is om één mens te overtuigen. In het algemeen voelt en begrijpt de mens
immers niets van de geestelijke achtergronden van leven en dood en kent niets van
de eigen geestelijke diepten. Materieel en stoffelijk is het massadenken en voelen
en dan is de dood een definitief en onherroepelijk einde.
De maatschappelijke instellingen
ter bevordering van crematie bezitten het grote voordeel in te spelen op dit geestelijk
dode massagevoel; de zekerheid van een miljoenvoudige kring van voorstanders. Hun
argumenten passen geheel in het aardse, menselijke denkpatroon en dit blijkt dan
ook duidelijk uit een enorme toename van het aantal crematies. Het massale ongeloof
in een eeuwigheidsbestaan is dermate overheersend dat van een grootscheepse bestrijding
in dit geval nog geen sprake kan zijn. Dit maakt het in de praktijk dan ook uiterst
moeilijk om hierover in breder verband feitelijke informatie te verstrekken.
Vandaar
dat wij vanuit het Genootschap uiterst behoedzaam zijn met publicaties over dit onderwerp.
In feite is het onmogelijk om dit éne uit het totale verband te lichten en als een
apart gegeven op grote schaal naar buiten uit te dragen. Het kan immers nooit goed
zijn om de ene mens te overtuigen, de ander met angst en dreiging te bewerken die
immers onmogelijk begrepen zou kunnen worden. Daarom kunnen wij dan ook geen ingezonden
stukken over crematie plaatsen waarin personen, die de crematie ondergingen met naam
of bijzonderheden worden genoemd.
Wayti.
STERVEN
EN CREMATIE.
Dit stukje is gebaseerd op het verhaal van 'tante' uit het eerste deel
van 'Een Blik in het Hiernamaals'.
We volgen een vrouw die afstemming heeft
op een hoge sfeer van licht.
Aan het eind van haar leven kon ze voldaan terugkijken.
Ze heeft haar levenskrachten goed besteed. Haar leven is voor velen een zegen geweest.
Toen ze voelde dat ze ging sterven, legde ze zich in rust neer. Heel natuurlijk laat
ze het aardse lichaam los en gaat ze over naar het leven van de geest. Haar gevoel
is niet langer gericht op het in stand houden van het aardse lichaam. De gevoelskrachten
worden uit het aardse lichaam teruggetrokken en bouwen het geestelijke lichaam op.
Door dit terugtrekken vermindert de werking van het levenskoord dat de verbinding
vormt tussen beide lichamen.
Haar sterven op Aarde is het geboren worden in de geest.
Net zoals bij de aardse geboorte de navelstreng haar functie verliest en verbroken
wordt, wordt bij de geestelijke geboorte het levenskoord verbroken.
Hoelang het duurt
voordat het levenskoord breekt, wordt bepaald door de snelheid waarmee het gevoel
teruggetrokken kan worden uit het aardse leven. Dit heeft grote gevolgen bij crematie.
Haar levenskoord kon heel snel breken, omdat ze tijdens haar aardse leven al volledig
geestelijk voelde en dacht. Haar gevoel was op het einde van haar leven reeds teruggetrokken
uit het aardse bestaan.
Het eerste wat ze geestelijk ziet is haar overleden man,
die haar komt halen.
Hij brengt zijn vrouw naar de geestelijke sfeer, waar ze nu
beiden thuishoren.
Hun sfeer en hun kleding is volkomen in overeenstemming met hun
innerlijk gevoelsleven. De geestelijke omgeving weerspiegelt het licht en de liefde
die ze van binnen voelen.
In het hiernamaals kunnen deze geliefden zich verbinden
met al het leven dat tot hun eigen sfeer behoort. Ze zien hun overleden kind terug
en kunnen samen in geluk verder leven.
Nu de crematie:
We volgen een man van wie
het karakter lijkt op de musicus die in Een Blik in het Hiernamaals gecremeerd wordt.
