MARIE CORELLI Geboren 1 mei 1855, overgegaan 24 april 1924 Een wonderbaarlijk instrument.
Marie Corelli schreef tijdens haar leven vele boeken. Zij laat ons op realistische wijze met het leven verbinden.
Het boek:
BARABBAS.
Een droom over een werelddrama.
Wie kent Barabbas niet, de man die in plaats van Christus werd vrijgelaten door Pontius Pilatus. Wie was deze man eigenlijk, wat had hij gedaan, wat gebeurde er met hem toen hij oog in oog met Christus stond. Wat gebeurde er in die paar dagen rond de gevangenneming, veroordeling en de kruisdood van Christus allemaal?
Dit boek geeft u op veel van deze vragen een antwoord.
Het is een indrukwekkend en aangrijpend boek, geschreven door Marie Corelli in 1893. Marie Corelli was een wonderbaarlijk instrument. Zij schreef, dat weten we van Jozef Rulof, onder inspiratie. Nu was Jozef Rulof niet bepaald scheutig met aanbevelingen in welke zin ook. Met behulp van zijn Meester Alcar kon hij situaties en mensen zeer diep doorgronden. Maar dit boek, Barabbas, kreeg van hem een prima recensie en aanbeveling. 
Het is in oude Nederlandse taal geschreven dus u zult misschien soms wat aparte woorden tegenkomen die wij niet veranderen.

 

                                                                  HOOFDSTUK 1-3
Een lange gloeiende Syrische dag liep ten einde.
De drukkende hitte was bijna ondragelijk en een vergiftigde stank, die opsteeg uit de vochtige grond van de Joodse gevangenis, bezwangerde de weinig verse lucht die er was, met iets verstikkends en verpestends. Volslagen duisternis heerste in de laagste kerkers, uitgezonderd in één der cellen die aan de ergste misdadigers waren aangewezen. Daar drong voortdurend een dunne, witte lichtstraal onophoudelijk door de dikke duisternis heen. Het was de kegelvormige weerkaatsing van de daarbuiten gloeiende Oosterse lucht en die, hoe gering ook, de ogen van de eenzame gevangene kwelden, die zich met een vreselijk vloek en een zucht van haar afwendde. Zich terugtrekkende, zover zijn ketenen het toestonden, bedekte hij zijn gelaat met zijn gekluisterde handen, terwijl hij zijn ogen toekneep en zo op zijn lippen beet, in zijn onbedaarlijke woede, dat het bloed er op stond. Hij werd dikwijls door zulke hevige buien van woede aangegrepen. Innerlijk streed hij tegen die doordringende lichtstraal, die gelijk een zwaard de dikke duisternis doorboorde, hij beschouwde dit als een  machtige vijand en een dagelijkse bron van verbittering.

Hij bepaalde de voor hem zo treurige tijd,  wanneer hij scheen, wist hij, dat het dag, wanneer hij verdween, dat het nacht was. Overigens wist hij niet, of het minuten of uren waren, die voorbij gingen. Zijn bestaan was overgegaan in een eindeloze toestand van dof lijden, die nu en dan werd afgewisseld door aanvallen van waanzinnige woestheid, die hem slechts voor het ogenblik enigszins verruimden om hem daarna des te verstompter en dierlijker te maken. Hij had geen bijzondere bewustheid van iets anders, dan van de spitsvondige lichtstraal, die van ter zijde op hem vallende, zijn ogen verblindde en kwetste. Hij zou de glans van de Syrische zon in de vrije en open lucht hebben kunnen verdragen, niemand had beter dan hij zulk een stoutmoedige blik kunnen werpen op haar vurig licht, dat door het grote blauwe ethergewelf heen scheen, maar deze dunne, schitterende straal, die schuin door de nauwe spleet in de muur kwam, welke alleen diende voor wat verse lucht in het vunzige hol, waarin hij zat opgesloten, scheen hem een bespotting. Klaagziek mopperde hij hiertegen en op zijn bed van vuil stro, dat in de donkerste  hoek lag, woelende, luchtte hij zich opnieuw door vloeken op. Hij uitte zijn opgekropte lasteringen tegen God, het lot en de mens, draaide en keerde zich, om zich dan weer in plotselinge woede op zijn stro neer te werpen. Hij was alleen, echter niet geheel, want dicht bij hem, waar hij gelijk een beest in een  hoek kroop, was een traliehek van dikke ijzeren staven, de enige opening voor lucht voor de daaraan grenzende cel en daardoor kwam nu een dikke, vuile hand te voorschijn. Na enige ogenblikken rondgetast te hebben, vond die hand ten laatste de rand van zijn kleed en trok daar voorzichtig aan, terwijl een zwakke, hese stem zijn naam riep:

