HOOFDSTUK 4.
De heldere, trillende kreet der vrouw droeg er met zijn vreemde bekoorlijkheid toe bij, om opnieuw de koortsachtige opgewondenheid van het volk op te wekken. Een verward geschreeuw volgde, gillen, brullen en fluiten vervulden de lucht, totdat het een oorverdovend leven werd en Pilatus zeer verstoord, met een gebiedend gebaar, plotseling van zijn zetel rees en het volk zijn gezicht toekeerde. Zich bij de voorste banken plaatsende, hief hij zijne hand op, om stilte te bevelen. Langzamerhand verminderde het geraas, om meer en meer over te gaan in een dof gebrom en een onverstaanbaar gemompel; maar voor er gehele stilte heerste, klonk wederom de liefelijke, welluidende sopraanstem, afgebroken door een bedrieglijke lach. 
Kruis hem !
Barabbas sidderde. Die zilveren lach doorsneed zijn ziel en deed hem beven, zeker, hij had meer de echo van die honende vrolijkheid gehoord! Zij klonk hem maar al te bekend toe. Pilatus scherpziende, flikkerende ogen zochten tevergeefs naar de ongeziene spreker, daarop wendde hij zich naar het volk met een blik van kalme waardigheid en vroeg. 
Wat heeft Hij dan kwaad gedaan?

Die eenvoudige vraag was klaarblijkelijk op een onjuist ogenblik gedaan en had een rampzalig gevolg. Het enige antwoord er op was een brullend geschater van bespotting, een donderend, wild en woest getier, dat de muren van het Gerechtshof scheen te doen schudden. Mannen, vrouwen en kleine kinderen riepen in koor: Kruis hem! Kruis hem! En het wrede refrein werd zelfs herhaald door de hogepriester, ouderlingen en schriftgeleerden, die in hun verschillende ambtsgewaden en met hun onderhorigen achter Pilatus op de gerechtsbanken waren gezeten. Pilatus hoorde hen en keek scherp rond, terwijl hij zijn wenkbrauwen donker fronste. Kajafas, de hogepriester, ontmoette zijn ogen met een zoete glimlach en herhaalde binnensmonds: Kruis hem! Als ware het een hoogst vermakelijke gedachte.
In waarheid! Het zou goed zijn, zo hij de dood stierf, mompelde zijn zwaarlijvige collega Annas, terwijl hij een vluchtige blik van onder zijn bleke oogleden op Pilatus wierp. De waardige landvoogd schijnt te aarzelen, maar waarlijk, deze verrader is geen vriend des Keizers.

Pilatus verwaardigde zich niet hierop een antwoord te geven, behalve een blik van hoge en de hevigste toorn. Terwijl hij zijn schouders ophaalde, zette hij zich wederom neer en blikte lang en ernstig naar de Veroordeelde. Wat heeft Hij dan kwaad gedaan? De vraag: Welk kwaad kon Hij doen? Zou juister geweest zijn. Was er een enkel teken van laagheid of verraad in dit open, schoon, oprecht en koninklijk Gelaat? Neen! Adeldom en waarheid spraken duidelijk uit elke Gelaatstrek; bovendien was er iets in het stille voorkomen van de Gevangene, dat Pilatus deed beven, iets, dat hoewel onuitgesproken, toch werd gevoeld, een groot en onbepaald mysterie, dat Hem scheen te omringen en te bezielen met een macht, die des te ontzettender scheen, omdat zij zo diep verborgen was. En terwijl de bezwaarde procurator zijn kalme en waardige houding bestudeerde en er twijfelend over nadacht, welke gedragslijn de beste zou zijn, blikte Barabbas op zijn beurt nieuwsgierig in dezelfde richting, terwijl hij meer en meer overtuigd werd van de buitengewone en wonderbaarlijke bekoring in het aanzien van de Man, die het volk zocht te doden. En aanstonds gaf zijn levendige nieuwsgierigheid hem de moed, één van de soldaten, dichtbij hem aan te spreken. Dat ik u vragen mag, zei hij, wie is die geboeide Koning, die daar staat?

De soldaat antwoordde met een korte verachtelijke lach.
,Koning! Ja, ja! Hij noemt zich zelf Koning der Joden, een treurige grap, waarvoor hij met zijn leven zal moeten boeten. Hij is slechts een timmermanszoon, bekend als Jezus van Nazareth. Hij heeft oproer gestookt en het volk overgehaald, de wet te overtreden. Bovendien verkeert hij met de laagste schurken, dieven, tollenaars en zondaars. Hij heeft een zekere bedrevenheid om te bezweren; het volk zegt dat hij opeens kan verdwijnen, juist wanneer men hem 't meest zoekt. Maar hij beproefde gisteravond niet te ontsnappen; want wij vingen hem gemakkelijk bij Gethsemané. Eén zijner volgelingen verraadde hem. Sommigen denken, dat hij gek is, anderen zeggen, dat hij behekst is.
Duivel of niet, hij is ten laatste gevangen en zal zeker sterven. Barabbas luisterde met ongelovige verbazing. Die koninklijke persoon, de zoon van een timmerman? Een gewoon werkman en één der verachte Nazareners? Neen, neen... .dat was niet mogelijk! Toen begon bij zich langzamerhand te herinneren hoe, voor hij Barabbas, in de gevangénis geworpen werd voor roof en diefstal, er vreemde geruchten in het land van Judéa rondgingen, betreffende een zekere Jezus, een wonderdoener, die rondging om de zieken en zwakken te genezen, de blinden ziende te maken en de armen een nieuwe godsdienst. te verkondigen. Men had zelfs beweerd, dat hij eens een zekere Lazarus van de dood had opgewekt, nadat deze drie dagen in het graf had gelegen; maar dit wonderlijk bericht was spoedig onderdrukt en tegengesproken door enige schriftgeleerden in Jeruzalem, die zich gewoonlijk verantwoordelijk stelden voor de lopende berichten.

Het landvolk stond bekend als onwetend en bijgelovig en zo iemand de zogenaamde gaven van genezen bezat in streken, waar men een aantal van walgelijke, lichamelijke kwalen had, dan kon hij een grote, ja bovenmenselijke invloed verkrijgen over de ellendige en verachte bewoners. En zeker, zo die Man, die hier stond, degene was, van wie het gerucht gesproken had, dan bestond er geen reden om te twijfelen aan de wonderwerkende macht, die Hem toegeschreven werd. Hij zelf was een belichaamd Wonder. En wat was nu Zijn macht? Veel was er verteld betreffende deze Jezus van Nazareth, wat Barabbas zich niet duidelijk meer kon herinneren. De achttien maanden zijner gevangenschap hadden vele zaken uit zijn herinnering weggewist en wat hij hoofdzakelijk in zijn akelige kerker had overpeinsd, was zijn eigen vreselijke ellende en de kwellende herinnering aan het gelaat ener schone vrouw. Nu kon hij, vreemd genoeg aan niets denken, dan aan het lot, dat Hem boven het hoofd hing, op wie zijn ogen gevestigd waren. En toen hij zo keek, scheen het hem toe, dat plotseling de rechtszaal zich uitzette en in een cirkel van schitterend licht rond dreef, waarin hij die edele witte Gedaante zag schijnen, als met duizenden glorierijke stralen. Een zwakke angstkreet kwam over zijn lippen. Neen, neen! stamelde hij. Neen, zeg ik U. Gij kunt, gij durft Hem niet kruisigen! Dit is een Geest! Geen mens zag er ooit zo uit. Hij is een God!

Toen hij dat woord uitte, keerde zich één der Romeinse soldaten, die het gehoord had om en sloeg hem verwoed met zijn stalen pantserhandschoen op de mond. 
Wees stil, gek! Wilt gij ook één zijner discipelen wórden? Krimpende van pijn, beproefde Barabbas het bloed, dat van zijn lippen vloeide, met zijn geboeide handen af te vegen en terwijl hij dit deed, ving hij een strakke, sprekenden blik op van de zogenaamde Jezus van Nazareth. Het medelijden en de tederheid van die blik gingen hem tot in de ziel; geen  levend wezen had ooit zulk een veelbetekende en gevoelvolle blik op hem gericht. Met een snelle, driftige beweging drong hij nog meer naar de voorste rij der schare, om Eén, die hem zo teder kon aanzien, meer van nabij te beschouwen. Een hartstochtelijke aandrang van dankbaarheid dwong hem dwars door de zaal te dringen, om zich zelf met al zijn woeste, ruwe kracht voor deze nieuw gevonden Vriend te werpen en hem indien het nodig was, tot schild te dienen. Maar een zee van wapenen bewaakte hem en hij werd te goed daardoor omringd, om te kunnen ontsnappen. Juist op dat ogenblik verhief zich één der schriftgeleerden, een lang mager en sober gekleed man van zijn plaats in de halve cirkel der priesters en ouderlingen, die om de verhevenhéid, waarop de rechters zaten, gegroepeerd waren; deze man nu, ontvouwde een perkamenten rol en begon met een eentonige stem de verschillende punten van de akte van aanklacht tegen de Beschuldigde voor te lezen. Ze waren in de haast door het Sanhedrin opgesteld, gedurende de korte ondervraging, die de vorige avond had plaats gehad in het huis van Kajafas, de hogepriester. Een grote stilte heerste nu in de plaats van het vroegere lawaai; een ogenblik van onzekerheid en aandacht, waarin de verzamelde menigte met spanning scheen te hunkeren en te verlangen, evenals een kruipend dier naar de prooi, die hij verwacht.

