
MARIE CORELLI Geboren 1 mei 1855, overgegaan 24 april 1924 Een wonderbaarlijk instrument.
Marie Corelli schreef tijdens haar leven vele boeken. Zij laat ons op realistische
wijze met het leven verbinden.
Het boek:
BARABBAS.
Een droom over een werelddrama.
Wie kent Barabbas niet, de man die in plaats van Christus werd vrijgelaten door Pontius
Pilatus. Wie was deze man eigenlijk, wat had hij gedaan, wat gebeurde er met hem
toen hij oog in oog met Christus stond. Wat gebeurde er in die paar dagen rond de
gevangenneming, veroordeling en de kruisdood van Christus allemaal?
Dit boek geeft
u op veel van deze vragen een antwoord.
Het is een indrukwekkend en aangrijpend boek,
geschreven door Marie Corelli in 1893. Marie Corelli was een wonderbaarlijk instrument.
Zij schreef, dat weten we van Jozef Rulof, onder inspiratie. Nu was Jozef Rulof niet
bepaald scheutig met aanbevelingen in welke zin ook. Met behulp van zijn Meester
Alcar kon hij situaties en mensen zeer diep doorgronden. Maar dit boek, Barabbas,
kreeg van hem een prima recensie en aanbeveling.
Het is in oude Nederlandse taal
geschreven dus u zult misschien soms wat aparte woorden tegenkomen die wij niet veranderen.
HOOFDSTUK 1-3
Een
lange gloeiende Syrische dag liep ten einde.
De drukkende hitte was bijna ondragelijk
en een vergiftigde stank, die opsteeg uit de vochtige grond van de Joodse gevangenis,
bezwangerde de weinig verse lucht die er was, met iets verstikkends en verpestends.
Volslagen duisternis heerste in de laagste kerkers, uitgezonderd in één der cellen
die aan de ergste misdadigers waren aangewezen. Daar drong voortdurend een dunne,
witte lichtstraal onophoudelijk door de dikke duisternis heen. Het was de kegelvormige
weerkaatsing van de daarbuiten gloeiende Oosterse lucht en die, hoe gering ook, de
ogen van de eenzame gevangene kwelden, die zich met een vreselijk vloek en een zucht
van haar afwendde. Zich terugtrekkende, zover zijn ketenen het toestonden, bedekte
hij zijn gelaat met zijn gekluisterde handen, terwijl hij zijn ogen toekneep en zo
op zijn lippen beet, in zijn onbedaarlijke woede, dat het bloed er op stond. Hij
werd dikwijls door zulke hevige buien van woede aangegrepen. Innerlijk streed hij
tegen die doordringende lichtstraal, die gelijk een zwaard de dikke duisternis doorboorde,
hij beschouwde dit als een machtige vijand en een dagelijkse bron van verbittering.
Hij bepaalde de voor hem zo treurige tijd, wanneer hij scheen, wist hij, dat het
dag, wanneer hij verdween, dat het nacht was. Overigens wist hij niet, of het minuten
of uren waren, die voorbij gingen. Zijn bestaan was overgegaan in een eindeloze toestand
van dof lijden, die nu en dan werd afgewisseld door aanvallen van waanzinnige woestheid,
die hem slechts voor het ogenblik enigszins verruimden om hem daarna des te verstompter
en dierlijker te maken. Hij had geen bijzondere bewustheid van iets anders, dan van
de spitsvondige lichtstraal, die van ter zijde op hem vallende, zijn ogen verblindde
en kwetste. Hij zou de glans van de Syrische zon in de vrije en open lucht hebben
kunnen verdragen, niemand had beter dan hij zulk een stoutmoedige blik kunnen werpen
op haar vurig licht, dat door het grote blauwe ethergewelf heen scheen, maar deze
dunne, schitterende straal, die schuin door de nauwe spleet in de muur kwam, welke
alleen diende voor wat verse lucht in het vunzige hol, waarin hij zat opgesloten,
scheen hem een bespotting. Klaagziek mopperde hij hiertegen en op zijn bed van vuil
stro, dat in de donkerste hoek lag, woelende, luchtte hij zich opnieuw door vloeken
op. Hij uitte zijn opgekropte lasteringen tegen God, het lot en de mens, draaide
en keerde zich, om zich dan weer in plotselinge woede op zijn stro neer te werpen.
Hij was alleen, echter niet geheel, want dicht bij hem, waar hij gelijk een beest
in een hoek kroop, was een traliehek van dikke ijzeren staven, de enige opening
voor lucht voor de daaraan grenzende cel en daardoor kwam nu een dikke, vuile hand
te voorschijn. Na enige ogenblikken rondgetast te hebben, vond die hand ten laatste
de rand van zijn kleed en trok daar voorzichtig aan, terwijl een zwakke, hese stem
zijn naam riep:
"Barabbas."
Hij keerde zich snel en wild om, hetgeen zijn ketenen
akelig deed rammelen.
"Wat nu?"
Zij hebben ons vergeten, werd hierop met een kermende
stem gezegd. Sedert van morgen vroeg hebben zij ons geen voedsel gebracht. Ik verga
van honger en dorst. Ach, ik wenste, dat ik nooit uw aangezicht had gezien, Barabbas
en nooit iets met uw kwade plannen had te doen gehad.