"Barabbas."
Hij keerde zich snel en wild om, hetgeen zijn ketenen akelig deed rammelen.
"Wat nu?"
Zij hebben ons vergeten, werd hierop met een kermende stem gezegd. Sedert van morgen vroeg hebben zij ons geen voedsel gebracht. Ik verga van honger en dorst. Ach, ik wenste, dat ik nooit uw aangezicht had gezien, Barabbas en nooit iets met uw kwade plannen had te doen gehad.
Barabbas gaf geen antwoord.
Weet gij niet, ging zijn onzichtbare medemisdadiger voort, welke tijd van het jaar wij beleven? Hoe zou ik dat weten! liet Barabbas daar minachtend op volgen. Wat heb ik met tijden van het jaar te maken? Is het een jaar of zijn het jaren, sedert wij hier gebracht werden? Weet gij het te zeggen, ik niet.
Het is achttien maanden geleden, dat gij de Farizeeër versloeg, antwoordde zijn buurman op boosaardig toon en had gij die slechte daad niet begaan, zo zouden wij onze tegenwoordige ellende niet gekend hebben. Het is werkelijk een wonder, dat wij nog zolang geleefd hebben, want zie, het is nu Pasen. Barabbas uitte geen woord, noch van verrassing, noch van belangstelling.

Herinnert gij u de gewoontes van het Feest? vervolgde de spreker, hoe dan een gevangene door het volk wordt uitgekozen, om in vrijheid te worden gesteld? Mocht het één van ons beiden zijn. Barabbas!  Wij waren met ons tienen, tien goedaardiger mannen, die ooit in Judéa zijn geboren, altijd behalve gij. Want gij waart gek door liefde en een krankzinnige verliefde is de ergste van alle gekken!
Barabbas bleef steeds het stilzwijgen bewaren.
Zo onschuld enige verdienste heeft, vervolgde de stem achter het traliehek angstig, dan zal de keuze wellicht op mij vallen! Want ben ik geen onschuldig man? De God mijner vaderen weet dat mijn handen niet met het bloed der deugdzamen bevlekt zijn; ik versloeg geen Farizeeër! Want goud is het enige wat ik zocht.
En nam gij het niet? Liet Barabbas daar dadelijk, toornig op volgen, gij huichelaar! Hebt gij de Farizeeër niet van alles beroofd. Wat hij bij zich had, tot zelfs het laatste zijner juwelen? Greep de wacht u niet, toen gij juist, met uw tanden, de gouden band van zijn arm beet, nog voor hij de laatste adem had uitgeblazen? Houd op met uw gebabbel! Gij zijt de ergste dief in Jeruzalem, dat weet gij wel.
Er kwam een uiting van afkeer van achter de tralies en de dikke hand drong er snel doorheen, om zich met evenveel spoed weer terug te trekken. Daarop volgde een ogenblik van stilzwijgen.

De gehele dag geen voedsel, kermde daarop dezelfde stem weer en geen druppel water! Zo zij niet komen, zal ik zeker sterven! Ik zal in deze duisternis sterven, deze dichte, diepe duisternis en de zwakke tonen werden schril door vrees. Hoort gij mij, vervloekte Barabbas? Ik zal sterven. Dan zal het met u gedaan zijn, liet Barabbas hier onverschillig op volgen en zij, die hun goud in de stad oppotten, kunnen dan verder zonder gevaar met open deuren slapen!
Wederom kwam de lelijke vuist voor den dag, ditmaal gebald, zij gaf door haar afzichtelijke vorm en haar uitdrukking een juist denkbeeld van het schurkachtig karakter van haar onzichtbare eigenaar.
Gij zijt een duivel, Barabbas en de zwakke lijnen van een loodkleurig gelaat en een wilde massa  haar, verschenen een ogenblik voor het traliehek. En ik zweer u, ik zal blijven leven, alleen in de hoop u gekruisigd te zien!
Barabbas hield zijn mond en sleepte zich en zijn rammelende ketenen weg uit de nabijheid van zijn boosaardige medegevangene. Zijn ogen wantrouwend opslaand, keek hij opwaarts met een smartelijk gevoel van pijn en hij slaakte een diepe zucht van verlichting, toen hij zag, dat het brandende, helle licht niet langer in de cel scheen. Het was overgegaan in een zacht en schemerachtig rood schijnsel.
Zonsondergang! Mompelde hij. Hoevele malen is de zon reeds onder en opgegaan, sedert ik haar voor het laatst aanschouwde! Dit is het uur, dat zij lief heeft, zij zal nu met haar maagden naar de bron achter haar vaders huis gaan, en onder de palmenbomen zal zij rusten en zich verblijden, terwijl ik, . . . . ik, . . . . O! God van wraak! Nooit meer haar aangezicht zal aanschouwen.Achttien lange maanden van kwelling. Achttien maanden in dit graf en geen hoop op verlossing!