Pilatus luisterde fronsend, terwijl hij met de hand zijn ogen bedekte. Gedurende de enkele ogenblikken, dat de schriftgeleerde even ophield met lezen, was het geraas van de kooplieden buiten in de straten duidelijk hoorbaar en eens vernam men een zingende kinderstem, die klonk als de echo van een vreugdeklok. De kleuren des hemels gingen van parelgrijs over in rose en geel; de zon stond hoog boven de horizon; maar haar licht had nog niet zijn weg gevonden door de hoge ramen der rechtszaal. Het scheen op de schare buiten de balie met scherpe kleuren, nu eens op een rode doek, die om het hoofd ener vrouw gebonden was, dan weer op het schitterende stalen borstharnas van een Romeinse soldaat, terwijl de rechtbank zelf er koud en somber uitzag, waarbij alle fluwelen draperieën, die met hun sombere, purperen tint  de vallende plooien van een doodskleed leken, daar enigszins bij afstaken. Toen de akte van beschuldiging afgelezen was, bleef Pilatus nog een ogenblik stilzwijgend. Daarop nam hij de hand van zijn ogen en staarde zijn medegezagvoerders enigszins satiriek aan:

Gij hebt die man voor mij gebracht, als één die het volk verleidt, zei hij langzaam, welke beschuldiging brengt gij tegen hem in?
Kajafas en Annas, die toen ondervoorzitter van het Sanhedrin was, wisselden verwonderde en half verontwaardigde blikken. Eindelijk keek Kajafas met een uitdrukking van beledigde waardigheid zijn metgezellen vragend aan.

Gij hebt zeker allen de akte van beschuldiging gehoord, zei hij en de vraag van onze geachte landvoogd schijnt mij ijdel toe in deze zaak. Welke getuigen hebben wij nog meer nodig? Zo gindse man geen boosdoener ware, zouden wij hem dan hier gebracht hebben? Hij heeft God gelasterd; want gisteravond hebben wij hem plechtig bezworen, in de naam van de levende God, om te zeggen, of hij de Christus, de Zoon van de Gezegende was, en hij heeft stoutweg geantwoord: Ik ben! En van nu aan zult gij zien de Zoon des mensen, zittende ter rechterhand Góds en komende op de wolken des hemels! Wat meent gij, is hij niet de dood schuldig?
Een toestemmend gemompel ging de halve cirkel der hogepriesters en ouderlingen rond. Maar Pilatus maakte een minachtende beweging en viel weer rusteloos in zijn rechterstoel terug. Gij spreekt in gelijkenissen en bemoeilijkt het bevorderen der Gerechtigheid. Zo hij zelf zegt, de Zoon des mensen te zijn, waarom noemt gij  hem dan de Zoon van God? Kajafas werd rood van ergernis en stond op het punt van een tegenbeschuldiging te geven; maar na enig nadenken onderdrukte hij zijn gevoelens en vervolgde cynisch glimlachende: 
In waarheid, Pilatus, gij zijt zeer barmhartig gestemd en Uw Keizer zal u niet voor een te grote gestrengheid straffen! Volgens onze wet zal de zondaar, die een godslasteraar is, zeker sterven. Doch zo godslastering volgens Uw oordeel geen misdaad is, wat is dan verraad? Er zijn getuigen, die bezweren, dat deze man gezegd heeft, dat het niet wettig is, de Keizer schatting te betalen, bovendien is hij een boze grootspreker; want hij heeft op aanmatigenden toon verklaard, dat hij de Heilige Tempel zal verwoesten. Ja waarachtig, zelfs van het Heilige der Heiligen heeft hij getuigd, dat niet één steen op de andere zal blijven en dat hij in drie dagen, zonder de hulp van anderen, een nieuwer en groter tabernakel zou opbouwen! Zulke dolle grootspraak prikkelt de geest van het volk tot oproer, bovendien bedriegt hij de lagere en onontwikkelde standen door voor te geven, grote wonderen te kunnen doen, waar alles slechts bedrog en veinzerij is.

Eindelijk is hij Jeruzalem binnengekomen als een Koning; hier keerde hij zich tot zijn ambtgenoot. Gij, Annas, kunt hiervan getuigen; want gij waart tegenwoordig, toen het volk voorbij trok.
Annas, die alzo aangesproken werd, bewoog zich een weinig naar voren, terwijl hij zijn handen tezamen klemde en zijn glazige en verraderlijke ogen met een schijn van eerbiedwaardige rechtschapenheid neersloeg.
Waarlijk, het is alsof een pest in de gedaante van deze man rondgaat, om het land te ontvolken en van ons afkerig te maken, zei hij, want ik zelf aanschouwde het volk, toen deze verrader de stad binnen kwam van de kant van Bèth-fagé en Bethanië  en zag hoe het juichend, onder het strooien van palm en olijftakken en zelfs van hun klederen, hem tegemoet ging, alsof hij een wereldveroveraar ware. En zegekreten vervulden de  lucht, want de menigte ontving hem als profeet en als koning, en riep uit? Hosanna! Gezegend is Hij, die komt in de naam des Heren. Hosanna in de hoogste hemelen! Daarover grotelijks verwonderd en gegriefd, ging ik naar Kajafas terug, om hem terstond de zaken mee te delen, die ik gezien en gehoord had betreffende de waanzin van het volk, die in waarheid gevaarlijk is voor de handhaving der wet en de orde. Het is een onbetamelijke hartstocht van het volk, met zoveel eerbewijzen één der vervloekte Nazareners te begroeten.
Is hij werkelijk een Nazarener?

Vroeg plotseling één der schriftgeleerden, met een twijfelachtige blik. Ik heb horen zeggen, dat hij in Bethlehem in Judéa geboren was en dat men Herodus, de overleden koning, verteld had van zekere wonderen bij zijn geboorte.

Een vals bericht, viel Annas haastig in de rede; wij brachten hem gisteravond voor de viervorst; indien hij was uitverkoren, had hij zich zelf kunnen verdedigen. Want Herodus deed hem vele vragen, die hij niet kon of wilde beantwoorden, totdat het geduld van de edelen viervorst uitgeput was en hij hem naar Pilatus zond om daar gevonnist te worden. Het is bekend, dat hij uit Nazareth afkomstig is, want zijn ouders wonen en oefenen hun beroep uit in genoemd dorp.
Pilatus luisterde, maar zei niets. Hij was niet op zijn gemak. De mededelingen van Kajafas en Annas schenen hem niets dan beuzeltaal toe. Hij was het geheel niet eens met de leden van het Sanhedrin; hij wist, dat het mannen waren, die voornamelijk hun eigenbelang en vooruitgang zochten en hij wist ook, dat de ware reden van hun verwerping van de zogenaamde  Nazarenerprofeet vrees was, vrees, dat hun stelsels geschokt, hun wetten betwijfeld en hun meerderheid over het volk ontkend zouden worden. Hij zag in de eerbiedwaardige Gevangene voor hem, één die wie Hij ook was, of van waar Hij ook kwam, iemand was, die bij zich zelf nadacht. Niets jaagt een priesterlijke hiërarchie meer schrik aan, dan vrijheid van gedachte! Niets lijkt hun gevaarlijker, dan vrijheid van geweten en onpartijdigheid tegenover de publieke mening! Pilatus zelf was door vrees bevangen maar niet door dezelfde vrees als de Joodse priesters, zijn twijfel was vaag en onbepaald en des te moeilijker te overkomen. Hij had een vreemde weerzin, om zelfs maar naar de Nazarener te kijken, wiens slanke en stralende gedaante met een innerlijk en bovennatuurlijk licht scheen te schijnen, temidden van de koude gestrengheid der rechterlijke omgeving en hij hield zijn ogen terneergeslagen en op de grond gevestigd, terwijl hij aarzelend overwoog, wat hem te doen stond.