Barabbas gaf geen antwoord.
Weet gij niet, ging zijn onzichtbare medemisdadiger voort, welke tijd van het jaar
wij beleven? Hoe zou ik dat weten! liet Barabbas daar minachtend op volgen. Wat heb
ik met tijden van het jaar te maken? Is het een jaar of zijn het jaren, sedert wij
hier gebracht werden? Weet gij het te zeggen, ik niet.
Het is achttien maanden geleden,
dat gij de Farizeeër versloeg, antwoordde zijn buurman op boosaardig toon en had
gij die slechte daad niet begaan, zo zouden wij onze tegenwoordige ellende niet gekend
hebben. Het is werkelijk een wonder, dat wij nog zolang geleefd hebben, want zie,
het is nu Pasen. Barabbas uitte geen woord, noch van verrassing, noch van belangstelling.
Herinnert gij u de gewoontes van het Feest? vervolgde de spreker, hoe dan een gevangene
door het volk wordt uitgekozen, om in vrijheid te worden gesteld? Mocht het één van
ons beiden zijn. Barabbas! Wij waren met ons tienen, tien goedaardiger mannen, die
ooit in Judéa zijn geboren, altijd behalve gij. Want gij waart gek door liefde en
een krankzinnige verliefde is de ergste van alle gekken!
Barabbas bleef steeds het
stilzwijgen bewaren.
Zo onschuld enige verdienste heeft, vervolgde de stem achter
het traliehek angstig, dan zal de keuze wellicht op mij vallen! Want ben ik geen
onschuldig man? De God mijner vaderen weet dat mijn handen niet met het bloed der
deugdzamen bevlekt zijn; ik versloeg geen Farizeeër! Want goud is het enige wat ik
zocht.
En nam gij het niet? Liet Barabbas daar dadelijk, toornig op volgen, gij huichelaar!
Hebt gij de Farizeeër niet van alles beroofd. Wat hij bij zich had, tot zelfs het
laatste zijner juwelen? Greep de wacht u niet, toen gij juist, met uw tanden, de
gouden band van zijn arm beet, nog voor hij de laatste adem had uitgeblazen? Houd
op met uw gebabbel! Gij zijt de ergste dief in Jeruzalem, dat weet gij wel.
Er kwam
een uiting van afkeer van achter de tralies en de dikke hand drong er snel doorheen,
om zich met evenveel spoed weer terug te trekken. Daarop volgde een ogenblik van
stilzwijgen.
De gehele dag geen voedsel, kermde daarop dezelfde stem weer en geen
druppel water! Zo zij niet komen, zal ik zeker sterven! Ik zal in deze duisternis
sterven, deze dichte, diepe duisternis en de zwakke tonen werden schril door vrees.
Hoort gij mij, vervloekte Barabbas? Ik zal sterven. Dan zal het met u gedaan zijn,
liet Barabbas hier onverschillig op volgen en zij, die hun goud in de stad oppotten,
kunnen dan verder zonder gevaar met open deuren slapen!
Wederom kwam de lelijke vuist
voor den dag, ditmaal gebald, zij gaf door haar afzichtelijke vorm en haar uitdrukking
een juist denkbeeld van het schurkachtig karakter van haar onzichtbare eigenaar.
Gij zijt een duivel, Barabbas en de zwakke lijnen van een loodkleurig gelaat en een
wilde massa haar, verschenen een ogenblik voor het traliehek. En ik zweer u, ik
zal blijven leven, alleen in de hoop u gekruisigd te zien!
Barabbas hield zijn mond
en sleepte zich en zijn rammelende ketenen weg uit de nabijheid van zijn boosaardige
medegevangene. Zijn ogen wantrouwend opslaand, keek hij opwaarts met een smartelijk
gevoel van pijn en hij slaakte een diepe zucht van verlichting, toen hij zag, dat
het brandende, helle licht niet langer in de cel scheen. Het was overgegaan in een
zacht en schemerachtig rood schijnsel.
Zonsondergang! Mompelde hij. Hoevele malen
is de zon reeds onder en opgegaan, sedert ik haar voor het laatst aanschouwde! Dit
is het uur, dat zij lief heeft, zij zal nu met haar maagden naar de bron achter haar
vaders huis gaan, en onder de palmenbomen zal zij rusten en zich verblijden, terwijl
ik, . . . . ik, . . . . O! God van wraak! Nooit meer haar aangezicht zal aanschouwen.Achttien
lange maanden van kwelling. Achttien maanden in dit graf en geen hoop op verlossing!
Met een woeste beweging verhief hij zich en bleef rechtop staan, zijn hoofd raakte
bijna de zolder van de kerker en terwijl hij vermoeid op en neer ging, rammelden
de zware boeien aan zijn naakte benen. Door zijn voeten in een holle plek in de muur
te zetten, was hij in staat zijn ogen gemakkelijk op een hoogte te brengen met de
nauwe opening, waardoor de warme gloed van de ondergaande zon kwam, maar er was weinig
te zien door dat uitzichtspunt, dan alleen een vierkant stuk droog, onbebouwd land,
dat aan de gevangenis behoorde en een enkele palmboom, die zijn kroon van vedervormige
bladeren ten hemel hief. Hij staarde voor een ogenblik naar buiten, menende, dat
hij in de verte de zwakke omtrekken van de heuvelen, die de stad omringden, kon onderscheiden,
waarop hij, te zwak door het langdurige vasten, om nog langer op één voet te blijven
staan, terugtrad en naar zijn oude hoek wederkeerde. Daar zat hij nu, duister voor
zich heen starende naar het rooskleurige licht, dat op de vloer weerkaatst werd.