Met een woeste beweging verhief hij zich en bleef rechtop staan,  zijn hoofd raakte bijna de zolder van de kerker en terwijl hij vermoeid op en neer ging, rammelden de zware boeien aan zijn naakte benen. Door zijn voeten in een holle plek in de muur te zetten, was hij in staat zijn ogen gemakkelijk op  een hoogte te brengen met de nauwe opening, waardoor de warme gloed van de ondergaande zon kwam, maar er was weinig te zien door dat uitzichtspunt, dan alleen een vierkant stuk droog, onbebouwd land, dat aan de gevangenis behoorde en een enkele palmboom, die zijn kroon van vedervormige bladeren ten hemel hief. Hij staarde voor een ogenblik naar buiten, menende, dat hij in de verte de zwakke omtrekken van de heuvelen, die de stad omringden, kon onderscheiden,  waarop hij, te zwak door het langdurige vasten, om nog langer op één voet te blijven staan, terugtrad en naar zijn oude hoek wederkeerde. Daar zat hij nu, duister voor zich heen starende naar het rooskleurige licht, dat op de vloer weerkaatst werd. Gedeeltelijk verlichtte het zijn eigen gelaatstrekken, waardoor zijn samengetrokken wenkbrauwen en donkere haatdragende ogen sterk uitkwamen, het kleurde zijn naakte borst lichtrood, terwijl deze onstuimig op en neer ging door de onregelmatige en moeilijke ademhaling van iemand, die tegen langdurige afmatting en uithongering strijdt en het schitterde met een koperachtige tint op de zware ijzeren boeien, die zijn vuisten tezamen bonden. Hij leek meer een opgesloten wild beest dan een menselijk wezen met zijn verward haar en ruwe baard, hij was nauwelijks gekleed, want zijn enige kleding was een stuk zaklinnen, dat om zijn lendenen werd vastgehouden door middel van een ruw zwart touw, dat tweemaal doorgehaald en los toegeknoopt was.

De hitte in de cel was ondragelijk en toch rilde hij nu en dan, wanneer hij in zijn vreselijke droefgeestigheid neerhurkte, met de knieën bijna tot zijn kin opgetrokken en zijn geboeide handen daarop rustende, terwijl hij met de hardnekkigheid van een uil naar de karmozijnkleurigen zonnestraal staarde, die meer en meer verflauwde. Eerst was deze vuurrood geweest, zo rood als het bloed van een verslagen Farizeeër, dacht Barabbas met een grijnslach op het gelaat, maar nu was het licht overgegaan in teer rose, niet ongelijk aan de snelle blos van een schone vrouw en een hevige siddering overviel  hem, toen deze laatste gedachte door zijn zieke verstompte geest ging. Met een onderdrukte kreet sloeg hij zijn handen hard tezamen, alsof hij door een ondragelijke lichamelijke pijn werd aangevallen.
Judith, Judith! lispelde hij en nog eens, Judith. Hevig bevend, keerde en verborg hij zijn gelaat en drukte zijn voorhoofd stijf tegen de vochtige beschimmelde muur. En zo bleef hij onbeweeglijk zitten; zijn zwaar lichaam geleek een Titaanse uit steen gehouwen tovergedaante.
.De laatste rode f1ikkering van de ondergegane zon verdween en maakte plaats voor een diepe duisternis. Geluid noch beweging verrieden het bestaan van enig menselijk wezen in dit nachtelijk donker. Telkens veroorzaakten de trippelende pootjes van muizen, welke pijlsnel over de vloer vlogen, een zwak, maar geheimzinnig geritsel, overigens heerste er diepe stilte. Buiten vertoonde het firmament zich in de volle pracht; de hemellichamen  vloeiden samen met het purpere ether en het scheen, alsof zij  zich opende en glansde gelijk waterleliën op een meer.

In het Oosten duidde een streep van zilverkleurige wolken aan, waar de Maan aanstonds zou opkomen en door een streep in het kerkervenster was juist een kleine, zwak schitterende ster zichtbaar. Doch zelfs niet een schuine zilveren straal van de Maan, die nu ten laatste hemelwaarts steeg, was in staat de beklemmende duisternis te verlichten, waarin deze droefgeestige kerker gehuld was, of met zijn vertroostend licht de in elkaar gedoken vorm van de ongelukkige gevangene te naderen. Hij streed langzaam en ongezien tegen zijn eigen lichamelijke en geestelijke ellende, onbewust, dat de muur, waartegen hij leunde, warm en nat van tranen was, de smartelijke tranen van een krachtige man, die in doodsangst verkeert.

                                                   HOOFDSTUK 2.
Uren verliepen  toen plotseling de diepe stilte verbroken werd door een nog ver verwijderd gedruis, een hol geluid, gelijk aan het snelle ruizen van de golven der zee een geluid dat ver weg begon en op zijn weg in kracht toenam. Al naderend en steeds in gehalte toenemend scheen het zich in duizenden onwelluidende echo's te verdelen, dicht onder de muren van de kerker en een onsamenhangend leven van luidruchtige stemmen ging op, dat zich vermengde met wapengekletter en een haastig en verward gestamp van voeten. Hees twistende stemmen gingen met schel fluiten gepaard en nu en dan wierp het flikkeren van op en neergaande toortsen een vurige gloed in het hol, waarin Barabbas lag. Plotseling klonk een harde lach boven het rumoer uit, welke gevolgd werd door de kreet: profeteer! profeteer! Wie is het, die U geslagen heeft?
Het lachen werd nu algemeen en ging weldra over in een woest koor van gillen, brullen en fluiten. Daarop volgde een korte rust, waarin sommige der oproerigste kreten ophielden en een hevig getwist tussen twee of drie personen van gezag scheen gaande te zijn, totdat aanstonds het bulderend geraas en getier zich hervatte, zich daarna meer en meer verwijderde om eindelijk langzaam weg te sterven, gelijk in kracht afnemende donderslagen. En toen dit geluid nog enigszins hoorbaar was, deed zich in de kerker een langzaam voortslepen van kettingen en een zwak slaan van geboeide handen tegen het binnenste traliehek horen en de stem, die vroeger reeds geroepen had, riep wederom:
"Barabbas."