Ook die man is nog niet bezig met geestelijke liefde:
Hij kijkt alleen naar het lichaam,
naar de aardse stof, en hij bekommert zich nog niet om zijn innerlijk leven, om zijn
gevoelsleven, om zijn innerlijk licht. Het gaat hem om het uiterlijke, voor hem bestaat
er alleen wat hij met zijn stoffelijke ogen kan zien. Hij kijkt naar zijn medemens
als naar één ding, een object van begeerte.
Hij is alleen ingesteld op zijn eigen
genot. Hij tracht zijn wil op te leggen aan andere mensen, om hen te gebruiken als
prikkeling voor zijn hartstocht. Hij vraagt zich niet af hoe een ander mens zich
voelt, maar hij zoekt alleen naar middelen om zijn eigen behoeften te bevredigen.
Hij gebruikte al zijn levenskrachten om zijn materieel bezit en zijn persoonlijke
roem te vergroten, ten koste van anderen en zichzelf. Hij brak stap voor stap zijn
gezondheid af, en zijn lichaam presenteert hem nu de rekening. Hij werd beheerst
door zijn stoffelijk bezit. Hij dacht er liever niet aan dat hij later alles zou
moeten achterlaten, en dat hij geen geestelijke bezit heeft opgebouwd.
Zijn overleden
moeder zou hem graag helpen, maar zij staat machteloos. Haar liefdevolle geestelijke
kracht wordt door hem niet opgenomen. Hij staat niet open voor geestelijke liefde,
hij wil alleen aards bezit. Zijn schilderstalent gebruikte hij alleen om zijn eigen
ijdelheid te strelen, maar het leidde tot afbraak van anderen en zichzelf.
Zelfs
op zijn sterfbed is hij nog onverdraagzaam. Afhankelijk te zijn van anderen. maakte
hem opstandig, hij wil immers alles zelf controleren.
Hij verliest nu die controle,
maar zijn hele gevoelsleven staat ingesteld op zijn aardse lichaam. Dat lichaam is
het middel om zich te kunnen uitleven, om geroemd te worden, om te bezitten. Wat
is hij zonder zijn lichaam? Hij is nog niet begonnen aan zijn geestelijk leven. Hij
heeft alleen voeding gegeven aan egoïstische gevoelens. Die gevoelens zijn te zien
als de uitstraling van zijn geestelijke lichaam.
Omdat zijn gevoel blijft uitgaan
naar het aardse lichaam kan het levenskoord niet breken op het moment dat de dood
intreedt.
Zijn hele gevoelsleven is verstrengeld met het stoffelijke bestaan. Hij
heeft maanden nodig om zijn gevoel naar de geest over te brengen en pas daarna zal
het levenskoord op natuurlijke wijze kunnen breken.
Wanneer hij als geest ontwaakt,
ziet hij de aardse werkelijkheid als in een mist. Alleen zijn eigen aardse lichaam
ziet hij scherper, omdat hij geestelijk alleen op zichzelf is ingesteld. Hij voelt
dat hij niet meer in zijn lichaam terug kan, want dat lichaam is afgestorven. Hij
voelt echter ook dat hij zich niet van zijn lichaam kan verwijderen, omdat het levenskoord
hem tegenhoudt. Zijn hele gevoelsleven is nog verstrengeld met de aardse materie.
Hierdoor begint hij te beseffen wat hem te wachten staat. Hij zit vastgeklonken aan
dat lijk, dat aanstonds in de oven geschoven zal worden. Hij probeert zijn nabestaanden
te overtuigen om de crematie af te breken, maar zijn geschreeuw wordt niet meer gehoord.
Tijdens zijn aardse leven koos hij voor crematie, niet wetende welk geestelijk lijden
hem te wachten zou staan. Nu beseft hij dat hij voor zijn gevoel levend verbrand
zal worden. Het levenskoord geeft ingrijpende veranderingen in het aardse lichaam
door aan het geestelijke lichaam. Geen lichtgeest kan hem helpen, omdat hij zich
door zijn eigen wil in deze toestand heeft gebracht.
Wayti.
BEGRAVEN
OF CREMEREN.