Gedeeltelijk verlichtte het zijn eigen gelaatstrekken, waardoor zijn samengetrokken
wenkbrauwen en donkere haatdragende ogen sterk uitkwamen, het kleurde zijn naakte
borst lichtrood, terwijl deze onstuimig op en neer ging door de onregelmatige en
moeilijke ademhaling van iemand, die tegen langdurige afmatting en uithongering strijdt
en het schitterde met een koperachtige tint op de zware ijzeren boeien, die zijn
vuisten tezamen bonden. Hij leek meer een opgesloten wild beest dan een menselijk
wezen met zijn verward haar en ruwe baard, hij was nauwelijks gekleed, want zijn
enige kleding was een stuk zaklinnen, dat om zijn lendenen werd vastgehouden door
middel van een ruw zwart touw, dat tweemaal doorgehaald en los toegeknoopt was.
De
hitte in de cel was ondragelijk en toch rilde hij nu en dan, wanneer hij in zijn
vreselijke droefgeestigheid neerhurkte, met de knieën bijna tot zijn kin opgetrokken
en zijn geboeide handen daarop rustende, terwijl hij met de hardnekkigheid van een
uil naar de karmozijnkleurigen zonnestraal staarde, die meer en meer verflauwde.
Eerst was deze vuurrood geweest, zo rood als het bloed van een verslagen Farizeeër,
dacht Barabbas met een grijnslach op het gelaat, maar nu was het licht overgegaan
in teer rose, niet ongelijk aan de snelle blos van een schone vrouw en een hevige
siddering overviel hem, toen deze laatste gedachte door zijn zieke verstompte geest
ging. Met een onderdrukte kreet sloeg hij zijn handen hard tezamen, alsof hij door
een ondragelijke lichamelijke pijn werd aangevallen.
Judith, Judith! lispelde hij
en nog eens, Judith. Hevig bevend, keerde en verborg hij zijn gelaat en drukte zijn
voorhoofd stijf tegen de vochtige beschimmelde muur. En zo bleef hij onbeweeglijk
zitten; zijn zwaar lichaam geleek een Titaanse uit steen gehouwen tovergedaante.
.De laatste rode f1ikkering van de ondergegane zon verdween en maakte plaats voor
een diepe duisternis. Geluid noch beweging verrieden het bestaan van enig menselijk
wezen in dit nachtelijk donker. Telkens veroorzaakten de trippelende pootjes van
muizen, welke pijlsnel over de vloer vlogen, een zwak, maar geheimzinnig geritsel,
overigens heerste er diepe stilte. Buiten vertoonde het firmament zich in de volle
pracht; de hemellichamen vloeiden samen met het purpere ether en het scheen, alsof
zij zich opende en glansde gelijk waterleliën op een meer.
In het Oosten duidde een
streep van zilverkleurige wolken aan, waar de Maan aanstonds zou opkomen en door
een streep in het kerkervenster was juist een kleine, zwak schitterende ster zichtbaar.
Doch zelfs niet een schuine zilveren straal van de Maan, die nu ten laatste hemelwaarts
steeg, was in staat de beklemmende duisternis te verlichten, waarin deze droefgeestige
kerker gehuld was, of met zijn vertroostend licht de in elkaar gedoken vorm van de
ongelukkige gevangene te naderen. Hij streed langzaam en ongezien tegen zijn eigen
lichamelijke en geestelijke ellende, onbewust, dat de muur, waartegen hij leunde,
warm en nat van tranen was, de smartelijke tranen van een krachtige man, die in doodsangst
verkeert.
HOOFDSTUK 2.
Uren verliepen
toen plotseling de diepe stilte verbroken werd door een nog ver verwijderd gedruis,
een hol geluid, gelijk aan het snelle ruizen van de golven der zee een geluid dat
ver weg begon en op zijn weg in kracht toenam. Al naderend en steeds in gehalte toenemend
scheen het zich in duizenden onwelluidende echo's te verdelen, dicht onder de muren
van de kerker en een onsamenhangend leven van luidruchtige stemmen ging op, dat zich
vermengde met wapengekletter en een haastig en verward gestamp van voeten. Hees twistende
stemmen gingen met schel fluiten gepaard en nu en dan wierp het flikkeren van op
en neergaande toortsen een vurige gloed in het hol, waarin Barabbas lag. Plotseling
klonk een harde lach boven het rumoer uit, welke gevolgd werd door de kreet: profeteer!
profeteer! Wie is het, die U geslagen heeft?