Geen antwoord volgde.
Barabbas! Hoort gij het voorbijtrekkende volk? 
Nog geen antwoord.
Barabbas! Hond! Moordenaar! En de spreker gaf met zijn beide vuisten een hevige slag tegen de ijzeren stangen. Zijt gij doof voor goed nieuws? Ik verzeker u, er is strijd in de stad gaande, een nieuw oproer. Het is mogelijk, dat onze vrienden hebben overwonnen, waar wij verloren! Weg met de wet! Weg met de tiran en de verdrukker! Weg met de Farizeeën! Weg met alles! En hij lachte, wat niet veel meer geleek, dan een hees gefluister. Barabbas ! Wij worden vrij! Vrij! Bedenk dat wel, gij schurk! Duizendmaal vervloekte! Zijt gij dood of slaapt gij; dat gij niet wilt antwoorden?
Hij putte echter zijn stem tevergeefs uit en sloeg zijn vuisten zonder gevolg tegen het traliewerk. Barabbas bleef stom. Het maanlicht, dat nu sterker werd, drong met zijn zilveren glans door de duisternis van zijn cel en gaf de voorwerpen eerder een beklad aanzien, dan dat het die verlichtte, zodat de omtrek van zijn gestalte nauwelijks onderscheiden kon worden door zijn medegevangene, die zijn best deed, hem door de ijzeren stangen van de lange kerker te zien. Middelerwijl was het gedruis der menigte in de straten in de verte weggestorven en was alleen van tijd tot tijd een zwak gemurmel hoorbaar als dat van de klotsende golven op een rotsachtige kust. 
Barabbas! Barabbas! En de kwade, zwakke stem verhief zich opeens tot een uitroep van spijt en van woede. Zo gij niet op goede tijding wilt antwoorden, dan zult gij kwade horen! Hoor mij! hoor uw vriend Hanan aan, die de slechte wegen der vrouwen beter verstaat, dan gij ! Waarvoor vermoordde gij de Farizeeër, gij dwaas? Het was vergeefse moeite want zijn roem was een ware en uwe Judith is ene.

De schandelijke uitdrukking, die hij van plan was te gebruiken, werd niet geuit, want met een sprong, woest en vlug als die van een getergde leeuw, die uit een hol springt, was de tot nu toe onbeweeglijke Barabbas bij hem; hij greep de twee handen, die de ander door het traliewerk had gestoken, om zich te steunen en kneep en drong die tegen de ijzeren. stangen, met zulk een verschrikkelijke verwoedheid, dat hij de polsen bijna dreigde te breken.
Vervloekte Hanan! Hond! Noem nog eens haar naam en ik zal uw roofhanden op dit scherpe ijzer afzagen en u slechts de bloedende stompen laten om mee te spelen!
Aangezicht tot aangezicht in het schemerachtige maanlicht en alleen zichtbaar voor elkander, wrongen en worstelden zij een korte tijd met vreemde onmacht en even vreemde woede, terwijl de ketenen aan hun geboeide armen tegen de ijzeren stangen kletterden, totdat met een wilde kreet van pijn Hanan zijn gekneusde vingers en verlamde polsen uit de meedogenloze greep wrong, die hem omknelde en hulpeloos in de duisternis van zijn eigen hol neerviel, terwijl Barabbas zich neerwierp en weer op zijn strobed terecht kwam, zwaar ademhalend en over al zijn ledematen bevend.
Zo het waar was, mompelde hij tussen de tanden, zo het waar was dat zij vals is, dat het schone vlees en bloed slechts een masker voor laagheid was, God! Zij zou slechter zijn dan ik, een groter zondaar dan ik ooit geweest ben.

Hij verborg zijn hoofd in zijn arm en lag doodstil, trachtend een antwoord te vinden op het vraagstuk van zijn eigen wilde natuur, zijn eigen blinde en bandeloze hartstochten. Het was een raadsel, te duister en te moeilijk om op te lossen en zijn geest dwaalde langzamerhand af, en zijn gedachten begonnen over te gaan in een staat van onbewustheid, die bijna een genot was na zoveel pijn. Zijn ineengeslagen handen lieten los; zijn ademhaling werd gemakkelijker en een diepe zucht slakende, strekte hij zich op het stro uit, gelijk een moede hond en sliep in. De nacht verliep met majesteit. De Maan en haar zusterplaneten doorliepen hun roemrijke banen van harmonisch licht en van orde; en in alle delen der Aarde stegen in alle mogelijke vormen en klanken gebeden ten hemel, om mededogen, vergiffenis en zegen voor de zondige mensheid, die geen mededogen, vergiffenis of zegen voor zichzelf kende, totdat met een toverachtige snelheid het innig purperen hemellicht overging in een parelkleurig grijs de Maan langzaam verbleekte, de sterren één voor één verdwenen, gelijk het licht der lampen, wanneer er een feest voorbij is, en de morgenstond door haar frisse lucht haar komst aankondigde. Barabbas bleef echter doorslapen. In zijn slaap had hij onbewust zijn, gelaat opwaarts naar dat schemerende licht gekeerd, en een kalme glimlach verzachtte de akelige ruwheid zijner trekken. Zo sluimerend, was het mogelijk, zich voor te stellen, hoe dit ongekamde en woeste schepsel er in zijn jeugd had uitgezien; er was iets bevalligs in zijn houding; al was hij geboeid, er waren trekken van tederheid om zijn mond, waarvan de lijnen juist door zijn ruwe baard gezien konden worden; bovendien was er een zekere ernstige schoonheid in het brede voorhoofd en de gesloten oogleden. Was hij wakker, dan geleek hij geheel wat hij was, een oproerige, onboetvaardige misdadiger, maar in die volmaakte kalmte van diepe rust kon hij doorgaan voor een verongelijkt, braaf man.

