HOOFDSTUK 10.
Hij is gek!
Wie, Melchior, of Barabbas? 
Beiden!
Deze en dergelijke uitroepen uitten de meeste personen, die in de gelagkamer der herberg verzameld waren. Het plotseling binnenkomen van Melchior, zijn gesprek met de pas bevrijde misdadiger en ten laatste zijn vertrek, gevolgd door de haastige aftocht van Barabbas zelf, dit had alles binnen enkele minuten plaats gegrepen, en het geval had grote indruk en stomme verbazing nagelaten op allen, die er getuigen van waren. Wie is die Melchior? Welk beroep oefent hij uit? Vroeg er één wantrouwend. Uit welk land is hij? Hoe komt hij hier in Jeruzalem?
Er volgde een algemeen stilzwijgen. Niemand scheen met een antwoord gereed. De waard, een Jood van middelbare leeftijd, met onderdanige en minzame manieren, schoof meer en meer tussen zijn klanten in en zei zacht kuchend om de aandacht te trekken:
Mij dunkt, waarde heren, dat gij u danig in hem vergist, wanneer gij hem een slechte naam geeft, alleen om de onverklaarbare, herhaalde bezoeken in deze stad. Hij is ongetwijfeld een man van goede doen en grote wijsheid, hoewel niemand het land, waaruit hij afkomstig is, kan aanduiden; wat mijn gebrekkige mening betreft, houd ik hem voor een Egyptenaar. Wat zijn bezigheden aangaat, heeft hij geen andere dan het zoeken van zijn eigen genoegens, hij komt en gaat; en heeft tot nu toe menige arme drommel door zijn verblijf begunstigd.

Het spreekt wel van zelf, dat gij u goed over hem uitlaat, Ben Ezra! liet één de toehoorders zich lachend uit. Gij verstaat de kunst van de zak te spekken. Men zou gek moeten zijn, om de vergissing te begaan, kwaad te spreken van deze vreemdeling, die gij herbergt en die gij de dubbele prijs laat betalen voor voeding en huisvesting! Loop heen! Gij kunt  hem niet eerlijk beoordelen, met contant geld kan men gemakkelijk een goed oordeel kopen ! 
 Ben Ezra glimlachte vriendschappelijk en begon enkele der ledige tinnen kannen weg te nemen.
Gij allen hebt zonder twijfel veel ervaring van zulke zaken, antwoordde hij onverschillig, geen waard zal betalende klanten belasteren. Doch Melchior gedraagt zich zo bijzonder bescheiden, dat ik geen reden zie, waarom gij vrees voor hem zoudt koesteren, hij heeft niemand benadeeld.
Niet zover gij weet waarschijnlijk! zei een stoere kerel, terwijl hij opstond en zich gereed maakte, te vertrekken. Maar zij, die als onschuldig bekend staan, veroorzaken dikwijls door toverkunsten en spreuken de dodelijkste rampen, getuige gindse waanzinnige en zondige profeet van Nazareth! Ziet hij er niet uit als een engel? En toch heeft hij de Heilige Tempel vervloekt en gezworen, dat niet één steen op de andere zal blijven, waaruit zou kunnen blijken, hoe die er heeft uitgezien! Zie voor zulk een boos pochen kan de dood nauwelijks een verzoening zijn. Maakte zijn optreden alleen Pilatus heden morgen niet reeds krankzinnig, en bezorgde het hem niet een bijna dodelijke flauwte?
Ja, ja! Gij hebt gelijk!

En hierdoor herinnerd aan de aanstaande drievoudige terechtstelling, rees het gehele gezelschap op om de herberg te verlaten, waarop ze begonnen, met de waard af te rekenen. Toen ze hiermee bezig waren, ging er een luid geschreeuw op uit de wachtende menigte buiten, een schor, onwelluidend geroep, dat woestheid en bedreigingen te kennen gaf. Elkaar blikken van verstandhouding toewerpende, haastten de wijndrinkers zich weg te komen, ze stoven de herberg uit en de straat op, waar, zonder dat ze het wisten, het indrukwekkendste en wonderbaarlijkste schouwspel, dat ooit gezien was of ooit ter wereld gezien zou worden, hen wachtte: het schouwspel van een God, die ter dood geleid wordt.
De volksmenigte was zodanig aangegroeid, dat de weg volkomen versperd was, kooplieden met handwagens en drijvers van vrachtezels waren niet in staat voort te gaan en waren verplicht om te keren en open baan te zoeken in de donkere en nauwe achterbuurten der stad, om zodoende de plaats hunner bestemming te bereiken. Kinderen verdwaalden in de volte en liepen schreeuwend hun ouders te zoeken. Een juist uit Damascus over de karavaanweg aangekomen reisgezelschap kwam met zijn vermoeide paarden en muildieren in het dichtst der menigte terecht en kon geen vin verroeren. Zover het oog kon reiken, deinde de bontgeklede mensenmassa rusteloos op en neer in de gloeiende hitte der schitterende zon en langzaam en majestueus naderde temidden daarvan de met doornen gekroonde Nazarener. Zijn armen en handen waren opnieuw en sterker vastgebonden op Zijn rug, zodat Hij niets kon aanroeren, of zelfs niet door middel van een handbeweging het medegevoel van het volk kon doen ontwaken. De soldaten omringden hem met een ring van glinsterende lansen en Hem op de voet volgende, kwamen vier mannen, waarvan één de beul was, die zwoegden onder het grote gewicht van een ongeveer tien voet hoog kruis, waarvan het benedeneind krassend door het stof sleepte en de dwarsbalk te zwaar was, om geheel opgetild te worden.

Toen zij het wreedaardig werktuig voor de terdoodbrenging in het oog kregen, uitte het volk een opgetogen kreet van wilde toejuiching en voldoening en keerden zich allen tegelijk naar de plaats der terechtstelling, die gelijk zij begrepen, op een lage heuvel buiten de stad was, die nu eens Golgotha, dan weer Calvarieberg werd genoemd. Op het ogenblik, dat de grote mensenmassa zich in een bepaalde richting begon te bewegen, voegden zich  nog twee toeschouwers bij het grauw. Het waren Barabbas en Melchior. Barabbas zag er, nu hij gekleed was in een tuniek, een vest en een mantel, die van een diepe, donkere, purperen kleur was en met goud geborduurd, nu zijn ruwe baard gekamd en in orde gebracht was en een losse wit linnen kap zijn dik wild zwart haar bedekte, zeer verschillend uit van de half naakte, losbandige woesteling, die, die morgen uit de gevangenis voor misdadigers was ontslagen. Hij bleef dichtbij zijn geheimzinnige, nieuwe bekende en zag hem van tijd tot tijd angstig aan, alsof hij bang was, hem uit het oog te verliezen. De uitdrukking van zijn gelaat was ernstig en vastberaden en niet zonder een zekere welsprekende, ruwe schoonheid en hij bewoog zich met zulk een vrije bevalligheid en zoveel gemak, dat hij iets waardigs over zich had. Nu en dan dwaalden zijn ogen over de menigte voor hem naar de witte Gestalte van de veroordeelde Koning der Joden,  wiens lichtend hoofd, omgeven door de doornenkroon, zich zichtbaar boven de golvende duizenden verhief, met een gelaat, dat schitterde als een ster.
Het is een misdaad, de Onschuldige te verslaan, mompelde hij, zij kunnen praten wat zij willen, het is en blijft een misdaad.