Het lachen werd nu algemeen en ging
weldra over in een woest koor van gillen, brullen en fluiten. Daarop volgde een korte
rust, waarin sommige der oproerigste kreten ophielden en een hevig getwist tussen
twee of drie personen van gezag scheen gaande te zijn, totdat aanstonds het bulderend
geraas en getier zich hervatte, zich daarna meer en meer verwijderde om eindelijk langzaam
weg te sterven, gelijk in kracht afnemende donderslagen. En toen dit geluid nog enigszins
hoorbaar was, deed zich in de kerker een langzaam voortslepen van kettingen en een
zwak slaan van geboeide handen tegen het binnenste traliehek horen en de stem, die
vroeger reeds geroepen had, riep wederom:
"Barabbas."
Geen antwoord volgde.
Barabbas!
Hoort gij het voorbijtrekkende volk?
Nog geen antwoord.
Barabbas! Hond! Moordenaar!
En de spreker gaf met zijn beide vuisten een hevige slag tegen de ijzeren stangen.
Zijt gij doof voor goed nieuws? Ik verzeker u, er is strijd in de stad gaande, een
nieuw oproer. Het is mogelijk, dat onze vrienden hebben overwonnen, waar wij verloren!
Weg met de wet! Weg met de tiran en de verdrukker! Weg met de Farizeeën! Weg met
alles! En hij lachte, wat niet veel meer geleek, dan een hees gefluister. Barabbas
! Wij worden vrij! Vrij! Bedenk dat wel, gij schurk! Duizendmaal vervloekte! Zijt
gij dood of slaapt gij; dat gij niet wilt antwoorden?
Hij putte echter zijn stem
tevergeefs uit en sloeg zijn vuisten zonder gevolg tegen het traliewerk. Barabbas
bleef stom. Het maanlicht, dat nu sterker werd, drong met zijn zilveren glans door
de duisternis van zijn cel en gaf de voorwerpen eerder een beklad aanzien, dan dat
het die verlichtte, zodat de omtrek van zijn gestalte nauwelijks onderscheiden kon
worden door zijn medegevangene, die zijn best deed, hem door de ijzeren stangen van
de lange kerker te zien. Middelerwijl was het gedruis der menigte in de straten in
de verte weggestorven en was alleen van tijd tot tijd een zwak gemurmel hoorbaar
als dat van de klotsende golven op een rotsachtige kust.
Barabbas! Barabbas! En
de kwade, zwakke stem verhief zich opeens tot een uitroep van spijt en van woede.
Zo gij niet op goede tijding wilt antwoorden, dan zult gij kwade horen! Hoor mij!
hoor uw vriend Hanan aan, die de slechte wegen der vrouwen beter verstaat, dan gij
! Waarvoor vermoordde gij de Farizeeër, gij dwaas? Het was vergeefse moeite want
zijn roem was een ware en uwe Judith is ene.
De schandelijke uitdrukking, die hij
van plan was te gebruiken, werd niet geuit, want met een sprong, woest en vlug als
die van een getergde leeuw, die uit een hol springt, was de tot nu toe onbeweeglijke
Barabbas bij hem; hij greep de twee handen, die de ander door het traliewerk had
gestoken, om zich te steunen en kneep en drong die tegen de ijzeren. stangen, met
zulk een verschrikkelijke verwoedheid, dat hij de polsen bijna dreigde te breken.
Vervloekte Hanan! Hond! Noem nog eens haar naam en ik zal uw roofhanden op dit scherpe
ijzer afzagen en u slechts de bloedende stompen laten om mee te spelen!
Aangezicht
tot aangezicht in het schemerachtige maanlicht en alleen zichtbaar voor elkander,
wrongen en worstelden zij een korte tijd met vreemde onmacht en even vreemde woede,
terwijl de ketenen aan hun geboeide armen tegen de ijzeren stangen kletterden, totdat
met een wilde kreet van pijn Hanan zijn gekneusde vingers en verlamde polsen uit
de meedogenloze greep wrong, die hem omknelde en hulpeloos in de duisternis van zijn
eigen hol neerviel, terwijl Barabbas zich neerwierp en weer op zijn strobed terecht
kwam, zwaar ademhalend en over al zijn ledematen bevend.
Zo het waar was, mompelde
hij tussen de tanden, zo het waar was dat zij vals is, dat het schone vlees en bloed
slechts een masker voor laagheid was, God! Zij zou slechter zijn dan ik, een groter
zondaar dan ik ooit geweest ben.
Hij verborg zijn hoofd in zijn arm en lag doodstil,
trachtend een antwoord te vinden op het vraagstuk van zijn eigen wilde natuur, zijn
eigen blinde en bandeloze hartstochten. Het was een raadsel, te duister en te moeilijk
om op te lossen en zijn geest dwaalde langzamerhand af, en zijn gedachten begonnen
over te gaan in een staat van onbewustheid, die bijna een genot was na zoveel pijn.
Zijn ineengeslagen handen lieten los; zijn ademhaling werd gemakkelijker en een diepe
zucht slakende, strekte hij zich op het stro uit, gelijk een moede hond en sliep
in. De nacht verliep met majesteit. De Maan en haar zusterplaneten doorliepen hun
roemrijke banen van harmonisch licht en van orde; en in alle delen der Aarde stegen
in alle mogelijke vormen en klanken gebeden ten hemel, om mededogen, vergiffenis
en zegen voor de zondige mensheid, die geen mededogen, vergiffenis of zegen voor
zichzelf kende, totdat met een toverachtige snelheid het innig purperen hemellicht
overging in een parelkleurig grijs de Maan langzaam verbleekte, de sterren één voor
één verdwenen, gelijk het licht der lampen, wanneer er een feest voorbij is, en de
morgenstond door haar frisse lucht haar komst aankondigde. Barabbas bleef echter
doorslapen. In zijn slaap had hij onbewust zijn, gelaat opwaarts naar dat schemerende
licht gekeerd, en een kalme glimlach verzachtte de akelige ruwheid zijner trekken.