Met het eerste zwakke licht van de dageraad deed zich plotseling een onverwacht rumoer en geruis in de voorhoven der gevangenis horen. Barabbas, die nog overweldigd was door de slaap, hoorde het in een half dromerige toestand, zonder te kunnen uitmaken, wat het mocht beduiden. Maar daarna, toen het luider werd, opende hij onwillig zijn ogen en richtte zich met één arm op om beter te kunnen luisteren. Spoedig vernam hij in de verte het gekletter van wapenen en de gelijkmatige tred van mensen en terwijl hij nog half suf en slaperig zich over de ongewone beweging verwonderde, kwam het gekletter, het gerommel en het marcheren steeds nader totdat het buiten zijn cel plotseling stil hield. De sleutel werd in het slot omgedraaid en de zware grendels opzij geschoven, de deur vloog open en zulk een zee van licht kwam naar binnen, dat hij zijn handen voor de ogen moest houden, als om die voor een slag te beveiligen. Knipogend, gelijk een verschrikte uil, richtte hij zich met moeite op, tot een zittende houding en staarde slaperig naar wat hij te zien kreeg, een groep glinsterende soldaten met een gerechtsdienaar aan het hoofd, die een brandende fakkel omhoog houdende, in de dikke duisternis van de kerker tuurde, met een onderzoekende en bevelende blik.
Kom nader, Barabbas!
Barabbas keek en keek, dromerig en schijnbaar zonder bewustzijn.
Toen juist riep een schrille stem:
Ik ook! Ik, Hanan, ben onschuldig! Breng mij ook voor de rechtbank! Verleen mij recht. Barabbas versloeg de Farizeeër, ik niét! Genade op het Feest, ook voor Hanan! Gij zult toch zeker niet hem daarheen geleiden en mij hier laten ? Er werd geen acht op die uitroepen geslagen en de  bevelhebber herhaalde zijn commando:
Kom nader, Barabbas!
Geheel wakker wordend, stond Barabbas op en deed een poging om te gehoorzamen; zijn ketenen verhinderden hem echter om vooruit te komen. Dit bemerkende, gaf de bevelhebber zijn mannen een bevel en in een ogenblik waren de belemmerende boeien afgeslagen, en was de gevangene dadelijk omringd door de wacht.

Barabbas! Barabbas! Riep Hanan daarbinnen.
Barabbas stond stil, vaag naar de soldaten ziende, die hem in hun midden drongen. Daarop keerde hij zijn ogen naar hun bevelhebber.
Zo ik mijn dood tegemoet ga, zei hij zwak, bid ik u; geef die man daar voedsel. Hij leed de ganse dag en nacht honger en dorst en hij was eens mijn vriend.
De bevelhebber sloeg hem enigszins vreemd gade.
Is dat uw laatste verzoek Barabbas? Vroeg hij. Het is Pasen, en wij zullen u alles toestaan, wat redelijk is.
Hij lachte en zijn manschappen deden dit eveneens. Barabbas daarentegen staarde slechts vlak voor zich uit, terwijl zijn ogen uitpuilden als die van een achtervolgd dier, dat eindelijk gevat is. Doe tenminste dat uit liefde, zei hij op zwakke toon; ik heb ook honger en dorst geleden, maar Hanan is zwakker dan ik.
Weer zag de bevelhebber hem aan,  maar verwaardigde zich ditmaal niet een antwoord te geven. Zich plotseling omkerende, sprak hij het bevel uit, waarop hij zich aan het hoofd zijner manschappen plaatste, en de gehele troep, met Barabbas goed bewaakt in hun midden, schreed voorwaarts uit de donkere kerkerterreinen, naar de hogere verdiepingen van het gebouw en toen zij door de stenen gangen gingen, blusten zij hun fakkels uit, daar de nacht voorbij was en voor de morgen had plaats gemaakt.

