HOOFDSTUK 13
Barabbas beefde, toen hij dit aanhoorde. Vervuld met angst en kwelling en met een akelig voorgevoel, volgde hij zijn ondoorgrondelijke nieuwe kennis. Als bij instinct voelde hij, dat Melchiors woorden een vreselijke waarheid bevatten, doch hoe een vreemdeling in Judéa en die geen stamgenoot was, meer kon afweten van de geheimzinnige Nazarener, dan de Joden zelf, was hem een raadsel, dat hij niet kon doorgronden. Toch begon hij de Calvarieberg te bestijgen met een gevoel, alsof hij lood in de schoenen had en de wanhoop nabij was. Hij voelde, dat iets verschrikkelijks en bijna onbegrijpelijks op het punt was plaats te vinden en dat voor eeuwig op de kinderen Israëls de vloek zou rusten, die ze zelf hadden ingeroepen. Kon God zelf verandering brengen in het vrijwillig gekozen lot van een mens of een volk? Neen! Zelfs de ontaarde en onbeschaafde Barabbas was innerlijk bewust van de ontzagwekkende, goddelijke standvastigheid van de vrije wil.
De droge grond kraakte onder de voeten, alsof het vuur geweest was, want de hitte was op dit ogenblik zengender dan ooit.
De uren waren voortgesneld, zodat het nu bijna drie uur in de namiddag was; de stekende zonnestralen vielen onbelemmerd en onmeedogend neer op de heuvel, waarop de terechtstelling zou plaats hebben en die nu een reusachtige bijenkorf leek, die dicht met duizenden  zwermende en gonzende bijen bezet was. De menigte was van alle zijden toegestroomd, terwijl iedereen trachtte de beste plaats te krijgen, teneinde van daar de voortgang gade te slaan van het akelig treurspel, dat weldra afgespeeld zou worden. Deze gedenkwaardige heuvel had slechts een geringe helling; bij koeler weer zou het stijgen nauwelijks merkbaar geweest zijn; maar op dit hachelijk ogenblik, terwijl de gehele blakende schepping met verwondering toezag, kwam de weg allen moeilijk en lang voor. Melchior en Barabbas echter, die naast elkander voortgingen, waren er in geslaagd, in weerwil van den onheilspellende en verblindende gloed der lucht, een vrij vlugge en regelmatige tred vol te houden en zij gunden zich geen tijd om adem te scheppen, totdat zij nabij de top gekomen, op een groepje vrouwen stuitten, die het bewusteloze lichaam van één van haar omringden.

Barabbas snelde vooruit, daar hij plotseling vermoedde, dat zijn Judith daarbij kon zijn; en ditmaal liet Melchior hem begaan. Maar hij was spoedig teleurgesteld, geen in zijde geklede schoonheid was daar, het waren allen arme, vermoeide, droefgeestige, slecht geklede schepselen, waarvan enige in stilte weenden, terwijl één van haar, die door haar bijzondere waardige houding van een andere stand scheen, terzijde stond. Zij was dicht gesluierd, waardoor haar gelaatstrekken niet zichtbaar waren. Haar gehele aandacht was gevestigd op de vrouw, die bewusteloos was en die naar haar uiterlijk te oordelen, de armste van allen scheen te zijn; slechts in een ruw kleed gestoken van grof grijs linnen, dat om haar borst gebonden was met een band van hennep, lag zij op de grond, waarop zij eensklaps was neergevallen, als iemand die pas gestorven is.  De armzalige liefelijkheid van haar uiterlijk was zodanig, dat Barabbas, hoewel hij in zijn onstuimig hart een ander schitterend beeld omdroeg, door medelijden bewogen werd en voorover boog, toen hij haar zo slap en bewusteloos terneer zag liggen. Het voornaamste, dat haar onderscheidde, was het haar, het was losgeraakt en om haar neergevallen in grote golven van warm doch bleek goud,  haar gelaatstrekken waren zacht gerond en teer als die van een kind en de wimpers van haar gezwollen, gesloten ogen, die donkerder waren dan het haar, wierpen een schaduw op haar gelaat, die deed denken aan pijn en aan het storten van vele tranen.
Wat scheelt haar? vroeg Barabbas vriendelijk. Een paar vrouwen keken elkaar achterdochtig aan, maar gaven geen antwoord. Melchior was tot een kleine afstand de groep genaderd en wachtte daar. Barabbas wenkte hem, maar ziende, dat hij zich niet bewoog, ging hij naar hem toe.

Kunnen wij hier niet een weinig van dienst zijn, vroeg hij? Het is een zeldzaam schone maagd, die zeker veel verdriet en pijn overkomen is.
Doe zoals u goeddunkt, antwoordde Melchior rustig, terwijl hij hem, toen hij sprak, rechtstreeks aanzag: gij moet echter in deze zaak naar raad luisteren. Gindse zeldzaam schone maagd is een vrouw van slechte naam, een vrouw met gouden lokken hier uit de stad, die Maria Magdaléna genaamd is. Barabbas schrikte op, alsof hij gestoken werd. Een donkere trek vertoonde zich op zijn voorhoofd.
Maria Magdaléna, mompelde hij! Zij is ongetwijfeld een zondares! Ik heb verscheidene verkeerde dingen van haar gehoord, wat mij aangaat, zou ik echter niet meedogenloos willen zijn, ik zou geen vrouw kunnen stenigen, maar zo ik vandaag Judith zie en met haar sprak.
Genoeg! Viel Melchior hem minachtend in de rede. Ik begrijp u! Gij zoudt uzelf niet willen bezoedelen, goedhartige dief, met een blik van een slechte vrouw, want Judith is rein als de hemel en Maria zwart als de hel! Laat haar liggen, zedenprekerige moordenaar, gij bent het echte type der mannen, die zulke vrouwen maken! Laat haar over aan de goede zorgen van haar eigen sekse. Zij, die gij moordenaar hoont, is tot boetvaardigheid gebracht en haar is vergiffenis geschonken door Hem, die aanstonds zal sterven, maar wat doet er dat toe? Het is niets! Het is niets! Want Hij moet gekruisigd worden, terwijl gij kunt blijven leven! O wonderlijke wereld, die zo rechtvaardigheid uitspreekt! Kom, laat ons voortgaan!
Barabbas luisterde somber en beschaamd toe.
Het is goed, dat zij boetvaardig is, mompelde hij, maar waarom gaat gij zelf dan niet naar haar toe? Een plotselinge ernst kwam nu in plaats van de spotachtige glans in Melchiors ogen. Waarom? Herhaalde hij nadenkend, daarop na een ogenblik van stilzwijgen: Wanneer ik u de waarheid vertelde, zoudt gij meer vernemen dan voor uw gemoed geschikt is. Laat het u genoeg zijn te weten, dat er onder deze vrouwen één is, die ik niet zou wagen te naderen, dan ter aanbidding, want, waar zij gaat, is de grond geheiligd. Want van nu af aan is de vrouw door haar tot Koningin gemaakt! Neen, kijk zo vreemd niet! Gij zult daar later meer van horen.

