HOOFDSTUK 7.
Hierna viel
er niets meer te zeggen: Een onwetend en verstompt gepeupel weet van geen rechtvaardigheid,
rede of medelijden en toch moest de publieke uitspraak als afdoend aanvaard worden.
Tegen zulk een grimmig eenstemmig genomen besluit kon men niet in hoger beroep komen.
Pilatus zag, dat indien hij voortging met de zaak te bepleiten van de Goddelijke
Beschuldigde, het ongeduld der menigte tot het uiterste zou gebracht worden en waarschijnlijk
in oproer en bloedvergieten zou uitlopen. Hij offerde daarom, gelijk iemand die door
een onweerstaanbare dwarrelwind voortgedreven wordt, zijn eigen wil aan de begeerte
van het volk op; en Kajafas ziende, dat hij zich tenlaatste had onderworpen aan de
macht der noodzakelijkheid, slaakte een zucht van verlichting. Alle aarzeling was
teneinde, de Man van Nazareth moest de dood sterven.
En de grote hogepriester gaf
fluisterend zijn voldoening te kennen aan zijn schoonvader Annas, die onderdanig
toeluisterende, zijn vette handen samenwreef en nu en dan zijn kleine, verraderlijke
ogen als in vrome dankzegging opsloeg; een dankzegging, omdat de Heilige stad Jeruzalem
tenslotte bevrijd zou worden van de lastige, oproerwekkende tegenwoordigheid van
de Nazarener.
Eens dood, fluisterde Kajafas, minachtend terzijde ziende naar het
schone Gelaat van de vijand zijner handelingen, de stille getuige der Waarheid en
bovendien met oneer geslagen voor het oog van het volk; dit alles zal hem spoedig
in vergetelheid doen zinken.
Zijn enkele discipels zullen veracht worden, zijn
dweperige dwaze leer zal bespot worden en wij, wij zullen zorgen, dat geen kroniek
van zijn geboorte, zijn dood of zijn onderwijs zal overblijven in onze jaarboeken.
Een dwalend straatprediker van het gemene volk! Hoe zou zijn naam kunnen voortleven?
Neen, die zal niet voortleven, antwoordde Annas met de schijn van volmaakte verzekerdheid.
Gij, heilige en verhevene Kajafas, hebt altijd te veel aan 's mans pochen gehecht.
Velen zijn er, die zoals hij, zichzelf verheffen en zweren, dat hoewel onbekend en
in 't geheel niet geëerd door hun eigen geslacht, zij later als groot en wondervol
door het nageslacht zullen geroemd worden. Aanmatigende wijsgeren praten aldus, krankzinnigedichters,
die rijmpjes maken zoals kinderen kralen rijgen en zulk gekkenwerk van grote waarde
verklaren ketterse denkers ook van alle soort en hun pochen loopt op niets uit! Waarlijk,
zo de geschiedenis van deze man geen gewag maakt, wie zal dan ooit geloven, dat hij
geleefd heeft! Kajafas glimlachte onverschillig.
Weinig woorden zullen van hem in
de Geschiedenis gerept worden, zei hij. Want zijn dwaze volgelingen zijn ongeletterd
en onze schriftgeleerden moeten alles schrijven, wat wij hun gebieden!
Een deel
van dit, op onderdrukte toon gevoerd gesprek, was afgeluisterd door Zacharias, de
oude woekeraar en hij knikte beslist goedkeurend en glimlachte daarbij in stilte.
Het veroordelend vonnis, dat over de onsterfelijke Gevangene was uitgesproken door
het Joodse volk, was balsem voor zijn lage en ellendige ziel. Hij verblijdde zich
er in, als in een bijzondere en voldoening gevende aardigheid en hij sloeg nu en
dan met zijn met juwelen bezetten stok opgetogen op het plaveisel, als om door middel
daarvan uitdrukking te geven aan zijn innerlijke voldane stemming.
Pilatus, die door
het wassen zijn handen voor het oog van het volk openlijk zijn weerzin en weigering
had te kennen gegeven om persoonlijk deel te nemen aan deze misdaad (want als zodanig
beschouwde hij die zaak), die weldra begaan zou worden, ging met het overblijvende
van de hem opgelegde plicht in koortsachtige haast en met zekere afschuw verder.
Niets kon nu spoedig genoeg gedaan worden naar zijn zin, hij werd zenuwachtig en
opgewonden een blos van schaamte kwam van tijd tot tijd op zijn wangen en opnieuw
werd hij doodsbleek, terwijl iedere trek van zijn gelaat gespannen loodkleurig werd
als die van een dode en in zijn haastige bewegingen vermeed hij zorgvuldig zijn
ogen naar de Veroordeelde te wenden. Op een snel teken van hem omringden twintig
gewapende soldaten de grootse, Witte Gestalte, die daar goddelijk kalm in de glorie
van de morgenzon stond, mannen met ruwe gezichten en een kort, dik lichaam, die lachten
en vloekten, tóen zij hun Gevangene van boven tot onder bekeken en spottende aanmerkingen
op Zijn statige en onbeweeglijke houding maakten. Hij, Hijzelf scheen bijna onbewust
van hun nabijheid. Een gelukkige gedachte scheen door Zijn geest te dwalen, want
te oordelen naar Zijn stralend gelaat, had Hij voor een gekroonde Apollo kunnen
doorgaan die van koninkrijken droomde, waarin zijn glimlach alleen licht geluid en
leven schiep. En op hetzelfde ogenblik, dat de krijgslieden hem zo met hun glinsterende
speren insloten, trokken de twee soldaten, die tot nu toe Barabbas bewaakt hadden,
zich terug en lieten hem achter, om zijn vormelijke bevrijding uit de handen van
de landvoogd te ontvangen. Alleen tegenover Pilatus staande, wachtte Barabbas terwijl
de zware, ijzeren boeien zijn armen omlaag trokken en toonden, hoe zij door langdurig
en invretend drukken het vlees hadden gekneusd en gesneden.
Hij was duizelig door
vermoeidheid en opwinding; maar zijn zwarte ogen glinsterden en iedere zenuw en spier
in zijn lichaam trilde bij de verrukkende gedachte aan vrijheid. Zijn spanning duurde
niet lang, want Pilatus was nu niet tot uitstellen gestemd. Uit de handen van een
hoofdman het werktuig rukkend, dat voor dit doel gebruikt werd, sloeg hij op de zware
schakels van de ketenen van de te bevrijden misdadiger met zulk een hevigheid, dat
zij spoedig van elkander geslagen waren en kletterend op het marmeren plaveisel vielen.
Het geraas, dat door haar val veroorzaakt werd, was voldoende om het gepeupel weer
tot een uitbarsting van zegevierend geschreeuw te brengen.
Barabbas ! Vrijheid voor
Barabbas! Heil, Barabbas! Barabbas intussen, staarde naar de afgeworpen boeien met
een weerloze blik, alsof zij opeens bijzondere en onbekende voorwerpen geworden waren.
