PEACE PILGRIM.
              
‘IK BLIJF LOPEN tot de MENSHEID begrijpt wat VREDE is’.
Bijna dertig jaar aaneen liep Mildred Ryder, beter bekend als Peace Pilgrim, door Noord-Amerika. Aan iedereen die ze tegenkwam verkondigde ze haar boodschap van vrede:
‘Overwin kwaad met goed, bedrog met waarheid en haat met liefde.’

Op nieuwjaarsdag 1953, wanneer ze 44 jaar is, begint de Amerikaanse Mildred Ryder aan een nieuw leven; een bestaan als vredespelgrim. ‘Die datum is eigenlijk mijn spirituele geboortedag’, vertelt ze later. Haar ‘aardse’ geboortedag is 18 juli 1908; ze komt ter wereld in Egg Harbour City in New Jersey, in een familie van linkse vrijdenkers van Duitse afkomst. Dat we dit weten, hebben we niet aan haarzelf te danken; over de eerste helft van haar leven spreekt ze sinds haar ‘wedergeboorte’ alleen in algemene termen. Het gaat haar om de vredesboodschap die ze uitdraagt, niet om de drager ervan.

Op gympen en gekleed in een trainingsjack met op de voorkant de tekst ‘Peace Pilgrim’ en achterop ‘Walking 10.000 Miles for World Disarmament’ vertrekt ze die Nieuwjaarsdag op haar pelgrimstocht. ‘Elke aanspraak op een naam, een verleden, bezit en verbintenissen liet ik achter.’ Voortaan wil ze alleen nog maar Peace Pilgrim – pelgrim van de vrede – worden genoemd: ‘Een pelgrim is een wandelaar met een doel. Mijn doel is de vrede, en daarom heet ik zo.’ Tienduizend mijl, ruim zestienduizend kilometer, moet haar pelgrimstocht gaan beslaan. Jaren later, wanneer ze dat doel heeft bereikt, verlegd ze haar streven naar 25.000 mijl. En als ze in 1964 ook die afstand heeft afgelegd, stopt ze met tellen. Het gaat haar tenslotte niet om de prestatie, maar om een hoger doel: ‘Ik blijf lopen tot de mensheid de vrede heeft geleerd.’

Vol vertrouwen:
Ze begint te lopen, en dat doet ze in een straf tempo van veertig kilometer per dag. Haar geheim? ‘De onuitputtelijke energie die je krijgt van de innerlijke vrede.’ En natuurlijk zo weinig mogelijk bagage. Peace Pilgrim heeft niet meer bij zich dan in de zakken van haar trainingsjack past; een kam, een tandenborstel, een pen, een wegenkaar, wat brieven en een stapeltje flyers met daarop de kern van haar boodschap: ‘Dit is de weg van vrede; overwin het kwaad met goed, bedrog met waarheid en haat met liefde.’ Het is een boodschap die ze deelt met iedereen die ze tegenkomt. Inclusief de politieagenten die haar, zeker in de eerste jaren, regelmatig aanhouden op verdenking van landloperij, en de cynische televisiereporters die in haar wel een geinig item zien. Op alle kritiek en elke sceptische vraag reageert ze geduldig en met een stralende glimlach.
‘Natuurlijk heb ik iedereen lief die ik tegenkom. Hoe kan ik ook anders? In ieder mens zit een sprankje van God,’ zegt ze vaak. Dat vertrouwen maakt haar, in elk geval in haar eigen ogen, onkwetsbaar: ‘Nooit ben je veiliger dan wanneer je bescheiden bent en geen gevaar vormt, wanneer je wandelt in liefde en geloof.’