Hij zette zijn tocht bedaard voort en Barabbas, meer en meer verward en verslagen, wierp over zijn schouder een onrustige blik op de groep, die achterbleef. Hij zag, dat de bewusteloze Magdaléna genoeg bijgekomen was om gedeeltelijk opgericht te worden en hij zag, hoe het verblindende zonlicht op haar neervallend zwaar en weelderig haar viel. Daarop wendde hij zijn ogen af en keerde die naar de grond, waarop hij en Melchior beide zwegen. Opeens vervulde een angstkreet de lucht; hij werd scherp weerkaatst en door meerderen gevolgd. Barabbas bleef staan, zijn bloed stolde bij die vreselijke uitroep. Onbekwaam tot spreken, keek hij angstig vragend naar zijn metgezel.
Het is het eerste gevoel van pijn, zoals gij heden en op dit ogenblik zoudt kunnen gevoeld hebben, zei Melchior, zijn blik beantwoordende, zij zijn bezig, twee dieven vast te nagelen. Hoort gij niet het geklop der hamers? Nog enige stappen en wij zullen het werk aanschouwen.
Zij verhaastten hun schreden, en binnen enige minuten bereikten zij de top des heuvels. Daar bevonden zij Zich vlak tegenover het ontzettende toneel der terechtstelling, een schouwspel van zulk een ontzaglijk gewicht en zo onuitsprekelijk afstotend, dat men het zich nauwelijks kon voorstellen, dat men nauwelijks de gehele bitterheid van het vreselijke en onsterfelijke drama kon vatten. De menigte had een afgesloten kring gevormd, die de top van de Calvarieberg geheel omgaf, de soldaten echter hadden zich in twee rijen verdeeld, waarvan de ene rechts, de andere links hield. Op een teken van de aanvoerder legde Simon van Cyréne stil en talmend het grote Kruis neer, dat hij zo met gemak gedragen had en toen hij dit deed, bewoog de Man van Nazareth zich rustig naar de plek, die Hem door Zijn bewakers werd aangewezen, waarop Hij zich plaatste naast het voorwerp, waarop Hij ter dood gebracht zou worden en wachtte daar geduldig op het einde van Zijn lot.

De beulen waren reeds druk bezig met een deel van hun vreselijke taak, want op de sluwe raad van Kajafas werden de twee dieven, die die morgen uit de gevangenis gebracht waren, het eerst op de voor hen aangewezen kruisen genageld. Dit geschiedde om aan de verfijnde wreedheid van de Joodse priesters te voldoen, die hiermee de Nazarener door schrik trachtten te overmeesteren, daar Hij op die wijze getuige zou zijn van de angst van hen, wier lot het was, in zijn heilige nabijheid te lijden. Hierin echter zouden de bloeddorstige hoofden van het Sanhedrin teleurgesteld worden. Geen schaduw van vrees deed het reine gelaat van de Goddelijke verbleken, geen schijn van afschuw of angst deed die statige Gestalte in zijn heldhaftige houding en zijn volmaakte vorm beven. Hij stond rechtop, zoals een koning over duizenden werelden zou kunnen staan, bewust van macht en glorie. Zijn lange, witgeklede Gestalte stak duidelijk af tegen de brandende hemel en scheen van de zonnestralen een verblindende glans ontvangen te hebben, de stekende punten zijner doornenkroon glinsterden alsof het dauwdroppels waren. Op Zijn edel, kalm gelaat zetelde een schoonheid, als van een onsterfelijke en zo licht traden zijn sandalen op de hete droge grond onder Hem, dat Hij nauwelijks de aarde meer scheen aan te raken dan een door de zon verlichte wolk zou doen, voor die weer in de ether, vanwaar zij kwam, opsteeg. Het land, de hemel, de  lucht, de zon, alles scheen een deel van Hem te zijn en op mysterieuze wijze in de kennis van Zijn tegenwoordigheid te delen; zo Hij een woord gesproken had, een woord van donderend  bevel, zou het Heelal hebben doen schudden! Maar met die innerlijke kracht alleen aan God en de engelen bekend, hield Hij zich stil en Zijn stralende ogen schenen in hun dichterlijke overpeinzing en verwondering zwijgend te zeggen:  Ik ga het gordijn van deze Dood oplichten, die al Mijn dwaze medeschepselen vrezen! Ik lijd martelende pijnen, om de zwakke menselijke natuur moed te geven! En ik daal in het graf als Mens, om te bewijzen, dat de Mens, hoewel schijnbaar dood, weder tot het leven zal opstaan!

Intussen werd het geschreeuw en gegil, dat Barabbas had doen schrikken, steeds luider en wilder. Het werd geuit door één der veroordeelde dieven, de ander was stil. Met een gemengd gevoel van ziekelijke nieuwsgierigheid en zenuwachtige vrees ging Barabbas aarzelend naar de plek, waar de beulen aan het werk waren, en starende naar de vertrokken gelaatstrekken van de worstelende misdadiger, uitte hij een niet te onderdrukken kreet van verbazing: 
Hanan!
Het was werkelijk Hanan, zijn vroegere medegevangene, met wie hij de vorige nacht had gevochten door het ijzeren traliewerk heen en die hij diezelfde morgen luid jammerend had achtergelaten. Toen hij hoorde, dat Barabbas zijn naam uitsprak, keerde de ellendige man zijn uitpuilende ogen rond met een afschuwelijke uitdrukking van woede en afgunst.
Gij, Barabbas! Gij vrij? Hond! Vervloekte duivel!
Welke boze samenzwering hebt gij bewerkt, om uzelf bevrijd en mij veroordeeld te zien? Door u zondigde ik, door u ben ik zo ver gekomen! Ellendeling! Ik spuw op u! Recht. Ik wil recht hebben! Gij leugenachtige huichelaar! Hebt gij niet gezworen, uw vrienden bij te staan? Laat af, gij barbaren! En met een gil trok hij zijn arm van de mannen weg, die dit lichaamsdeel gegrepen hadden om het aan de linker dwarsbalk van het kruis, waarop hij lag uitgestrekt, vast te nagelen. Gij, gij Barabbas, zijt een dief even goed als ik. Gij zijt slechter dan ik, want gij zijt nog bovendien een moordenaar! Kom hier en wordt in mijn plaats gemarteld! Deze morgen liet gij mij uitgehongerd en dorstig in mijn cel achter en zie, zij kwamen en brachten mij hier om te sterven, terwijl gij hier staat uitgedost in zachte kleding, vrij, vrij! Gij barbaar! En dit is de rechtvaardigheid van Rome tegenover de Joden! Au! En hij schreeuwde woest, toen twee of drie soldaten op verzoek van de beulen naar voren kwamen en met geweld zijn armen met sterke touwen aan de dwarsbalken van het moordtuig bonden, waarna de grote, scherpe spijkers zonder mededogen door het midden zijne palmen werden geslagen.
 