Hij had ze gedurende achttien maanden dag en nacht gedragen en nu scheen het hem
toe, dat hij ze niet kende. Hij hief zijn armen op en zwaaide die heen en weer met
een gevoel van welbehaaglijkheid en verlichting, waar was de levendigheid van geest,
die hem slechts een ogenblik tevoren had vervuld? Zij was weg en eensklaps verdwenen,
hij wist niet hoe. Hij had verlangd en gesmacht naar vrijheid en er om gebeden. Zijn
hoop was vervuld en nu met de vervulling, was de hoop verdwenen. Een grote vertwijfeling
overviel hem en hij stond somber en loom te wachten, toen hij Kajafas hoorde zeggen:
Wilt gij die armbanden der Nazarener niet aandoen goede Pilatus? Want wie weet, of
hij zijn dood
tegemoet gaande, niet nog oproerig zal worden!
Pilatus fronste!
Wat
nu weer! Heeft hij met de wacht gevochten? Heeft hij zich bewogen? Heeft hij gemurmureerd?
Heeft hij zich met heftigheid geuit? Hij betwist het vonnis niet geheel, stom aanvaardt
hij het lot, dat gij hem oplegt. Waarom dan te bevelen, wat geen weerstand biedt?
Laat de Joden zijn wat zij willen, gij zult geen lafaard van een Romein kunnen maken!
En daarop keerde hij zich plotseling tot Barabbas.
Waarom wacht gij hier, kerel?
Ga heen! En de onderdrukte ergernis, die hem vervulde, deed zijn gewone kalme stem
beven. Onboetvaardige moordenaar en dief die gij zijt, de wetten van uw volk stellen
u in vrijheid, om verder weer naar lust te moorden en te stelen!
Barabbas deinsde
terug en zijn donker gezicht werd nog donkerder. Deze scherpe woorden sneden hem
door de ziel; maar hij kon geen antwoord vinden. Zijn hoofd viel enigszins vermoeid
op zijn borst. Hij begreep tenvolle, dat hij in vrijheid gesteld was, maar de vrijheid
bracht niet het gevoel van algehele vreugde met zich, dat hij verwacht had in het
bezit ervan te zullen vinden. Het volk buiten de balie wachtte, om hem met zegevierende
uitroepen te ontvangen, maar zijn ledematen schenen aan de plek, waarop hij stond,
vastgenageld te zijn en voor niets ter wereld had hij kunnen laten, peinzend en medelijdend
naar de Ene te staren, die in zijn plaats veroordeeld was.
Het zou beter geweest
zijn, zei hij tot zichzelf, voor die Mens daar gestorven te zijn, dan vrij voort
te leven.
Toen die gedachte in hem opkwam, scheen het hem toe, dat een snel opkomend
zacht licht rond het opgeheven hoofd van de Nazarener scheen, een ring van bleek
en nevelachtig licht, dat langzamerhand overging in een warme gloed als van een gouden
vlam. Verschrikt, staarde hij naar dit verschijnsel, zouden anderen de stralenkroon
evenzo zien als hij? De rechters, priesters en soldaten en het volk; zou het mogelijk
zijn, dat zij blind waren, voor wat zo duidelijk zichtbaar was? Hij trachtte te spreken
om hun te vertellen maar zijn tong kleefde aan zijn verhemelte en hij kon slechts
staren als een verbijsterde, die beproeft woorden te vinden, die weigeren hoorbaar
te worden. Kajafas, die ongeduldig werd door deze schijnbare onnozelheid en onbeweeglijkheid,
ging naar hem toe.
Hebt gij het bevel van de landvoogd niet gehoord, dwaas? Scheer
u weg van hier! Let op uw wegen en pas op, dat gij het niet waagt in de nabijheid
van het huis van Iskáriot te komen !
Dit bevel, dat uitgesproken werd op een kwade
fluisterende toon, schudde Barabbas wakker uit zijn bewonderende beschouwing van
de Christus en bracht hem in een plotselinge stemming van persoonlijke verwoedheid.
Het verheerlijkte licht verdween van het voorhoofd van de profeet van Nazareth, er
was niets wonderbaarlijks, geen mystieke ontzetting meer, het stoffelijke leven en
zijn eisen kwamen nu voorop te staan in zijn geest. Met een verontwaardigde en oproerige
blik op het aangezicht van de hogepriester, richtte hij zich fier in zijn gehele
lengte op en de Rechtszaal zijn rug toekerende, stapte hij haastig naar de balie
die hem van het volk scheidde, terwijl de Romeinse soldaten uitweken om hem door
te laten. Nog een ogenblik en hij sprong in het midden der menigte, waar hij ontvangen
werd met voortdurende vreugdekreten en lang aangehouden gejuich.
Een opgetogen mensenmassa
verzamelde zich om hem, terwijl zij zijn naam uitriepen, mannen omhelsden hem, vrouwen
grepen zijn vuile handen en kusten die en kleine kinderen dansten schreeuwend van
plezier om hem heen, niet wetende wat zij deden, maar eenvoudig aangestoken door
de opgewondenheid van hun ouders. Een man trok in overmatige geestdrift, een rijke
bovenmantel van zijn eigen schouders en wierp die om het half naakte, half uitgehongerde
lichaam van de juist bevrijde misdadiger, terwijl hij tranen van ontroering stortte.
Geen teken was er meer zichtbaar van de vroegere afschuw voor hem, toen hij voor
het eerst als gevangene in het Gerechtshof was binnengevoerd onder gewapend geleide.
Het publiek nog veranderlijker dan de wind, was met blijdschap vervuld door het feit,
dat door hun woord en hun wil zijn bevrijding verkregen werd en te oordelen naar
hun jubelend geschreeuw, zou de eens bekende moordenaar een koning kunnen geweest
zijn, die naar zijn land en zijn troon terugkeerde na een lange ballingschap. Een
groot gedeelte der schare vergat voor het ogenblik de Ander, die aan Zijn lot was,
overgelaten en veroordeeld te sterven. Zij waren tevreden met rondom hun eigen bevrijde
te kunnen dringen met vreugdekreten en gelach, terwijl zij hem uitnodigden voedsel
en wijn in een naburige herberg te gebruiken, of hem dwongen hen beurtelings te vergezellen
naar hun verschillende woningen. Ademloos en verward en weinig in overeenstemming
daarmee, gekleed in het zijden en met goud bestikte kleed, dat zijn menslievende
bewonderaar op hem geworpen had, zag Barabbas van rechts naar links en bedacht hij,
hoe hij 't best de opgewonde vriendelijkheden zou kunnen ontwijken, die dreigden
hem het weinige geduld, dat hem nog overgebleven was, te doen verliezen.
Want hijzelf
was niet trots op zijn zegepraal; hij wist beter dan de meeste mensen de werkelijke
waarde van vrienden op deze wereld; en hij gevoelde zich bezwaard door vermoeidheid
en ongeduld, terwijl zijn ogen angstig zwierven over deze golvende zee van hoofden,
om te zoeken naar een gezicht, waarvan hij zeker wist, dat het daar aanwezig was.