Melchior richtte een scherpe, onderzoekende blik op hem. Niets is een misdaad, zo het volk daarbij zweert, zei hij. En onschuldigen te verslaan, is altijd 's mensen grootste genot geweest. Vangt hij niet de zingende vogels en haalt hij zijn mes niet door de keel van het jonge hert? Rukt hij niet het leven uit een schone boom en doet hij dat der bloemen niet ophouden met de greep zijner hand? Wat zoudt gij willen, gij nadenkende, donkerkijkende zoon van Judéa? Lichamelijk of geestelijk worden de onschuldigen dezer wereld altijd verslagen. Niemand gelooft in een rein lichaam, nog minder in een reine ziel. Een reine ziel en een rein lichaam  zijn verenigd in gindse met doornen gekroonde Monarch over vele landen. Ziet gij, hoe wij allen voortdringen om Hem te zien sterven!
Barabbas zweeg, terwijl steeds door zijn bezwaarde geest de woorden: Monarch over vele landen, ging.
Wat is de dood eigenlijk? vervolgde Melchior. Waarom heet dat toch zo iets vreselijks? Het is het einde aller mensen. Ja, hij, die de schuldige doodt, zal gestraft worden, getuige u zelf, Barabbas, die de wereld van een leugenachtige schurk verloste. De beste Gabrias stak in huichelachtig vel en gij zond hem door een stoot met uw wapen naar de buitenste duisternis! Dat was niet verstandig door u aangelegd, heetbloedige schurk! Want hij was een slecht man, die door de wet beschermd werd, terwijl een goed en rechtvaardig Man daar Zijn dood tegemoet gaat, veroordeeld door de Joden en de Joden worden niet gestraft, nog niet!

Toen hij ophield met spreken, deed zich een luid, krakend leven en geroep horen en de menigte werd plotseling verhinderd verder te gaan. Het grote Kruis was uit de handen gegleden van de mannen, die het droegen en door zijn zwaar gewicht terzijde vallende, had het bijna iemand uit de menigte verpletterd, die gewaagd had, het te dicht te naderen. Het kostte veel moeite om het weer van de grond op te beuren en toen de dragers ten laatste er in slaagden, het gedeeltelijk op te heffen, wachtten zij om adem te halen en zagen zij naar hulp uit. Op dat ogenblik werd een ongemeen breed geschouderd, zwartharig, donker uitziend man opgemerkt, die zich met zijn ellebogen in een tegenovergestelde richting van die van het grauw een weg baande en toen hij verscheen, uitten velen uit het volk luidruchtige en spottende groeten. Zijn grote lengte maakte hem duidelijk zichtbaar, want hij stak boven alle hoofden uit, behalve dat van de Nazarener en zijn grote amandelvormige ogen, zijn donkere huid en zijn klederdracht bewezen, dat hij van een ander ras was dan het uitverkoren volk van Judéa. Toen hij door de volte heendrong, als een reus, die dwergen opzij duwt, herkenden enigen der soldaten hem en riepen zijn naam:
Simon!
Kom hier Simon! Leen ons uw hulp! Hebt gij Rufus en Alexander bij u?
Wat nieuws is er uit Cyréne?
Gij komt hier juist op een geschikt ogenblik, Simon! Want ditmaal hebben wij dan toch eens uw hulp nodig! Deze en andere uitroepen vernemende, hield de donkere Cyréner stil en keek toornig om zich. 

Wat betekent dit dwaze gebrul? Vroeg hij op kwade toon. Zuivert gij Jeruzalem van haar dieven en schurken? Dan zal de stad spoedig verlaten zijn! Waar gaat gij heen?
En toen zijn vurige ogen over de menigte gingen en hij het schone gelaat van de veroordeelde Gevangene zag, vroeg hij: Wat hebt gij daar voor een gevangen Vorst?
Wilde kreten en uitroepen smoorden het geluid van zijn stem en een groot gedeelte van het grauw sloot zich om hem en begon hem op ruwe wijze te duwen.
Hebt gij teveel nieuwe wijn gedronken, dat gij een vorst ziet, riep één der woestelingen. Hij heeft er dikwijls op gepocht, dat hij zo sterk was als vier man tezamen!
Ja, ja! Laat hem het Kruis dragen! Dat is het aangewezen werk voor zulk een Cyréner ezel!
En zij bleven steeds met veel jouwen en vloeken om hem heen dringen. De zwarte Simon stond op het punt  om met zijn vuisten te slaan en zich zodoende een weg te banen midden door hen heen, toen hij eensklaps, dwars over de hoofden der menigte, de starende, heldere, doordringende blik van de Christus ontmoette. Er ging iets door zijn aderen als vuur, zijn krachtige ledematen beefden, een vreemde verbazing en vrees verblindden zijn gezond verstand en hij liet zich werktuigelijk naar de plek dringen, waar de dragers van het Kruis nog rust hielden om adem te halen en het zweet van hun voorhoofd af te vegen.
Welkom, Simon! zei één van hen met een grijnslach. Uw brede rug kan ons nu eens goede dienst bewijzen! Waar zijn uw zonen?
Wat hebt gij van hen nodig? Bromde Simon op ruwe wijze.
Ze zijn zeker dezer dagen nog in Jeruzalem geweest. Rufus is aan het wijn drinken geweest, krijste een jongen, die dichtbij hem stond. En Alexander is dikwijls bij de geldwisselaars gezien! En gij zijt een babbelachtig kind, liet Simon er op volgen. Wie gaf u vrijheid de gangen van volwassen mensen na te gaan? In Cyréne zoudt gij met de zweep krijgen, wanneer gij uw mond voor uw meerderen open doet.