Maar de tijd drong, het Sanhedrin begon ongeduldig te worden, hij werd ten laatste gedwongen om te handelen en te spreken en zich langzaam in zijn stoel omdraaiende zag hij de Beschuldigde vlak in het aangezicht, die tegelijkertijd Zijn edel hoofd ophief en de angstige, onderzoekende blik van Zijn rechter beantwoordde met een openhartige blik zonder vrees en ongeduld, maar vol van een onuitsprekelijke tederheid. Die blik deed Pilatus sidderen maar aanstonds een kalme, bedaarde houding aannemende, sprak hij op luidde toon van gezag:
Antwoordt gij niets? Hoort gij niet, hoeveel zaken tegen U getuigen? Toen en toen alleen bewoog zich de tot hier toe onbeweeglijke, witte Gestalte; langzaam en met koninklijke gratie naderde hij Pilatus, terwijl hij hem voortdurend aanzag. Een schitterende straal der rijzende zon viel schuins door een zijvenster en glinsterde als een ster op het goudkleurige haar, dat in zware lokken om Zijn voorhoofd viel en toen Hij zo zijn heldere ogen op Zijn rechter gevestigd hield, speelde er een reine glimlach om zijn lippen als van iemand, die een zonde vergeeft, nog voor hij daarvan de bekentenis heeft gehoord. Maar geen woord kwam over zijn lippen. Pilatus huiverde, een ijzige koude deed het bloed in zijn aderen stollen, onwillekeurig verhief hij zich en deinsde stap voor stap terug, terwijl hij naar de gesneden gouden versierselen van zijn rechterlijke troon greep, om zijn bevende ledematen te steunen; want er was iets in die rustige voorwaartse beweging dezer in het wit geklede Gedaante, dat zijn ziel met vrees vervulde en in zijn geest herinneringen opwekte aan oude mythen en legenden uit het verleden, waarin de Godheid plotseling onder de mensen verscheen en hen in één adem met het licht van haar grote glans verteerde. En dat ontzettende ogenblik, waarin hij van aangezicht tot aangezicht met de Goddelijke Beschuldigde stond, scheen hem een eeuwigheid toe.

Het was een nooit te vergeten ogenblik, waarin geheel zijn leven, verleden en tegenwoordige zich scheen te weerspiegelen, als een landschap in een dauwdrop, bovendien hing de verfafschaduwing van een donkere en verlaten toekomst hem boven het hoofd, gelijk een schaduw op de toekomst. Zonder dat hij het zelf wist, werd zijn gelaat asgrauw en schuw en nauwelijks wetende wat hij deed, hief hij zijn handen smekend op, als om een hevige, verpletterenden slag af te wenden. De geleerde Joden, die rondom hem gezeten waren, keken met verwondering naar zijn verslagen houding en wisselden blikken van schrik en ergernis, terwijl één der ouderlingen, een man met donkere ogen, zich haastig naar voren boog, hem op de schouder tikte en op onderdrukte toon zei.

Wat deert u, Pilatus? Zeker heeft u een verlamming getroffen,  of één of ander zinsbedrog benevelt uw verstand! Wij smeken u, haast u het vonnis uit te spreken, want de tijd gaat voort en bij gelegenheid van het Paasfeest ware het goed en behoorlijk, dat gij aan de wens van het volk voldoet. Wat gaat u deze boosdoener aan? Laat hem gekruisigd worden, want hij is aan verraad schuldig, daar hij zich zelf Koning noemt. Zo goed als wij, weet gij, dat wij geen Koning naast de Keizer erkennen; toch beweert deze man stoutweg, dat hij Koning der Joden is. Ondervraag hem, of hij al of niet, ten onrechte op macht aanspraak gemaakt heeft. Pilatus staarde zijn raadsman verbijsterd aan;  het was hem, als ware hij onder de macht van een boze droom, waarin demonen onheilspellende aanwijzingen fluisterden van onuitgesproken misdaden.

Ziek en inwendig koud zag hij in hoe noodzakelijk het was, dat hij een poging aanwendde, om de Gevangene te ondervragen, gelijk hem verzocht was en na zijn droge lippen bevochtigd te hebben, slaagde hij er ten laatste in, de vereiste vraag uit te spreken, hoewel zijn woorden zo zwak en schor waren, dat zij nauwelijks verstaan konden worden.

Zijt gij de Koning der Joden?
Een diepe stilte volgde. Toen deed een volle, doordringende stem, die liefelijker klonk dan de schoonste muziek, de lucht trillen.
Zegt gij dit van u zelf, of hebben het u anderen van mij gezegd? Pilatus bloosde, zijn hand klemde zich krampachtig aan de leuning van zijn zetel vast. Hij gaf een teken van ongeduld en antwoordde kortaf, maar sidderend:
Ben ik een Jood? Uw volk en de overpriesters hebben u aan mij overgeleverd; wat hebt gij gedaan?
Een licht, als van een inwendig vuur verlichtte de diepe, schitterende ogen van de "Nazarener"; een dromerige, peinzende glimlach kwam om zijn lippen. Zo ziende en glimlachend maakte zijn edel uitzien de stilte welsprekend. En Pilatus vraag van gezag: wat hebt Gij gedaan? scheen zwijgend beantwoord en dit verzwegen antwoord had in deze woorden vertolkt kunnen worden: 

Wat ik gedaan heb? Ik heb het Leven liefelijk gemaakt en de Dood zijn bitterheid ontnomen; er is eer voor de mannen en tederheid voor de vrouwen weggelegd; er is hoop voor allen, de Hemel voor allen, God voor allen! En de les der Liefde, de Goddelijke en menselijke liefde, in mij verpersoonlijkt, heiligt de Aarde voor eeuwig door Mijn Naam!
Deze grote feiten bleven echter onbeantwoord, vooralsnog gingen zij het bekrompen, menselijk begrip te boven en met de zwakke, dromerige glimlach, die een dichterlijke loomheid, diepe gedachte uitdrukkende, aan iedere trek van Zijn Gelaat gaf, antwoordde de Beschuldigde langzaam, terwijl ieder woord, dat Hij sprak, melodieus de stilte doortrilde.
Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld; indien mijn Koninkrijk van deze wereld ware, zo zouden mijne dienaars gestreden hebben, opdat ik de Joden niet ware overgeleverd  maar nu is mijn Koninkrijk niet van hier!
En Zijn majestueuze Gestalte in de volle lengte oplichtend, verhief hij Zijn hoofd en zag op naar het hoogste venster der zaal, dat nu gelijk een diamant in de saffraankleurige stralen van de opgaande zon schitterde. Zijn houding was zo onuitsprekelijk groots en indrukwekkend, dat Pilatus wederom terugdeinsde, met dat ziekelijke gevoel van hulpeloze angst, dat opnieuw zijn hart bijna deed breken. Hij wierp een vluchtige, vreesachtige blik naar de overpriesters en ouderlingen, die op hunne zetels naar voren leunden en aandachtig luisterden, zij schenen allen onbewogen, koud en onverschillig te zijn. Kajafas glimlachte spotachtig en fluisterde van terzijde Annas iets toe, maar overigens durfde niemand te spreken. Zeer tegen zijn wil zette Pilatus zijn onderzoek voort. Een onverschilligheid veinzende, die hij volstrekt niet voelde, deed hij zijn eerste vraag, half onverschillig half vriendelijk. '

Zijt gij dan een Koning?
Met een verheven gebaar, wierp de Beschuldigde een enkele vurige blik op allen, die daar ademloos Zijn antwoord afwachten, daarop zag Hij Pilatus, strak en standvastig, in de ogen:
Gij zegt, dat ik een Koning ben!
En, toen hij die woorden uitsprak, scheen de zon, die nu de bovenste boog bereikt had van het venster, dat zich tegenover hem bevond, vol glorie naar binnen en vervulde de Gerechtzaal met goud en karmozijnkleurige tinten, die het Goddelijk voorhoofd met een glans als die van een regenboog omringden, alsof de hemelen zelf de kroon en het zegel drukten op de heerlijkheid van een geopenbaarde Waarheid!

                                                         
HOOFSTUK 5.
Er was een ogenblik stilte.
Pilatus stond sprakeloos én besluiteloos, maar onder de verzamelde leden van het Sanhedrin ging een afgebroken gemompel van verontwaardiging en ongeduld op. Wat hebben wij nog getuigen nodig? Hij is uit zijn eigen mond geoordeeld! Hij heeft verraad uitgesproken!  Hij is des doods schuldig!  Het zonlicht, dat zijn overvloedig goud over de witte klederen van de Gevangene verspreidde, flikkerde nu en dan in prismavormige glinsteringen, alsof het een ander licht had ontmóet, waarmee het harmonieerde en vrolijk speelde. En het gelaat van Pilatus werd somber strak, zijn slapen deden hem pijn. Hij was vermoeid, verward, verslagen en pijnlijk aangedaan; de buitengewone schoonheid van het Wezen, dat voor hem stond, was te enig om niet overweldigend en indrukwekkend te zijn en hij wist zekerder dan ooit een sterfelijk rechter geweten had, dat deze Man te veroordelen tot zulk een afschuwelijke en onverdiende dood, het begaan van een misdaad zou zijn, waarvan hij de gevolgen niet kon overzien, maar die hij instinctmatig vreesde. Hij was zich volkomen bewust van het deel dat de hogepriesters Kajafas en Annas genomen hadden in het sluwe plan, om de Nazarener te verslaan en hem voor de Rechtbank te brengen en hij zag ook zeer goed, welke plannen zij beraamd hadden. Een zeker woest en bandeloos jonkman, Iskáriot genaamd, zijns vaders enige zoon, had zich met de discipelen van deze Jezus van Nazareth verbonden en de oude Iskáriot, een rijk woekeraar was een groot vriend en vertrouweling van Kajafas.