Maar hij slaagde er niet in te ontdekken, wat hij zocht; door deze teleurstelling
onaangenaam aangedaan, hoorde hij nauwelijks de verschillende nieuwtjes en praatjes,
die enige zijner vroegere bekenden hem in de oren fluisterden. Plotseling ging er
een uitroep van mond tot mond. Let op, hij wordt gegeseld!
Gelijk een landwaarts
rollende golf en als door een instinct gedreven, bewoog en keerde de menigte zich
en drong onstuimig terug naar de Rechtszaal. Op de tenen staande staken zij hun halzen
over elkanders schouders, om te zien wat er gaande was. Mannen hieven tere kinderen
op, slechts enkelen voornamelijk vrouwen, uitten onderdrukte kreten van medelijden,
maar over 't geheel had de menigte een meedogenloos, vergenoegd, afwachtend aanzien.
Barabbas, door het duwen van het grauw voortgedreven, bevond zich wederom tegenover
de Rechtbank en door zijn lengte was hij in staat alles beter te zien dan zij die
in zijn onmiddellijke nabijheid waren.
Barbaren! Mompelde hij, toen hij opkeek. Honden!
Duivels! die gij zijt om een weerloos man te slaan! 0, laffe moed.
En hij overzag
het geheel met gespannen ogen en een heftig bonzend hart. De Rechtbank scheen nu
bijna geheel gevuld met Romeinse soldaten, want een buitengewoon aantal was opgeroepen
om bij het meedogenloos werk te helpen, dat men ging verrichten. In het midden van
een kring van glinsterende speren en getrokken slagbijlen stond de "Nazarener", die
geen weerstand bood aan de ruwe vuistslagen van de mannen, die met geweld Zijn opperkleren
uittrokken en hierdoor
Zijn naakte schouders en borst zichtbaar maakten. Een hoofdman
overhandigde middelerwijl de gesel aan Pilatus, een dodelijk werktuig, dat gemaakt
was van verschillende einden geknoopt zweeptouw, bezet met scherpe ijzeren nagels.
Het was een deel van de ambtelijke plicht van de procurator om persoonlijk een veroordeeld
misdadiger te kastijden maar de ongelukkige man, wie in dit vreselijk ogenblik die
aangewezen taak was opgelegd, beefde over al zijn leden en de barbaarse riem wegduwend,
maakte hij een zwakke, stomme weigerende beweging. De hoofdman wachtte, terwijl zijn
dom dik gelaat zoveel verbazing uitdrukte, als de tucht maar toeliet. De soldaten
wachten vragend toeziend. En met kalme tederheid en stilzwijgen wachtte ook de Man
van Nazareth, terwijl de zon een zacht licht over Zijn naakte schouders en armen
wierp die verblindend wit en symmetrisch als een standbeeld waren; onderwijl Zijn
diepe, denkende ogen opheffende, zag Hij zijn diep ellendige rechter aan met een
innig en tederst medelijden. Kajafas en zijn schoonvader wisselden woedende blikken.
Stelt gij de strafoefening nog uit, Pilatus? vroeg de hogepriester op hoge toon,
de tijd snelt voort. Doe wat uw plicht u gebiedt, sla!
HOOFDSTUK 8.
Pilatus bleef
echter aarzelen, wezenloos voor zich uit starende. Zijn gelaat was doodsbleek, zijn
lippen waren op elkander geklemd, zijn opgerichte, rijk geklede gestalte zag er vreemdsoortig
stijf en levenloos uit, als van een bevroren mens. Mocht dat ziekelijke gevoel in
zijn binnenste hem maar geheel overweldigen, dacht hij, zodat hij in zwijm vallende,
de schande en de afschuw mocht ontkomen, om op die koninklijke Tederheid, dat belichaamde
Geduld te slaan! Maar leven en bewustzijn trilden in hem, hoewel pijnlijk en verward,
het volk, dat hem aangewezen was, te regeren, eiste van hem, dat hij zijn taak ten
volle zou uitvoeren. Werktuigelijk strekte hij ten laatste zijn hand uit en greep
de gesel, toen naderde hij, wankelend en met neergeslagen ogen de Veroordeelde. De
soldaten, die het geselen hadden verwacht, hadden niettegenstaande Pilatus verbod
om dat wat geen weerstand biedt te binden, de handen van hun lijdelijke Gevangene
met touwen gebonden, opdat Hij niet zou beproeven zich tegen de geselslagen te verdedigen.
Op deze nodeloze en onverdiende banden vestigde Pilatus het eerst zijn blik, terwijl
woede en smart in hem streden. Maar hij was niet bij machte de eisen der wet te veranderen,
hij was het ellendige werktuig van het lot en met een bittere vloek over zich zelf
en de schandelijke daad, die hij verplicht was te verrichten, wendde hij zijn ogen
af en hief de zweep op. Zij viel zwaar en met een klagend geweld op het tedere lichaam
nog eens en nog eens ging zij in de hoogte en weer viel zij neer, totdat het heldere
bloed van onder de ijzeren punten tevoorschijn kwam en in rode druppels op het marmeren
plaveisel neer vloeide. Geen geluid kwam echter over de lippen van de Goddelijke
Lijder, zelfs geen pijnlijke zucht en geen profetische stem verhief zich om de waarheid
uit te spreken. Hij is om onze overtredingen verwond en door zijn striemen is ons
genezing geworden!
Middelerwijl beheerste een eigenaardige en onverklaarbare stilte
het volk, dat buiten stond te wachten, tegen elkander dringend, keken zij met gretige,
nieuwsgierige ogen uit naar het voortzetten der strafoefening, totdat ten laatste,
toen de gesel met zijn wrede slagen een vlok van het goudkleurig glinsterend haar
der Gevangene greep en die uittrok en met bloed doorweekt op de grond wierp, een
meisje onder de menigte in zenuwachtig schreien uitbrak. Het geluid van het schreien
ener vrouw stoorde Pilatus in zijn vreselijke taak. Hij keek op, werd vuurrood en
sidderde; met wilde ogen en nog woester lach hield hij op. Zacharias, de woekeraar,
strompelde naar voren, terwijl hij ongedwongen zijn met juwelen bezette staf zwaaide.
Nog eens en harder, edelste landvoogd! Gilde hij met zijn droge en bevende stem uit,
nog eens en met meer wilskracht! Zulke slagen als gij geeft, zouden nauwelijks een
kind pijn doen! Hij geselde anderen, laat hem nu zelf de zweep voelen! Ziet gij,
hij is niet teruggedeinsd en heeft zelfs niet geschreeuwd, hij heeft de riem nog
niet gevoeld! Nog eens, in de naam van de gerechtigheid, verheven Pilatus! In de
naam van de gerechtigheid! Hij heeft mij een oud en eerlijk man gegeseld, het is
waarlijk rechtvaardig en behoorlijk, dat hij nu de steek in zijn eigen vlees voelt;
anders zal hij onboetvaardig sterven! Weer en nog eens weer, waardigste landvoogd,
maar laat die striemen dieper worden!