Noemt gij uzelf mijn meerdere? Zei de jongen spottend, gij vuile schurk! Neem het Kruis op en zie toe, dat gij niet struikelt! Voor een ogenblik keek Simon, alsof hij de jongen op de grond wilde smijten, maar hij werd omringd door het Joodse grauw en de  Romeinse soldaten, terwijl de magnetische b1ik van twee prachtige droevige Ogen op hem gevestigd was, die met hun lichte glans een  stille wens uitdrukten, een onuitgesproken, doch onwederstaanbaar bevel; en daarom stond hij verstomd en gaf hij geen wrok te kennen. Ook stribbelde hij in 't minst niet tegen, toen de soldaten met gejuich en gelach het grote Kruis ophieven en het zo zwaar als het was, op zijn schouders legden.
Hoe lijkt u dat, reus van het gebergte en de zee! gilde een opgewonden oude vrouw uit de menigte, terwijl zij hem met haar rimpelige vuist dreigde. Poch nog eens over uw op een heuvel gebouwde stad en de kracht, die gij van uw enkele pijnbomen inademt! Zullen wij uw spieren niet horen kraken, ruwaard van Cyréne, die de kinderen Israëls durft bespotten? Simon antwoordde niet. Hij had het Kruis goed stevig geplaatst, terwijl hij nu de dwarsbalk met zijn gespierde armen omvatte, scheen het, alsof hij het zware gewicht met buitengewoon gemak, ja zelfs met genoegen droeg. De soldaten omringden hem vol verbazing, zulk een Herculeskracht had iets van een wonder en wekte onwillekeurig hun bewondering op.  Petronius, de aanvoerder, naderde hem.
Kunt gij werkelijk het Kruis dragen? Vroeg hij, hij was een goedgezind man en zou uit zich zelf noch het grauw tot wreedheid, noch de soldaten tot belediging aangezet hebben. Het is nog een heel eind naar de Calvarieberg, zult gij het zover kunnen brengen?
Simon hief zijn donker leeuwenhoofd op, zijn ogen waren zacht en vochtig geworden en een zwakke glimlach speelde om zijn lippen.

Ik wil mij met deze last tot aan het einde der aarde wagen! antwoordde hij en er was een diepe, tedere trilling in zijne stem, die haar ruwheid welluidend maakte. Voor mij is het zo licht, als een riet, dat pas door de rivier afgerukt is! Verspil geen woorden betreffende mijn sterkte of de kracht van mijn lichaam, ga verder met gindse gekroonde Man, ik volg! Petronius staarde hem vol ongeveinsde bewondering aan, maar zei niets meer. En opnieuw bewoog zich de menigte, voorwaarts dringend als de golven ener donkere zee, allen in één richting en verlicht door de gouden bakenpracht van deze Goddelijke glorie in hun midden, door het goddelijke aangezicht, de standvastige ogen en het stralende hoofd van de Koning der Joden. En de stampende voeten van de voorthaastende duizenden wekten uit de stenen van de weg een eentonige, voortdurende echo op als van een donderslag, terwijl zij met uitroepen, kreten, vloeken en uitbarstingen van gelach voorwaarts drongen, dorstende naar bloed, voorwaarts, op naar de Calvarieberg!

                                                          HOOFSTUK 11.
De zon steeg nu hoog ten hemel en de zengende hitte werd bijna ondraaglijk. Het verhoor van deze morgen was vroeger begonnen en had langer geduurd dan in gewone gevallen; tengevolge van de besluiteloosheid van Pilatus en de beslissende uitspraak van het vonnis van het volk, had er nog meer uitstel plaats gehad, zodat de tijd ongemerkt verstreek en de middag reeds aangebroken was. Het blauw des hemels was van zulk een diepe en effen tint, dat het meer deed denken aan een koepel van glansrijk, brandend metaal dan aan de lucht van waar de loodrechte lichtstralen neervielen, scherp als naalden, die haar hete punten pijnigend in het vlees steken. Jeruzalem lag daar, door de schitterenden glans verlicht, terwijl zijn lage huizen bijna brons geleken in de blakende hitte van de middagzon, hier en daar staken hoge palmen met hun slanke bruine stammen en hun schaars stoffig groen af, tegen de glasachtige, verblindende, heldere ether. Over de daken van enige der best gebouwde huizen hingen de grote, slappe bladeren der vijgenbomen slap en wijd uitgespreid neer en hun takken waren beladen met rijpe vruchten die door ze slechts even aan te raken, doorbraken en haar karmozijnkleurig vlees lieten zien. In de volle zonneglans schitterde de prachtige Tempel van Salomo op de berg Moria als een groot juweel, terwijl zijn zuilen en gangen zo duidelijk mogelijk zichtbaar waren vanuit alle gedeelten der stad. Op sommige vooruitstekende punten, in de verte, werden de eentonige omtrekken van gebouwen en hoeken van straten afgewisseld door de rode kleur der cactusbloemen en het grijsachtig groen der olijftakken. Over het gehele toneel lag een dreigende stilte als voor een nog niet losgebarsten onweer en die gedruktheid boven in de lucht  maakte een vreemdsoortige temeer werden verhoogd door de schroeiende hitte der atmosfeer.

Zij drongen in koortsachtige opgewondenheid, die met iedere stap vermeerderde, door de straten. Het scheen, dat de hitte en de vermoeienis van hun tocht, hun woede eerder deed toenemen dan verminderen; zij brulden als wilde beesten en rukten, duwden en scheurden, daar ieder, met wreedaardig verlangen, wenste, onder de eersten te zijn, die op de plaats der terechtstelling aankwamen. En toen de soldaten in verschillende herbergen aanlegden, om hun geweldige dorst te lessen, die ontstaan was door het verstikkende stof en het smoorhete weer, wachtte de menigte niet lang, met haar voorbeeld te volgen. Drank werd er gekocht en overvloedig rondgereikt in bekers en kruiken, waarvan de gevolgen niet lang uitbleven. Wanordelijke troepen van mannen en vrouwen begonnen te dansen en te zingen, enige gaven voor te preken, anderen te profeteren. Eén der woestelingen bood Simon van Cyréne een beker wijn aan en omdat hij standvastig weigerde te drinken, werd de wijn met geweld op het Kruis, dat hij droeg, gesmeten. Het rode vocht druppelde van het hout als bloed en de kerel, die het er op had geworpen, barstte in dronkemans gelach uit. Zie, het  wordt gedoopt! riep hij het juichende grauw  toe. Met een betere doop dan die van de onthoofde Johannes!
Zijn losbandige metgezellen gaven luid hun goedkeuring over de grap te kennen en het onwelluidende getier werd steeds oorverdovender. Met die bijzondere wispelturigheid, eigen aan een volksmenigte, scheen iedereen Barabbas vergeten te hebben, om wiens bevrijding zij kort geleden nog zo dringend geroepen hadden. Zij waren klaarblijkelijk niet bewust van zijn tegenwoordigheid, waarschijnlijk herkenden zij hem niet, zoals hij nu eenvoudig en ordelijk gekleed was.