Het was daarom niet moeilijk te begrijpen hoe de vader aangezet door de hogepriester  en zelf zeer mishaagd over het dwepen, dat zijn zoon met een vreemdeling deed, al het gewicht van ouderlijk en godsdienstig gezag had aangewend, om deze jongen man te bewegen zijn zogenaamde Meester aan het Gerecht over te leveren. Er waren ander, nog veel dieper verborgen beweegredenen, waarvan Pilatus niets afwist; maar het weinige dat hij wist of meende te weten, was genoeg om hem de eenstemmige getuigenis der priesters en ouderling  te doen wantrouwen. Na een ogenblik de zaak bij zich zelf overwogen te hebben, wendde hij zich tot de raad en vroeg:
Waar is Iskáriot?
Er werden ernstige blikken gewisseld, doch er volgde geen antwoord.
Gij zegt mij dat hij  het was, die de wacht naar de plaats bracht, waar deze Nazarener verborgen lag, ging Pilatus langzaam voort. En daar hij zulk een groot aandeel in de gevangenneming gehad heeft, moest hij hier tegenwoordig zijn. Ik zou wel wensen te vernemen, wat hij heeft in te brengen tegen de handelingen van deze Man, die hij eerst wenste te volgen, om hem daarna te verloochenen; laat hem voor mij brengen.
Annas boog zich met terughoudende onderworpenheid naar voren.
Die jonge man is, door angst gedreven, uit de stad gevlucht, zei hij; hij is bevangen door de vrees van een waanzinnige, want zie, hij kwám te middernacht tot ons, dwaselijk zijn zonden bewenend en hij bracht de zilverlingen, die wij hem gegeven hadden, als beloning voor zijn diensten en zijn gehoorzaamheid aan de wet, terug. Een kwade koorts heeft zeker in zijn bloed gewerkt, want terwijl wij  nog op zachte wijze met hem redeneerden in de hoop van hem kalmer te kunnen stemmen, smeet hij opeens de zilverlingen voor ons in de Tempel neer en vertrok in haast, waarheen weten wij niet.

Vreemd! mompelde Pilatus afgetrokken, Iskáriot's afwezigheid  van dit rechterlijk onderzoek ergerde hem vreselijk. Hij had een sterke begeerte de man, die zijn Meester verraden had, naar de reden te vragen, waarom hij zo opeens hem niet meer genegen was, en nu dat onmogelijk was, gevoelde hij zich nog moedelozer en afgetobder dan te voren. Zijn hoofd liep om en in die verwarde toestand van zijn geest scheen hem een dikke duisternis te omringen, die hem snel en onweerstaanbaar omhulde. En hij verbeeldde zich, dat hij in die duisternis een ring van vuur zag, die in het rond draaide, als een wentelend wiel, dat met iedere draaiing nauwer werd en hem vast insloot, als met een brandende gordel. Dit vreselijk gevoel beklemde zijn adem en verblindde zijn ogen, totdat  het hem zo beheerste, dat hij bijna van zijn stoel moest springen en hard moest roepen, om te voorkomen dat hij zou stikken, toen opeens zijn naamloos innerlijk lijden ophield  en een koele adem langs zijn voorhoofd scheen te komen, en opziende, zag hij, dat een diepe en liefhebbende blik van den Beschuldigde op hem gevestigd was, met onuitsprekelijke tederheid en medelijden, die als het ware, een nieuw voortreffelijk en wonderbaar bewustzijn van leven en onbeperkte begeerte voor hem opende. Al zijn gedruktheid was voor dat ogenblik weggevaagd en het was hem duidelijk wat hem te doen stond. Hij wendde zich naar de overpriesters en ouderlingen en zei op vaste uitdrukkelijke toon:
Ik vind geen schuld in hem!

Deze woorden werden met een algemene verontwaardiging ontvangen en Kajafas, al zijn aangenomen  waardigheid vergetende, stond in woede ontstoken op, terwijl hij luid uitriep:
Geen schuld! Geen schuld ! Zijt gij gek Pilatus? Hij beroert het volk, lerende door geheel Judéa, begonnen hebbende van Galilea tot hiertoe.
En ziet gij, viel Annas hier in de rede, terwijl hij zijn dunne hals en zijn ongunstig gezicht naar voren stak. Hij houdt zich met niemand op, dan met verworpenen tollenaars en zondaars en tegen de deugdzamen sprak hij openlijk hel en verdoemenis uit. Hier zit Rabbi Micha, die hem op de openbare straat heeft gehoord en aantekening van enige gezegden gehouden heeft, waarmee hij het volk zocht te misleiden. Want hij is iemand, die de waarheid verdraait, terwijl hij veinst die te verkondigen.  Spreek, Micha, want het schijnt, dat de waardige landvoogd meer getuigenis van node heeft tegen die schurk en godslasteraar.
Micha, een bejaard Jood, met een scherp, donker, verschrompeld gezicht en strenge, koude ogen, stond dadelijk op en trok een reeks van schrijftafeltjes uit zijn borstzak.
Deze woorden, zei hij op droge toon, zijn in waarheid hier neergeschreven, zoals ik die met mijne eigene oren in de Tempel gehoord heb. Want deze misleide en dweepzieke jonge man aarzelde niet, zijn gewetenloze stelsels in de aan gewezen plaats voor heilige leerstellingen te prediken. Oordeelt gij voor u zelve, of zulk een taal niet heftig is en zijn memorandum dicht bij de ogen brengende, las hij langzaam: 

Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeeën! Gij geveinsden: Want gij sluit het Koninkrijk der hemelen voor de mensen, overmits gij (daar) niet ingaat, noch degene, die ingaan zouden, laat ingaan.
Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeeën! Gij geveinsden: Want gij eet de huizen der weduwen op en dat onder de schijn van lang te bidden: Daarom zult gij te zwaarder oordeel ontvangen.
Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeeën! Gij geveinsden: Want gij omreist zee en land, om een Jodengenoot te maken; En als hij het geworden is, zo maakt gij hem een kind der hel tweemaal meer dan gij zijt.
Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeeën Gij geveinsden: Want gij zijt de wit gepleisterde graven gelijk, die van buiten wel schoon schijnen, maar van binnen zijn ze vol doodsbeenderen en alle onreinheid.
Gij slangen, gij adderen gebroedsels! hoe zoudt gij de helse verdoemenis ontvlieden!
Hier stil houdende, zag Micha op.
Voorwaar, merkte hij op dezelfde eentonige wijze op, voor één die het landsvolk tracht te verdedigen door het verspreiden van valse berichten, betreffende zijn beminnelijk en onschuldig karakter, zijn woorden als deze des te duivelser en bitterder; spijt en kwaadaardigheid, met voorbedachtheid spruiten er uit voort als moedwillige aanslagen op hen, die deugd, wet en orde handhaven. Weinig tederheid zult gij er in vinden, doch veel misleide ijdelheid en wrok.

Een zwakke glimlach opende de vastgesloten hoeken van Pilatus gesloten mond. Hij bewonderde in zijn hart de onovertrefbare, lichamelijke moed van een man, die stoutmoedig de Tempel durfde binnengaan en zo onbewimpeld en in het openbaar de huichelarij bestreed op de plaats, waar zij het meest werd uitgeoefend. 
Ik betuig U, waarde Micha en U, Kajafas en ook Annas, zei hij beslist, dat ik in 't geheel geen schuld in hem vind betreffende de feiten, waarvan gij hem beschuldigt. Neen en  Herodus evenmin, want gij ging gisteravond naar hem toe en zie niets werd in hem gevonden, waarvoor hij de dood schuldig is. 
Wacht, edele Pilatus! Luister naar mij! Riep daarop een twistzieke schorre stem en de kleine, aapachtige persoon van de oude woekeraar, waarvan Barabbas tot zijn verwondering zag, dat hij een eerste plaats in de rechterlijke bank innam, verhief zich in hevige opgewondenheid. Luister, dat ik u bidden mag! Want zijt gij niet hier geplaatst, om recht aan de verongelijkten en verdrukten in Judéa te verlenen? Zie, allervoortreffelijkste heer! Deze boosdoener, deze vervloekte duivel, deze lage verrader en bedrieger, hier hijgde en snakte de rimpelige oude ellendeling naar adem, in zijn plotselinge grote woede, deze voorgewende profeet kwam onbeschaamd  in de Tempel, twee dagen geleden en zag mij daar op mijn  gewone plaats, gij weet, edele Pilatus, dat ik een eerlijk arm man ben! En zie gelijk een woeste waanzinnige greep hij mij aan, ja en hij heeft een ijzeren klauw! 
 En  met een gesel van geknoopt touw dreef hij mij, grote Pilatus!