Neem Barabbas en kruis hem! Gilde hij! Hij vermoordde Gabrias, hij stal de juwelen van Shadeen, hij is het, die oproer in de stad verwekte, breng nog een Kruis voor Barabbas!  Laat Barabbas sterven.
Het bloed kwam op zijn mond, wat hem verhinderde te spreken,  zijn gezicht werd donkerrood van angst en benauwdheid. De soldaten lachten.
Laffe hond! Zei één van hen, sterf als een man, zo er enige mannelijkheid in een Jood is. Een Romein zou zich schamen, zo'n beweging te maken. Wat Barabbas aangaat, hem is door de wet de vrijheid weer gegeven en vergiffenis geschonken. Hanan luisterde en zijn ogen rolden vreselijk met een woeste glans.
Vergiffenis geschonken, vergiffenis geschonken! Mompelde hij zwaar van tong. Alle vloeken der hel komen over u en uw slechte...
Maar die zin werd niet voleindigd, want op dat ogenblik werd zijn kruis opgeheven en rechtop gezet in de holte, die in de grond in gereedheid was gebracht en de blakende zon brandde op zijn hoofd en zijn naakt lichaam als een open haardvuur. Hij wrong en kronkelde zich tevergeefs, in zijn onbeschrijfelijke marteling zou hij zijn handen van de spijkers gescheurd hebben, die er in geslagen waren, zo zij niet te stijf waren vastgebonden om dat te beproeven. Ontzettend was het hem zo te zien hangen, terwijl het gejaagde bloed in zijn aderen zwart werd en zijn gespannen spieren deed zwellen en Barabbas keerde ziek en sidderend zijn ogen af.
Lijden zij allen zo, vroeg hij stotterend aan Melchior. Allen, die van stof en alleen van stof geformeerd zijn, lijden zo, antwoordde Melchior, de gemartelde misdadiger beschouwend met de schijn van wetenschappelijke onverschilligheid. Hij heeft ook zijn kans in dit leven gehad en die verloren laten gaan. Niemand dan hijzelf is de oorzaak van zijn tegenwoordige toestand.

Wilt gij zulk een zedenles op de Nazarener toepassen? vroeg Barabbas half verontwaardigd. Melchior hief zijn ogen voor een ogenblik ten hemel, alsof hij daar een wonder waarnam.
Ja! Zelfs op de Nazarener, zei hij zacht. Hij heeft ook Zijn weg gehad en Zijn lot gekozen en voor Hem zal de glorie hiernamaals aanbreken! De tijd is Zijn slaaf, het lot Zijn voetbank en Zijn Kruis  de toevlucht der mensheid!
Nu, indien dat uw mening over Hem is, mompelde Barabbas tot in zijn ziel bewogen door iets ontzettends, dat hij niet kon verklaren, zou het dan niet goed zijn, met Hem te spreken voordat Hij sterft? Om Zijn Zegen af te smeken. Zijn zegen is niet voor mij, maar voor allen! viel Melchior plechtig in de rede. En ik heb met Hem gesproken, lang geleden, toen Zijn leven op aarde nog pas ontloken was. Maar nu is het geen tijd voor woorden, het is een tijd voor waakzaamheid en gebed, waakt gij daarom met mij en wees stil, dit is slechts het begin der wonderen.
De beulen waren toen juist gereed met de andere dief aan het kruis te nagelen. De man bood geen tegenstand en liet nauwelijks enig geluid horen. Slechts eens, toen zijn voeten door de zware spijker doorboord waren, nadat die er ruw doorgeslagen was, uitte hij een niet te weerhouden kreet van pijn, maar daarna beheerste hij zich met een bijna onmenselijke inspanning en zuchtte slechts nu en dan.

Zijn ogen keerden zich onophoudelijk naar de Nazarener en hij scheen met berusting en voldoening vervuld te worden, alleen door in die richting te zien. Er was opnieuw veel opgewondenheid en beroering onder de toeschouwers, toen zij zagen, dat het tweede kruis opgericht zou worden, want zij begrepen, dat het nu niet lang meer zou duren eer de hoofdhandeling van het aangrijpende drama zou plaats hebben, de kruisiging van Hem, die zij van godslastering beschuldigden, omdat Hij zichzelf de Zoon van God maakte.
En in het rusteloos heen en weer dringen van het gepeupel bespeurde Barabbas eensklaps een enigszins alleenstaand troepje vrouwen, wier kostbare kleding, versierd met juwelen, aanduidde, dat zij rijker en van hogere geboorte waren dan het gemeen en onder haar schitterde één verblindend schoon gelaat, gelijk een vlammende ster, want het haar, dat daarboven prijkte, had een roodachtig gouden glans, en ook de mantel, die daarover geworpen was, had een gloeiende, vurige tint. Met een verslindende en gretige blik vloog Barabbas, alle vrees waarschuwing of voorspelling vergetende, als een waanzinnige naar deze vurige, gevaarlijke schoonheid, die de lucht scheen te verbranden, waarvan zij omgeven was en met wilde ogen en uitgestrekte handen riep hij ademloos: Judith!

                                                         HOOFDSTUK 14.

Zij, die hij op die wijze toeriep, keerde zich naar hem toe, toen hij met een trotse houding, als van een beledigde, en met een onderzoekende blik op haar afkwam en haar wonderbaarlijke liefelijkheid hield hem, toen zij hem aanzag, in zijn overdreven haast tegen en maakte hem, zoals vroeger dikwijls gebeurd was, sprakeloos, verward en machteloos. Geen schonere vrouwengestalte kon men zich voorstellen dan de hare, haar schoonheid was van dat zeldzame en fijne type dat in alle eeuwen het verstand overbluft, het oordeel verblind en met de hartstochten der mannen gespeeld heeft. Zij was zich van haar onovertrefbare bekoorlijkheden maar al te goed bewust en zij kende de waarde van haar noodlottige macht, om allen te lokken, aan te trekken en te kwellen, die zij tot slachtoffers maakte van haar bijna onweerstaanbare aantrekkelijkheid. Zij was Judith Iskáriot, de enige dochter van één der meest nauwgezette en geachte leden van de Farizeïsche sekte in Jeruzalem en door haar geboorte en opvoeding had zij de heiligste en meest bescheiden van alle maagden moeten zijn, maar in haar geva1 was de natuur haar opvoeding voorbij gestreefd De natuur had op schilderachtige wijze wonderbare dingen voor haar gedaan, dingen die naar het gewone oordeel der mensen, gewoonlijk de deugd en de reinheid der ziel in het oog des Hemels overtreffen. Aan de natuur was het dus te wijten, dat er in het bronsachtige goud van haar haar een rode gloed lag, als die van een zonsondergang bij stormachtig weer, dat er in haar ogen een donkere, maar verblindende glans lag, die als het ware voortgevloeid was uit de donkerheid van de nacht en de schittering der sterren, dat hare lippen zo rood schenen, alsof ze bestreken waren met het donkerrode hart van de knop ener granaatbloem en dat haar stralend  gezicht de zachte, witte en rose tint had van de vroege amandelbloesem en tintelde van het frisse levensbloed der lente. Er was dan ook geen reden voor verwondering over het feit, dat haar schoonheid allen overweldigde, die binnen haar stralen kwamen, zelfs haar strenge vader werd vertederd, zwak en machteloos voor zover het haar betrof; en verblind door zijn bovenmatige ouderlijke trots op haar volmaaktheid, was hij langzamerhand slechts een werktuig in haar handen geworden. Hoe kon dus Barabbas, de misdadige Barabbas, zich in zulk een verblindende tegenwoordigheid anders gevoelen dan als de meest onderworpene aller slaven! Een geslagen hond, een beknord kind zouden standvastiger geweest zijn dan hij, toen de koude maar luisterrijke blik, die hij liefhad, op hem viel gelijk de straal van een ster in een winternacht, een blik, die zijn sterke zenuwen deed trillen.