                                                      HOOFDSTUK 3.
Op het voorplein der gevangenis aankomende, hield de troep daar halt, terwijl de zware poorten tot doorgang ontsloten werden. Buiten was de straat, de stad, vrijheid en Barabbas, die steeds voor zich uit staarde, uitte een  schorre schreeuw bracht zijn geboeide handen aan zijn keel, alsof hij dreigde te stikken.
Wat mankeert u, vroeg één der manschappen 't dichtst bij hem, hem een duw tegen de ribben gevend met het gevest van zijn wapen. Sta op, gek! Maak me niet wijs, dat wat verse lucht u kan doen tuimelen als een gewonde stier!
Want Barabbas wankelde en zou bijna bewusteloos op de grond gevallen zijn, zo niet de soldaten zijn wankelend lichaam opgevangen hadden en hem op niet al te zachte wijze en onder hevig vloeken, voortgesleept hadden. Zijn gelaat was echter doodsbleek en door zijn verwaarloosde baard waren zijn lippen duidelijk zichtbaar, vast gesloten over zijn samengeperste tanden, gelijk die van een lijk, zijn ademhaling was nauwelijks merkbaar.
De bevelhebber van de troep kwam naar voren en onderzocht hem.
De man is uitgehongerd, zei hij kortaf. Geef hem wijn! Dit bevel werd dadelijk uitgevoerd en er werd wijn gebracht aan de lippen van de bewusteloze gevangene, maar zijn tanden bleven stijf op elkaar geklemd en hij bleef buiten bewustzijn. Druppel bij druppel werd het vocht op ruwe wijze in zijn keel geschonken en na enige minuten begon zijn borst op en neer te gaan, een teken van terugkerend leven en zijn ogen sperden zich wijd open.
Lucht. . . . lucht! Hijgde hij. Vrije lucht, licht. Hij wierp zijn geboeide handen tastend om zich en toen begon hij met het snel terugkeren van zijn krachten, die opgewekt waren door de wijn, woest te lachen. 

Vrijheid! riep hij uit. Vrijheid! Om te leven of te sterven, wat doet het er toe! Vrij! Vrij! Houd u stil, hond! Zei de bevelhebber scherp. Wie vertelde u, dat gij vrij waart? Kijk naar uw geboeide polsen en wees verstandig. Mannen, bewaak hem goed! Vooruit! De gevangenisdeuren vielen dicht in haar knarsende scharnieren en de regelmatige stap van de kleine troep wekte een echo van metaalachtige muziek op, toen zij dwars over de straat defileerden en langs een steile trap neerdaalden, die naar een onderaardse doorgang leidde, die direct verbonden was met de Rechtbank, of het gerechtshof. Deze weg was een lange overwelfde gang, met verschillende bochten en krommingen en was schaars verlicht door olielampen, die op gelijke afstanden op armblakers geplaatst waren en waarvan het flikkerende licht de natuur1ijke duisternis der plaats nog te meer deed uitkomen. Duisternis en gevangenschap vielen hier even sterk op, als te voren in de kerkers en Barabbas, wiens hart opnieuw met vage vrees vervuld was, deinsde terug, sidderde en beefde, één of tweemaal,  door duizeligheid dreigde hij te vallen, toen hij trachtte in gelijke pas te blijven met de gelijkmatige tred van zijn begeleiders. De hoop stierf in zijn binnenste weg; het opkomende denkbeeld van vrijheid, dat hem tot zulk een verrukking en verwachting gebracht had, vlood nu gelijk een droom. Hij werd  zijn dood tegemoet geleid, daarvan was hij zeker. Welke genade kon hij verwachten uit de handen van de rechter, door wie hij wist, dat hij ondervraagd en veroordeeld moest worden?

Want was niet Pontius Pilatus landvoogd van Judéa? En had hij, Barabbas, niet in een ogenblik van onberedeneerde woede, één van Pilatus vrienden verslagen? Die vervloekte Farizeeërs! Zijn kruiperige manieren, zijn eigengerechtigde glimlach,  zijn witte hand met een glinsterend, kostbaar juweel aan de wijsvinger en al de beuzelachtige kleinigheden van gewaad en houding, die tezamen de be1edigende en aanmatigende persoonlijkheid van die man uitmaakten,  al die dingen herinnerde Barabbas zich met een gevoel van diepe afkeer. Hij zag hem nagenoeg nu, zoals hij hem toen zag, voordat hij hem met een verwoedde steek ter aarde velde, dood en afschuwelijk bloedend in het schitterende maanlicht, met zijn wijd geopende ogen nog tot het laatste ogenblik met stomme en vreselijke haat naar zijn moordenaar starende. En het is altijd leven om leven. Barabbas stemde in met de strenge rechtvaardigheid van deze wet. Het was slechts de gedachte aan de voorgeschreven wijze van ter dood brengen van schuldigen als hij, die zijn zenuwen deed trillen van angst en vrees. Indien hij gelijk de Farizeeër, slechts in één enkele seconde uit zijn bestaan kon weggerukt worden, 0, dat zou niets zijn, maar om op houten balken uitgestrekt, door de meedogenloze zon uren lang geblakerd te worden, terwijl iedere spier tot springens toe uitgerekt en iedere druppel bloed eerst gloeiend heet en dan ijskoud werd, dit was genoeg, om de sterkste man te doen sidderen; en Barabbas, die uitgeput was door het lange vasten en gebrek aan verse lucht, beefde zo hevig van tijd tot tijd, dat hij zich nauwelijks kon voortslepen. Zijn hoofd liep om en zijn ogen staken; zijn oren suisden, hetgeen gedeeltelijk veroorzaakt werd door het koken van het bloed in zijn hersenen en gedeeltelijk door de echo van een geluid, dat met iedere stap duidelijker werd, een geraas van driftige stemmen en van gejouw, in het midden waarvan hij zich verbeeldde zijn eigen naam te horen. 