Dreef hij mij, mij - en zijne stem verhief zich tot een schelle kreet van woede - uit de heilige plaats! En zijn mond was vol godslasteringen en vloeken, want hij zei: Mijn huis zal een huis des gebeds genoemd worden; maar gij hebt dat tot een moordenaarskuil gemaakt! Bedenk wel, waarde Pilatus! Hij maakte aanspraak op de Tempel, evenals hij beweerde Koning der Joden te zijn en beproefd heeft, over geheel Judéa te regeren. Kruis hem waarde landvoogd! Kruis hem in de naam van God! En gesel hem! Gesel hem,  totdat het trotse en zondige bloed in stromen uit zijn aderen vloeit!  Gesel hem, want hij heeft één der kinderen van Levi gegeseld, ja, hij heeft mij, zelfs mij gegeseld! Hier hield hij op, half gestikt door boosaardigheid en woede, terwijl Pilatus hem met een onverschillige glimlach aanzag.
In waarheid, Zacharias, gij vertelt mij van een goede dienst, die deze man de staat bewezen heeft, zei hij vastberaden. Gij hebt reeds lang verdiend met de zweep te krijgen en dat  u dit ten laatste overkomen is, zal enige van uwe geldklanten in Jeruzalem voldoening geven! Onwillekeurig braken enige leden van de raad in een goedkeurend lachen uit; maar dit werd spoedig onderdrukt, toen de hogepriester donker tegen de beledigers fronste. Zacharias deinsde brommend en mopperend terug, terwijl Pilatus kalm vervolgde: Meer dan ooit ben ik overtuigd, dat er geen kwaad steekt in deze jeugdige prediker der armen en allerminst geen kwaad, waarvoor hij de dood schuldig is en  daar gij gewoon zijt, op dit Feest de loslating van een gevangene te eisen, zo zal ik hem u weergeven en hem laten gaan.

Het volk zal u verscheuren Pilatus, voor een zo onvoorzichtige handelwijze, riep Kajafas verhit uit. Wat! Zou een onschuldige man als deze oude Zacharias, die geen andere fout heeft dan die, welke eigen is aan zijn beroep, in het openbaar gegeseld worden en gij, die landvoogd van Judéa zijt, daarvoor geen straf kunnen vinden? Gij zijt geen Vriend des Keizers, indien gij deze man laat gaan. Bovendien vragen zij  de bevrijding van Barabbas, die meer dan een jaarlang gevangen heeft gezeten en wiens overtreding een gevolg van zijne drift was en niet van een boosaardig voornemen. Hij is op mijn bevel hierheen gebracht en wacht beneden aan de balie, bewaakt, maar voorbereid op de vrijheid.
Dan is hij slecht voorbereid! zei Pilatus scherp; want bij al de goden van Rome, hij zal gekruisigd worden! Vrijheid voor Barabbas? Hebt gij geen geheugen? Heeft hij niet een oproer tegen de Romeinse wet doen uitbreken, het volk op de openbare straat heel wat woester en aanmatigender toegesproken dan deze onschuldige Nazarener gedaan heeft? En versloeg hij niet zonder enige aanleiding één uwer eigen stamgenoten, Gabrias, de Farizeeër, een geacht en bijzonder geleerd man? Houd op! Nijd prikkelt u, om het edele leven te vragen en vrijheid voor het gemene te eisen en het is zeker, dat gij het volk in deze zaak hebt misleid. Maar nu zal ik hun zelf toespreken en hun de man uitleveren, die zij Koning der Joden noemen.

En van zijn  zetel opstaande maakte hij zich gereed om van het rechtsgestoelte af te dalen. Kajafas deed enige haastige stappen naar voren om hem tegen te houden, maar Pilatus wees hem met minachting van zich af en hij stond als aan de grond genageld, het toonbeeld van overblufte woede en spijt, terwijl zijn dunne witte handen zenuwachtig ineengeslagen waren en het grote juweel op zijn borst zich op en neer bewoog door zijn hartstochtelijke en snelle ademhaling. Annas zat stil op zijn plaats, geheel onder de indruk van het besluit van de landvoogd en staarde strak voor zich, alsof hij zijne ogen niet geloven kon. Zacharias, de geldschieter, alleen gaf hevig uiting aan zijn gevoelens, door zijn handen wild omhoog te werpen en zich dan weer op de borst te slaan, terwijl hij luid jammerde.
Ai! ai! Er is geen gerechtigheid meer in Jeruzalem! Wee, wee over de kinderen van Abraham, die vertrapt worden onder de ijzeren hiel van Rome! Wee over ons, die de buit geworden zijn van de heidense tiran en verdrukker!
En toen hij zo raasde en zijn mager lichaam heen en weer schommelde, keerde de Goddelijke Gevangene zich eensklaps om en zag hem strak aan. Een snelle verandering kwam over zijn gemene gelaatstrekken, hij hield met gillen op en bleef in elkaar gedoken zitten, als een verdrongen duivel.  Hij begon akelig fluisterend te vloeken, wat vreselijker klonk, dan enige hoorbare toespraak.

De Nazarener beschouwde hem een ogenblik, terwijl een edele toorn de schoonheid van Zijn voorhoofd overschaduwde, maar de schaduw van rechtmatige verontwaardiging verdween spoediger, dan die gekomen was en Zijn Gelaat bleef edel, vriendelijk en geduldig als tevoren. Alleen waren de heldere, reine ogen standvastiger naar het zonlicht gekeerd, alsof zij daar steun zochten. Middelerwijl kwam een oude man met witte baard, een voornaam en zeer geacht lid van het Sanhedrin tussenbeide, hij trok de kijvende Zacharias naar zijn plaats terug met een streng  bevel om te zwijgen en ondernam nu, Pilatus toe te spreken in kalme verzoenende woorden.
Geloof mij, waarde Pilatus, in deze zaak handelt gij niet verstandig. Waarom wilt gij terwille van één man zowel de priesters als het volk beledigen? Een oproerige ruwaard en moordenaar als Barabbas blijkt te zijn, is minder gevaarlijk voor de maatschappij dan deze jeugdige verkondiger van nieuwe leerstelling, die uit grote verwaandheid, wellicht ontstaan uit het bewustzijn van een zekere meerderheid in lichamelijke kracht en uiterlijk schoon, zich zo onbeschaamd gedraagt en tracht U schrik aan te jagen en de ware gerechtigheid te ontkomen. Ja, er zijn er meer zoals hij onder de dwalende Egyptische vreemdelingen, die door hun indrukmakende persoonlijkheid en een verheven wijze van sprekén, de zwakkeren van geest trachten te winnen voor het geloof in hun bovennatuurlijke machten. Zie, zelfs Barabbas heeft diezelfde gebiedende houding aangenomen, toen hij het volk toesprak en de luie en ontevredenen tot oproer en wanorde aanzette; want hij heeft vele boeken bestudeerd en is welbespraakt.

Evenwel heeft geen der oproerlingen zoveel gewaagd als deze misleide Nazarener, die zijn ambacht verliet en het schuim van Judéa's bevolking, uitgezonderd Iskáriot, die van goede huize is en wiens dwepen met deze man zijn vader zeer bedroefd heeft, om zich verzamelde en die gezegd heeft, dat hij de hemel opende, alleen voor de armen en gezonkenen. Hij heeft verklaard, dat  het een kameel gemakkelijker valt, om door het oog van een naald te gaan, dan een rijke, om in het Koninkrijk Gods te komen. Door welke overdreven gelijkenissen hij heeft willen  bewijzen, dat de Keizerlijke Caesar de verdoemenis niet zal ontgaan. Wanneer zulke leerstellingen ingang vinden, dan is het met alle gezag in Judéa gedaan en uw Keizer zal U stellig berispen wegens uw gebrek aan tucht. Wees op uw hoede, goede Pilatus! Gij schenkt gaarne genade, maar vergeet niet aan die genade ook rechtvaardigheid te paren.
Pilatus luisterde naar deze predikatie met blijkbare tegenzin en ongeduld en zijn wenkbrauwen trokken zich vermoeid samen. Na een ogenblik van stilzwijgen zei hij op verbitterde toon:
Neemt gij hem en oordeelt hem naar uw wet!
Kajafas keerde zich verontwaardigd tot hem.
Het is ons niet geoorloofd iemand te doden, antwoordde hij uit de hoogte. Gij zijt ons hoofd en wij zijn genoodzaakt naar u te zien om rechtvaardigheid te verwachten.
Op dit ogenblik ontstond er een lichte beweging onder de  wachtende menigte achter de balie en men zag hoe enige personen plaats maakten om een nieuwaangekomene door te laten.