Judith! Riep hij weer en zweeg toen ontmoedigd stil, want haar grote ogen, koud als de innerlijke stilte der zee, zagen hem uit de hoogte aan, alsof hij de één of andere beledigende indringer geweest was.
Judith! Stamelde hij smekend, Gij kent mij toch nog wel, . . . . mij, Barabbas?
Een snel opkomend begrip vaagde de trotse, vertoornde uitdrukking van haar blik weg, haar rode lippen openden zich een weinig, waardoor haar kleine, witte tanden zichtbaar werden. Een glans van genoegen deed haar gelaatstrekken ophelderen, maakte de kuiltjes aan de hoeken van haar mond zichtbaar en deed haar de fijngetekende wenkbrauwen optrekken, waarop zij een zachte, onverschillige, trillenden lach deed horen.
Gij, Barabbas? zei zij en lachte weer. Gij? Nee, dat is niet mogelijk! Barabbas was onlangs nog in de gevangenis en werkelijk, hij kon daar niet zulk een purperen kleding stelen en evenmin de ernstige, bezadigde uitdrukking, die uw gezicht heeft! Gij kunt Barabbas niet zijn, want nauwelijks enige uren geleden zag ik hem voor Pilatus staan, ongekleed en vuil als een wolf of een luipaard! Toch leek hij waarlijk een edeler man dan gij! Wederom gaf zij uiting aan haar spotzieke vreugde en haar ogen wierpen hem een uitdagende, verachtende en toornige blik toe. Hij echter had gedeeltelijk zijn zelfbeheersing herwonnen en ontmoette haar uitdagende blik standvastig, doch zijn donker gelaat was verbleekt en alle warmte en verrukking was uit zijn stem verdwenen, toen hij weer sprak:
Ik ben Barabbas, herhaalde hij  rustig. En gij, Judith, weet dat. Heb ik niet om uwentwil geleden?  En wilt gij mij nog bespotten?
Zij zag hem van onder tot boven aan met een gemengde uitdrukking van spot en medelijden.

Ik bespot u niet, dwaas! Gij droomt! Hoe durft gij zeggen, dat gij om mijnentwil geleden hebt? Ik wilde, dat gij gegeseld werd voor uw aanmatiging! Wat heeft de dochter van Iskáriot met u te maken, boosdoener? Gij vergeet uw misdaden gemakkelijk! Judith, mompelde hij, terwijl zijn bleke gelaatstrekken nog bleker werden en hij de handen onwillekeurig in de uiterste wanhoop ineensloeg, bedenk wat ge zegt! Herinner u de vroegere dagen, heb medelijden.
Zij, beledigd, brak zijn aarzelende toespraak met een handgebaar af en zich tot de vrouwen kerende die bij haar stonden, riep zij spottend:
Zie, jonkvrouwen, het is Barabbas! Herinnert gij u hem nog, hoe hij altijd gewoon was bij de bron onder de palmen in de hoek van onze tuin voorbij te komen, wanneer hij naar het huis van Shadeen ging of er van terugkwam? Hoe hij bij ons bleef talmen tot zonsondergang, zijn tijd verbeuzelde met ijdele praatjes en nieuwtjes uit de stad, terwijl hij zich waarlijk met nuttiger dingen had kunnen bezig houden. Het is dezelfde ridder, die voor mij de zijden hangmat knoopte aan de takken van de vijgenboom in de tuin mijns vaders en voor Aglaie, mijn onnozel Grieks kamermeisje daar, plukte hij eens een bloem, die te hoog en buiten haar bereik bloeide. Dat zijn alle diensten, die hij ons bewees, meen ik! Nu is hij buitengewoon trots in de gevangenis geworden,  de onverwachte vrijheid, die hem door de keuze van het volk is gegeven, heeft hem met zeldzame ijdelheid vervuld. Zoudt gij hem herkend hebben, jonkvrouwen, nu hij zo in het purper gekleed is en zich zo fatsoenlijk gedraagt? Zo waar als ik leef, hij zou een waar sieraad voor een kruis geweest zijn! Het is jammer, dat hij niet naast de Nazarener genageld is!

De vrouwen, die zij zo toesprak, lachten onverschillig om haar te behagen, maar enkele van haar schenen Barabbas in stilte te beklagen en keken hem vriendelijk en medelijdend aan. Hij echter toonde geen woede of ongeduld bij de honende woorden zijner schone kwelster, maar keek haar eenvoudig strak, vragend en droevig in de ogen. Een diepe blos kleurde haar schone wangen, zij was blijkbaar ontdaan door de standvastigheid van zijn blik en haar ogenblikkelijke verlegenheid opmerkende, greep hij deze gelegenheid aan om vastberaden naar haar toe te treden en haar hand in de zijne te nemen.
Is dit uw welkomstgroet, Judith? Zei hij in hartstochtelijk gefluister. Kunt gij niet voelen, hoe lang en groot mijn ellende is geweest om van u gescheiden te zijn? Ontken, zo gij wilt, dat ik terwille van u zondigde en geleden heb! Het was slechts deze gedachte en deze alleen, die mijn lijden minder moeilijk te dragen maakte. Bespot mij, verwerp mij, gij kunt mij niet verhinderen, u te beminnen! Sla mij dood, zo het u genoegen geeft, met die met juwelen versierde dolk, die aan uw gordel hangt, ik zal gelukkig aan uw voeten sterven en u , wrede engel mijner ziel, tot het laatst liefhebben!
Zijn stem trilde, hoewel hij fluisterde met die vreemde muziek, die de liefde aan de ruwste tonen vermag te geven, zijn zwarte ogen brandden van ijver en zijn lippen beefden onder dit welsprekend verzoek. Zij luisterde en een langzaam opkomende glimlach vaagde de minachting uit haar gelaat weg; hij had haar linkerhand in de zijne gevat en zij trok die niet terug. Maar met de rechter voelde zij naar de dolk, waarvan hij gesproken had,  het was slechts een speelwapen, dat in een juwelen schede gezet was, maar het was scherp en sterk genoeg om te doden. Luisterend naar een grillige ingeving trok zij plotseling de kling en plaatste die op zijn borst. Hij week niet, evenmin wendde hij voor een seconde de ogen af uit zijn aanbiddende aanschouwing van haar volmaakte lieftalligheid. Voor een ogenblik bleef zij zo staan met het opgeheven wapen, terwijl een glimlach om haar mond speelde, evenals een zonnestraal om een bloem speelt, daarop wierp zij, vrolijk in lachen uitbarstend, de dolk terug in de schede.