Hij was echter midden in het gedrang en zag naar de ruwe, halfdronken grappenmakers, die hem omringden, met pijnlijke, peinzende ernst. Nu en dan werden zijn ogen rusteloos en dwaalden over de golvende menigte, met een angstig zoekenden blik, alsof hij naar iets zocht, dat verloren was en onberekenbare waarde had. Melchior, die steeds aan zijn zijde bleef, merkte dit op en glimlachte enigszins spotachtig.
Zij is er niet, zei hij. Denkt gij, dat zij zich zou begeven onder de gemene mensenmassa? Neen, neen! Zij zal, evenals de hogepriesters, langs geheime wegen komen, misschien zal de waardige Kajafas haar zelf brengen.
Kajafas? Wat heeft zij met Kajafas ?
 Melchior antwoordde: Zijn vrouw is één harer grootste vriendinnen. Heb ik u niet gewaarschuwd, onnozele barbaar, er aan te denken, dat gij gedurende achttien maanden voor de buitenwereld verloren zijt geweest? Voor een vrouw is het lang genoeg, om kwaad te doen! Neen, wees niet wraakgierig! Het is mijn vreemde wijze van spreken en ik ben bereid te geloven, dat uw geliefde een voorbeeld van deugdzaamheid is, tot dat. ...
Tot dat ? Vroeg Barabbas achterdochtig.
Tot dat het tegenovergestelde is bewezen! zei Melchior.
En dat zij schoon is, daaraan valt niet te twijfelen en schoonheid is alles, wat het hart van een man begeert. En toch was, zoals ik u zoëven vertelde, haar broeder degene, die de Nazarener verraadde.

Dat betwijfel ik! mompelde Barabbas, Judas had altijd een openhartige natuur.
Hebt gij hem goed gekend? vroeg Melchior met zijn scherpe blik. 
Niet goed, maar voldoende en Barabbas werd rood van schaamte, toen hij sprak. Hij was één van mijn medearbeiders in het huis van Shadeen, de koopman, van wie ik u sprak.
De Perzische handelaar in parelen en goud? Ah! En Melchior glimlachte weer. En alleen om de zuster van die openhartige Judas te behagen stal gij de juwelen en werd daarbij gevangen! Waardigé Barabbas! Het komt mij voor, dat gij terwille van uw Judith al uw zonden beging!
Barabbas sloeg de ogen neer.
Zij hunkerde naar edelgesteenten, zei hij, op de toon van iemand, die een passende verontschuldiging aanbiedt. En ik nam een snoer van echte parelen. Zij passen bij haar maagdelijk schoon en schenen beter op haar plaats om haar zachte duivenhals dan in de muffe kist van Shadeen.
Dat is een mooie reden om uw patroon te bestelen! En uw pleidooi voor het recht, om een moord te begaan, was al even onnozel. Gabrias, de Farizeeër, belasterde de schone en gij bracht met een messteek zijn boze tong tot zwijgen! Zo! Om de waarheid te zeggen is die Judith Iskáriot de oorzaak van ál uw lijden en van uw gevangenschap en toch bemint gij haar!
Zo gij haar gezien had, mompelde Barabbas met een zucht.

Dat heb ik! antwoordde Melchior rustig. Zij houdt ervan gezien te worden! Is zij niet de onovertreffelijke schoonheid deze stad en waarom zou zij karig met haar bekoorlijkheden zijn? Zij zullen niet altijd voortduren; het beste is ze ver van hier te laten bloeien, terwijl zij nog fris en schoon zijn! Niettemin hebben zij van u een dief en een moordenaar gemaakt.
Barabbas poogde niet, de waarheid van deze meedogenloze verklaring tegen te spreken.
En zo alles bekend was, vervolgde Melchior, de opstand, waarin gij betrokken waart, ontstond wellicht door haar overreding?
Neen, neen! verzekerde Barabbas dadelijk. Er waren vele redenen. Wij leven onder dwingelandij, niet zo zeer onder die van Rome als wel onder die van ons eigen volk, dat de wetten helpt maken. De priesters en Farizeeën regeren ons en vele zijn de misbruiken die zij van hun macht maken. De armen worden onderdrukt, de verongelijkten nimmer recht verschaft. Ik heb menig Grieks en Romeins geschrift gelezen en heb zelfs mijn best gedaan om iets van de Wijsheid der Egyptenaren te weten te komen; ik bezit de gaven van geheugen en gemakkelijk spreken, zodat ik, wanneer het nodig is, een schare kan toespreken. Ik kwam onder enige der ontevredenen terecht en leende hun mijn diensten. Ik weet niet hoe het kwam, maar er is voorzeker een hunkeren naar vrijheid in iedere mensenziel! En wij, wij zijn niet vrij.

Geduld! Gij zult binnenkort volle vrijheid genieten! zei Melchior, terwijl er een donkere glans in zijn ogen kwam. Want de tijd zal komen, dat de kinderen Israëls het land zullen regeren met ijzeren roeden. Het gerammel van geld zal de stem   hunner macht zijn en gindse met doornen gekroonde Geest zal tevergeefs op aarde geleefd hebben voor hen die hun goud meer liefhebben dan het leven. De overwinning der Joden moet nog komen! Lang zijn zij de gebonden en de overwonnenen geweest, maar zij zullen op hun beurt gevangenen maken en de machtigste koningen overwinnen Door bedrog, door valsheid, door geslepenheid, door wereldwijsheid door woeker, door iedere te vergiftigen pijl uit Satans pijlkoker, zullen zij regeren! Zelfs uw naam, Barabbas, zal hun dienen als de erenaam: Gij zult de Koning der Joden worden, zover als het wereldlijke gaat, want Hij, die voor ons gaat, is Koning over een groter volk, een volk van onsterfelijke geesten, waarover goud geen macht heeft!
Barabbas beschouwde hem met ontzag en begreep weinig van hetgeen hij bedoelde; maar hij rilde door de strenge toon van zijn stem, die een scherpe dreigende, waarschuwende klank in zich scheen te hebben.
Van welk volk spreekt gij? Mompelde hij. Welke wereld?
Welke wereld? Herhaalde Melchior. Niet een enkele wereld, maar duizend miljoen werelden tezamen!  Daar ver boven ons en hij wees naar de schitterende hemel, is de blauwe sluier, die haar loopbanen verbergt en haar muziek dempt, maar zij zijn er in werkelijkheid en niet alleen in de fantasieën van een dromer, onmetelijke sferen, uitgebreide stelsels, voortschrijdende in hun aangewezen banen, vol van melodie, tintelend van leven, omringd door licht en gindse Man uit het verachte Nazareth, Die Zijn dood tegemoet gaat, kent de geheimen van dit alles!