Deze was een tengere jongeling met donkere ogen, een slanke gestalte en een bekoorlijk uiterlijk, hij was prachtig uitgedost in een lichtblauw zijden kleed, dat opgehouden werd door een scharlaken gordel en rijk geborduurd was met goud en zilver. Hij trad haastig hoewel bedeesd nader en terwijl hij de gerechtszaal doorliep, wierp hij een angstige en vreesachtige blik op de statige Gestalte van de Nazarener. Pilatus wachtte zijn nadering met veel verbazing en ongeduld af, hij herkende de geliefkoosde kamerling zijner vrouw en was nieuwsgierig te weten, wat hem hierheen gevoerd had op zulk een ogenblik en op zulk een ongewone plaats. Bij het Rechtsgestoelte aangekomen, maakte de jongeling een kniebuiging en bood hem een gevouwen brief aan.
Haastig daarnaar grijpend, opende Pilatus die en uitte een onderdrukten kreet. Het was van zijn gemalin, één der schoonste Romeinse vrouwen en die in de stad bekend stond voor haar trots en onbevreesd karakter en haar openlijk uitgesproken minachting voor de zeden en de gewoonten der Joden. En wat zij nu had geschreven, was eenvoudig als volgt:  Heb toch niet te doen met die rechtvaardigen: Want ik heb heden veel geleden in de droom om zijnentwil. Pilatus gaf de kamerling hierop dadelijk te kennen, dat hij kon vertrekken, waarop deze langs dezelfde weg terugging, terwijl Pilatus het geschrift in zijne hand verfrommelde en in gedachte verdiept terneer zat. De zon verspreidde een zee van gouden stralen over de Rechtbank, een klok, die juist sloeg, klonk statig te midden der diepe stilte, de in het wit geklede gedaante van de Beschuldigde stond onbeweeglijk als een gebeeldhouwde god te wachten temidden der verblindende stralen van de morgenstond en in het hoofd van Pilatus herhaalden zich de waarschuwende woorden van de vrouw, die hij boven alles op Aarde liefhad, over en weer als zovele hamerslagen. 
Heb toch niet te doen met die rechtvaardigen!


                                                        HOOFDSTUK 6.
Het zou hem meer geleken hebben, zo hij zijn overleggingen zo voor altijd had kunnen voortzetten. In werkelijkheid was hij zich niet bewust van de tijd. Iets onmetelijks, onbepaalds en eeuwigs scheen hem te omringen en slechts een ellendig, hulpeloos, dom voorbeeld van vergankelijke mensheid van hem te maken, onbekwaam tot oordelen en onbekwaam tot regeren. Hij gevoelde zich, alsof hij plotseling ouder was geworden, alsof een twintigtal jaren met overweldigenden haast over zijn hoofd waren voorbijgegaan, sedert de Nazarener als een gevangene voor hem had gestaan, in afwachting van zijn vonnis. En met die geheimzinnige gewaarwording van innerlijke veroudering en onbekwaamheid, die zijn bloed deed bevriezen, had hij het knellende bewustzijn, dat alle leden van het Sanhedrin hem aanstaarden, zich verbazend over zijn besluiteloosheid en met ongeduld een uitspraak verbeidende, over wat hun een zaak van volmaakt zuiver gezond verstand en sociale rechtvaardigheid scheen, die echter voor hem reusachtige afmetingen van samengesteldheid en verwarring  had aangenomen. Tenlaatste hief hij zich met inspanning op en zijn ambtsgewaad om zich slaande, bereidde hij zich andermaal voor van het Rechtsgestoelte af te dalen.

Met een half smekende half gebiedende beweging, verzocht hij de Beschuldigde hem te volgen. Hij werd ogenblikkelijk gehoorzaamd en de Man van Nazareth volgde geduldig maar fier zijn rechter, wiens slepend gewaad diende om de grond te vegen voor Zijn voetstappen. In de achterhoede van de stoet kwamen alle priesters en ouderlingen die tezamen fluisterden en hun hoofden schudden over het onbegrijpelijke gedrag van de Landvoogd, na hen volgde de manke woekeraar Zacharias met zijn gemeen gezicht; hij leunde op een stok, waarvan de knop met goud en edelgesteente was ingezet, welk pronkstuk in zeldzaam contrást was met zijn overigens armoedige kleding. En terwijl de gehele, zo verschillend gekleurde groep zich voort bewoog, ging er een gemompel van voldoening en belangstelling onder de afwachtende menigte op; ten laatste zou dan het lang verwachte oordeel uitgesproken worden. Toen Pilatus nog slechts enkele schreden verwijderd was van de balie, die het terrein des rechters van het overige gedeelte van de zaal afscheidde, stond hij stil. Zijn stem verheffende, zodat die door de verst afstaanden gehoord kon worden, sprak hij tot het volk, tegelijkertijd wijzende naar de koninklijke Figuur, die een weinig achter hem stond.

Zie uw Koning!
Uitvallen van uitbundig gelach beantwoordden hem en deze werden door geschreeuw en fluiten afgewisseld. Kajafas glimlachte minachtend en Annas scheen te zijn aangevallen door een vlaag van stille vreugde. Pilatus blik ging met een hoge en grenzeloze toorn over hen heen, Hij verfoeide de Joodse Priesters, hun gebruiken en hun leerstelsels en maakte geen geheim van zijn afschuw. Terwijl hij een hand ophief om stilte te gebieden, beriep hij zich wederom op de opgewonden en ongeduldige menigte:
Ik heb hem in uw tegenwoordigheid ondervraagd, zei hij,  op krachtige, duidelijke toon, en ziet, er is van hem niets gedaan, dat de dood waardig is.
Hier zweeg hij en een plotselinge stilte kwam over de verbaasde en verrast toeluisterende menigte. De landvoogd vervolgde:
Doch gij hebt een gewoonte, dat ik u op het Pascha er één loslaat, wilt gij dan dat ik u de Koning der Joden loslaat? Een kreet van verwoede ontkenning viel hem in de rede en maakte zijn stem onhoorbaar.
Niet deze!
Niet deze, maar Barabbas!
Barabbas! Barabbas!

Die naam werd door het volk opgevangen en voortgedragen, alsof het een triomfkreet was en weerklonk van mond tot mond, totdat hij van zelf in de lucht wegstierf. Pilatus trad teleurgesteld en verbitterd terug, hij doorzag de stand van zaken. Het was duidelijk, dat het volk door de priesters aangezet, daar gekomen was, bereid om bij hun monsterachtig verzoek te blijven het leven van een bekend misdadiger inplaats van dat van een onschuldig man. En zij hadden een zeker recht om hun wensen op Pasen vervuld te zien. Met een korte vertoornde zucht liet Pilatus zijn onderzoekende blik over de nauw aaneengesloten rijen des volks gaan.  Waar is Barabbas? Vroeg hij ongeduldig. Breng hem herwaarts! Na enig uitstel werd Barabbas naar voren geduwd tussen twee gewapende soldaten der Romeinse wacht; hij zag er woest en ruw uit, half verhongerd en naakt, doch niet zonder een zekere uitdagende schoonheid in zijn stoute aanblik. Pilatus zag hem met grote weerzin aan. Barabbas wierp op zijn beurt toornige blikken op hem. Bewust, dat de aandacht der menigte nu op hem gevestigd was, kwam de gehele ziel van de lang gekerkerde lijdenden man in opstand tegen de Romeinse tiran, zoals Pilatus meermalen door de ontevreden Joden genoemd werd, en de oude trots en zijn oproerige en bandeloze aard begonnen opnieuw in zijn bloed  op te spelen. Wanneer niet deze wondervolle, bijna lichtgevende Persoonlijkheid, zo in zijn nabijheid zulk een houding van koninklijke waardigheid had aangenomen, gevoelde Barabbas, dat hij geneigd zou geweest zijn, zijn rechter op de mond te slaan met de boeien, die zijn vuisten gekluisterd hielden. Doch nu bleef hij onbeweeglijk, terwijl zijn ogen vuur schoten,  zijn naakte, bruine borst ging snel op en neer door zijn onregelmatige hartstochtelijke ademhaling en in die houding had hij kunnen dienen als een type van de sterke, barbaarse, onontwikkelde, ongetemde Mens.

Tegenover hem was het verheven contrast: de Godheid, het grote ideaal, het levende zinnebeeld van volmaakte en vergeestelijkte Menselijkheid, waarvan de natuur het naaste aan God verwant was en die juist wegens deze Goddelijkheid alleen waardig werd geacht voor een dood als die van een misdadiger. Een duister begrip van het ontzaglijk verschil tussen hemzelf en de Stille Beschuldigde trof Barabbas in het bijzonder, toen hij tegenover Pilatus stond met die vreemde onbeschaamdheid, die somtijds voortkomt uit het bewustzijn van schuld en de gedachte kwam in hem op, dat zo hij, in overeenstemming met de stem van het volk, werkelijk in vrijheid gesteld werd, het eerste gebruik, dat hij dan van zijn vrijheid zou maken, zou zijn om het volk te bewegen genade te verlenen aan deze koninklijke Man, wiens edele aanblik op zijn duistere en gekwelde ziel een geheimzinnig doch machtig spel uitoefende. En terwijl die gedachte zijn brein doorkruiste, zei Pilatus, terwijl hij hem strak aankeek, bars en kortaf:
Zo gij versloeg Gabrias de Farizeeër?
Barabbas glimlachte minachtend.
Ja en zo er in de stad nog zulk een groot leugenaar als hij te vinden was, zou ik ook die verslaan.