Zo sluimerend, was het mogelijk, zich voor te stellen, hoe dit ongekamde en woeste
schepsel er in zijn jeugd had uitgezien; er was iets bevalligs in zijn houding; al
was hij geboeid, er waren trekken van tederheid om zijn mond, waarvan de lijnen juist
door zijn ruwe baard gezien konden worden; bovendien was er een zekere ernstige schoonheid
in het brede voorhoofd en de gesloten oogleden. Was hij wakker, dan geleek hij geheel
wat hij was, een oproerige, onboetvaardige misdadiger, maar in die volmaakte kalmte
van diepe rust kon hij doorgaan voor een verongelijkt, braaf man.
Met het eerste
zwakke licht van de dageraad deed zich plotseling een onverwacht rumoer en geruis
in de voorhoven der gevangenis horen. Barabbas, die nog overweldigd was door de slaap,
hoorde het in een half dromerige toestand, zonder te kunnen uitmaken, wat het mocht
beduiden. Maar daarna, toen het luider werd, opende hij onwillig zijn ogen en richtte
zich met één arm op om beter te kunnen luisteren. Spoedig vernam hij in de verte
het gekletter van wapenen en de gelijkmatige tred van mensen en terwijl hij nog half
suf en slaperig zich over de ongewone beweging verwonderde, kwam het gekletter, het
gerommel en het marcheren steeds nader totdat het buiten zijn cel plotseling stil
hield. De sleutel werd in het slot omgedraaid en de zware grendels opzij geschoven,
de deur vloog open en zulk een zee van licht kwam naar binnen, dat hij zijn handen
voor de ogen moest houden, als om die voor een slag te beveiligen. Knipogend, gelijk
een verschrikte uil, richtte hij zich met moeite op, tot een zittende houding en
staarde slaperig naar wat hij te zien kreeg, een groep glinsterende soldaten met
een gerechtsdienaar aan het hoofd, die een brandende fakkel omhoog houdende, in de
dikke duisternis van de kerker tuurde, met een onderzoekende en bevelende blik.
Kom
nader, Barabbas!
Barabbas keek en keek, dromerig en schijnbaar zonder bewustzijn.
Toen juist riep een schrille stem:
Ik ook! Ik, Hanan, ben onschuldig! Breng mij ook
voor de rechtbank! Verleen mij recht. Barabbas versloeg de Farizeeër, ik niét! Genade
op het Feest, ook voor Hanan! Gij zult toch zeker niet hem daarheen geleiden en mij
hier laten ? Er werd geen acht op die uitroepen geslagen en de bevelhebber herhaalde
zijn commando:
Kom nader, Barabbas!
Geheel wakker wordend, stond Barabbas op en deed
een poging om te gehoorzamen; zijn ketenen verhinderden hem echter om vooruit te
komen. Dit bemerkende, gaf de bevelhebber zijn mannen een bevel en in een ogenblik
waren de belemmerende boeien afgeslagen, en was de gevangene dadelijk omringd door
de wacht.
Barabbas! Barabbas! Riep Hanan daarbinnen.
Barabbas stond stil, vaag naar
de soldaten ziende, die hem in hun midden drongen. Daarop keerde hij zijn ogen naar
hun bevelhebber.
Zo ik mijn dood tegemoet ga, zei hij zwak, bid ik u; geef die man
daar voedsel. Hij leed de ganse dag en nacht honger en dorst en hij was eens mijn
vriend.
De bevelhebber sloeg hem enigszins vreemd gade.
Is dat uw laatste verzoek
Barabbas? Vroeg hij. Het is Pasen, en wij zullen u alles toestaan, wat redelijk is.
Hij lachte en zijn manschappen deden dit eveneens. Barabbas daarentegen staarde slechts
vlak voor zich uit, terwijl zijn ogen uitpuilden als die van een achtervolgd dier,
dat eindelijk gevat is. Doe tenminste dat uit liefde, zei hij op zwakke toon; ik
heb ook honger en dorst geleden, maar Hanan is zwakker dan ik.
Weer zag de bevelhebber
hem aan, maar verwaardigde zich ditmaal niet een antwoord te geven. Zich plotseling
omkerende, sprak hij het bevel uit, waarop hij zich aan het hoofd zijner manschappen
plaatste, en de gehele troep, met Barabbas goed bewaakt in hun midden, schreed voorwaarts
uit de donkere kerkerterreinen, naar de hogere verdiepingen van het gebouw en toen
zij door de stenen gangen gingen, blusten zij hun fakkels uit, daar de nacht voorbij
was en voor de morgen had plaats gemaakt.
HOOFDSTUK
3.
Op het voorplein der gevangenis aankomende, hield de troep daar halt, terwijl
de zware poorten tot doorgang ontsloten werden. Buiten was de straat, de stad, vrijheid
en Barabbas, die steeds voor zich uit staarde, uitte een schorre schreeuw bracht
zijn geboeide handen aan zijn keel, alsof hij dreigde te stikken.