Barabbas! Barabbas!
Verschrikt keek hij vragend naar de soldaten, die hem omringden, maar hun koude, bronskleurige gelaatstrekken verrieden niets. Tevergeefs poogde hij aandachtiger te luisteren, de kletterende wapens van zijn bewakers en de afgemeten tred hunner voeten op het stenen plaveisel verhinderden hem de werkelijke betekenis van die verwijderde uitroepen te onderscheiden. Doch ja, ja, daar was een tweede uitroep.
Barabbas! Barabbas!
Een vreselijke huivering greep hem eensklaps aan, een plotseling en vreselijk begrip van zijn ware toestand. De menigte, onvermurwbaar door alle eeuwen heen, riep blijkbaar om zijn dood en was juist nu bezig zich voor te bereiden, om van zijn marteling een feest te maken. Niets is heerlijker voor een barbaars gepeupel, dan de lichamelijke angst van een hulpeloos medeschepsel, niets kan hun lachlust beter opwekken dan het aanzien van de wanhoop, de pijn, en de wringende doodsstrijd van een rampzalig menselijk wezen, dat veroordeeld is om door een nodeloze langzame en barbaarse foltering om te komen. Daaraan denkende, vielen grote druppelen zweet langs zijn voorhoofd neer en toen hij zwak voortwaggelde, bad hij in stilte om een spoedig einde, bad dat zijn kokend bloed, genadiglijk in volle kracht, naar een teer deel zijne hersenen mocht stromen, zodat hij ineens in vergetelheid zou geraken, gelijk een steen in de zee. Alles, alles liever, dan het gejuich en het gespot te horen van een meedogenloze menigte, die om hem te zien sterven, optrok als naar een feest.

Nader en nader kwam het geraas en getier, afgewisseld door ogenblikken van betrekkelijke stilte en het was gedurende zulk een stilstand, dat de hem opgedrongen tocht eindigde. Na een laatste scheve hoek van de onderaardse doorgang omgeslagen te zijn, marcheerden de soldaten naar buiten in het daglicht en beklommen verscheidene brede marmeren trappen; waarna zij een open, cirkelvormig hof doorgingen, die leeg en koel was en zilvergrijs gekleurd door de vroege morgenstond. Eindelijk kwamen zij, na onder een  zuilvormige boog doorgegaan te zijn, in een grote zaal, die schijnbaar in twee vierkante ruimten verdeeld was, de ene nagenoeg leeg, behalve enige in het oog vallende gedaanten, die veel op standbeelden geleken, en met een achtergrond van donker purper en met gouden franje versierde gordijnen scherp uitkwamen; de andere, stampvol met lieden, die alleen door een rij Romeinse soldaten, met hun hoofdman, teruggehouden konden worden, van in het voor de rechters afgezonderde terrein te dringen. Bij het verschijnen van Barabbas met zijn gewapende begeleiders, draaiden de hoofden zich om en vluchtig gefluister deed zich onder de menigte horen; maar niet één blik van werkelijke belangstelling of medelijden werd er op hem gevestigd. De geest van het volk was met een veel gewichtiger zaak bezig. Er was een verhoor gaande, als nog nooit tussen muren van enige menselijke rechtbank was behandeld en een gevangene werd ondervraagd, die antwoorden gaf, zoals ze nog nimmer van een menselijk wezen gehoord hadden.

Met een plotselinge gewaarwording van verlichting begon Barabbas, bedwelmd als hij was, te vermoeden dat misschien al zijn angsten ongegrond waren geweest; er was hier geen bewijs, tenminste niet voor het ogenblik dat zijn dood geëist werd om een buitengewone feestdag aan de menigte te verschaffen en zelf aangestoken door de heersende geest van grote nieuwsgierigheid en aandacht, richtte hij zich zover mogelijk op, om te kunnen zien wat er gaande was. Terwijl hij dit deed, trok het volk in zijn onmiddellijke nabijheid zich met zichtbare afschuw terug; maar hij schonk weinig aandacht aan deze stomme uiting van afkeer, daar hun eenparig terugdeinzen een geschikte opening maakte, waardoor hij duidelijk de zetels van het gerecht met al zijn indrukwekkende omgeving kon onderscheiden. Verscheidene leden van het Sanhedrin waren daar gezeten, waarvan hij er enkele van aanzien kende, o.a. de hogepriester Kajafas en zijn collega Annas, enige schriftgeleerden namen lagere zitplaatsen in en waren druk bezig met schrijven en onder deze hoogwaardige en verheven persoonlijkheden bemerkte hij tot zijn verwondering een kleine, magere, rimpelige en kruiperige geldwisselaar, een man die wel bekend was en vervloekt werd door geheel Jeruzalem, om zijn hoge woekerrente en zijn wreedheid jegens de armen. Hoe kwam zulk een lage schurk hier? dacht Barabbas; maar hij kon zijn vraagstuk niet oplossen, want de hoofdpersoon, naar wie hij onwillekeurig uitzag en die hij aanstonds ontwaarde, was de Romeinse rechter, die rechter, van wiens streng droevig gélaat hij in de duisternis van zijn kerker had gedroomd .