Soms wordt dit vertrouwen op de proef gesteld, zeker in de eerste jaren van haar pelgrimage. In haar boek ‘Peace Pilgrim, hare life and work in her own words’ geeft ze enkele voorbeelden. Midden in de woestijn nodigt een man (‘Veel mensen zouden hem omschrijven als een ruw type’) haar uit de nacht door te brengen in zijn auto. Ze stemt toe en valt meteen in slaap. Hij wllde haar kwaad doen, vertelt hij de volgende dag. ‘Maar toen je zo vol vertrouwen ging liggen en in slaap viel, kon ik je met geen vinger maar aanraken.’
Ze schrijft: ‘Ik bedankte hem voor zijn gastvrijheid en liep verder. Toen ik omkeek, zag ik dat hij zijn hoofd naar de hemel had opgeheven, en ik hoop dat hij die nacht God gevonden heeft.’ Een andere keer wordt ze geslagen door een grote, diep ongelukkige jongen die een stuk met haar meewandelt. Ze verweert zich niet: ‘Terwijl hij me sloeg, kon ik alleen maar diepe compassie voor hem voelen.’ Het is een reactie die hij niet gewend is en uiteindelijk stopt hij met slaan. Verbaasd zegt hij: ‘Je sloeg niet terug! Mijn moeder sloeg altijd terug.’ Ze schrijft: ‘Wat zijn een paar blauwe plekken vergeleken met werkelijke verandering in een mensenleven? Om een lang verhaal kort te maken: de jongen was daarna nooit meer agressief. Hij leidt nu een nuttig bestaan.’

Oude identiteit:
Zo loopt ze maar verder, een spoor van verbaasde landgenoten achterlatend. Geld accepteert ze niet. Ze vraagt ook nooit om onderdak of eten, maar wacht af tot deze haar worden aangeboden. Dat werkt uitstekend, legt ze blijmoedig uit: ‘Ik mis zelden meer dan drie of vier maaltijden achter elkaar en ik denk nooit na over eten tot het me gegeven wordt. Ooit heb ik een keer drie dagen zonder voedsel gezeten, en toen gaf Moeder Natuur mij te eten; appels die van een boom waren gevallen.’ Een nacht zonder onderdak is lastiger, geeft ze toe, maar er is altijd wel ergens een bushokje om te schuilen. Bovendien: als het ’s nachts koud is, kun je het best maar gewoon doorlopen.
Hoe komt een mens tot zo’n bijzonder levensdoel, met zulke vastberadenheid? Peace Pilgrim, her life and work in her own words’ wordt in 1982, kort na haar dood, door een groep vrienden samengesteld uit krantenartikelen, transcripten van radio-interviews en haar eigen bescheiden publicaties.

Het boek meldt dat ze in 190?’  is geboren in ‘het oosten van de Verenigde Staten’ – vager kan het bijna niet. Het eerste exacte  jaartal dat wordt genoemd is 1938: het moment dat Mildred, naar eigen zeggen, met de voorbereidingen voor haar nieuwe leven begint. Waarom die geheimzinnigheid? Natuurlijk speelt mee dat na een radicale nieuwe start de oude identiteit een ballast wordt, een herinnering aan een ongewenst ego. Maar er gebeuren in die eerste helft van haar leven ook werkelijk dingen die niet passen in het verhaal dat ze over zichzelf wil vertellen. Een biografische schets van Marta Daniels biedt meer details. Het gezin waarin Mildred Lisette Norman Ryder wordt geboren is, zoals dat heet, arm maar gelukkig. Dat Mildred er op 25-jarige leeftijd vandoor gaat met een zakenman, is een schok voor haar familie. Het huwelijk is verre van gelukkig en strandt in 1946. Deze episode komt in ‘Peace Pilgrim, her life and work in her own words’ niet voor.