Door plotselinge wanhoop geslagen, stond Barabbas eensklaps stil en greep de hartstochtelijke spreker bij de arm. Wat zegt gij? Bracht hij hijgend uit. Zijt gij gek? Of hebt  gij ook het Visioen gezien? Want ik heb over vreemde en vreselijke dingen nagedacht, sedert ik Zijn aangezicht voor het eerst aanschouwde en zag. Neen, goede Melchior, waarom zou Judéa voor deze misdaad moeten gestraft worden? Laat mij het volk toespreken, misschien is het nog niet te laat om Hem te bevrijden!
Bevrijden! herhaalde Melchior. Bevrijd eens een lam van de wolven, een hert van de tijgers, of nog moeilijker een Geloof van de priesterschap! Laat het zijn, haastige zoon van de blinde hartstocht, laat het zijn! Wat voorbeschikt is, moet uitgevoerd worden.
Hij zweeg voor een ogenblik en scheen in gedachte verzonken. Barabbas ging naast hem voort, ook stil, maar vervuld met onverklaarbare angst en vrees. Het woelende grauw om hen tierde en schreeuwde, doch hun oren waren voor het ogenblik doof voor alles, wat er om hen gebeurde. Daarna keek Melchior op en zijn bruine, glanzende ogen glinsterden vreemd, toen hij zei.
En Judas, Judas Iskáriot, zegt gij, had een eenvoudige natuur?
Het scheen tenminste zo, toen ik hem kende, antwoordde Barabbas met inspanning, want zijn gedachten waren verward door verdriet en verslagenheid. Hij was bekend voor zijn waarheidsliefde en nauwgezetheid, hij werd zeer vertrouwd. Hij hield de boeken van Shadeen bij. Bijwijle koesterde hij wilde hervormingsplannen, hij haatte tirannie en vervloekte de priesters. Ja, zo zeer, dat hij nooit een synagoge zou binnen gegaan zijn, ware het niet, om zijn vader genoegen te doen en in het bijzonder Judith, zijne enige zuster, die hij zeer liefhad. Dat vertelde hij mij eens. Op een keer verliet hij de stad in haast en in het geheim;  niemand wist, waarheen en daarna. Daarna stal gij uit liefde de parelen van Shadeen en versloeg gij de belasteraar van uw geliefde, besloot zijn metgezel
ernstig, en gij werd in de gevangenis geworpen voor uw dwaasheden; en het heeft weinig gescheeld, of gij waart heden gekruisigd.

Barabbas zag op, terwijl zijn zwarte ogen eensklaps vuur schoten. Ik zou gaarne gestorven zijn om gindse koninklijke Man te redden, zei hij hartstochtelijk. Melchior zag hem lang standvastig aan en zijn ogen vertederden.
Verbreker der wet, dief en moordenaar die gij zijt, waarvoor gij werd veroordeeld, zei hij, er is tenslotte iets edels in uw natuur! Moge het u hiernamaals ten goede komen! En van Judas kan ik u iets meer vertellen. Toen hij geheimzinnig uit Jeruzalem vertrok, reisde hij naar de oevers van het Galilese meer, en voegde zich daar bij de Profeet van Nazareth en Zijn andere discipelen. Hij ging met Hem door het gehele land,  ik zelf zag hem nabij Kapernaüm en hij was altijd de eerste om Zijn Meester te dienen. Hier in Jeruzalem leverde hij hem gisteravond aan de wacht over en let wel, de naam van Judas zal van nu tot aan het einde der tijden, als die van een verrader genoemd worden.
Barabbas sidderde, hoewel hij niet kon gezegd hebben waarom. Weet Judith daarvan af? Vroeg hij.
Een voorbijgaande, koude glimlach speelde om Melchiors lippen. Judith weet veel, maar niet alles. Zij heeft hare broeder niet sedert de vorige zonsondergang gezien.
En toen vluchtte hij uit de stad!
Melchior keek hem een ogenblik vreemd aan. Daarop antwoordde hij. Ja, hij is gevlucht! En de anderen, die de Nazarener volgden, vroeg Barabbas gretig, waar zijn zij?
Zij zijn ook gevlucht, liet Melchior hierop volgen. Wat konden zij anders doen? Is het niet natuurlijk en menselijk, de verslagene te verloochenen?
Zij zijn allen lafaards! riep Barabbas heftig uit.

Neen! antwoordde Melchior. Zij zijn. . . mensen!
En de pijnlijke uitdrukking op het gezicht van zijn metgezel opmerkende, voegde hij er aan toe:
Weet gij niet, dat lafaards en mensen woorden zijn, die een zelfde betekenis hebben, beste Barabbas! Hebt gij ooit gefilosofeerd? Zo niet, waarom las gij dan Griekse en Romeinse geschriften en vermoeide gij uw hersenen met de wijsheid van Egypte? Niemand was ooit standvastig in zijn moed, in het kleine, evenmin als in het grote en beroemde, grote daden worden altijd bij ingeving verricht. Zie maar eens naar uzelf, naar uw eigen lengte en breedte, gij hebt zoveel beenderen, spieren en zenuwen, gij hebt een krachtig lichaam, dat goed tezamen gevoegd is en in alle delen zijt gij Mens. En toch kunnen één blik ener vrouw, één glimlach om haar mond, of één overtuigend woord of wenk door haar uitgesproken, u doen stelen en een moord begaan. Daarom zijt gij, Mens, ook een Lafaard. Te trots om te stelen, te medelijdend om te vermoorden, dat zou moed zijn, meer dan er in een mens te vinden is. Want mensen zijn dwergen, zij lopen in grote getale voor een storm of aardbeving weg, zij zijn bang voor hun leven. En wat is hun leven? Het leven van de stofjes in een zonnestraal, van muggen in een verpestenden nevel, anders niet. En zij zullen nooit iets anders zijn, totdat zij leren hun leven waardig te maken. En die les zal nooit geleerd worden, dan alleen door een enkele.
Barabbas zuchtte.