Voor ditmaal zal ik u het leven laten, zei zij met koninklijke minzaamheid, het dodenfeest van heden biedt voldoende stof aan, door de verraderlijke Nazarener en gindse schurkachtige dieven. Ik bid u slechts, laat mijn pols uit uw ruwe greep los ; anders moet ik u haten. Zie, gij hebt mij gekneusd, dwaas! Zulk een ruwe aanraking verdient geen vergiffenis!
Zij fronste de schone donkere wenkbrauwen onbeschaamd.
Barabbas keek berouwvol naar de rode strepen, die zijn vingers op haar fluweelachtige zachte hand, die met grote juwelen versierd was, hadden gemaakt, maar hij zei geen woord. Zijn hart was te pijnlijk aangedaan en bonsde te hevig, dan dat hij had kunnen spreken. Zij intussen bekeek nauwkeurig de beledigende tekenen, daarop hief zij eensklaps haar ogen met een onbeschrijflijke betovering in glans en glimlach op en zei:
Gabrias zou hen gekust hebben!
Indien de grond zich onder zijn voeten geopend had, of een bliksemschicht uit de hemel geschoten was, had Barabbas niet meer verbaasd en ontsteld kunnen zijn. Gabrias! De sluwe, schijnheilige en leugenachtige Farizeeër, die hij vermoord had en waarvoor hij in de gevangenis geworpen was! Zij,  Judith, sprak zó over hem en nu? Met verwarde hersenen en kokend bloed zag hij haar aan, terwijl zijn gelaat doodsbleek werd en zijn ogen vuur schoten.
Gabrias! Uitte hij met moeite. Wat zegt gij?
Gabrias!
Maar alvorens hij de onsamenhangende zin kon eindigen, ontstond er een plotselinge, weerzinwekkende, voorwaartse beweging onder het grauw, dat ongeduldig werd door het oponthoud en de rij der soldaten trachtte te verbreken om beter de toebereidselen te kunnen zien voor de terdoodbrenging van de Nazarener, waarmee aanstonds een aanvang zou gemaakt worden. Er volgde een groot rumoer, een bevel voor orde en een bont toneel van verwarring, temidden waarvan een gezelschap van deftig geklede personen de plek naderde, waar Judith en haar gezellinnen stonden en daar hun plaats innamen. Onder hen was de hogepriester Kajafas, wiens streng en verstandig gelaat door toorn verduisterd werd, toen hij Barabbas in het oog kreeg.

Wat doet gij hier, hond? Vroeg hij, terwijl hij hem naderde en hem heftig toefluisterde, heb ik u niet gewaarschuwd?
Scheer u weg! De bevrijding door de wet heeft u niet rein van zonde gemaakt, gij zult u niet ophouden met de geachten en godvruchtigen in de lande. Scheer u weg, zeg ik u, of ik zal u een gevloekte maken voor het oog aller mensen, ja, zo gevloekt als een melaatse.
Zijn hoge gestalte sidderde en hij hief zijn arm op tot een strenge, dreigende houding. Barabbas, wiens lippen verbleekten en die ademloos en duizelig was door de overstelpende gewaarwording van twijfel en afschuw, die Judith zo onverwacht in zijn ziel had opgewekt, ontmoette zijn koude ogen onverschrokken.
Beledigende priester,  zei hij! Bedrieg hen met uw vloeken, die ze vrezen, maar ik, Barabbas, tart u! Waarom zoudt gij, leugenaar en huichelaar, u koesteren in de glimlach der maagd Iskáriot en ik, haar vriend uit vroegere dagen, op uw bevel van haar gezelschap verstoken moeten zijn? Waarlijk, er gaat mij een licht op in mijn dwaas hoofd, waarin het lang duister is geweest, waarlijk, ik zie waarin mijn vertrouwen is geschokt. Ik lees uw gedachten, boosaardige en bloeddorstige Kajafas! Als in een visioen, mij geopenbaard in de stilte van de nacht, doorzie ik de grootte uwer knoeierijen! Let op uzelf! Want niet Judas, maar gij hebt de onschuldige Nazarener naar zijn dood gevoerd, gij en uw tirannieke listen! Let op uzelf! Want zo waar God leeft, wacht u en uw gelijken vergelding. Hij sprak in 't wilde, nauwelijks bewust van hetgeen hij zei, maar hij werd voortgedreven door een kracht en bezieling, die niet uit hemzelf was en hem deden beven.

Kajafas trad terug, en staarde hem in stomme woede en verbazing aan, Judith luisterde lachend toe. Hij is een profeet geworden, riep zij vrolijk uit. Laat hij gekruisigd worden! Haar kwaadwillige en wrede raadgeving vond geen open oren, want er was juist weer opnieuw beweging en geroep onder de menigte en vruchteloos gevecht met de soldaten. Barabbas werd gedwongen met het overige gedeelte van de zorgeloze menigte om een plaats te vechten en midden in het gedrang, greep hem eensklaps een krachtige hand, die hem, als het ware, uit de chaos trok. Melchior zag hem aan, er was een plechtige, vriendelijke uitdrukking in zijn ogen, de gewone, koude zelfbeheersing in zijn gelaatstrekken werd door innerlijke beweging verzacht.
Arme, onbezonnen zondaar! Zei hij met grote tederheid. Gij hebt de eerste steek in uw goedgelovig hart gekregen, de eerste slag in uw dalende hartstochten! Blijf nu bij mij, en lijd in stilte, laat de wereld en haar wegen voor een tijd uit uw oog en geheugen weggewist worden en zo uw ziel naar Liefde smacht, kom dan hier en aanschouw haar in al haar grote hemelse glorie en verslagen, om de verslindende haat der mensen te bevredigen!
Zijn stem, die gewoonlijk zo kalm was, beefde alsof zij door zijn tranen zou overmeesterd worden en Barabbas, die verward en gedrukt was en leed onder het gevoel van eigen verongelijking, gaf zich lijdelijk aan hem over, bewogen door zijn woorden, die hem ontzag en onderwerping inboezemden. Zijn angstige ogen opslaande, vestigde hij die op zijn metgezel. Zeg mij nu de waarheid, zo gij die weet, zei hij op hese, bijna onverstaanbare toon. Zij is vals? Toch niet!
Spreek niet! Ik zou het niet kunnen verdragen! Laat mij liever sterven, dan mijn vertrouwen verliezen!