Pilatus, de kalme, strenge, maar bij wijlen medelijdende scheidsrechter over leven en dood, al naar de rechtswetten, die in Judéa werden toegepast. Hij moest heden lijdend of vermoeid zijn, want zag ooit een wettige tiran er zo geestelijk vermoeid uit? In het grijze morgenlicht hadden zijn gelaatstrekken bijna de stroefheid en bleekheid van een lijk, zijn hand speelde  onbewust met het in juwelen gezette zegel, dat op zijn borst hing en onder de neervallende plooien van zijn ambtsgewaad tikte zijn in een sandaal gestoken voet ongeduldig op de grond. Barabbas staarde hem in doffe verbazing en vrees aan, hij zag er niet uit als een wreed, maar meer als een neerslachtig man en toch was er in zijn klassieke gelaatstrekken  en in de vaste lijnen om zijn dunne, samengeperste lippen iets, dat van weinig zachtheid en karakter getuigde, Wat zou wel de uitspraak over een moordenaar zijn, die één zijner vrienden had verslagen? En terwijl Barabbas daarover nadacht, ging er opeens vanuit de menigte rond om hem een niet te onderdrukken kreet, gelijk het geluid van losgebroken waterstromen, met donderend geraas in de gewelfde zaal op. Kruis hem! Kruis hem!
Het wilde geschreeuw was woest en ontzettend en met dit doordringende getier was de slaapachtige verdoving, die Barabbas min of meer bevangen had, opeens verdwenen. Met een plotselinge schok kwam hij tot zich zelf, gelijk iemand die ruw uit zijn slaap wordt geschud.

Kruis hem!
Kruisigen. . . . wie? Wiens leven werd zo hartstochtelijk geëist? Het zijne ? Neen, stellig niet het zijne, want het volk keek nauwelijks naar hem om. Hun blikken waren alle naar een andere zijde gekeerd. Zo hij niet de overtreder was, wie was het dan?
Nog meer naar voren dringende, volgde hij de verwoede blikken van de menigte en zag, geduldig onder de rechterstoel een gestalte staan. Dat ziende, hield hij geheel verbaasd zijn adem in, want de gestalte scheen de statigheid, al de reinheid, al de majesteit van de ruime Gerechtszaal in zich op te nemen, tezamen met al het licht, dat glinsterend door de ramen viel, het licht dat nu overging in de sterker wordende stralen van de opgaande zon. Zulk een glans, zulk een macht, zulk een heerlijke vereniging van volmaakte schoonheid en sterkte in één menselijk wezen, had Barabbas nog nooit gezien of van gedroomd en hij keek en keek tot zijn ziel zich bijna geheel verloor in die blik. Gelijk iemand in geestesvervoering, hoorde hij zich zelf fluisteren:
Wie is die Man daar?
Niemand antwoordde. Het kan zijn, dat niemand hem hoorde.
En hij herhaalde die vraag zacht bij zich zelf en hield zijn ogen gevestigd op dat grote en Goddelijke Wezen, wiens verheven uitzicht een volslagen meerderheid over mensen en zaken scheen aan te duiden, maar wat daar stil, in blijkbare onderwerping aan de wet, stond te wachten, met een enigszins dromerige glimlach op de schoon gevormde lippen en een geduldige uitdrukking in de neergeslagen ogen, als één, die stilzwijgend de openbare uitspraak verwachtte, die hij bij zich zelf reeds bepaald had.

Daar stond Hij, als een marmeren standbeeld, door de zon verlicht, rechtop en kalm, terwijl Zijn witte klederen van Zijn schouders achterwaarts in schilderachtige, gelijke plooien neerhingen, waardoor zijn blote, ronde armen zichtbaar werden, welke Hij in een rustige, onderworpen houding op zijn borst gekneld hield; zelfs in hun beweegloosheid verrieden zij zulk een mannelijke kracht, als bij een Hercules zou gepast hebben. Macht, grootheid, gezag, onoverwinnelijke meerderheid, waren alle stilzwijgend in Zijn wondervolle en onvergelijkelijke Tegenwoordigheid uitgedrukt en terwijl Barabbas nog betoverd,  overweldigd en in zijn geest ontroerd, stond te turen, hij wist echter niet waarom, braken de kreten van het volk nog heser en menigvuldiger, nog ongeduldiger en woester los.
Weg met hem! Weg met hem! Laat hem gekruist worden! En van ver buiten de menigte klonk een schone, schrille en doordringende vrouwenstem met een zich verheffend, wreed, maar schone klank uit boven het luide geroep.
Kruis hem! Kruis hem!
 

HOME.
HOOFDSTUK 4-6.