Waarlijk, gij houdt er van, de geschiedenis mijner zonden te herhalen, zei hij. Mogelijk denkt gij, dat ik die nooit genoeg kan horen. En nu noemt gij mij een lafaard! En toch mag ik niet vertoornd op u worden, omdat gij een vreemdeling zijt en ik, niettegenstaande mijn wettige bevrijding, niet meer dan een misdadiger ben, waarom ik, daar gij verstandig en zeldzaam machtig schijnt te zijn, uw verwijten kalm verdraag. Maar het is niet te laat, om de les te leren, waarvan gij spreekt en mij dunkt, dat ik zelfs nog mijn herwonnen leven waarde kan geven.
Dat kunt gij... zeker, antwoordde Melchior, want indien gij dit verkiest, kan geen macht in de hemel of op aarde u dat verhinderen. Maar het is een zaak, waarin niemand u leiden kan. Het leven is een talisman, die u met milde hand geschonken is; aan u is het, een juist gebruik van die tovergift te maken. Op dat ogenblik hield de menigte eensklaps halt. Luide kreten en uitroepen deden zich horen. 
Hij zal sterven, vóór hij gekruisigd is.
Zie! hij valt bewusteloos neer! 
Zo hij niet meer kan gaan, bindt hem dan met touwen en sleept hem zo naar de Calvarieberg!
Vraag Simon, hem, tezamen met het Kruis te dragen!
Ondersteunt hem, luie woestelingen! riep een vrouw uit het volk. Wilt gij, dat de Keizer verteld wordt, dat de Joden niets dan barbaren zijn?
Het geraas werd luider en het opgewonden grauw drong terug met een kracht, die gevaarlijk voor lijf en leven was. Sommigen vielen en werden getrapt en gekneusd, kinderen gilden. En voor een ogenblik was de verwarring verschrikkelijk. Nu is het juiste ogenblik voor de bevrijding gekomen! mompelde Barabbas opgewonden en hij balde zijn vuisten, alsof hij op het punt stond met vechten te beginnen.
Melchior legde, om hem tegen te houden, een hand op zijn arm:
Gij kunt even goed beproeven, de zon uit de hemel te halen ! zei hij hartstochtelijk. Beheers uzelf, voortvarende dwaas! Gij kunt hem niet bevrijden, voor wie dood de goddelijke volheid van het leven is! Dring snel met mij voort en wij zullen zien, wat de oorzaak van dit nieuw oponthoud is, maar zeg geen woord en hef geen hand op tegen het lot. Wacht tot het einde!

                                                   HOOFDSTUK 12.
Met deze woorden wierp hij zich, Barabbas steeds stevig bij de arm houdende, midden in het hevigste gedrang, dat scheen toe te geven en hem op geheimzinnige wijze doorgang verleende en daarop bereikten zij een standplaats, waar het mogelijk was te zien, wat de oorzaak van dit oponthoud en die beweging was. Alle drukte en woede had zich samengetrokken tot om de grootse Gestalte van de Nazarener, Die zich meer dan tevoren verhief; maar toch in die houding eensklaps het bewustzijn scheen verloren te hebben. Zijn gelaat was doodsbleek en Zijn ogen waren gesloten. Het scheen de soldaten en het volk toe, alsof de Dood een genaderijke hand op Hem gelegd had, vóór het ogenblik daar was om Zijn leven te martelen. In antwoord op verscheidene uitroepen om water of enige andere koele drank, om de schijnbaar bewusteloze Gevangene op te wekken, kwam een man uit zijn donker huis tevoorschijn met een beker, die gevuld was met wijn, vermengd met mirre en gaf die over aan de bevelhebber. Petronius naderde met een vreemd gevoel van verwijt en medelijden in het hart en  bracht hem aan de lippen van de Goddelijke Lijder, Die, toen  de koude rand van de beker Hem aanraakte, Zijn schitterende ogen opende en glimlachte met Zijne gevoelvolle tederheid. De onuitsprekelijke genade en het verheven geduld, waarvan die glimlach een uitdrukking was, schenen eensklaps een plotseling, mysterieus licht in de harten der wrede menigte te doen opgaan; want als geslagen door een toverstaf, hield hun getier en geschreeuw op en alle hoofden waren gekeerd naar de grote Stralenkrans, die op hen scheen met zulk een diepe en niet te beschrijven glorie. Petronius wankelde terug, terwijl hij rilde van ontzetting, hij gaf de beker terug aan de man, die hem aangeboden had.

De Nazarener had er niet van gedronken, Hij had slechts Zijn stille erkenning uitgedrukt door die verlichte, enige glimlach. En vreemd en ontzagwekkend scheen het eensklaps de norse bevelhebber toe, dat Hij dankbaarheid aan iemand te kennen gaf, al was het maar door een blik, maar waarom het onnatuurlijk scheen, wist hij, Petronius niet te zeggen. Intussen drongen enige vrouwen nog meer naar voren en naar het kalme, schone aangezicht van de Veroordeelde ziende, werden zij vervuld met ontzag en bewondering en begonnen zij uitroepen van spijt en medelijden te uiten. Anderen, die gevoelig waren door het gemompel van deelneming, dat golvende door de menigte ging, begonnen luid te wenen, en zich op de borst te slaan en waanzinnige bewegingen te maken, die beklag en wanhoop uitdrukten. Zij zullen nog van wens veranderen, de Joden, zei één der soldaten knorrig, terzijde tot Petronius. Met al die klachten en al dat oponthoud langs de weg zal ons werk nooit klaar komen. Het is het beste om maar snel voort te dringen.
Houd uw mond! Liet Petronius boos daarop volgen. Ziet gij niet, dat die Man door vermoeidheid en misschien door de pijn van het geselen, bewusteloos is? Laat hem een ogenblik rusten.
Hij echter, van wie zij spraken, was weer bijgekomen. Zijn lippen openden zich een weinig, zij beefden en waren vochtig, alsof een hemelse verkwikking ze juist had verfrist. De zwakke kleur kwam weer op Zijn gelaat en Hij keek dromerig om zich heen, gelijk een verdwaalde Engel, die nauwelijks de plaats herkent, waarin hij heeft gedoold. De wenende vrouwen verzamelden zich schuchter om Hem; enige droegen kinderen in hun armen en geen acht slaande op het fronsen der soldaten, beproefden zij Zijn klederen aan te raken. Een jonge moeder, een Romeinse vrouw, lichtte een kleine blondharige zuigeling dicht naar Hem op, zodat Hij die zou kunnen zien, de kleine strekte zijn mollige armpjes uit en beproefde eerst de doornenkroon te grijpen en daarna het glanzend goudkleurig haar.