Lieve Bezoekers wij hopen dat het onderstaande verhaal er u toe zal
bewegen af te zien van crematie.
Het grootste medium dat er na Christus op Aarde
is geweest, Jozef Rulof en vele malen in de sferen aan Gene Zijde is geweest onder
leiding van zijn begeleider Meester Alcar, zegt hier het volgende over, wat u ook
kunt lezen in het boek EEN BLIK IN HET HIERNAMAALS, Jozef Rulof (André genoemd)werd
bij een van zijn uittredingen door Meester Alcar meegenomen naar een crematie
Zij
moesten enige kamers door om in de sterfkamer te komen, waar vele mannen en vrouwen
om hun overgegane vriend heen stonden. Dit zijn, zijn vrienden die straks zullen
zingen en hem een afscheidsgroet brengen. Hoor, daar beginnen ze al. Ze zongen met
volle kracht uit volle borst en wilden hierdoor tonen, hoe dierbaar de afgestorvene
hun was en hoe vreselijk zij dit afscheid vonden. Het was hun dirigent, André zag
dat vele kransen en bloemstukken van verschillende muziek en zangverenigingen om
de baar lagen. Kom dichterbij André dan zul je zo aanstonds, wanneer zij hun klaagliederen
- welke zijn lijden nog vergroten - hebben geëindigd, kunnen horen wat de werkelijke
waarheid is. Het gezang was ten einde en allen gingen een voor een langs de baar
om van hun leider en vriend afscheid te nemen.
Hoor je niets André?
Ja Alcar maar
ik weet niet vanwaar het komt. Ik hoor een zacht gejammer, is dat van de achterblijvende?
Ten dele mijn jongen.
Kom Naderbij!
Zij gingen nu vlak naast de kist staan en André
zag daarin een man van ongeveer zestigjarige leeftijd liggen.
Hoor je nu iets?
Het
gejammer drong nu veel sterker tot hem door. Ja Alcar het is verschrikkelijk en ik
zie ook het Geesteslichaam, dat zich heen en weer wentelt. Het wil weg Alcar ziet
ge dat? Ja Jongen. Het wil weg maar het kan niet weg. Het wordt vastgehouden. Daar
voor je, mijn jongen, wordt de grootste smart geleden en deze ongelukkige heeft ze
zichzelf bereid. Hij, die daar vastzit aan zijn stoffelijk lichaam, zal worden verbrand,
André!
O, Alcar wat is dat vreselijk! Moet hij dat doormaken terwijl hij leeft? Dit
is het juist mijn zoon, en straks zal hij nog veel meer moeten lijden. Zijn stoffelijk
lichaam zal worden verbrand, terwijl hij dit Geestelijk zal moeten ondergaan. Nu
kun je zien, hoe onmenselijk wreed zijn broeders zijn, al handelen zij uit onwetendheid.
Vanaf dit ogenblik zullen wij tezamen trachten, de mensheid te helpen André, door
haar met nadruk te wijzen op de gevaren, welke de lijkverbranding met zich brengt,
welke waarschuwing natuurlijk in de allereerste plaats is bestemd voor degenen, die
niet volgens Gods geboden hebben geleefd. Dit kunnen zij weten, door zichzelf te
leren kennen. Wat een zware straf moeten deze mensen ondergaan, wanneer zij zo diep
zijn gezonken, dat zij de verassing van hun lichaam moeten doorstaan, terwijl zij
daarmede nog zijn verbonden door de levensdraad.
Wat een ondragelijke kwelling moeten
zij gedurende het verbrandingsproces ondergaan, terwijl het fluide-koord hen gevangen
houdt en zij niet van hun plaats kunnen, tenzij zij hun stoffelijk omhulsel zouden
meedragen. Dat is evenwel uitgesloten, daar de stof het voertuig is van de geest
en niet de geest het voertuig van de stof; dit geldt natuurlijk alleen voor dit gebeuren.