Terwijl hij zich heftig bewegend sprak, viel
zijn stok eensklaps uit zijn bevende handen op de marmeren vloer, zodat een grote
parel, uit het handvat losgeraakt, wegvloog en rollend als een kraal verdween. Met
een angstkreet viel de rampzalige man op zijn knieën en op zijn gele klauwachtige
handen kroop hij over het plaveisel en hevige tranen stortend, smeekte hij de soldaten,
die er lijdelijk bij stonden te kijken, hem te helpen zoeken naar het verloren kostbare
sieraad. Een grimmige lach was op de gezichten te lezen; maar niemand bewoog zich.
Zuchtend en klagend kroop de rampzalige woekeraar op handen en voeten over de vloer
der Rechtszaal, terwijl hij zijn ogen dichtbij de grond hield en zo meer geleek op
een ondier dan op een mens. Nu en dan rustte hij, om met zijn vuile handen in alle
hoeken te grabbelen, in de hoop de verloren parel terug te vinden. Het verlies was
voor hem onherstelbaar en in zijn verdriet en zijn woede had hij zijn begeerte om
zich op de Nazarener te wreken, vergeten. Pilatus, die hem als een kind huilende
zag rondkruipen, beving zo'n gevoel van genoegen over 's mans ongeluk, dat hij zich
voor het ogenblik bijna verlicht gevoelde en in een luid en onnatuurlijk lachen uitbarstende,
wierp hij de bloedbevlekte gesel weg, met het gevoel van verlichting van iemand,
wiens onaangename taak geëindigd is. Maar Kajafas was volstrekt niet voldaan.
Gij
hebt deze veroordeelde boosdoener slechts zacht gegeseld, Pilatus, zei hij, waarom
hebt gij de zweep zo spoedig terzijde geworpen?
Pilatus' ogen schoten vuur. Stel
mijn geduld niet teveel op de proef, wraakzuchtige priester! mompelde hij ademloos.
Ik heb mijn vervloekt werk verricht. Zorg gij nu voor de rest! Kajafas ging verschrikt
enige stappen terug. Er was iets in de uitdrukking van Pilatus' gelaat, dat werkelijk
iemand angst moest aanjagen, een duistere en akelige vrees, die zelfs de koude en
zelfvoldane waardigheid van de hogepriester schokte. Doch slechts voor een ogenblik;
hij herkreeg zijn gewone zelfbeheersing en door een teken aan de bevelhebber gaf
hij te kennen, dat de geseling geëindigd was en dat de Gevangene thans aan zijn lot
werd overgegeven. En nu dit hachelijk ogenblik gekomen was, groetten al de leden
van het Sanhedrin, zowel als de schriftgeleerden en ouderlingen, die er tegenwoordig
waren, de landvoogd plechtig en verlieten de Rechtszaal, twee aan twee, langzaam
afdalende naar de lager gelegen zaal, genaamd Praetorium.
De soldaten maakten zich
gereed om de veroordeelde Nazarener ook daarheen te geleiden of voort te slepen.
In plechtige en waardige orde voortgaande, verdween de priesterlijke processie langzamerhand
en alleen Pilatus, die door een vreselijke bedwelming als aan zijn plaats stond vastgenageld,
bleef achter. Terwijl hij zich achter een zware marmeren zuil voor het publiek verborg,
leunde hij doodmoe tegen het koude voorwerp, naar lichaam en ziel gebroken door afmatting
en door de hem onverklaarbare angsten, die hij bij de rechtszitting van die morgen
had uitgestaan. In zijn vermoeide brein beproefde hij met moeite uit te maken, wat
het was of wat het kon zijn, dat hem deed gevoelen dat de ergste misdaad, die ooit
op aarde begaan was, op deze dag en in deze stad Jeruzalem volbracht zou worden.
Hij was een kwellend raadsel voor zichzelf geworden, hij kon zijn eigen overweldigende
gevoelens niet verklaren. De boodschap zijner vrouw had hem vreselijk geschokt; hij
had het briefje haastig in zijn borstzak gestoken, maar hij trok het er nu uit en
las de zonderlinge inhoud nog eens over.
Heb toch niet te doen met die rechtvaardige:
want ik heb heden veel geleden in de droom om zijnentwil.
Duistere woorden! Wat konden
zij betekenen? Wat kon zij, Justitia, de trotse onbevreesde en schone Romeinse vrouw
geleden hebben? En dan in een droom, zij die anders nooit droomde, die lachte om
voorspellingen en voortekens, die zelfs bekend was voor haar satirische gezegden
over de goden! Zij had volstrekt geen verbeeldingskracht en tot op zekere hoogte
was haar natuur gevoelloos en zonder mededogen, of wat haar eigen volk heldhaftig
genoemd zou hebben. Zij kon zeer voldaan en kalm toezien bij de akeligste stierengevechten
en andere barbaarse schouwspelen, die te dien tijde in zwang waren in haar geboorteplaats.
Toen zij slechts 12 jaar oud was, beschouwde zij onbewogen het langzaam martelen
van een slaaf, die veroordeeld was, om voor diefstal en meineed levend gevild te
worden. Vandaar dat deze handeling om tegen de veroordeling van een bijzondere misdadiger
te protesteren, te ongewoon en vreemd was, om niet op te vallen. Hebt toch niet te
doen met die rechtvaardige! Wat zou zij zeggen, zo zij diezelfde rechtvaardige nu
kon zien. Pilatus, die vreesachtig rondzag vanuit zijn verborgen schuilhoek, werd
ziek en huiverig bij de gedachte aan het vreselijk toneel, dat zou plaats hebben,
maar hoewel hij zijn leven zou hebben willen geven, om tussenbeide te komen, hij
wist dat hij niet durfde. Het volk had zijn wil uitgesproken en die wil moest worden
uitgevoerd. Er was geen hulp en geen hoop voor een waarheid, die door de leugenaars
dezer wereld eenparig was veroordeeld. Die is er nooit geweest en zal er nooit zijn!
De voorafgaande, diepe stilte der menigte had plaatsgemaakt voor een woest geraas;
de lucht weergalmde van onwelluidende kreten, alsof een horde wilde dieren was losgebroken,
om de aarde te verwoesten. De soldaten, niet langer in toom gehouden door de tegenwoordigheid der
priesterlijke overheid en bovendien tot honen aangezet door het geschreeuw van het
gepeupel, dreven hun Gevangene woest voor zich uit, door middel van de kolven hunner
wapenen, met het onhebbelijk voornemen Hem ter aarde te doen storten en voorover
te doen tuimelen langs de trappen, die naar het Praetorium leidden. Hun woeste stompen
waren onuitgelokte aanvallen, voortkomende uit een geheel ongegronde behoefte om
de verheven Lijder te beledigen, want Hijzelf gaf hun geen reden daartoe, maar ging
vreedzaam met hen mee. Zijn nog ontblote schouders bloedden tengevolge van de geseling.