De vriendelijke aanmoediging en de uitdrukking van grote tederheid, waarmee de Goddelijke Onsterfelijke de lachende oogjes en de onschuldig beproefde liefkozingen van het kind ontmoette, deden het hart van de moeder smelten en zij gaf lucht aan haar onbedwingbare tranen, terwijl zij haar lieve en geliefde schat tegen zich aandrukte en haar tranen liet vallen op zijn gekoesterd hoofdje. De andere vrouwen om haar heen, die op haar voorbeeld met deelneming vervuld werden, hernieuwden hun klaagliederen met zulk een zenuwachtige hartstocht, dat op dit ogenblik de klimmende uitingen van ongeduld en ontevredenheid, die zoëven van de mannen in de menigte waren uitgegaan, overgingen in openbare verontwaardiging en verzet.
Wat zijn die vrouwen toch dwaas! Dring vooruit! Wij zullen nog moeten aanzien, dat deze klagende zielen de uitvoering van de wet verhinderen! Waarom dus nog langer te wachten? Deze boze uitvallen hielpen echter weinig; de vrouwen bleven wenen en drongen zich om de Nazarener, totdat Hij zelf Zijn ogen op hen richtte met een blik vol liefde en onverzettelijk gezag, die als een tovermiddel eensklaps hun geraas dempte. Op hetzelfde ogenblik klonk Zijn zachte stem, die verzwakt was door vermoeienis, welluidend in hun oren, als een teder en innig treurig lied: 
Dochters van Jeruzalem! Weent niet over mij, maar weent over u zelve en over uw kinderen! Hier verbrak een diepe zucht zijn toespraak; waarop de zachte tedere toon weer in kracht en plechtigheid toenam: Want ziet er komen dagen in welke men zeggen zal: zalig zijn de onvruchtbaren en de buiken, die niet gebaard hebben, en de borsten, die niet gezoogd hebben! Als dan zullen zij beginnen te zeggen tot de bergen: valt op ons! En tot de heuvelen: bedekt ons!

De klankvolle stem haperde voor een ogenblik en uit de schone ogen van de gebonden Koning sprak een innig medelijden, toen Hij vervolgde: Want indien zij dit doen aan het groene hout, wat zal aan het dorre geschieden?
De luisterende vrouwen zagen met betraande ogen en vol bewondering naar Hem op, gerustgesteld doch niets van Zijn woorden begrijpend. De laatste zin scheen haar in 't bijzonder duister en zonder betekenis, zij konden niet begrijpen, dat Hij, die zo tot hen sprak, de wereld slechts als een groene boom beschouwde, of als een planeet in haar opkomst en dat Hij slechts leed voorzag door het moedwillig ongeloof en de ongehoorzaamheid hare bewoners, wanneer die oud zou geworden zijn én droog, gelijk de boom zonder sap. Zonder geloof, zonder liefde, zonder alle teder, rein, heilig en onzelfzuchtig gevoel, slechts het verwelkt omhulsel ener wereld, rijp om verstrooid te worden onder het sterrenstof van het Heelal, daar zij niet gehoorzaamd heeft aan haar Maker, noch aan haar grootse bestemming heeft voldaan. Zulke waarschuwende tekenen worden alleen aan denkers en wijsgeren gegeven, de meerderheid  der mensen heeft geen tijd en nog minder lust ze op te merken of ter harte te nemen. Men vindt tijd om te eten, te stelen, te liegen, tijd om te moorden, tijd om zich de naam van mens onwaardig te maken, maar men vindt geen tijd, om stil te staan en te bedenken dat tenslotte al onze nietige, 
onbeduidende werken en onze zelfzuchtige eerzucht, dat de planeet, die wij bewonen, niet ons, maar God toebehoort en dat zo Hij wilde, zij in één seconde uit het Heelal kon worden weggewist, om nooit gemist te worden, behalve voor die enige onderscheiding, dat de Goddelijke Christus haar, van Zijn geboorte tot Zijn dood bewonende, heeft geheiligd. 
 
N iemand onder het Joodse gepeupel was op deze morgen in staat, zich een denkbeeld te maken van het grote Wonder en Geheim, dat woonde in de verheven Gestalte, Die Zich met zulke rustige waardigheid en onderwerping in hun midden bewoog, niemand kon de onmetelijke gevolgen voorzien, die het uitvloeisel zouden zijn van het feit van Zijn bestaan op aarde. Alles wat zij zagen, was een Mens van buitengewone, lichamelijke schoonheid, Die om Zijn stoutmoedige en openlijke prediking van nieuwe leerstellingen, die door de priesters als godlasterend waren gebrandmerkt, ter dood werd gevoerd. Met geweld door de wachters teruggedrongen, werd de verschrikte schare vrouwen, die bij Zijn lijden hadden geweend, onder het grauw verspreid en heen en weer vliegend gelijk bladeren, die door de storm voortgeblazen werden, vergaten zij haar tranen in de angst, waarmee zij haar kinderen beschermden tegen het bandeloos stoten en duwen van het voortdrijvende volk. De wanorde werd verhoogd door het vreselijk slaan en springen der paarden en muilezels, die in de menigte verward raakten gedurende het voorttrekken van de optocht door de nauwe en kronkelende straten, maar ten laatste bracht een scherpe bocht in de weg hen in het volle gezicht van de Calvarieberg. Het volk uitte tegelijkertijd en in koor een woeste kreet en Simon van Cyréne, die het kruis droeg, keek verschrikt op, pijnlijk aangedaan door het onwelluidend geraas. Want hij was  in een droom verdiept geweest.

Onbewust van het gewicht, dat hij torsen moest, was het hem geweest, alsof hij op lucht ging. Hij had geen woord gesproken, hoewel veel van de mensen, die hem omringden, hem hadden bespot en getracht hadden, hem met beledigende grappen en uitroepen te tergen. Hij vreesde een klank te uiten, waardoor hij de vreemde en heerlijke gewaarwording zou verstoren en verdrijven, die hem vervulde. Een gewaarwording, die hij niet kon verklaren, maar die hem in een toestand van grote verwondering en opwinding bracht. Er was overal om hem heen muziek,  hoog boven het geraas en getier van het volk hoorde hij geheimzinnige, welluidende klanken, als van harpen, die door de lucht bespeeld werden. De harde stenen van de weg waren zacht als fluweel voor zijn, in sandalen gestoken voeten. Het Kruis, dat hij droeg, scheen een geur van mirten en rozen te hebben en het woog niet meer dan een palmblad, geplukt als een symbool van overwinning. Hij herinnerde zich, hoe hij in zijn jeugd eens het kleine zoontje van een koning op zijn schouders gedragen had. Het kind had een tak van een wijnstok in de hoogte gezwaaid, als teken van overwinning en vreugde. De last van het Kruis was niet zwaarder, dan die van het lachende kind met zijn zwaaiende wijntak! Maar nu, nu moest de gezegende tocht eindigen, de ruwe kreten der woeste menigte rukten hem uit zijn overpeinzing, de harptonen stierven weg in zachte echo's van diepe treurigheid en toen zijn oog op de Calvarieberg viel, voelde hij zich, voor het eerst, sedert hij zijn tocht begonnen was, doodmoe. Hij had nooit in al de jaren zijns levens zich zo gelukkig gevoeld, als toen hij het Kruis droeg van Hem, die spoedig daaraan genageld zou worden; maar nu was het ogenblik daar, om het neer te leggen en de veel zwaardere last des levens met zijn lagere, stoffelijke eisen, op zich te nemen. Waarom kan ik hier niet sterven, dacht hij dromend, met de Man, wiens stralend hoofd voor hem glansde als de zon aan de hemel? Het zou zeker verkieselijk zijn, daar hier op de Calvarieberg het leven een zoet en gepast einde heeft?