Wat mankeert u,
vroeg één der manschappen 't dichtst bij hem, hem een duw tegen de ribben gevend
met het gevest van zijn wapen. Sta op, gek! Maak me niet wijs, dat wat verse lucht
u kan doen tuimelen als een gewonde stier!
Want Barabbas wankelde en zou bijna bewusteloos
op de grond gevallen zijn, zo niet de soldaten zijn wankelend lichaam opgevangen
hadden en hem op niet al te zachte wijze en onder hevig vloeken, voortgesleept hadden.
Zijn gelaat was echter doodsbleek en door zijn verwaarloosde baard waren zijn lippen
duidelijk zichtbaar, vast gesloten over zijn samengeperste tanden, gelijk die van
een lijk, zijn ademhaling was nauwelijks merkbaar.
De bevelhebber van de troep kwam
naar voren en onderzocht hem.
De man is uitgehongerd, zei hij kortaf. Geef hem wijn!
Dit bevel werd dadelijk uitgevoerd en er werd wijn gebracht aan de lippen van de
bewusteloze gevangene, maar zijn tanden bleven stijf op elkaar geklemd en hij bleef
buiten bewustzijn. Druppel bij druppel werd het vocht op ruwe wijze in zijn keel
geschonken en na enige minuten begon zijn borst op en neer te gaan, een teken van
terugkerend leven en zijn ogen sperden zich wijd open.
Lucht. . . . lucht! Hijgde
hij. Vrije lucht, licht. Hij wierp zijn geboeide handen tastend om zich en toen begon
hij met het snel terugkeren van zijn krachten, die opgewekt waren door de wijn, woest
te lachen.
Vrijheid! riep hij uit. Vrijheid! Om te leven of te sterven, wat doet
het er toe! Vrij! Vrij! Houd u stil, hond! Zei de bevelhebber scherp. Wie vertelde
u, dat gij vrij waart? Kijk naar uw geboeide polsen en wees verstandig. Mannen, bewaak
hem goed! Vooruit! De gevangenisdeuren vielen dicht in haar knarsende scharnieren
en de regelmatige stap van de kleine troep wekte een echo van metaalachtige muziek
op, toen zij dwars over de straat defileerden en langs een steile trap neerdaalden,
die naar een onderaardse doorgang leidde, die direct verbonden was met de Rechtbank,
of het gerechtshof. Deze weg was een lange overwelfde gang, met verschillende bochten
en krommingen en was schaars verlicht door olielampen, die op gelijke afstanden op
armblakers geplaatst waren en waarvan het flikkerende licht de natuur1ijke duisternis
der plaats nog te meer deed uitkomen. Duisternis en gevangenschap vielen hier even
sterk op, als te voren in de kerkers en Barabbas, wiens hart opnieuw met vage vrees
vervuld was, deinsde terug, sidderde en beefde, één of tweemaal, door duizeligheid
dreigde hij te vallen, toen hij trachtte in gelijke pas te blijven met de gelijkmatige
tred van zijn begeleiders. De hoop stierf in zijn binnenste weg; het opkomende denkbeeld
van vrijheid, dat hem tot zulk een verrukking en verwachting gebracht had, vlood
nu gelijk een droom. Hij werd zijn dood tegemoet geleid, daarvan was hij zeker.
Welke genade kon hij verwachten uit de handen van de rechter, door wie hij wist,
dat hij ondervraagd en veroordeeld moest worden?
Want was niet Pontius Pilatus landvoogd
van Judéa? En had hij, Barabbas, niet in een ogenblik van onberedeneerde woede, één
van Pilatus vrienden verslagen? Die vervloekte Farizeeërs! Zijn kruiperige manieren,
zijn eigengerechtigde glimlach, zijn witte hand met een glinsterend, kostbaar juweel
aan de wijsvinger en al de beuzelachtige kleinigheden van gewaad en houding, die
tezamen de be1edigende en aanmatigende persoonlijkheid van die man uitmaakten, al
die dingen herinnerde Barabbas zich met een gevoel van diepe afkeer. Hij zag hem
nagenoeg nu, zoals hij hem toen zag, voordat hij hem met een verwoedde steek ter
aarde velde, dood en afschuwelijk bloedend in het schitterende maanlicht, met zijn
wijd geopende ogen nog tot het laatste ogenblik met stomme en vreselijke haat naar
zijn moordenaar starende. En het is altijd leven om leven. Barabbas stemde in met
de strenge rechtvaardigheid van deze wet. Het was slechts de gedachte aan de voorgeschreven
wijze van ter dood brengen van schuldigen als hij, die zijn zenuwen deed trillen
van angst en vrees. Indien hij gelijk de Farizeeër, slechts in één enkele seconde
uit zijn bestaan kon weggerukt worden, 0, dat zou niets zijn, maar om op houten balken
uitgestrekt, door de meedogenloze zon uren lang geblakerd te worden, terwijl iedere
spier tot springens toe uitgerekt en iedere druppel bloed eerst gloeiend heet en
dan ijskoud werd, dit was genoeg, om de sterkste man te doen sidderen; en Barabbas,
die uitgeput was door het lange vasten en gebrek aan verse lucht, beefde zo hevig
van tijd tot tijd, dat hij zich nauwelijks kon voortslepen. Zijn hoofd liep om en
zijn ogen staken; zijn oren suisden, hetgeen gedeeltelijk veroorzaakt werd door het
koken van het bloed in zijn hersenen en gedeeltelijk door de echo van een geluid,
dat met iedere stap duidelijker werd, een geraas van driftige stemmen en van gejouw,
in het midden waarvan hij zich verbeeldde zijn eigen naam te horen.