Zijn handen en armen waren nog vast samengebonden, toch hadden pijn noch vernedering
de verheven majesteit van Zijn wezen of de trots van Zijn gang verminderd en Zijn
schone ogen behielden de glanzende, dromerige uitdrukking van een rijkdom van gedachte
en een kennis, ver boven al het menselijke verheven. Dicht om hem dringende, overladen
Zij Hem met spottende gebaren en gelach, terwijl zij Hem schandelijke scheldwoorden
toeriepen en straatliederen toezongen. Een scharlaken rode mantel was juist op één
der banken in de Gerechtszaal blijven liggen en was door één der mannen ontdekt,
die hem haastig meepakte en over de gewonde schouder der Gevangene wierp. Deze sleepte
Hem in koninklijke golvende plooien na; en de kerel, die Hem de mantel zo aangedaan
had, uitte een woeste kreet en riep spottend uit, terwijl hij met zijn piek op Hem
wees:
Wees gegroet, gij Koning der Joden!
Bijvalsbetuigingen en uitbundig gelach
beantwoordden deze geestige uitval en Barabbas was de enige man van al de gevoelloze
aanwezigen, die een teken van afkeuring gaf.
Schande! Riep hij uit. Schande over
u Romeinen! Schande over u, volk van Jeruzalem! Waarom degene bespotten, die veroordeeld
is?
Maar zijn stem ging verloren in het gedruis om hem heen, of zo zij niet geheel
onopgemerkt was, bleven de oren doof van hen, die haar niet wilden horen. En opnieuw
vervulde een uitbarsting van honende vreugde de lucht, een nieuwe wijze van bittere
bespotting hield nu de menigte bezig, de Koning zou gekroond worden! Een knecht,
gevolg gevend aan de wenk van zijn kameraad, was naar de buitenste hoftuin gesneld
en had daar drie lange rozentakken van de muur gerukt, welke vol doornen waren. De
tedere knoppen, bloesems en bladeren er aftrekkend, vlocht hij van de doorntakken
een kroon en naderde daarmee de stille Christus, terwijl zijn metgezellen hem met
hese uitvallen van goedkeurend gelach begroeten.
Wees gegroet, gij Koning der Joden!
Riep hij, toen hij de kroon op het Goddelijk voorhoofd plaatste en de stekelige krans
zo hard in het tedere vlees drukte, dat het smartebloed er onder uit sprong.
Heil,
veel Heil zij U!
En hij sloeg het schone, rustige gelaat met zijn stalen pantserhandschoen.
Een scepter! Een scepter voor de Koning! Riep een kleine jongen, die opgewonden naar
voren kwam lopen en daarbij met een lichte rietstok zwaaide. De soldaten lachten
wederom en de stok grijpende, zetten zij die rechtop tussen de gebonden handen van
de smetteloze Gevangene. Daarop vloog een troep bandeloze woestelingen onder duivelse
uitroepen en met wilde bewegingen voorwaarts; zij vielen op hun knieën en hieven
hun grimmige, grijnzende gezichten in gehuichelde aanbidding en spottende diensbaarheid
op, terwijl zij woest in koor schreeuwden:
Heil! Wees gegroet, gij Koning der Joden!
Zij konden even goed de zon bestormd, of beledigingen tegen een ster geuit hebben.
Op mystieke wijze boven en buiten hen geplaatst, was de Man van Smarte, Zijn dicht
gesloten lippen met die wondervolle schone vorm, die de beeldhouwer aan de marmeren
muze geeft, opende zich voor geen woord of kreet. Hij scheen nauwelijks adem te halen,
zulk een plechtige en majestueuze stilte omgaf hem. Dat kalme stilzwijgen ergerde
het grauw, het sprak van grote moed en onverschilligheid voor het lot, heldhaftige
sterkte en een verheven verdraagzaamheid en geleek zo te zijn een waardige, onuitgesproken
minachting over de dwaze woede van het volk.
Die vervloekte! Riep er één uit de menigte.
Heeft hij geen tong? Heeft hij geen leerstellingen meer te verkondigen voor hij sterft?
Laat hem spreken!
Spreek, kerel! Bromde een soldaat, terwijl hij Hem ruw op de schouder
sloeg met de greep zijner lans. Gij hebt dikwijls geleuterd over zonde en rechtvaardigheid,
hoe durft ge nu uw mond te houden?
Maar bedreigingen noch slagen konden de onsterfelijke
Koning een antwoord afpersen. Zijn edele gelaatstrekken waren kalm en rustig, zijn
heldere ogen sloeg hij strak opwaarts, alsof hij een heerlijkheid verreweg in een
verlicht verschiet aanschouwde en alleen de druppels bloed, die langzaam van onder
de scherpe punten Zijner doornenkroon vloeiden en het glanzende haar om Zijn slapen
kleurden, gaven enig tastbaar teken van leven of gevoel.
Hij heeft de Duivel! Riep
een andere man. Hij is verhard door onboetvaardigheid en voelt niets. Weg met deze!
Kruis hem!
Terwijl dit getier onafgebroken doorging, was Pilatus alleen achtergebleven,
het toneel aanziende met het vertwijfelende en verwarde gevoel van iemand, die in
zinsbegoocheling verkeert. Als in een ontzettend visioen, zag hij, hoe de statige
Gestalte in de scharlaken mantel gehuld en met doornen gekroond, door het Praetorium
werd gevoerd naar het open voorplein, dat alleen langs een trap, die benedenwaarts
voerde, bereikt kon worden en toegevend aan een plotselinge ingeving, bewoog hij
zich snel voorwaarts, zodat hij de vertrekkende wacht inhaalde. Toen hij Pilatus
zo onverwacht zag verschijnen, wachtte de bevelhebber. Ook de soldaten die enigszins
verschrikt waren, doordat een niet mindere persoon dan de landvoogd hen in hun ruw
spel overviel, hielden dadelijk op met hun luidruchtig getier en rustten dof en stil
op hun wapenen.