Melchior antwoordde niet, maar hield zich eenvoudig bij de moeilijke taak om hem door de menige te trekken en te duwen, totdat zij ten laatste er in slaagden, een open plek te vinden, vlak tegenover de kruisen der twee dieven, die op dit ogenblik hoorbaar hijgden door hitte en uitputting, terwijl hun gestrekte ledematen zichtbaar beefden. De wachters omringden allen, dicht aaneengesloten, de witte gedaante van de Nazarener, zij ontdeden Hem van Zijn klederen. Intussen stond Petronius, de bevelhebber, er bij, terwijl hij de gang van zaken gadesloeg en peinzend op zijn getrokken zwaard leunde.
Pilatus is gek! Zei een hoofdman, die hem met een grote, perkamenten rol naderde. Zie, welk opschrift hij gegeven heeft om boven het kruis van de profeet van Galilea te spijkeren!
Petronius nam de rol en spreidde die uit en las de inhoud langzaam en met moeite, daar hij weinig onderwijs had ontvangen. Dezelfde woorden waren driemaal geschreven, in het Grieks, Latijns en Hebreeuws:
Jezus de Nazarener, de Koning der Joden.
Waarom ziet gij enige dwaasheid in ons landvoogd? Vroeg Petronius. Er is niets bijzonders in het opschrift! En toch is het zo, hield de man vol, die de rol gebracht had en zo werd het uitgelegd, want Kajafas zei tot Pilatus. Schrijf niet: De Koning der Joden, maar dat Hij gezegd heeft: Ik ben de Koning der Joden! En Pilatus, die nauwelijks hersteld was van zijn bijna goddelijke flauwte, was toornig op Kajafas en antwoordde hem haastig, zeggende: Wat ik geschreven heb, dat heb ik geschreven! En in waarheid, zij scheidden niet als goede vrienden.

Petronius zei niets meer, maar keek weer naar het opschrift en daarop naar voren komende, gaf hij het aan één der beulen. Deze man, die er grimmig en wild uitzag, bekeek het met een bewonderende  blik en na het gestreken te hebben, begon hij het dadelijk bovenaan het grote kruis te nagelen, dat nog op de grond lag waar Simon van Cyréne het had laten liggen, voor het aannagelen van de Goddelijke kruising. Met enige vlugge slagen had hij het spoedig op zijn plaats bevestigd en voldaan over de goede plaatsing las hij het met de grote inspanning van een kind, dat zijn eerste alfabet leest. Iedere letter natrekkend met zijn met bloed bevlekte vinger, ontcijferde hij langzaam de duistere woorden, die sedert die tijd door de gehele beschaafde wereld geklonken hebben en sprak ze stil voor zich uit, met een gemengd gevoel van doffe verwondering en toorn:
Jezus de Nazarener, de Koning der Joden.

                                                      HOOFDSTUK 15.
Het toneel had nu een wondervol, ontzettend en schilderachtig aanzien. Het grauw, dat ondervonden had, dat plotseling dringen de gesloten rij der Romeinse soldaten niet kon verbreken, bleef als het ware in een verhitte massa opgehoopt, die de gang van zaken knorrig, maar zwijgend aanschouwde. Er waren enige losgeraakte groepjes, die afgezonderd stonden van de grote menigte, blijkbaar met toestemming der overheden. Eén daarvan bestond uit de armoedig geklede vrouwen, die Barabbas gezien en toegesproken had op weg naar de heuvel en zelfs op die grote afstand kon hij de gouden glans van Magdaléna's haar zien schitteren, hoewel zij haar gelaat in de handen verborgen had. En voor de verstoring zijner gemoedsrust kon hij ook de tengere gestalte van Judith Iskáriot zien, die gewikkeld in haar vuurrode mantel, een grote papaver geleek, die in het zonlicht bloeide; de statige Kajafas stond naast haar, met andere notabelen uit de stad Jeruzalem, enige der vreemde Romeinse edellieden waren van hun paarden afgestegen en bogen diep voor haar, met hoffelijke groet. Barabbas staarde haar aan en was zielsbedroefd, een vreselijke ontgoocheling en teleurstelling drukte hem terneer en vervulde hem met stille woede en pijn en ondragelijke angst en wanhoop. Eensklaps was het of de grond onder hem beefde, gelijk de golven der zee, hij wankelde en zou gevallen zijn, zo zijn vriend Melchior hem niet vastgehouden had.
Wat is dat? Mompelde hij, maar Melchior antwoordde niet. Hij keek naar de soldaten, die eveneens de plotselinge, golvende beweging van de grond, waarop zij stonden, hadden gevoeld, maar die, geoefend in ijskoude lijdelijkheid, slechts een ogenblik elkander vragend aankeken en daarop hun stijve houding en onbeweeglijke uitdrukking weder aannamen. De grond had spoedig weer opgehouden te bewegen en het volk had in zijn hevige opgewondenheid blijkbaar de ogenblikkelijke golving niet opgemerkt.
Kort daarop ging er een luid geraas in wilde vreugdekreten onder het grauw op, de beulen hadden de Veroordeelde van Zijn klederen ontdaan en met blijkbaar genoegen het weefsel en de zachtheid der stof beziende, begonnen zij er om te loten. Zij twistten op luide, kwade toon. Vooral was er strijd over de vraag, wie het opperkleed of de mantel zou krijgen, die van zuivere, witte wol vervaardigd en van boven tot onder zonder naad geweven was. Dit kledingstuk van hand tot hand gooiende, onderzochten zij het wollig maaksel met begerigheid, terwijl zij op luidruchtige en twistzieke wijze berekenden, wat de werkelijke, geldelijke waarde er van was, evenals de betrekkingen van een overledene twisten bij de verdeling zijner armelijke, aardse goederen. En terwijl zij hevig samen stonden te beweren en tegenover elkander hun geduld verloren, stond de onsterfelijke Nazarener, ongekleed, in afwachting van hun wreed vermaak.

Zijn grote Gestalte scheen als gepolijst albast in de schitterende zon, een inwendige verlichting gloeide als vuur door Zijn azuurblauwe aderen heen en door de smetteloze reinheid van Zijn vlees. Zijn armen waren losgemaakt en met een uitdrukking van ontspanning en vermoeidheid strekte Hij die uit als iemand, die van zijn vrijheid geniet, terwijl hun schaduw op de doffe, bruine aarde viel evenals een weerkaatsing van het Kruis, waarop Hij weldra zou sterven. En toen Hij zijn armen wederom zacht en vermoeid liet neervallen, scheen die schaduw op de grond te blijven, ja zelfs dieper en donkerder te worden. Er waren geen wolken aan de hemel; de zon stond in haar volle, verblindende pracht, niettemin werd die mysterieuze plek langzaam groter, alsof plotseling een vocht onder de aarde langzamerhand opsteeg en op het punt was van te overstromen. Barabbas zag het, hij zag ook, dat Melchior hetzelfde verschijnsel opmerkte, maar geen van beiden sprak een woord. Want het belangwekkende en ontzettende van het Goddelijke drama naderde nu zijn toppunt; het loten om de kledingstukken van de Veroordeelde was gedaan en iedereen was blijkbaar voldaan met zijn deel van de buit. De eerste beul naderde niet zonder een trek van medelijden in zijn ruw gelaat de Nazarener en in plaats van geweld te gebruiken, wat hij had moeten doen met de reeds gekruisigde misdadigers, nodigde hij Hem op zachte toon uit plaats te nemen op het Kruis, zonder nodeloze weerstand aan de wet te bieden. Het vreselijk bevel werd dadelijk en zonder aarzeling gehoorzaamd. Met volmaakte kalmte en de bedaarde ongedwongenheid van iemand, die vermoeid zijnde, blij is te gaan rusten, legde de Bestuurder der Wereld zich neer in de wachtende armen des Doods. Zo vreedzaam als een vermoeid reiziger zich zou hebben neergevlijd op de weelderigste rustbank, strekte de Overwinnaar van de Tijd Zijn glorierijke leden uit over de knoestige houten martelbalken, met verheven bereidwilligheid en onoverwinnelijk geduld. Had Hij op dat treffend ogenblik gesproken, zo kon Hij gezegd hebben: 0 kinderen Mijns Vaders, legt uzelf op dezelfde wijze op de pijnbank van 's werelds miskenning en verachting! Zo gij een goddelijke kracht wenst te verkrijgen, strekt dan uw ledematen bereidwillig uit om door de nagelen doorboord te worden, die door vrienden en vijanden gaarne daarin gedreven zullen worden!