Daar geldt de hele periode tot 1953 als een reeks vanzelfsprekende stappen richting vredespelgrimage. Al als kind, vertelt ze, is ze onbewust bezig met de voorbereidingen voor haar latere, radicale leven. Ze zoekt – en vindt – de spirituele, goddelijke kracht die ze in haar vrijdenkersopvoeding niet heeft meegekregen. “Het keerpunt was toen ik, in wanhoop en vanuit een diep verlangen naar een betekenisvol leven, een keer een hele nacht in het bos liep. Ik kwam op een open plek en ik begon te bidden. Ik voelde een volledige bereidheid, zonder enig voorbehoud, tot een dienstbaar leven.” Na deze nachtelijke bekering is er geen weg meer terug, schrijft ze: “Ik ging leven om te geven wat ik kon, in plaats van om te krijgen wat ik kon, en zo kwam ik in een nieuwe, wonderbaarlijke wereld terecht. Mijn leven kreeg betekenis.”
 

Het leven omarmen:
Later onderscheidt ze in deze periode vier noodzakelijke voorwaarden om een werkelijk nieuw mens te worden. Ten eerste heb je de juiste levenshouding nodig: je moet het hele leven willen omarmen, dus inclusief onaangenaamheden en problemen. “Als je je problemen niet onder ogen ziet, zwalk je maar een beetje door het leven. Door het oplossen van problemen kom je tot innerlijke groei.” Ten tweede de bereidheid om je leven in harmonie te brengen met de wetten van het Universum: “Zoals de wet dat het kwade alleen kan worden overwonnen door het goede, dat alleen goede acties leiden tot een goed resultaat, en dat je jezelf spiritueel beschadigt als je dingen zonder liefde doet.’Ten derde het besef dat ieder mens een uniek plekje heeft in dit bestaan.

‘Als je deze wereld binnenkomt, staat jouw taak in het goddelijk plan al vast. Je hoeft alleen maar te ontdekken wat dat is – en het vervolgens te leven.’ En ten vierde de noodzaak om je leven te versimpelen. Hoe minder bezit je hebt, hoe gemakkelijker je in harmonie met je omgeving kunt leven, is de ervaring van Peace Pilgrim. ‘Ik ontdekte deze grote waarheid: onnodige bezittingen zijn slechts onnodige lasten.’ In deze vijftien jaar van ‘voorbereiding en innerlijk zoeken’, waaronder ook een aantal korte en langere proefwandelingen, laat ze langzaam maar zeker alles los wat haar nog bindt aan haar oude bestaan. Op 1 januari 1953 is ze genoeg ballast kwijt om de ultieme stap te kunnen zetten; een stap die ze zelf omschrijft als ‘innerlijke vrede’.
 

Alleen maar positief:
Om die
innerlijke vrede gaat het. Peace Pilgrims vredesboodschap is nauwelijks politiek geïnspireerd. In haar boek noemt ze de oorlog in Korea, die begin 1953 in een uiterst bloedige patstelling verkeert, als belangrijke reden om op pad te gaan. Maar de door haar aangedragen oplossingen lijken nauwelijks praktisch. Er moet een ‘ministerie van vrede’ komen, wereldleiders en de Verenigde Naties dienen te streven naar algehele ontwapening en een ‘wereldregering’ moet de vrede bewaren. Daarnaast moet de mensheid zo snel mogelijk één taal leren spreken, want ‘als we elkaar kunnen verstaan, zullen we ons realiseren dat onze overeenkomsten zoveel groter zijn dan onze verschillen’.

Peace Pilgrim sluit zich ook niet aan bij de burgerrechtenbeweging, die in deze tijd steeds nadrukkelijker van zich laat horen. Zij wil haar boodschap van vrede delen met iedereen, óók met degenen die in het zuiden van de VS een systeem van rassendiscriminatie in stand houden. In haar boek vertelt ze: ‘Ik werd een keer gewaarschuwd dat ik beter niet naar Georgia kon gaan, en dan vooral niet naar Albany, waar veertien
peace walkers in de gevangenis zaten. Maar ik kan niet zeggen dat ik de mensen daar onvriendelijk vond. Eigenlijk waren ze gastvrijer dan elders.’ De hongerstakende vredeswandelaars in de gevangenis hebben een politieke agenda. Met vreedzame middelen – hongerstakingen, protestmarsen, sit down acties – verzetten ze zich tegen het onrecht dat hun medemensen wordt aangedaan. Peace Pilgrim daarentegen doet niet aan verzet of burgerlijke ongehoorzaamheid.
Ze verkondigt een louter positieve boodschap van liefde en hoop: ‘Ieder van ons kan aan vrede werken. We kunnen dat overal doen; gewoon in onszelf. Want hoe meer vrede we in ons eigen leven hebben, hoe meer we daarvan kunnen weerspiegelen in de omstandigheden buiten onszelf.’