Barabbas! Barabbas!
Verschrikt keek hij vragend naar de soldaten, die hem omringden, maar hun koude,
bronskleurige gelaatstrekken verrieden niets. Tevergeefs poogde hij aandachtiger
te luisteren, de kletterende wapens van zijn bewakers en de afgemeten tred hunner
voeten op het stenen plaveisel verhinderden hem de werkelijke betekenis van die verwijderde
uitroepen te onderscheiden. Doch ja, ja, daar was een tweede uitroep.
Barabbas! Barabbas!
Een vreselijke huivering greep hem eensklaps aan, een plotseling en vreselijk begrip
van zijn ware toestand. De menigte, onvermurwbaar door alle eeuwen heen, riep blijkbaar
om zijn dood en was juist nu bezig zich voor te bereiden, om van zijn marteling een
feest te maken. Niets is heerlijker voor een barbaars gepeupel, dan de lichamelijke
angst van een hulpeloos medeschepsel, niets kan hun lachlust beter opwekken dan het
aanzien van de wanhoop, de pijn, en de wringende doodsstrijd van een rampzalig menselijk
wezen, dat veroordeeld is om door een nodeloze langzame en barbaarse foltering om
te komen. Daaraan denkende, vielen grote druppelen zweet langs zijn voorhoofd neer
en toen hij zwak voortwaggelde, bad hij in stilte om een spoedig einde, bad dat zijn
kokend bloed, genadiglijk in volle kracht, naar een teer deel zijne hersenen mocht
stromen, zodat hij ineens in vergetelheid zou geraken, gelijk een steen in de zee.
Alles, alles liever, dan het gejuich en het gespot te horen van een meedogenloze
menigte, die om hem te zien sterven, optrok als naar een feest.
Nader en nader kwam
het geraas en getier, afgewisseld door ogenblikken van betrekkelijke stilte en het
was gedurende zulk een stilstand, dat de hem opgedrongen tocht eindigde. Na een laatste
scheve hoek van de onderaardse doorgang omgeslagen te zijn, marcheerden de soldaten
naar buiten in het daglicht en beklommen verscheidene brede marmeren trappen; waarna
zij een open, cirkelvormig hof doorgingen, die leeg en koel was en zilvergrijs gekleurd
door de vroege morgenstond. Eindelijk kwamen zij, na onder een zuilvormige boog
doorgegaan te zijn, in een grote zaal, die schijnbaar in twee vierkante ruimten verdeeld
was, de ene nagenoeg leeg, behalve enige in het oog vallende gedaanten, die veel
op standbeelden geleken, en met een achtergrond van donker purper en met gouden franje
versierde gordijnen scherp uitkwamen; de andere, stampvol met lieden, die alleen
door een rij Romeinse soldaten, met hun hoofdman, teruggehouden konden worden, van
in het voor de rechters afgezonderde terrein te dringen. Bij het verschijnen van
Barabbas met zijn gewapende begeleiders, draaiden de hoofden zich om en vluchtig
gefluister deed zich onder de menigte horen; maar niet één blik van werkelijke belangstelling
of medelijden werd er op hem gevestigd. De geest van het volk was met een veel gewichtiger
zaak bezig. Er was een verhoor gaande, als nog nooit tussen muren van enige menselijke
rechtbank was behandeld en een gevangene werd ondervraagd, die antwoorden gaf, zoals
ze nog nimmer van een menselijk wezen gehoord hadden.
Met een plotselinge gewaarwording
van verlichting begon Barabbas, bedwelmd als hij was, te vermoeden dat misschien
al zijn angsten ongegrond waren geweest; er was hier geen bewijs, tenminste niet
voor het ogenblik dat zijn dood geëist werd om een buitengewone feestdag aan de menigte
te verschaffen en zelf aangestoken door de heersende geest van grote nieuwsgierigheid
en aandacht, richtte hij zich zover mogelijk op, om te kunnen zien wat er gaande
was. Terwijl hij dit deed, trok het volk in zijn onmiddellijke nabijheid zich met
zichtbare afschuw terug; maar hij schonk weinig aandacht aan deze stomme uiting van
afkeer, daar hun eenparig terugdeinzen een geschikte opening maakte, waardoor hij
duidelijk de zetels van het gerecht met al zijn indrukwekkende omgeving kon onderscheiden.
Verscheidene leden van het Sanhedrin waren daar gezeten, waarvan hij er enkele van
aanzien kende, o.a. de hogepriester Kajafas en zijn collega Annas, enige schriftgeleerden
namen lagere zitplaatsen in en waren druk bezig met schrijven en onder deze hoogwaardige
en verheven persoonlijkheden bemerkte hij tot zijn verwondering een kleine, magere,
rimpelige en kruiperige geldwisselaar, een man die wel bekend was en vervloekt werd
door geheel Jeruzalem, om zijn hoge woekerrente en zijn wreedheid jegens de armen.