Draagt de doornenkroon totdat het bloed uit uw gewond voorhoofd springt, wordt ontkleed onder de kwaadwilligen blik van de zinnelijkheid en de zonde! Laat hen menen, dat zij u gekweld, verslagen, begraven hebben, u uit het gezicht en uit het geheugen gebannen hebben! Staat dan op, oh kinderen Mijns Vaders! En stijgt op, op de vleugelen van de dageraad, vervuld met macht! Levende, eeuwige en triomferende macht! Want gij zult de wereld aan uw voeten zien en de hemelen boven u geopend; het wentelend heelal zal weergalmen van de muziek van uw naam en de geschiedenis uwer trouw en rij aan rij van engelen zullen zich met u in die glorie verblijden! Want zie, van nu af aan zullen ik en Zij, die ik de Mijnen zal noemen, Dood in Leven en Leven in Onsterfelijkheid veranderen!
Maar geen van die woorden werd geuit: De Goddelijke lippen bleven vast gesloten en stom als de hemel zelf. Uit de wachtende menigte ging echter een zwak gemompel van niet te onderdrukken bewondering op voor de stille heldenmoed, waarmee de jonge Profeet van Galilea Zijn lot aanvaardde, zowel als voor de zeldzame als gebeeldhouwde schoonheid en onderwerping in Zijn houding. De beulen naderden Hem met ontzag en schroom.
Men zou menen, dat Hij van marmer vervaardigd was, mom pelde er één, die met de hamer in de hand bleef staan. Marmer bloedt niet, dwaas! Zei zijn metgezel scherp, hoewel hij zich bewust was, dat hij ook vrees voelde en weerzin tegen het werk, dat nu verricht moest worden. De andere mannen zwegen.

Het uitgelezen en rijk gekleed gezelschap van de invloedrijke en vermogende personen, die onmiddellijk achter de hogepriester Kajafas stonden, kwamen nu een weinig naar voren en Judith Iskáriot, schitterend als een zonnestraal in vrouwelijke gedaante, leunde vol verwachting naar voren met de voldane blik van een kind, dat men het één of ander zeldzame en vreugdevol schouwspel beloofd heeft. Haar glinsterende zwarte ogen blikten onverschillig en koud naar de uitgestrekte Gedaante op het Kruis,  haar met juwelen bezet gewaad ging zacht op en neer door de toenemende versnelling harer ademhaling. Zij zag toe, maar sprak niet, zij scheen zich in stilte te verheugen op het vooruitzicht van de bloedstorting en marteling, die spoedig zouden volgen. En aan de tegenovergestelde zijde verscheen eensklaps een andere vrouw,   jong en schoon als zij, maar uitgeput door het vele schreien, een vrouw, wier wild en bleek gelaat dat van een schone gekwelde engel geleek. Haar handen opwerpende in stom protest en met een zwijgende smeekbede, liep zij wankelend enige stappen voorwaarts, waarop zij stil hield en op haar knieën viel, terwijl zij haar angstige gelaatstrekken met haar loshangende, goudkleurige haren bedekte onder het uiten van een gesmoorde, angstige kreet. Niemand uit de verzamelde menigte kwam tot haar om haar te troosten of bij te staan. De mensen keken nieuwsgierig naar haar over elkanders schouders, terwijl zij zijdelingse blikken van bespotting en verachting wisselden, maar niemand naderde haar, behalve één, een vrouw, die dicht gesluierd was en die met lichte maar koninklijke tred naderde, naast haar neerknielde en de arm om haar slaande, het hopeloos schone gelaat tegen haar borst legde en rustig in die houding bleef. Judith Iskáriot hield haar hand, die rijk aan ringen was, voor de ogen om die tegen de zonneschijn te beschermen en keek naar de geknielde groep met hooghartige walging en toorn. Ziedaar de zondaressen, waaronder die krankzinnige uit Galiléa zich bewoog! Riep zij Kajafas toe, gindse geelharige, gemene vrouw is Magdaléna, zij moest gestenigd worden! Ja, waarlijk, zij  moest van iedere plaats, waar zij langs gaat, weggestenigd worden, schone Judith! Zei Kajafas eerbiedig, maar met de schaduw van een grijnslach op zijn dunne, bleke lippen. Slecht gezelschap moest altijd ver van u verwijderd blijven en om die reden joeg ik zo-even de onbeschaamde Barabbas uit uw tegenwoordigheid.

Wat die Magdaléna betreft met gindse vrouw, die haar omhelst, kan zo maar niet gesproken worden; ook kan zij niet van deze plaats verwijderd worden, want zij is de moeder van de Galileër. Zij is hier gekomen om hem te zien sterven. Zo wij haar ruw behandelen of haar het recht ontzeggen en beroven om zijn sterven bij te wonen en klaagliederen daarbij aan te heffen, zij en haar uitverkoren vriendin, zou de bevolking zeer terecht tegen ons opstaan. Want de wet moet altijd hand aan hand gaan met de genade. Heb daarom geduld tot het einde, goede Judith,  hoewel ik er in waarheid naar verlang te weten, waarom gij u hierheen begeven hebt, wanneer gij u beledigd gevoelt bij het zien van zondaren? In zulk een toeloop als deze kunt gij niet verwachten alleen deugdzamen te vinden!
Iets sarcastisch in zijn toon bracht eensklaps een hoge blos op het gelaat van Judith, maar haar ogen werden koud en gevoelloos als de nachtvorst.
Ik, evenals de moeder van de Nazarener, ben hier gekomen om hém te zien sterven! Zei zij met een wrede glimlach. Zij zal zonder twijfel zijn marteling met tranen bijwonen en ik met een lach! Zijn angst zal mijn vreugde zijn! Want ik haat hem, ik haat hem! Hij heeft tweedracht in ons huis gebracht; hij heeft het hart mijns broeders van het mijne gekeerd en hem tot een slaaf van zijn dweepzieke leerstellingen gemaakt. Want zie eens, was er een gelukkiger man dan Judas, bemind door mijn vader en mij dierbaar boven alle aardse berekening, totdat hij ter kwader ure, door ijdele geruchten betreffende de macht van die pochende profeet van Galiléa, uit ons huis weggelokt werd. Waarom hadden wij een nieuwe godsdienst nodig?