Wanneer we eenmaal afscheid hebben genomen, dan is het gedaan met onze macht over
ons stoffelijk kleed en hiermee wordt dan in de regel volgens ons eigen verlangen
gehandeld.
Wanneer deze mens op de hoogte was geweest van een leven na het aardse
leven, dan zou hij in zijn laatste wilsbeschikking hebben bepaald, dat zijn stoffelijk
overschot volgens Gods eeuwige wetten aan de schoot van moeder aarde zou moeten worden
toevertrouwd. Volgens deze eeuwige wetten wordt de mens uit stof geboren en zal hij
tot stof weerkeren, maar het is niet de bedoeling dat dit gewelddadig geschiedt,
doch langzaam, geleidelijk, volgens de natuurlijke weg.
Voortaan zal het onze taak
zijn, de mensen hiertegen te waarschuwen en wanneer zij weten, hoe afschuwelijk het
is, dan bereiken wij misschien dit, dat zij zullen besluiten zich later niet te laten
verbranden. Dit zal ons werk zijn en daarom neem ik je mee, mijn zoon.
Deze crematie
moet je bijwonen, hoe zwaar het je ook moge vallen om later over dit gebeuren te
kunnen spreken. Toch zullen er velen zijn, die zich niet aan onze woorden storen,
maar al zijn het er maar enkelen, die dit wel doen, dan zullen wij al heel dankbaar
zijn.
Als door de wind gedragen, zweefden zij het crematorium tegemoet. Kijk André
dat mooie gebouw daar op die heuvel, is de pijnbank voor de geest. Voor hen, die
zich op aarde hebben misdragen, neemt het leven na de dood daar een gruwelijke aanvang.
Het heet een huis des vredes te zijn, maar in werkelijkheid is het, het huis der
smarten. O, mens, begrijp in uwe onwetendheid, dat gij uzelf en anderen op die pijnbank
legt en dat gij degenen die van u heengaan, daardoor niet alleen eert, maar dat gij
het martelt op de vreselijkste wijze, die er bestaat.
Geloof in ons en neem deze
waarschuwing ter harte, want gij spot in uw onwetendheid met Gods wetten.
Wij, die
in het land aan de overzijde van het graf leven, wij willen u de goede weg wijzen,
welke naar de waarheid leidt. Wij hebben geen egoïstische verlangens; wij verlangen
slechts u te helpen. Wij willen u de waarheid brengen omdat wij weten, hoe ontzettend
hier wordt geleden, hier in dit huis der smarten.
Wij roepen u nogmaals toe: Blijf
op Gods wegen. Ga zelf geen wegen bouwen, welke slechts stoffelijk zijn en donker,
omdat ze door de duisternis gaan en de bouwers blind waren en het geestelijke licht
dus niet konden zien. Wij roepen u toe:
Maak een eind aan deze vreselijke toestanden
en keer terug tot de natuur, die gij reeds zo lang hebt verlaten. Kijk Andre, hier
zijn reeds vele vrienden tegenwoordig van wie het stoffelijk hulsel werd verbrand
en die allen meer of minder daaronder hebben geleden. Zij bidden met mij: Vader,
vergeef hun fouten, want zij weten niet, wat zij doen. waar zijn we hier, Alcar?
In de verbrandingskamer André. Wij zijn weer ongemerkt binnen gekomen.
Aanstonds
zul je een geestelijke dokter zien, die de arme musicus door magnetische passen zijn
hevige pijnen zal helpen verzachten. Zie, daar is hij reeds, want het is in de sferen
bekend, wanneer er een ongelukkige zal worden verbrand. Maar niet alleen voor ongelukkige
geesten is crematie af te keuren, doch ook de gelukkigen hebben er nog enigszins
onder te lijden. Dit hangt geheel af van hun mate van innerlijke kracht; maar zelfs
wanneer zij in de eerste of tweede sfeer thuisbehoren, dan nog is crematie voor hun
af te raden.