Pilatus keerde zich naar de hogepriesters en ouderlingen. Hoort gij hem? En dit is de man, die gij in vrijheid wilt stellen? Hij is onboetvaardig en koppig en heeft geen gevoel van berouw over zijn misdaad, hoe kan hij dan vergiffenis verdienen ?
Kajafas, die enigszins door deze vraag in de war gebracht was, sloeg zijne ogen even neer om ze daarna weer op te slaan, terwijl zijn lang, mager gezicht een bewonderenswaardige, geveinsde uitdrukking van ernstig medelijden en van verdraagzaamheid aannam.
Goede Pilatus, antwoordde hij op vleiend zachte toon, gij kent niet de gehele waarheid deze zaak. Barabbas is in waarheid schuldig aan menige zonde, maar ziet gij, zijn slechte hartstochten werden niet zonder een oorzaak opgewekt. Wij van de Heilige Tempel zijn bereid hem te onderwijzen, hoe zijn misdaad het best voor het aangezicht van de Allerhoogste Jehova kan uitgewist worden en zijn offer zal niet verworpen, maar aangenomen worden aan het altaar! Want de ongelukkige Gabrias, hoe geleerd en geacht ook, had een haastige en  valse tong en het wordt algemeen beweerd, dat hij op de laagste wijze een deugdzaam meisje uit deze stad, dat Barabbas lief had, heeft belasterd.
Pilatus fronste zijne wenkbrauwen gebiedend.
Dit zijn slechts lage, nietige praatjes, zei hij, waarmee gij Kajafas niets te maken moest hebben. En Gabrias was werkelijk niet de enige bezitter van een valse tong. Uw woorden gelijken het gebabbel van een vrouw van geen gewicht. Moord is moord, diefstal is diefstal, verontschuldigingen kunnen geen misdaden ongedaan maken. En deze Barabbas is tegelijkertijd een dief.

En terwijl hij de menigte weer aanzag, herhaalde hij zijn vroegere vraag in een meer beknopte vorm: Wie wilt gij, dat ik u zal loslaten, Barabbas of Jezus die genoemd wordt Christus?
In koor antwoordde het oproerige volk:
Barabbas! Barabbas!
Pilatus maakte een beweging, die wanhoop of verontwaardiging of beide kon uitgedrukt hebben; hij keerde om en wierp een vragende blik op de Nazarener die op dat ogenblik in een ernstig en rustig nadenken scheen verdiept, waarvan de inhoud hem welgevallig moet geweest zijn, want Hij glimlachte.
Wederom, richtte Pilatus zich tot het volk:
Wat wilt gij dan, dat ik met hem doen zal, wie gij een Koning der Joden noemt?
Kruis hem! Kruis hem!
Het antwoord uitte zich in woest gegil en geschreeuw en boven dit waanzinnige geraas verhief zich die zilverachtige  klankvolle vrouwenstem, die zich reeds vroeger had doen horen.
Kruis hem!

Barabbas schrikte op bij dit geluid, gelijk een renpaard opspringt, wanneer het de sporen voelt. Wild keek hij rond, met een woeste glans in zijn ogen overzag hij de schreeuwende menigte, maar hij kon niets van het aangezicht te zien krijgen, dat hij verlangde en tevens vreesde te zien. En, toegevend aan een onuitsprekelijke aantrekkingskracht, bracht hij zijn dwalende blikken terug, terug naar de plaats, waar het zonlicht zich in een schone lichtkrans scheen te verzamelen, om de persoon van Hem, die zoals Pilatus gezegd had, de Christus genaamd werd. Wat was de betekenis van die tedere liefde en dat grote medelijden, die zich plotseling op dat schone Aangezicht uitdrukte? Welk zacht onuitgesproken woord lag er op die gevoelvolle lippen, die gevormd waren als een boog en trilden van gevoel? Barabbas wist het niet, maar het scheen hem eensklaps toe, dat zijn gehele leven, met al zijne goede en kwade geheimen, openlag voor de blik dezer zachte, maar doordringende ogen, die de zijne ontmoetten met zulk een plechtige, waarschuwende en gevoelvolle uitdrukking.
Neen, neen! Riep hij luid met plotselinge onverklaarbare aandrang, zij sprak niet! Zij kan zo niet gesproken hebben! Vrouwen zijn medelijdend, zij zijn niet wreed, zij vraagt niemands kwelling! 0, volk van Jeruzalem! vervolgde hij, terwijl zijn diepe stem een welluidende klank aannam en hij zich omdraaiende de menigte aanzag. Waarom roept gij om de dood van deze Profeet? Voorwaar hij heeft niemand uwer verslagen, evenmin  heeft hij één uwer bezittingen gestolen, noch in uw woningen ingebroken. Het gerucht zegt, dat hij u genezen heeft van uw krankheden, u vertroost heeft in uw leed en vele wonderen onder u verricht heeft, zoals gij zelve getuigt, waarvoor zou hij dan sterven? Zijt gij niet rechtvaardig? Hebt gij niet de gave der rede? Zie, ik ben het, die straf verdien! Ik, die Gabrias versloeg en mij in mijn snoodheid verheug! En ziet gij, ik ben met bloed bevlekt, schuldig en onboetvaardig en verdien de doodstraf, terwijl die man onschuldig is!
Uitvallen van uitbundig gelach en gejuich en vernieuwde uitroepen van: Barabbas! Barabbas! Laat ons Barabbas vrij! was het enige gevolg dezer ruwe welsprekendheid.
Leg hem het zwijgen op! Riep Annas woedend uit. Hij moet krankzinnig zijn om zo te kunnen spreken!

Krankzinnig of niet, gij hebt hem zelf uitverkoren om losgelaten te worden, merkte Pilatus bedaard op. Misschien zult gij nu op uw besluit terugkomen, nu gij ziet, dat hij enige edelmoedigheid jegens uwer weerlozen Nazarener aan de dag legt! Terwijl hij sprak, was er een dreigende beweging van de menigte naar de balie op te merken, de rij van Romeinse soldaten bewoog zich als ware het mogelijk, die door buitengewone kracht door te slaan en tal van handen werden omhoog geworpen en wezen naar de onbeweeglijke, geduldige persoon van de Christus.
Kruis hem! Kruis hem!
Pilatus ging snel voorwaarts tot dicht bij het onstuimige volk en vroeg op strenge toon:
Zal ik uw Koning kruisigen?
Temidden van een koor van gillen en fluiten antwoordden meer dan honderden stemmen:
Wij hebben geen koning, dan de keizer!
Waarlijk Pilatus, gij zult door Uw aarzelen de gehele stad in opstand brengen, zei Kajafas verwijtend, ziet gij niet, dat het volk zijn geduld verliest?
Een lange man, wiens grijsachtig hoofd versierd was met een opzichtige scharlaken tulband, kwam hierop stoutmoedig naar voren en riep op luide, opgewonden toon.
Wij hebben een wet en naar onze wet moet hij sterven: Want hij heeft zich zelve Gods zoon gemaakt!

Toen hij die woorden uitte, trad Pilatus enige passen van de balie terug, met de vreemde, bedwelmende gewaarwording als van iemand, die een harde slag van een onzichtbare hand heeft gekregen. De Zoon van God! Zulk een bewering, indien de Beschuldigde die geuit had, was voorzeker Godslastering! Maar dit juist betwijfelde Pilatus. Toen Kajafas daarvan vroeger sprak, had hij dat bericht met verachting vernomen, omdat hij wist, dat de hogepriester niet zou opzien tegen een leugen, voor zover zijn eigen plannen daardoor bereikt zouden worden. Maar nu er iemand uit het volk met dezelfde beschuldiging aankwam, werd Pilatus gedwongen de zaak in een ander licht te beschouwen. Tenslotte was hij daar om de Joden recht te  verschaffen en in de Joodse wet werd godslastering als een misdaad beschouwd, even of nog meer strafbaar dan moord. Hij, Pilatus, een Romeins burger, beschouwde de belediging uit een ander en lichter oogpunt. Want de Romeinse goden waren zodanig verwoed en zoveel onmenselijker in hun wraaknemingen en  onwettige liefde, dat het niet altijd gemakkelijk was iets meer verhevens in het karakter van een God, dan in dat van een mens te onderscheiden.