Uiterst scherp ziet ze dat ieder mens de kracht heeft om een kleine bijdrage te leveren aan het bereiken van de grote vrede. Stapje voor stapje. Kilometer na kilometer. Zonder dat de eindbestemming direct zichtbaar is.
Wees zelf vrede, zegt Peace Pilgrim, en maak je over de rest maar geen zorgen. ‘Een van de vragen die mij het meest gesteld worden is: heb je wel eens resultaten gezien van je pelgrimstocht? Het antwoord is dat ik nooit gevraagd heb om de resultaten te zien – de resultaten zijn in Gods handen. Misschien worden ze niet eens zichtbaar tijdens mijn leven, maar uiteindelijk zullen ze zich manifesteren.’
Op 7 juli 1981 komt Peace Pilgrim bij een auto-ongeluk om het leven. Na een aards bestaan van bijna 73 jaar, waarvan ruim 28 als vredespelgrim, gaat ze nu, zoals haar vrienden het omschrijven, ‘over naar een vrijer leven’. Maar hoeveel vrijer kan een mens nog zijn? Niet veel zou je uit haar eigen woorden kunnen opmaken: ‘Ik bezit alleen wat ik aanheb en wat ik bij me draag. Niets of niemand kan mij tegenhouden. Ik ben zo vrij als een vogel in de lucht.’
C.D.

                                               ALBERT SCHWEITZER.
                                          EERBIED VOOR HET LEVEN.
‘We kunnen veel meer dan we denken,’ zei Albert Schweitzer ooit. Deze arts, theoloog, musicus en filosoof bezat het zeldzame soort bezieling dat generaties mensen kan inspireren. Hij was bereid grote offers te brengen voor zijn morele principe: steeds kiezen voor wat het leven voedt en verrijkt.

Albert Schweitzers jeugd als zoon van een vooraanstaand predikant in de Elzas was stabiel en voorspoedig. Al in zijn tienerjaren excelleerde Albert in de theologie, filosofie en muziek, en als twintiger bereikte hij dingen waar de meeste academici een heel leven voor nodig hadden. Hij behaalde een doctorsgraad in zowel de filosofie als de godgeleerdheid, hij  schreef een klassiek werk over Bach, was een geliefd dominee en begiftigd en veelgevraagd organist, hij vernieuwde de techniek van de orgelbouw en schreef zijn bekendste boek, ‘De zoektocht naar de historische Jezus’. Albert zelf vond zijn academische en artistieke successen bijna belachelijk futiel. De gedachte dat hij niet concreet iets deed om het leven van zieken, armen en onderdrukten te verbeteren, kwelde hem. Op een vroege ochtend kort na zijn 21ste verjaardag wierp hij de last resoluut van zich af.

‘In bed luisterend naar het geluid van de vogels, overdacht ik kalm mijn toekomst. Ik besloot dat ik mijn leven tot mijn dertigste aan wetenschap en kunst mocht wijden. Daarna moest ik de mensheid op een directere manier gaan dienen. Ik heb me vaak afgevraagd wat Jezus precies bedoelde met Zijn uitspraak ‘Wie zijn eigen leven redt, verliest zijn leven, maar wie zijn leven geeft voor Mij en het Evangelie, redt zijn leven’. Nu had ik het antwoord! Nu was ik niet meer alleen oppervlakkig gelukkig, nu woonde het geluk in mijn hart.’ Tien jaar lang deelde hij dit besluit alleen met zijn latere vrouw Hélene Bresslau, in een hartstochtelijke, pas na zijn dood gevonden briefwisseling.
 