Alles komt dus hier op neer, hoe zij innerlijk zijn en op geestelijke
zijn afgestemd. Zoals dus hun licht is dat zij bezitten, zo zal hun geluk en kracht
zijn. Zo ook hun leed en smart. Zo hun lijden. Een geest, die van de aarde onmiddellijk
naar de derde of vierde sfeer gaat, zal zo goed als niets van de crematie voelen,
maar hoewel deze geesten niet meer aan hun lichaam vastzitten, zullen zij - bij aankomst
in hun sfeer - toch voelen dat zij iets missen en daarvan last ondervinden.
Door
de ontzettende hitte van de verbrandingsoven wordt het stoffelijk lichaam verteerd
met geweld, dat tegen de natuurwetten indruist en volkomen tegen Gods bedoeling is.
Moge deze gewelddaad dus eerlang - tot heil van de mensheid - geheel hebben afgedaan
en voor de gewone teraardebestelling plaatsmaken. Het gaat ons nu echter om deze
arme zondaar, die nog met zijn lichaam is verbonden en aanstonds zwaar zal moeten
lijden. Kijk André, de arme man wordt reeds op de katafalk, welke hem naar beneden
zal brengen, geplaatst.
Wij noemen haar de dodenlift. Een laatste vaarwel werd hem
door alle aanwezigen toegeroepen en onder de tonen van het statige orgel zakte de
lift omlaag. Wij zullen hem volgen, mijn jongen. Wees sterk, want de foltering zal
nu een aanvang nemen. Zie je hem en hoor je hem schreeuwen? Ja, Alcar.
Hij ziet en
voelt reeds wat er zo straks met hem gaat gebeuren. André hield Alcar krampachtig
vast.
Kom hier bij me staan, mijn jongen. Er ging iets vreselijks gebeuren. Beulen,
moordenaars, is dat iemand eren? Doch deze scheldwoorden troffen hen niet daarboven,
allen stonden daar met starre gezichten en waren vol van medelijden, zonder te weten
hoe gruwelijk het lot was, van deze arme mens. Hij voelt nu reeds de helse pijnen
André, welke zijn geesteslichaam zal moeten doorstaan. De lift was intussen in de
verbrandingruimte neergedaald. Het is niet erg om te sterven, mijn zoon; want de
dood is een machtig verlosser, maar om op een dergelijke wijze, welke op aarde haar
weerga niet vindt, te worden gemarteld, is ontzettend.
De geest voelt, hoort en ziet alles,
al heeft hij zijn lichaam verlaten, want hij blijft darmee verbonden door het fluide-koord.
Dit geldt alleen voor hem, die vastzit aan zijn lichaam, die zich in het aardse leven
heeft vergeten. Ook andere toestanden zijn er, doch deze zijn allen van hun stoffelijk
lichaam gescheiden. Hij daarentegen blijft aan zijn lichaam geklonken totdat de band
wordt verbroken. Hoe vreselijk Alcar, voor die arme man. Dat is nu eenmaal zo en
ook weer het gevolg van zijn onwetendheid. Hij kan zich niet concentreren, omdat
hij de materie te veel heeft liefgehad en het geestelijke in zich heeft verwaarloosd.
Wanneer hij tijdens zijn leven op aarde God had gevonden, dan zou alles nu heel anders
voor hem zijn en zou hij deze foltering niet moeten ondergaan, omdat hij geestelijk
dan anders was afgestemd. André keek en kon met zijn geestelijke ogen duidelijk het
lichaam in de verbrandingsoven waarnemen.
De hitte, welke er heerste, was geen belemmering
voor hen, daar het stoffelijke hitte was. Nog steeds werd het orgel bespeeld, maar
de mensen die de overledene de laatste eer hadden bewezen, waren heengegaan. André
zag nu, dat het lichaam ineenkromp, zich heen en weer wentelde en zich kronkelde
als en levend mens, terwijl hij daarbij een schreeuwen, brullen en huilen hoorde,
dat hem van ontzetting deed beven. Het was niet om aan te zien en aan te horen.
Hoe
afgrijselijk werd hier geleden!