Iedere krijgsman, die roem verworven had door woeste, dierlijke moed en grote spierkracht, mocht zich in Rome aanmelden als de zoon van een God, zonder het publiek gevoel te kwetsen en na verloop van tijd maakte veelmondige overlevering zijn leugen waar. En spraken in dat duistere land, waardoor de Nijl haar lange weg vervolgde, de reizigers niet met vrees en bewondering van de aanbidding van Osiris, de vleesgeworden god in menselijke gelijkenis? Het denkbeeld was zeer algemeen, het kwam voort uit een instinctmatige begeerte om het goddelijke in de mensheid te symboliseren en was een fabel eigen aan alle godsdiensten, om welke reden er weinig werkelijke schuld in scheen te vinden te zijn, dat deze dromerig uitziende, dichterlijke jonge filosoof van Nazareth zich met de geliefde mythen van 't volk trachtte te vereenzelvigen, zo hij inderdaad daarnaar streefde. En terwijl zijn gedachten zich nog bezighielden met de verdichte verhalen van de Egyptische goden, wenkte Pilatus de Beschuldigde hem te naderen. Aan zijn wenk werd gehoor gegeven en de Nazarener bewoog zich rustig voorwaarts tot in het bereik van de hand zijns rechters. Pilatus beschouwde hem met vernieuwde belangstelling en nieuwsgierigheid, waarop hij, op zachte, vriendelijke en ernstige toon vroeg:
Van waar zijt Gij?

Hij kreeg geen verstaanbaar antwoord, slechts een blik en in het onoverwinnelijke gezag en de grootheid van die blik waren duisterheid en licht verenigd. Er was iets van die tragische plechtigheid van de donderwolk in voordat de bliksem haar als een zwaard doorklieft, om verwoesting aan te brengen. Een angstig voorgevoel greep de ziel van Pilatus aan, met al de kracht van zijn wezen wenste hij uit te roepen, om klank te geven aan zijn verborgen leed en openlijk voor de priesters en het volk zijn afschuw en weerzin van de rechterlijke taak die hem was opgelegd, uit te drukken. Maar alle woorden schenen hem in de keel te blijven steken en een vreselijk gevoel van wanhoop en hulpeloosheid verlamde zijn wil. Spreekt gij tot mij niet? Vervolgde hij met een stem die hees en trillend klonk, door zijn overmatig gevoel. Weet gij niet, dat ik macht heb u te kruisigen en macht heb u los te laten. Nog bleven de grote, verlichte ogen hem aanzien met een uitdrukking van medelijden en na enige ogenblikken van stilzwijgen, doortrilden de klankvolle tonen der rijke, volle stem nog eens de lucht: Gij zoudt geen macht hebben tegen mij, indien het u niet van boven gegeven ware!Toen met een diepe zucht vol medelijden en vergiffenis: Daarom, die mij aan u heeft overgeleverd, heeft grotere zonde begaan.

En de doordringende blik ging van Pilatus opwaarts naar de hoge, gestrenge gestalte van Kajafas, die daarvoor terugdeinsde, alsof hij plotseling door een brandende vlam gegeseld was. Pilatus, die meer dan ooit onder de indruk was van de uitdrukking van gezag, macht en gehele onbevreesdheid in het gedrag van de Gevangene, begon opnieuw zich te vermoeien met de herinnering van de verschillende verhalen, die in Egypte verteld werden, verhalen van verdreven koningen, die uit hun rijk verbannen waren voor een verkeerde gang van zaken of voor enig zelf opgelegd, godsdienstig voornemen, en die in al de landen der wereld ronddwalen om de mystieke wijsheid uit het Oosten te verkondigen en wonderen van genezing te verrichten. Was het niet mogelijk, dat deze jonge prediker, zo ongelijk aan het Joodse ras, in de openhartigheid en waardigheid van Zijn gelaat, het heldere, maar diepe blauw Zijner ogen en de wondervolle majesteit en de verhevene houding Zijner gestalte, niettegenstaand het lopend gerucht, Zijner burgerlijke afkomst, tenslotte één deze onttroonde monarchen was?
Deze gedachte maakte zich van Pilatus verbeelding meester en onder de indruk daarvan, vroeg hij voor de tweede maal:

Zijt gij een Koning?
En door bijzondere nadruk op die vraag te leggen, trachtte hij ontdekken, of indien dat de oorspronkelijke onderscheiding van de Gevangene was er nog geen invrijheidstelling verkregen kon worden. Maar de Nazarener uitte zich slechts door een stille zucht, als om vermoeid ongeduld uit te drukken, toen Hij antwoordde:
Gij zegt, dat ik een Koning ben! Waarop hij zichtbaar bewogen door medelijden met de weifelende verslagenheid van Zijn rechter zacht vervolgde: Hiertoe ben ik geboren en hiertoe ben ik in de wereld gekomen, opdat ik de waarheid getuigenis geven zou, een iegelijk, die uit de waarheid is, hoort mijn stem.
Terwijl hij zo sprak, blikte Pilatus naar hem op, met plechtige verbazing. Dit was geen verrader of misdadiger, maar eenvoudig één van de edelste krankzinnigen der wereld! Overtuigender dan alle andere beschuldigingen, die door de priesters en het volk tegen hem ingebracht waren, was zijn eigen onbevoegde instemming met de dwaasheid. Want wie ooit zocht te getuigen voor de Waarheid in een wereld, die door leugen in stand werd gehouden, kon niet anders dan krankzinnig zijn. Was het niet altijd zo geweest? En zou het niet altijd zo zijn?

Had niet Socrates in Athene zijn dood gevonden, bijna vijfhonderd jaar geleden, door alleen de waarheid uit te spreken? Pilatus,  beter dan de meesten bekend met de Griekse en Romeinse Wijsbegeerte, wist, dat geen fout zo berispelijk in alle standen der Maatschappij was als eenvoudige, zuivere waarheid te spreken; het was bijna veiliger iemand te vermoorden dan de waarheid van hem te vertellen! Zo overleggend, gaf hij door een hopeloze beweging zijn overgave aan het lot te kennen en met een spotachtige bitterheid, waarvan hij zich nauwelijks bewust was, sprak hij de nooit te vergeten, nooit te beantwoorden woorden uit.
Wát is Waarheid!
Toen, opziend van de Beschuldigde naar de beschuldigers, van de priesters naar het volk, van het volk weer naar Barabbas, die in gemeenlijk afwachting voor hem stond, zuchtte hij ongeduldig en met de wanhopige uitdrukking van iemand, die gedwongen wordt de daad te verrichten die  zijn ziel verafschuwt, wenkte hij een beambte en gaf hem fluisterend een bevel. De man ging heen, maar kwam bijna dadelijk terug met een grote zilveren schaal helder water. Zijn rijk ambtsgewaad omslaande, terwijl het in zware plooien achter hem neerhing, kwam Pilatus, gevolgd door de beambte met de zilveren schaal, wederom naar voren, om zich vlak voor het volk te plaatsen, dat met ieder ogenblik van uitstel twistzieker en luidruchtiger werd. Terwijl het echter de nadering van de landvoogd opmerkte, staakte het zijn oproerige murmurerende en kwade twistgesprekken, om zijn gehele aandacht op hem te vestigen, temeer daar al zijn bewegingen enigszins vreemd en opvallend waren. Na zijn met goud geborduurde mouwen omgeslagen te hebben, hief hij zijn blote handen omhoog en toonde deze, met de palmen naar buiten gekeerd, aan de menigte, waarbij de grote juwelen aan zijn vingers als sterren in de morgenzon schitterden.

Hij hield ze opgeheven gedurende een ogenblik, terwijl het volk verwonderd en stilzwijgend toekeek, daarop bracht hij ze omlaag, doopte ze diep in de blinkende schaal en spoelde ze nog eens en nog eens weer in het heldere koude water dat glinsterde in de gepoetste bak gelijk een opaal, die voor het vuur gehouden wordt. En terwijl hij de heldere druppels van zich afschudde, riep hij op luide, doordringenden toon.
Ik ben onschuldig aan het bloed van deze rechtvaardige, gijlieden moogt toezien!
De menigte schreeuwde en gilde. Zij verstond en begreep de toestand. Hun Romeinse rechter wierp in het openbaar alle verantwoordelijkheid van zich af, het zij zo!  Maar zij, zij, het uitverkoren volk Gods, de kinderen van Judéa, zij aanvaardden gretig en niet voor de eerste maal in hun geschiedboeken, die rechte gelegenheid, om een onschuldige te verslaan. En met een ontzettend geschreeuw antwoordden zij, zowel mannen als vrouwen:
Zijn bloed  kome over ons en onze kinderen!
De afschuwelijke, onherroepelijke vloek steeg huiveringwekkend ten Hemel, om daar met vurige letters door de Engel ingeschreven te worden, als het zelf ingeroepen oordeel over een volk.
 

HOME.
HOOFDSTUK 7-9.