Nog eens en voor de laatste maal op Aarde, waagde Pilatus het de
Veroordeelde strak in het aangezicht te zien. Geknakt, gebonden en bloedend, terwijl
de gevlochten rozendoornen hun scherpe punten nog dieper in Zijn voorhoofd staken,
ontmoette de Nazarener die vragende, smekende, angstige en menselijke blik met een
fiere, doch tedere kalmte; en Pilatus die vol schrik en verbazing voor zich staarde,
zag dat boven de doornenkroon een kroon van Licht scheen, die fijn gevlochten was
uit drie doornen geweven, stralen van verblindend goud en hemelsblauw en die prismatische
stralen uitzond als meteoorvlammen, die flikkeren tussen hemel en aarde. Een kroon
van Licht! Een mystieke cirkel, die steeds wijder wordende, in oneindige, gloeiende
ringen overging, hoe kwam zulk een heerlijkheid daar? Wat kon het betekenen? Gelijk
een drenkeling zich wanhopig aan een drijvend hout vastklemt op het punt van in de
diepte der zee te duiken, zo greep Pilatus vaag en half blind naar de scharlaken
mantel, die als een zinnebeeld van 's werelds spot de koninklijke Gestalte van de
Verlosser der wereld omhulde en trok daaraan, alsof hij beproefde de drager er van
voort te trekken. De lichte aanraking werd gehoorzaamd; de Man van Nazareth stond
toe, dan Zijn rechter hem geleidde tot bovenaan de laatste trap, die naar beneden
en uit het Praetorium voerde. Daar kwam Hij voor de verzamelde menigte te staan in
al zijn droevige verhevenheid en tragische heerlijkheid en een ogenblik beheerste
diepe stilte de menigte. Toen, plotseling getroffen en ontdaan op het gezicht van
zulk een reine en medelijdende majesteit, liet Pilatus de zoom van de scharlaken
mantel vallen, alsof die zijn vlees had gegeseld.
Ecce Homo! Riep hij uit, zijn armen
omhoog werpende, toen hij die woorden in zijn moedertaal uitriep, onverschillig of
zij al of niet door de verschrikte Joden verstaan werden. Ecce Homo! En uitbarstend
in een woeste schaterlach, trok hij zijn mantel wanhopig over zijn hoofd, als om
deze opwelling van angst te stillen en duizelig heen en weer zwaaiende, viel hij
met het gelaat naar boven gekeerd bewusteloos ter aarde.
HOOFDSTUK
9
Een luid geschreeuw ging uit de menigte op en in de ontsteltenis en verwarring,
die nu volgden, verdeelde zij zich snel in verschillende partijen. Enigen snelden
toe, om hulp te verlenen bij het optillen van de bewusteloze landvoogd en hem naar
zijn paleis te brengen; anderen verzamelden zich nog eens om de bevrijde Barabbas
met nieuw gevlei en woorden van welkom, maar voor de grootste helft maakten zij zich
gereed om de Goddelijke Veroordeelde te volgen en Hem te zien sterven. Vreselijk
en onnatuurlijk als het schijnt, is het niettemin een waarheid, door alle eeuwen
heen, dat de levenden een bijzondere en schandelijke voldoening vinden in het aanschouwen
van de angsten van de stervende. Te leven en toe te zien, hoe een medeschepsel onder
hevige marteling de laatste, weigerende adem uitblaast, is iets dat altijd een duister,
wreed genoegen aan de meerderheid heeft gegeven. En op deze bijzondere dag werd meer
dan de gewone, matige uitspanning verwacht; want er liep een gerucht onder de bevolking,
dat twee bekende dieven ter zelfder tijd met de jonge profeet uit Galilea zouden
worden terechtgesteld. Zulk een schouwspel was zeker het wachten waard en daarom
wachtten zij, een bont geklede, rusteloze mensenmassa, mannen en vrouwen; terwijl
het voortdurende gebrom hunner stemmen als dat van duizende gonzende bijen klonk,
wisselden zij nu en dan hun eentonige gesprekken af door zingen, stampen en fluiten.
De Romeinse soldaten, geheel ontsteld door de plotselinge, onverklaarbare ongesteldheid
van Pilatus, verbonden die in hun bijgelovige geest met enig spel, dat zij zich verbeeldden,
dat de Nazarener heimelijk op hen had uitgeoefend en hadden nu geen lust tot gekscheren.
De scharlaken kleurige mantel van de schouders van hun Gevangene trekkende, wierpen
zij haastig Zijn eigen kleding op Hem en met vele duistere en dreigende blikken leidden
zij Hem, goed bewaakt, verder.
De morgenstond was snikheet en helder. Op het open
voorplein sprong een fontein in volle kracht, een zilverachtige kolom van schuimig
stof naar de brandende blauwe hemel opwerpend. De gehele troep soldaten maakte halt,
terwijl hun aanvoerder zich ter zijde met de beul onderhield, wiens taak het was
kruisen te bezorgen, geschikt voor de wettige wijze van straffen, die toen in gebruik
was; de man, die ook verplicht was om te helpen bij het vastnagelen der veroordeelde
en in de barbaarse houding, die vereist werd om een langzame en vreselijke dood te
bewerkstelligen. Drie kruisen waren op die dag gevraagd, zei hij en hij betwijfelde
of hij er één had, dat sterk genoeg was om het krachtige en schone lichaam van de
Gevangene, die hem werd aangewezen, te dragen.
Het spijt mij werkelijk, dat hij veroordeeld
is, mompelde hij met enig medelijden in zijn ruwe stem. Hij heeft een edel aanzien
en hem zo smadelijk te doden, is waarlijk een dwaling, Petronius. Geloof mij, gij
zult er ook zo over denken! Herinnert gij u niet, hoe één van uwe collega's, die
in Kapernaüm woont, een dienstknecht had, die aan verlamming leed, en hóe die man
hem daar genas en zonder zelfs het huis binnen te gaan, waar hij ziek lag? Ik verzeker
u, zijn dood zal niet ongestraft blijven; nu ik u aanzie, bemerk ik, dat gij donker
kijkt, het komt mij voor, dat gij niet met deze daad instemt.
Petronius sloeg de
ogen neer en volgde peinzend de figuren van het plaveisel met de punt van zijn getrokken
wapen.
Onze landvoogd heeft hem niet veroordeeld, zei hij zacht en daarom is Rome
niet verantwoordelijk. Pilatus zou hem gespaard hebben, maar de Joden hebben het
anders gewild.
0, o! Gromde de beul, die uit Apulia geboortig was. Die Joden, die
Joden! Duister en van bloeddorst getuigend, zijn hun geschiedboeken, dat weet Jehova!
En zij zijn er om bekend, dat zij hun eigen kinderen vermoorden om de wrede godheid,
die zij aanbidden, te behagen. Gij weet, de vette priesters verslinden de eerstelingen
ener kudde in hun eigen huizen, voorgevend, dat het hun God is, die zulk een eetlust
heeft en zij die meer goud verzamelen, dan wettig is, bezweren zelfs, dat hoge woekerrenten
een goddelijke zegen voor de rechtvaardige is! Het zijn allen huichelaars, Petronius!
Maar die Gevangene daar is geen Jood!
De bevelhebber keek peinzend naar de Veroordeelde,
die nu weer in zijn eigen witte klederen gestoken was, maar nog de doornen kroon
droeg. Een glimlach verlichtte Zijn schoon gelaat. Zijn zachte ogen zagen vol tederheid
naar het vrolijk fladderen van een vlindertje, dat, uit pure speelzucht, juist dicht
genoeg bij de fontein rondvloog, om een druppel of twee met zijn hemelsblauwe vleugeltjes
op te vangen, waarna het weer hoger op danste, de zon tegemoet. Zo in gedachten verdiept
en zo liefelijk zou Zijn gelaat geweest kunnen zijn, toen hij zei: Aanmerkt de leliën
des velds, hoe zij wassen; zij arbeiden niet en spinnen niet; en ik zeg u, dat ook
Salomon in al zijn heerlijkheid niet is bekleed geweest gelijk één van deze!