Daar voor hem bevonden zich twee lichamen, het stoffelijke
en het geesteslichaam. Het ene ogenblik stonden ze, dan vielen ze en kronkelden dan
weer om elkaar heen. O, Alcar, ik kan niet meer, laat ons hier weggaan. Alcar legde
zijn hand om André´s schouders, hem op deze wijze steunde en zo gingen zij heen.
Nog klonken hem de woorden in de oren: huichelaars schelmen en nog veel meer. Het
is vreselijk Alcar, afschuwelijk. Dat is het.
Kom, mijn jongen, ik zal je helpen,
anders kom je hier niet doorheen. O, Alcar, hoe ontzettend! Zoiets wil ik nooit meer
zien. Dit kan geen mens verdragen. O, wat lijdt die man. Alcar legde hem de handen
op het hoofd, omdat hij zo was geschokt door al het vreselijke, dat hij had gezien.
Al heeft een mens nu ook nog zoveel kwaad gedaan Alcar en nog zoveel zonden bedreven,
dan is dit toch wel een zeer zware straf voor hem. Er zijn nog zwaardere straffen;
dit is er een van de vele, welke men aan zichzelf heeft te wijten. Vergeet dit nooit,
André, André bad, dat God de arme zondaar genadig mocht wezen.
Zo is nu de crematie,
mijn zoon, voor degenen, die aan het stoflichaam vastzitten. Het geesteslichaam zal
eerst dan loskomen, wanneer de stof geheel is vernietigd. Je zult nu begrijpen hoe
noodzakelijk het is, dat de mensen ook in dit opzicht de ogen worden geopend, omdat
zij voortaan het kerkhof boven het crematorium zullen verkiezen. Dit proces zal enige
uren duren en wanneer het vonnis is voltrokken, zal de geestelijke dokter hem naar
een plaats in de sferen brengen, waar hij tot inkeer kan komen. Daar zal hij kunnen
besluiten wat of hij wil, dat is omhoog of omlaag.
Maar wanneer hij na een tijd van
bewusteloosheid zal ontwaken, want hij houdt dit niet uit, dan zal hij zijn eigen
weg willen gaan en door felle haat gedreven, zal hij de mensen vervolgen, omdat hij
denkt, dat zij hem dit lijden hebben aangedaan. Dan komt de tijd, dat hij moet ronddwalen
met de vreselijke littekens - door de verbranding ontstaan - waarmede zijn geesteslichaam
is bedekt. André was droevig gestemd. Het was een gruwelijke marteling. Hij had gezien,
dat de arme man niet los kon komen, toen hij weg wilde.
Eerst moest zijn lichaam zijn
verbrand, dan eerst zou het fluïdekoord breken. Hij had de beide lichamen gezien;
het ene gevoelloos, het andere des te sensitiever en hij had gezien dat deze lichamen
zich om elkander heen kronkelden, de stof en de geest, daar in die verschrikkelijke
oven. Ge hebt gelijk, Alcar. Dit is geen huis des vredes, maar een huis des smarten.
Daar wordt op aarde toch niet aan gedacht, André. Het geesteslichaam moet niet alleen
aanzien, dat zijn stoffelijk voertuig wordt verbrandt, maar het moet ook de pijn
en smart, welke de verbranding veroorzaakt, ondergaan. Dit is geen suggestie, maar
droevige werkelijkheid, een werkelijkheid, welke geheel aan gebrek aan geestelijk
gevoel is te wijten.
Maar de materialisten geloven dat niet. Hoe zou deze ongelukkige
dan nu aan een God kunnen geloven, terwijl hij deze smarten moet doorstaan! Spreek
nu eens met hem over God. Hij zou niet naar je luisteren en daarom is hij nog niet
te helpen. Hij wordt door haat verteerd, welke nu nog feller en intenser is geworden
dan tijdens zijn leven op aarde.
Het bovenstaande verhaal waarvan wij zeker weten dat
het echt is, zou mensen die voor crematie hebben gekozen tot nadenken moeten zetten
en hun beslissing voor crematie nog eens goed te overdenken dat vragen wij.
Henk
Roesink.