Hij was slechts een onontwikkeld man, niet onderricht in  of bekend met hemelse dingen, hij kon niet uitleggen, wat hij gevoelde en evenmin zijn ongewone gewaarwordingen beredeneren, maar er had een bijzondere verandering in hem plaats gehad, sedert hij het Kruis opgetild had, zoveel wist hij,  zoveel gevoelde hij, het overige was slechts wonder en aanbidding.
Toen de menigte naar de plaats der terechtstelling drong, vloog een bende ruiters door een zijstraat en stoof in volle galop de heuvel op, terwijl de hoeven hunner vurige rossen stukken van door de zon verzengde graszoden loswroetten en als stof in de lucht verspreidden. Het waren Romeinse edellieden, bezoekers van Jeruzalem, die gehoord hadden, wat er zou plaats hebben en nu gekomen waren, om dit zonderling Joods bloedfeest bij te wonen. Na hen volgde een groep voetgangers, die schitterden in een kleding van vele kostbare kleuren, dit waren Kajafas, Annas en vele leden van het Sanhedrin, vergezeld van een uitgelezen stoet, die hun verschillende familieleden vormde. Ondertussen werd Barabbas bewaakt en geleid door de handige Melchior, die met verwonderlijke behendigheid en zelfbeheersing hem door het ergste gedrang heen leidde en hem naar een open ruimte aan de voet des heuvels bracht. Op hetzelfde ogenblik, dat zij die plaats bereikten, kwamen uit de schaduwrijke lanen van een landgoed verscheidene rijk geklede dames, waarvan er enigen gesluierd waren en aanstonds begonnen te stijgen met langzame, afgemeten tred. Zij lachten en praatten vrolijk onder elkander; ene van haar, de langste, ging met een in het oog vallende uitdrukking van hoogheid en een sierlijke, buigzame houding, zij droeg een schitterende, vuurrode mantel, die haar over hoofd en schouders geworpen was.

Zie ! Fluisterde Melchior, die Barabbas stevig bij de arm greep, om hem bij zich te houden, daar gaat zij! Ziet gij niet dat papaverkleurig feestkleed daar? Het is een zijden kelk van de bloem, waarvan de geur u gek maakt! De liefhebster van gestolen parelen! De reinste en schoonste maagd in Judéa: Judith Iskáriot!
Met een woeste kreet en nog woester vloek trachtte Barabbas zich uit de vuist van zijn metgezel los te wringen. Laat mij los! Hijgde hij. Houd mij niet terug, of bij mijn ziel, ik zal u vermoorden!
Zijn pogingen waren vergeefs; Melchiors hand was mager, maar stevig als ijzer en liet nooit los; zijn ogen schoten vuur, maar met een uitdrukking, die zo koud was als ijs; zij vestigden zich op het verhit en toornig gelaat van de man aan zijn zijde, zonder af te dwalen en met koude minachting.
Verblinde gek! Zei hij langzaam, misleide barbaar!
Gij wilt mij vermoorden? Bij uw ziel, gij zoudt dat willen? Zweer niet bij uw ziel, goedhartige woesteling, want gij hebt er één, hoe vreemd dat ook schijnt. Het is het enige zelfstandige in u, daarom, gebruik haar naam niet ijdel, anders zou zij wraak over u brengen! Denkt gij mij zo gemakkelijk te kunnen vermoorden als een Farizeeër? Dan vergist ge u zeer! Het staal van uw mes zou in mijn vlees smelten, uw handen zouden verdord en verlamd bij u neervallen, zo gij er aan dacht, ze met geweld aan mij te slaan! Wees intijds gewaarschuwd en stel mijn vriendschap niet op  de proef, want geloof mij, gij zult die spoedig nodig hebben.

Barabbas keek hem wild smekend aan, een ijskoude last scheen hem op het hart gevallen te zijn en het gevoel van overmeesterd en overwonnen te zijn, hinderde zijn ongeduldige geest. Maar hij was machteloos, hij had zich gehoor gevend aan een plotselinge aandrang - hij wist niet hoe - onder de invloed van deze vreemdeling gesteld. Hij kon alleen zichzelf beschuldigen, nu zijn eigen wil verlamd en onmachtig geworden was. Hij hield op met zich te verzetten en wierp een smachtende blik op de vuurrode mantel, die nu de Calvarieberg opzweefde, als een cactusblad, dat in de lucht fladdert. Gij weet niet, mompelde hij, gij kunt niet weten, hoe ik gehunkerd heb om haar gelaat te zien.
Gij zult er u spoedig aan te goed kunnen doen, voegde Melchior hier sarcastisch aan toe, moge het uw honger verzadigen! Maar gedraag u tenminste als een man, verraad u niet in het bijzijn hare maagden, zij zouden u slechts bespotten. Bedenk bovendien, dat ge hier zijt als getuige van een dood, een dood, grootser dan liefde ooit zijn kan!
Barabbas zuchtte en liet zijn hoofd ontmoedigd op de borst vallen. Zijn harde, barse gelaatstrekken duidden hevige hartstocht aan, maar de eigenaardige macht, die zijn metgezel over hem uitoefende, was te sterk, om die te kunnen weerstaan. Melchior zag hem, vóór hij verder sprak, een ogenblik scherp aan, toen zei hij vriendelijk, maar ernstig en plechtig: Zie, daar bestijgen zij de Calvarieberg. Hebt gij niet bemerkt, dat de Veroordeelde en Zijn bewakers de heuvel reeds half op zijn? Kom, laat ons volgen: Gij zult de wereld zien zieltogen en de zon zien verbleken aan de hemel! Gij zult de donder, die er getuige van is, wraak horen bulderen over deze symbolische slachting van het Goddelijke in de Mens! Geen laaghartiger moord werd ooit volbracht, geen moord, die meer het ware karakter der mensheid zal weergeven! En van nu aan zal de wereld voortrollen op zijn aangewezen baan in een nevel van bloed, gered, maar bevlekt! Bevlekt en gebrandmerkt met het Kruis, . . . . voor eeuwig!
 

HOME.
HOOFDSTUK 13-15.