Verwante zielen:
Naast al zijn bezigheden was Albert ook nog lid van De Fietsclub, een gezelschap van hoogopgeleide jongelui die kleine stukjes fietsten en nachtenlang discussieerden. De populaire, aantrekkelijke en toen al beroemde Albert had beslist oog voor vrouwen, maar hij liet de dweepzieke meisjes niet toe in zijn hart. Hij zag in hen misschien al de gezapige volwassenen die zouden proberen hem te beletten zijn wilde plannen uit te voeren.
Hélene Bresslau was anders. Zij stapte zonder te kloppen zijn hart binnen, ging zitten en bleef er tot zijn dood. Tijdens hun eerste kennismaking, op een feestje, zei ze tegen hem: ‘Wat moedig van je dat je elke zondag preekt in dat achterlijke Elzas-dialect van je. Het klinkt afschuwelijk en het heeft niet eens grammatica.’ Hélene kon Albert aan en de twee hadden veel gemeen.

Ze was de christelijk gedoopte dochter van een joodse hoogleraar Recht en net als Albert had ze een sterk ontwikkeld maatschappelijk bewustzijn en een grondige afkeer van conventies. Ze was oprichter van een tehuis voor ongetrouwde moeders, werkte met wezen, ging in haar eentje skiën, speelde orgel… Vandaag de dag zouden we haar de meest geëmancipeerde vrouw van Straatsburg en omstreken noemen; toen was ze hoogst controversieel. Voor Albert Schweitzer was ze een godsgeschenk. Hij smachtte naar een vrouw die hem tegensprak, die hem begreep, die net zo veel van zichzelf en het leven eiste als hij. Hun liefde was hartstochtelijk, maar strikt geheim. En, in stijl met de door Schweitzer bewonderde Goethe, lange tijd volledig platonisch.

Ga voorwaarts!:
In zijn briefwisseling met Hélene zocht Albert bijna wanhopig naar een concreet plan. Weten dat je doctorstitels je weinig kunnen schelen en dat je concreet wilt helpen is één, op een constructieve manier aan de slag gaan, is andere koek. Pogingen om onderwijs voor wezen te organiseren, liepen stuk op bureaucratie. Schweitzer naderde de dertig, Het ultimatum dat hij zichzelf had gesteld, liep af. Toen viel zijn oog in de trein op een artikel in het blad van de Parijse Missie. Er waren dringend dokters nodig in Frans Equatoriaal Afrika, het huidige Gabon. Jezus’ gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus flitste door zijn hoofd. De rijke man die weigerde te delen representeerde de koloniale grootmachten, de bedelende Lazarus met zijn open wonden stond symbool voor de zieken en onderdrukten in Afrika. Op dat moment wist hij het. Hij zou arts worden en Lazarus’ wonden genezen.
Nu kwam zijn enorme vastberadenheid pas echt naar voren. Welke beroemde hoogleraar besluit op zijn dertigste een glansrijke carrière op te geven om zeven jaar lang geneeskunde te studeren?

Om als eerstejaars te worden toegelaten, moest hij zijn professoraten – en daarmee zijn inkomen en zijn riante huis – opgeven. Via een vriend kon hij goedkoop wonen in een bijgebouw van de universiteit. Familie en vrienden reageerden geschokt. Hoe kon Albert dit doen? En dan ook nog eens met het doel af te reizen naar een achterlijk land, waar blanken een gemiddelde levensverwachting van vijf jaar hadden! Hij antwoordde hen kalm en fel. Dominee zijn is niet bepaald verheffend in deze tijd van onverschilligheid. Onze tijd wil de twijfels opgelost zien zonder strijd of inspanning. Moet je daar als geestelijke in meegaan? Ik geloof er niets van. Een dominee moet zeggen: ‘Blijf niet zitten waar je zit, maar ga voorwaarts, richting Jezus!’ Dat geldt ook voor dominees zelf. Vraag je niet af of een weg betrouwbaar en makkelijk is, maar of hij naar Jezus leidt. Zo ja, ga die weg. Heb vertrouwen. Petrus was toen hij schipbreuk leed in staat over het water te lopen. Op het moment dat hij alle menselijke overwegingen liet varen, lukte het. We kunnen veel meer dan we denken.’