Hij
is geen jood, hij kan geen Jood zijn? Herhaalde de beul vragend.
Ja, hij is werkelijk
een Jood, antwoordde Petronius ten laatste met een zachte zucht. Dit wordt tenminste
gezegd. Hij is uit het geringe Nazareth en de zoon van Jozef, een timmerman aldaar
en Maria, zijn moeder, is of was hier onder de vrouwen, een ogenblik geleden.
De
beul schudde het hoofd.
Dat kunt gij mij nooit wijsmaken! Zei hij. Hij ziet er uit
als een vreemdeling in dit land. Zie gij niet, hoe verschillend zijn gelaat is met
dat der anderen? Hij is noch een Griek, noch een Romein, noch een Egyptenaar, maar
hoewel ik niet kan uitmaken tot welk volk hij behoort, zou ik toch durven zweren,
dat zijn vader nooit een Jood was. Wat het kruis aangaat, gij zult moeten wachten,
terwijl ik ga onderzoeken, welk het sterkste en minst versleten is, want op mijn
woord, het moet een Hercules dragen! Ziet gij niet die lengte en gespierdheid, die
overvloed van kracht? Bij Jupiter! Zo ik hem was, zou ik korte metten met de wacht
maken!
Hees lachend, om wat hij beschouwde als een echte grap, verdween hij om zijn
afschuwelijke boodschap te doen, terwijl hij drie of vier soldaten met zich nam.
De overblijvenden bleven de Nazarener omringen, terwijl het getal der toeschouwers
ieder ogenblik vermeerderde en zich ver in de straat uitstrekte. Het gehele volk
werd meer en meer opgewonden en ongeduldig. Enigen werden vervuld met een zekere
vage teleurstelling en verbittering. Er was geen vermaak in, een mens ter dood veroordeeld
te zien, wanneer Hij weigerde Zijn eigen lot belangrijk te vinden en zo onderworpen
en geduldig stond te wachten, als deze profeet van Nazareth, die gelukkig inplaats
van pijnlijk keek.
Verscheidene minuten gingen voorbij en het kruis was nog niet gebracht.
Het gedwongen uitstel scheen nog verlengd te worden en verscheidene dorstige zielen
wrongen zich uit het gedrang om een verversing te halen, daar zij hiertoe tijd en
gelegenheid hadden; onder hen bevond zich Barabbas. Enige oude bekenden hadden hem
meegenomen en drongen er nu op aan, enigszins tegen zijn wil, hen te vergezellen
naar een naburige herberg, waar zij met luidruchtige uitroepen op zijn gezondheid
dronken. Barabbas at en dronk met hen en de natuurlijke begeerlijkheid van een bijna
doodgehongerde man maakte, dat hij het aanzien had van een vrolijk metgezel, wat
hij echter volstrekt niet was; maar toen zijn eetlust matig bevredigd was, schoof
hij de overblijfselen weg en zat stil en afgetrokken temidden van het luide lachen
en gekscheren rondom hem.
Wat scheelt u, kerel? Riep één zijner onthalers nu uit.
Gij zijt vervelender dan een stervende hond! Waar is uw eens zo losbandige vrolijkheid
gebleven?
Weg ! Antwoordde Barabbas ruw, terwijl zijn zwarte ogen nog sprekender,
somberder en ernstiger werden. In vroegere tijd was ik vrolijk en ik weet niet waarom,
nu ben ik droevig en ik weet de oorzaak van mijn droefheid niet. Ik heb lang geleden,
ik ben moe! En het lijkt mij een misdaad die Nazarener te doden!
Zijn woorden werden
met gelach ontvangen.
Bij mijn ziel, Barabbas, riep een man uit, die met zijn tinnen
beker op de tafel sloeg, een teken, dat hij hem weer gevuld wenste te hebben. Gij
zijt uit de gevangenis gekomen met de gevoelens ener vrouw! Gij, de wolf, zijt in
een lam veranderd! Ha, ha, ha, ha! Wie zou dat gedacht hebben? Gij, die zo netjes
uw mes duwde in de vette hals van Gabrias, gij boven alle anderen, komt op tegen
de dood van een ander, die u niet aangaat, en die volgens de wet verdiend is.
Hij
is niet verdiend! Sprak Barabbas tot zich zelf, de Man is onschuldig.
Hij zweeg
en stond in gedachten van zijn zitplaats op. Zijn metgezellen hielden op met drinken
en staarden hem aan. Ik zeg u allen, ging hij op vaste toon voort, deze jonge Profeet
is onschuldig. Hij heeft volgens uw eigen getuigenis vele goede daden verricht en
toen ik kortgeleden naar hem keek, zag ik... Hier hield hij zijn woorden in, er sprak
een zonderlinge angst uit zijn ogen en hij beefde hevig.
Wat? Riepen zijn vrienden
als in koor uit, gij zijt zeker ook al van de duivel bezeten! Wat zaagt gij? Niets!
En Barabbas keerde hun de rug toe met een koude glimlach. Niets, dat gij gezien zoudt
hebben, of waarin gij belang had kunnen stellen! Zij staarden hem allen met verbaasde
ogen aan. Was dit werkelijk Barabbas? Deze nadenkende, peinzende, ernstige man?
Was dit de losbandige, woeste deelgenoot van die zwervende bende oproerlingen, die
met een schijntje kennis en grootspraak er niet lang geleden in geslaagd waren, de
rust in Jeruzalem te verstoren? En terwijl zij verbluft en versteld zwegen, sprak
plotseling een kalme, welluidende, maar toch spottende stem tot hen.
Vergeeft mij,
waarde heren, dat ik het vrolijke gesprek stoor, maar ik ben er voor, hulde te brengén,
waar zulks nodig is en ik ook zou gaarne hem, die door het volk verkoren is, mijn
nederige groeten aanbieden. Groot zijn de kinderen Israëls, door alle eeuwen heen,
geliefd door de ware God, die zoals vanzelf spreekt, geen belang stelt in het lot
van andere volken! Groot is hun uitspraak over ieder vraagstuk en altijd onfeilbaar
hun beslissing. Groot moet hij zijn, die zo gelukkig is, hun gunst te verwerven,
daarom groot is Barabbas en hem bied ik mijn groeten aan!
Geen woorden kunnen de
verschillende toonhoogten, waarop deze korte toespraak uitgesproken was, ook maar
enigszins weergeven.