Wij, die de God van Abraham, Izak en Jacob dienden en die de onderwijzingen der wet gevolgd hebben van onze jeugd tot heden toe? Is het niet een schande om er van te spreken, er aan te denken, dat Judas, van goede geboorte en met een knap voorkomen, de enige zoon mijns vaders en diens erfgenaam, in waarheid als een vagebond door het land gedwaald heeft met die timmermanszoon uit Nazareth. Nu eens verkerende onder gewoon vissersvolk, dan weer de onreine en melaatse armen bezoekend, terwijl hij het brood der nooddruft in plaats van dat des overvloed at, zijn tehuis verliet, mij, zijn zuster afviel en aan het gebod zijns vaders ongehoorzaam was, alles voor de zaak van die indringer, die ten slotte schuldig is bevonden aan godslastering en die tot de dood veroordeeld is, die hij reeds lang verdiend heeft. Nu kunt gij beoordelen hoe ik die verrader haat! Ja, met een haat, die alle liefde overtreft! Ik stond deze morgen tijdig op om getuige te zijn van zijn verhoor, toen het grauw tot medelijden geneigd was, fluisterde ik woorden, die hen opnieuw tot wraak opwekten. Ik was het, die de toon aansloeg: Kruis hem! Merkte gij niet op hoe gretig het koor antwoordde?
Kajafas keek een weinig bedremmeld neer, doch sloeg toen zijn blik weer op.
Ja, ik merkte het op, zei hij op zachte toon. En dat ik uw stem hoorde en herkende is geen wonder, want het was een muzikale klank temidden van zoveel wanklanken. En ik deel geheel in uw verdriet betreffende Judas, uw broeder was altijd uw geliefde en uitverkoren gezel en deze Galilése wonderdokter heeft hem niets dan verderf gebracht. Hij is de stad ontvlucht naar men zegt. Weet gij waarheen?

Het duister gevoel van angst wierp een schaduw over het schone gelaat, dat hij aandachtig beschouwde. Neen, dat weet ik niet, antwoordde zij en haar stem beefde.
Gisteravond kwam hij naar mij toe, nadat hij de wacht naar Gethsémané geleid had, waar zij de Nazarener gevangen namen en als een dolle vervloekte hij zichzelf en mij. Hij was afgetrokken, ik herkende hem niet, hij raasde en vloekte. Ik beproefde hem kalmer te stemmen, hij wierp mij van zich af. Ik sprak hem met lievelingsnamen toe, maar hij was doof voor liefde en rede Ik bad hem, aan onze overledene moeder te denken, die hem zo liefhad, hij gilde alsof ik een dolk in zijn hart gestoken had. Onze vader smeekte hem met tranen, zich alle eisen van bloed en plicht te herinneren, maar hij raasde door en sloeg zich op de borst, luid roepende: Ik heb gezondigd! Ik heb gezondigd!  Het gewicht van hemel en aarde verplettert mijn ziel, het onschuldig bloed kleeft nog aan mijn handen! Ik heb gezondigd! Ik heb gezondigd! Waarop hij eensklaps ons met geweld van zich stiet en woest uit ons huis in de duisternis ijlde. Ik volgde hem ijlings om hem te doen blijven voor hij de tuin kon hebben verlaten, maar hij was weggegaan en sedert dat ogenblik heb ik hem niet meer gezien.
De tranen stonden op haar zilverachtige oogleden en vielen tussen de juwelen op haar borst. Een opkomende onrust verduisterde het gelaat van de hogepriester.
Het is vreemd, mompelde hij, 't is erg vreemd. Hij heeft zijn plicht gedaan tegenover de wet zijns volks en nu dat alles is verricht, zou hij zich moeten verheugen en niet klagen. Maar wees verzekerd, dat zijn zinnen slechts tijdelijk verbijsterd zijn, ik erken, dat gij reden hebt voor zusterlijke bezorgdheid. Troost u echter met te geloven, dat alles in orde is en laat nu uw wraakzucht voldoening vinden, want zie zij beginnen de misdadiger vast te nagelen.

Hij sprak zo, enerzijds om de gedachten van Judith, die zo in angst was over het lot van haar broeder af te leiden en anderzijds, omdat hij zag, dat Petronius, de bevelhebber, het noodlottige teken gaf. Petronius had in werkelijkheid die handeling tot het uiterste ogenblik uitgesteld en was nu tenlaatste gedwongen om zijn gepantserde hand op te heffen, om te kennen te geven, dat het vreselijk martelaarswerk moest beginnen. Hij ving om zijn innerlijk verdriet en berouw nog te vermeerderen, een plotselinge blik op van de geduldige opwaarts geheven Goddelijke ogen. Zulke ogen, als tweelingsterren schijnend van onder de grote, hemelse wenkbrauwen waar de roze doornen hun krans op drukten. Ogen, die verlicht waren door een verheven, ondoordringbaar geheimzinnig licht, dat het vermogen had, de geest van de sterkste man te bewegen. Petronius kon die ogen niet weerstaan. O, hun glansrijke reinheid en moed waren teveel voor zijn zelfbeheersing en van het hoofd tot de voeten bevend met een bijna vrouwelijke gevoeligheid, keerde hij zich eensklaps om. Het mompelend geluid van de grote wachtende menigte stierf langzamerhand weg, gelijk de terugstromende golven ener verafgelegen zee, er heerste een diepe stilte en de hitte van het doodstille weer werd meer en meer ondragelijk.
Toen de beulen hun orders ontvangen hadden en hun ogenblikkelijke aarzeling te boven waren, vergaderden zij zich in een onordelijke groep rondom het Kruis, waarop het Wonder aller eeuwen weerloos terneer lag en toen ze zo geknield lagen om hun afzichtelijke taak te verrichten, waren hun gespierde bruine armen, vuil van stof en reeds bevlekt met het bloed der twee dieven, in vreemde tegenspraak met de schitterende witheid van de Gedaante voor hen. Zij wachtten een ogenblik, terwijl zij de zware, lange spijkers omhoog hielden; zou die Man van Nazareth tegenstribbelen?

Zou het nodig zijn zijn ledematen aan de houten balken vast te binden, zoals zij met de  twee andere veroordeelden gedaan hadden? Met het sterke uitvorsingsvermogen, eigen aan  hen, die gewoon zijn aan tekenen van opstand bij de gemartelden, bekeken zij hun lijdelijke Gevangene aandachtig. Geen trilling was in hem op te merken, geen zweem van angst of ontroering was op Zijn schoon gelaat te lezen, terwijl de ogen, zich opheffende naar de verblindende pracht des hemels, ernstig nadenkend en vol vrede waren. Geen banden waren hier van node,  de Galileër was van een wonderbaarlijk, heldhaftig maaksel en ieder der verharde beulen om Hem heen erkende en eerbiedigde innerlijk dit feit. Zonder verder spreken, begonnen zij hun werk en de ontzette aarde zuchtte verschrikt met luide, diepe echo's, toen de wreedaardige hamers zwaar op en neer gingen met de klank, als van het klokgelui bij de uitvaart van een Goddelijke dode en  's werelds verlossing. En op hetzelfde ogenblik ging tot de met sterren omringde troon des Eeuwige, de zacht uitgesproken, tedere bede van de stervende Geliefde Zoon op:
Vader! vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen!
 

HOME.
HOOFDSTUK 16-18.