Met eigen handen:
Albert genoot van zijn artsenstudie en slaagde met vlag en wimpel. Op Goede Vrijdag 1913 vertrokken Hélene en hij, inmiddels getrouwd, vanuit Bordeaux naar Afrika. De verlaten missiepost in Lambaréné, in het oerwoud langs de rivier Ogowe, was weinig meer dan een kippenhok. Een extreem intensieve tijd brak aan voor het echtpaar. In eerste instantie behandelden ze de niet-aflatende stroom patiënten buiten, maar al snel begon Albert met de bouw van het ziekenhuis dat generaties artsen en verpleegkundigen zou inspireren. Hij deed dat grotendeels met zijn eigen handen. Schweitzer was wars van ‘missie’ in de opdringerige zin van het woord. Hij liet de Afrikanen volledig in hun waarde. Later beschrijft hij hoe een goed geklede Afrikaan toekijkt terwijl hij zware balken de heuvel op zeult. Als Albert hem vraagt een handje te helpen, antwoordt de Afrikaan: ‘Dat zal niet gaan. Ik ben zeer intellectueel.’ Albert, onverstoorbaar doorsjouwend: ‘Dat heb ik ook altijd willen worden. Maar het is me nooit gelukt.’

Ingeving op de rivier:
Ondanks het onmenselijk zware werk in de vochtige hitte studeerde Schweitzer dagelijks tot diep in de nacht. Hij probeerde zijn darwinistische overtuiging dat de mens niet het doel van de schepping is – en dat de natuur egoïstisch en hardvochtig is – te verenigen met zijn onwankelbare geloof in de ziel. Hij was als de dood voor scepsis en cynisme. ‘Niemand kan een definitie geven van de ziel,’ zei hij. ‘Maar we weten allemaal hoe de ziel voelt. De ziel is het besef dat er iets is wat hoger is dan wijzelf, iets wat ons aan het denken zet, hoop verschaft en maakt dat we goedheid, waarheid en schoonheid nastreven. De ziel is het brandende verlangen om in deze wereld van licht te ademen en het licht nooit los te laten. Het verlangen om kinderen van het licht te blijven.’
Hij pijnigde zijn hersenen over de vraag hoe hij de combinatie van ‘weten’ en ‘voelen’ tot een overkoepelende ethiek kon smeden. ‘Ik voelde me een man die een oude, rotte boot moet vervangen, maar niet weet waar hij moet beginnen. Ik doolde rond in een oerwoud zonder pad. Ik duwde uit alle macht tegen een stalen deur die niet meegaf.’ Maar tijdens een tweehonderd kilometer lange boottocht naar een bedlegere patiënte gaf de stalen deur plotseling mee.

‘Laat op de dag terwijl de zon onderging en we ons een weg baanden door een kudde nijlpaarden openbaarden zich volkomen onverwacht de woorden ‘Eerbied voor het Leven’. De enige zekerheid die we hebben, is dat we willen blijven leven. En dat delen we met al het andere leven. Dit inzicht wijst ons de juiste weg.’ Later vatte hij het boek dat hij over deze beroemde ethiek schreef samen in één zin: ‘Ik ben leven dat wil leven en ik leef te midden van leven dat leven wil.’ Toen hij in 1952 de Nobelprijs voor de Vrede kreeg, ging de voorzitter van het Nobelcomité in op de diepe implicaties van deze ogenschijnlijk simpele synthese. ‘Schweitzer leert ons dat alles wat leven onderhoudt, voedt en verrijkt goed en positief is, terwijl al het andere slecht is. Het is een universele ethiek, die mensen in spiritueel contact met het eeuwige brengt.’ Eigenlijk sloot Albert deze ethiek al als klein jongetje in zijn hart, nadat hij tot zijn afgrijzen had gezien hoe een kreupel paard meedogenloos naar het slachthuis van Colmar werd geranseld. ‘Ik vond deze wreedheid zo onbegrijpelijk, dat ik besloot in mijn avondgebeden niet alleen voor mensen te bidden. Als mijn moeder mij een nachtzoen had gegeven, bad ik stilletjes voor alle levende wezens.’  