Hoe kwam zulk een lage schurk hier? dacht Barabbas; maar hij kon zijn vraagstuk niet
oplossen, want de hoofdpersoon, naar wie hij onwillekeurig uitzag en die hij aanstonds
ontwaarde, was de Romeinse rechter, die rechter, van wiens streng droevig gélaat
hij in de duisternis van zijn kerker had gedroomd .
Pilatus, de kalme, strenge, maar
bij wijlen medelijdende scheidsrechter over leven en dood, al naar de rechtswetten,
die in Judéa werden toegepast. Hij moest heden lijdend of vermoeid zijn, want zag
ooit een wettige tiran er zo geestelijk vermoeid uit? In het grijze morgenlicht hadden
zijn gelaatstrekken bijna de stroefheid en bleekheid van een lijk, zijn hand speelde
onbewust met het in juwelen gezette zegel, dat op zijn borst hing en onder de neervallende
plooien van zijn ambtsgewaad tikte zijn in een sandaal gestoken voet ongeduldig op
de grond. Barabbas staarde hem in doffe verbazing en vrees aan, hij zag er niet uit
als een wreed, maar meer als een neerslachtig man en toch was er in zijn klassieke
gelaatstrekken en in de vaste lijnen om zijn dunne, samengeperste lippen iets, dat
van weinig zachtheid en karakter getuigde, Wat zou wel de uitspraak over een moordenaar
zijn, die één zijner vrienden had verslagen? En terwijl Barabbas daarover nadacht,
ging er opeens vanuit de menigte rond om hem een niet te onderdrukken kreet, gelijk
het geluid van losgebroken waterstromen, met donderend geraas in de gewelfde zaal
op. Kruis hem! Kruis hem!
Het wilde geschreeuw was woest en ontzettend en met dit
doordringende getier was de slaapachtige verdoving, die Barabbas min of meer bevangen
had, opeens verdwenen. Met een plotselinge schok kwam hij tot zich zelf, gelijk iemand
die ruw uit zijn slaap wordt geschud.
Kruis hem!
Kruisigen. . . . wie? Wiens leven
werd zo hartstochtelijk geëist? Het zijne ? Neen, stellig niet het zijne, want het
volk keek nauwelijks naar hem om. Hun blikken waren alle naar een andere zijde gekeerd.
Zo hij niet de overtreder was, wie was het dan?
Nog meer naar voren dringende, volgde
hij de verwoede blikken van de menigte en zag, geduldig onder de rechterstoel een
gestalte staan. Dat ziende, hield hij geheel verbaasd zijn adem in, want de gestalte
scheen de statigheid, al de reinheid, al de majesteit van de ruime Gerechtszaal in
zich op te nemen, tezamen met al het licht, dat glinsterend door de ramen viel, het
licht dat nu overging in de sterker wordende stralen van de opgaande zon. Zulk een
glans, zulk een macht, zulk een heerlijke vereniging van volmaakte schoonheid en
sterkte in één menselijk wezen, had Barabbas nog nooit gezien of van gedroomd en
hij keek en keek tot zijn ziel zich bijna geheel verloor in die blik. Gelijk iemand
in geestesvervoering, hoorde hij zich zelf fluisteren:
Wie is die Man daar?
Niemand
antwoordde. Het kan zijn, dat niemand hem hoorde.
En hij herhaalde die vraag zacht
bij zich zelf en hield zijn ogen gevestigd op dat grote en Goddelijke Wezen, wiens
verheven uitzicht een volslagen meerderheid over mensen en zaken scheen aan te duiden,
maar wat daar stil, in blijkbare onderwerping aan de wet, stond te wachten, met een
enigszins dromerige glimlach op de schoon gevormde lippen en een geduldige uitdrukking
in de neergeslagen ogen, als één, die stilzwijgend de openbare uitspraak verwachtte,
die hij bij zich zelf reeds bepaald had.
Daar stond Hij, als een marmeren standbeeld,
door de zon verlicht, rechtop en kalm, terwijl Zijn witte klederen van Zijn schouders
achterwaarts in schilderachtige, gelijke plooien neerhingen, waardoor zijn blote,
ronde armen zichtbaar werden, welke Hij in een rustige, onderworpen houding op zijn
borst gekneld hield; zelfs in hun beweegloosheid verrieden zij zulk een mannelijke
kracht, als bij een Hercules zou gepast hebben. Macht, grootheid, gezag, onoverwinnelijke
meerderheid, waren alle stilzwijgend in Zijn wondervolle en onvergelijkelijke Tegenwoordigheid
uitgedrukt en terwijl Barabbas nog betoverd, overweldigd en in zijn geest ontroerd,
stond te turen, hij wist echter niet waarom, braken de kreten van het volk nog heser
en menigvuldiger, nog ongeduldiger en woester los.
Weg met hem! Weg met hem! Laat
hem gekruist worden! En van ver buiten de menigte klonk een schone, schrille en doordringende
vrouwenstem met een zich verheffend, wreed, maar schone klank uit boven het luide
geroep.
Kruis hem! Kruis hem!