Iedere noot in de toonladder van fijne satire scheen als het
ware te weergalmen en instinctmatig keerden alle tegenwoordigen hun blikken naar
de spreker. En toen zij naar hem keken, deinsden velen terug in zichtbaren angst,
Barabbas echter, wie de nieuw aangekomene onbekend was, beschouwde hem onverschillig,
zoals hij dat iedere anderen vreemdeling gedaan zou hebben, maar toch niet zonder
een zekere nieuwsgierigheid. Hij zag vóór zich een man met een olijfkleurig gezicht,
een vrij klein, onbeduidend, maar toch gespierd en krachtig lichaam, een lang, ovaal
gezicht, brede zwarte wenkbrauwen en ogen, die zó glinsterden en van zo vreemde kleur
waren, dat ze eerder juwelen geleken, die in zijn hoofd waren ingezet, dan wel gezichtsorganen.
Het geleken donkere ogen, maar er was een bijzondere dof goudachtige tint, als van
barnsteen in zijn oogappels, die hen bij wijlen lichtgevend maakte en hun een vreemde
bovenaardse glans en uitdrukking gaf. Hij was gekleed in een vreemd gewaad van een
zachte geelachtige stof, met een brede buigzame gouden band om zijn lendenen, het
bovengedeelte van zijn losse mantel vormde een soort van kap, die gedeeltelijk over
zijn dik zwart haar getrokken was en om zijn hals met een gesp van opalen vastgehouden
werd. Hij scheen in stilte genoegen te hebben in de verontrustende indruk, die zijn
verschijning maakte op de meesten, die in de herberg verzameld waren; hij kwam evenwel
naar voren en boog diep voor Barabbas, die hem geen ander antwoord gaf dan een starende
blik.
Waarde Barabbas! Vervolgde hij op dezelfde koude, maar toch liefelijke toon,
ontzeg mij, bid ik u, het genoegen uwer vriendschap niet! Ik ben slechts een zwerver
en een vreemdeling in deze streken van Judéa, die zo in het bijzonder begunstigd
worden door een vrij machtige Jehova, ik ben een waar zonderling in mijn gewoonten
en weet weinig, hoewel ik veel gestudeerd heb! Maar in zaken uw welzijn betreffende,
kan ik u mogelijk van nut zijn, 't zij gij oorlog of liefde verlangt!
Barabbas ontstelde,
één zijner vrienden trok hem terzijde en fluisterde: Het is Melchior. Tracht bij
hem in de gunst te komen! Hij heeft een slechte naam en heeft heerschappij over de
duivelen!
Ik ken hem niet, zei Barabbas luid, het waarschuwende knikken en wenken
van de verschillende leden van het gezelschap met minachting beantwoordend. En daarom
geef ik niets om zijn welkomstgroet.
De vreemdeling glimlachte.
Ik houd van eerlijkheid!
Zei hij vriendelijk. En gij, Barabbas, zijt een eerlijk man! Een ruwe kreet van bedwongen
vreugde was op aller gezicht te lezen en Barabbas deinsde terug, alsof een zweep
zijn vlees had gestriemd: Waar is het, dat gij mij niet kent. Melchior is mijn naam,
zoals gindse fluisteraar u mededeelde, maar ik ben onschuldig aan heerschappij over
de duivelen, daar ik evenmin over mensen regeer! Zijn ogen werden verlicht en glansden
als een topaas vanonder zijn gitzwarte wenkbrauwen, toen hij vervolgde: Wat is dit
voor een bont gewaad?
En hij bevoelde tussen vinger en duim het weefsel van de geborduurde
mantel, die over Barabbas geworpen was bij zijn bevrijding uit de gevangenis. Gij
zijt bijna geheel ontkleed onder dit schitterend vertoon, een edel toonbeeld van
de mensheid, voorwaar! En zo verwachtte ik u te vinden, gekleed als een koning van
buiten, maar van binnen, de kale naaktheid zelve! Volg mij, om van uw gevangenis
vuilheid gereinigd te worden, ik houd voor het ogenblik verblijf in deze herberg
en in mijn bovenkamer kunt gij uzelf in een geschikte kleding steken, om voor uw
geliefde te verschijnen, want zoals gij nu zijt, zal zij zeker om u lachen! Heeft
zij u vroeger niet reeds uitgelachen? Kom en kleed u als voor een feest.
Maar Barabbas
bleef staan, hoewel zijn donkere wangen nog donkerder werden bij deze toespelingen
op zijn geliefde. De rijke mantel nauwer om zich trekkende, maakte hij een beweging
van hooghartige weigering.
Ik gehoorzaam niemands bevel, zei hij. Ik heb niet eindelijk
mijn vrijheid herkregen, om nu een slaaf te worden. Denk niet, dat ik onbeschoft
ben, omdat ik uw aangeboden diensten weiger. De tijd gaat snel voorbij en bedenk,
dat ik binnen enige ogenblikken met de menigte mee optrek, ik wens de terdoodbrenging
van de veroordeelde Nazarener te zien.
Melchiors gelaat betrok. Een donkere schaduw
kwam over zijn gelaat, een gemengde uitdrukking van verdriet en ernst. Gij zult voorzeker
zijn terdoodbrenging aanschouwen! zei hij. Want zal niet iedereen daar tegenwoordig
zijn? Het zal het grote slachtfeest van de Mensheid zijn: de apotheose der Joden!
Ja, een waar feest! Iets, dat in de herinnering zal voortleven! Onthoud wat ik u
zeg, iets dat in de herinnering zal voortleven.
Want in de eeuwen, die komen zullen,
zal misschien de geschiedenis, van de wijze waarop deze Man van Nazareth werd geslagen
om aan de bloeddorstigheid van Gods uitverkoren kinderen Israëls te voldoen, moeten
dienen als een wonder van afschrikking! Hij hield op en terwijl zijn gelaat opklaarde,
hernam hij op de vroegere ironische toon: Ja, gij zult de profeet zien sterven,
maar geloof mij, wanneer ik u zeg, dat zij, wie gij lief hebt, daar ook tegenwoordig
zal zijn en hebt gij het aanzien van een minnaar? Zo dwaas gekleed en zo log, als
een ontsnapte beer? Hij lachte. En toch zal ik u niet vragen, aan mijn verzoek gehoor
te geven, zó op uzelf vertrouwende, beste Barabbas! Ik deel u slechts mee, dat in
mijn bovenkamer hier gij u voegzaam kunt kleden, zo gij wilt. En het kan zijn, dat
gij belangrijk nieuws van bijzondere aard zult vernemen. Doe geheel zoals ge wilt!
Volg niet mij, maar uw eigen neigingen en wensen!
Hij groette het storende gezelschap
onverschillig en door de kamer gaande met zachte tred als die van een kat, beklom
hij een donkere stenen trap, die naar de tweede verdieping van de herberg leidde.
Opgeschrikt en verwilderd door zijn duistere woorden en zijn niet minder duister
gedrag, zag Barabbas, hoe zijn kleding, waarover een geelachtig waas lag, meer en
meer onzichtbaar werd, om eindelijk geheel te verdwijnen en toen, als iemand die
door een onweerstaanbare drang gedreven wordt, mompelde hij een onsamenhangende verontschuldiging
tegen zijn verbaasde metgezellen en vloog hem, gehoor gevend aan een duistere, onverklaarbare,
onoverwinnelijke ingeving, achterna.