Preken tegen de bom:
Al heel vroeg in zijn leven had Schweitzer zich voorgenomen zich nooit in te laten met politiek. Slechts één keer brak hij dat principe. De atoombommen op Hiroshima en Nagasaki waren in zijn ogen de ultieme antithese van zijn filosofie van ‘Eerbied voor het Leven.’ Na de Tweede Wereldoorlog hield hij de ontwikkeling van het atoomonderzoek scherp in de gaten. Hij onderhield een briefwisseling over het onderwerp met Robert Oppenheimer, enige tijd het hoofd van de Amerikaanse Commissie voor Atoomenergie. De Verenigde Staten werkten aan de waterstofbom, waarover zowel Einstein als Oppenheimer zich ernstig zorgen maakte. Toen de Amerikaanse regering dreigde iedereen die tegen dit project protesteerde hard te vervolgen, werd Schweitzer aangeklampt door academici uit de hele wereld. Als hij publiekelijk zou wijzen op de desastreuze consequenties van straling, zou de hele wereld toehoren. Schweitzer zweeg. Maar niet omdat hij niet durfde te spreken. In stilte las hij zich in de materie in, met de hem kenmerkende grondigheid. Toen sprak hij. In een serie historische toespraken voor Radio Oslo, schetste hij tot in huiveringwekkend detail wat er zou gebeuren als de waterstofbom werd gebruikt. Hoe het christelijke Amerika precies het omgekeerde van Eerbied voor het Leven beleed. Hij wierp al zijn retorisch talent in de strijd, want hij bleef een subliem prediker. Het resultaat was overweldigend. Prominente wetenschappers over de hele wereld waagden nu openlijk te protesteren. Massale demonstraties volgden, en kort daarop blies president Eisenhower de tests met de waterstofbom af.

Iedereen kan dit:
Albert Schweitzer stierf in 1965 op negentigjarige leeftijd, in zijn geliefde ziekenhuis in Lambaréné. Het kippenhok van destijds was uitgegroeid tot een complex met 72 gebouwen en 600 bedden. Hij werd begraven in de ziekenhuistuin, naast de urn van Héléne. Zijn grootsheid zit hem niet alleen in wat hij zelf tot stand heeft gebracht, maar vooral ook in wat anderen dankzij hem hebben gedaan. Beroemd werd zijn uitspraak: ‘Iedereen kan zijn eigen Lambaréné hebben.’ Daarmee bedoelde hij dat we allemaal een project kunnen scheppen, groot of klein, om de eerbied voor het leven gestalte te geven. Jeroen Krabé, die de hoofdrol in de film ‘Albert Schweitzer’ (2009) speelde, vertelde nooit eerder zo gegrepen te zijn door een rol. Na bestudering van zijn biografie werd hij Schweitzer. Al zijn emoties in de film zijn echt.
Alber Schweitzer genereerde het zeldzame soort inspiratie dat een tijdperk kan bezielen. Hij is het bewijs dat we onszelf niet hoeven te kwellen met vragen over het nut van de mens of de zin van het bestaan. In al zijn grootsheid was zijn prestatie eigenlijk heel eenvoudig. Die is terug te voeren tot de platitude ‘JUST DO IT!’.
M. M.