KANKER. 8 augustes 2006.
Oncoloog Robert Gorter staat aan de wieg van een doorbraak in de behandeling van kanker. Gorter is opmerkelijk succesvol met een behandeling met een vaccin van vitale afweercellen. Ode bezocht hem in zijn kliniek in Keulen.
Zes maanden. Veel langer zou de 59-jarige Joe Pacini niet meer leven. Dat zeiden de artsen althans, die hem behandelden aan alvleesklierkanker. Pacini, die nauwelijks nog kon lopen, schreef zijn testament en wachtte op het onvermijdelijke einde. Toen belde zijn zoon.

Hij had een lezing bijgewoond van Robert Gorter, de Nederlandse kankerspecialist, opgeleid aan de Universiteit van Amsterdam en de San Francisco Medical School van de University of California. In Keulen heeft Gorter een unieke behandelwijze ontwikkeld en daarover was Pacini’s zoon erg enthousiast geraakt. Pacini senior vloog daarop naar Duitsland. Na één behandeling kon hij weer een stukje lopen. Na twee dagen had hij geen pijnstillers meer nodig. Op de derde dag suggereerde Gorter dat ze samen wel eens zijn tachtigste verjaardag zouden kunnen gaan vieren. 

In 1999 stond Robert Gorter aan de wieg van een doorbraak in kankerbehandeling. Hij ontwikkelde een methode om zogenoemde dendritische cellen, die in het immuunsysteem een sleutelrol vervullen, te kweken. Het succes van deze methode is zo groot, dat hij er internationaal de aandacht mee trok. Op het congres van de American Society for Clinical Oncology, dé internationale ontmoeting van oncologen, baarde zijn onderzoeken veel opzien en instemming van collega’s.

Eén van die onderzoeken ging over 171 vrouwen met uitgezaaide borstkanker die vele vormen van chemotherapie en bestraling hadden ondergaan en waren opgegeven. Na de behandeling was bij zo’n tien procent geen enkel spoor van de kanker meer te vinden. Zestig procent van de vrouwen genazen niet volledig, maar kregen er vele jaren bij, terwijl de kwaliteit van hun leven aanzienlijk verbeterde. Volgens Gorter kan geen enkele andere therapie dat op dit moment bieden.

Toch is Gorter er de man niet naar om op zijn lauweren te rusten. Al 35 jaar werkt hij zeven dagen per week, veertien uur per dag, om nieuwe therapieën te ontwikkelen en bestaande behandelingsmethoden te verfijnen. Zijn patiënten kunnen hem altijd bellen – of hij nu in San Francisco zit, waar hij hoogleraar is aan de universiteit van Californië, in Kaapstad, Istanbul, Keulen of binnenkort in Dubai en Shanghai, waar hij de leiding heeft over klinieken – altijd staat hij voor hen klaar.

Gorter ontwikkelde de behandeling van kanker met behulp van dendritische cellen, in samenwerking met professor Wolfgang Köstler van de universiteit van Wenen en professor Hinrich Peters van de universiteit van Göttingen. De dendritische cellen zijn vitaal voor het herkennen en bestrijden van kanker, omdat ze systematisch alle cellen van het lichaam aftasten op zoek naar afwijkingen. Gorter: ‘Wanneer ze een abnormale cel ontdekken, verplaatsen ze zich bliksemsnel naar de dichtstbijzijnde lymfeklier, waar honderdduizenden killercellen als in een kazerne liggen opgeslagen.

Deze trekken erop uit als ze daartoe worden geïnstrueerd door dentritische cellen, als generaals die het leger aansturen.’
Eén dendritische cel kan ongeveer vijfduizend killercellen simultaan informeren over de kenmerken van een kankercel die moet worden gedood. Hij doet dat door zijn tentakels – dendritische cellen zien er uit als kleine inktvisjes – uit te slaan. Gorter: ‘Vervolgens zwermen de killercellen uit en doden iedere cel met deze kenmerken. Door dit proces worden alle kankercellen die patiënten dagelijks maken binnen 24 tot 36 uur gedood.’  

Volgens Gorter krijgt kanker vaak een kans doordat de dendritische cellen onvoldoende functioneren. ‘Een beetje “kankeren” doen we allemaal’, is zijn manier om uit te leggen dat ieder mens kankercellen in zijn lichaam heeft. ‘Het gaat echter fout als het lichaam deze cellen niet meer herkent of kan doden.’
Vandaar dat Gorter met zijn collega’s een methode ontwikkelde om grote hoeveelheden gezonde, lichaamseigen dendritische cellen te produceren en deze aan de patiënt terug te geven. Dat werkt als volgt: ‘Wij nemen vijf eetlepels bloed en isoleren daaruit monocyten (ongedifferentieerde of onrijpe  witte bloedcellen die in het beenmerg worden gemaakt, red.) die zich kunnen ontwikkelen tot dendritische cellen.

Na een week hebben we dan 15 tot 20 miljoen zeer vitale cellen die worden teruggegeven aan de patiënt. Deze worden goed verdragen. Veel mensen – zelfs al hebben ze uitzaaiingen – doen het dan heel veel beter of genezen volledig. De therapie werkt voor alle soorten van tumoren: zowel bij solide tumoren, zoals bijvoorbeeld dikkedarm-, borst- en longkanker, als bij niet-solide tumoren, zoals lymfomen en leukemieën.’

De behandeling (à 2600 euro) wordt zes keer herhaald met tussenpozen van een maand. Daarom spreekt Gorter over een ‘vaccinatie’. ‘Wanneer het immuunsysteem iets nieuws moet leren, of een bepaalde functie moet veranderen, moet je zo’n les een aantal maal herhalen. Bij kinderziekten zie je dat ook. Je moet eenzelfde vaccinatie een aantal keer geven. Het gaat vaak vanaf de derde of vierde vaccinatie echt beter met de patiënt.’ 
En inderdaad, een enkele keer zelfs al na de eerste behandeling, zoals bij Joe Pacini.

Toen Pacini per speciaal transport in Keulen aankwam, was hij op sterven na dood. Alvleesklierkanker is één van de meest agressieve en moeilijk te behandelen vormen van kanker. Zijn Amerikaanse artsen hadden hem al opgegeven omdat zijn lever voor tachtig procent was weggevreten door uitzaaiingen. Maar na drie dagen van infusen met dendritische cellen en hyperthermie (een methode waarbij kunstmatig koorts wordt opgewekt, red.) voelde Pacini zich al veel beter. ‘Ik kon zelfs de trappen naar de derde verdieping van mijn hotel op zonder enige hulp. Na de tweede dag dat ik hier was, heb ik geen enkele pijnstiller meer genomen, zo goed voelde ik me. Nu, drie maanden later, voel ik me zo fit dat ik drie tot vier uur per dag wandel.’

Er verschijnt een lach op zijn gezicht: ‘Gisteren ben ik nog heen en weer naar de Keulse Dom gelopen.’
Pacini’s oncoloog in de Verenigde Staten had na de eerste serie behandelingen een meting gedaan naar diens tumormarkers, abnormale eiwitten die alleen door kankercellen worden gemaakt en die de aanwezigheid en de agressiviteit van kanker laten zien. Die bleken sterk te zijn gedaald, terwijl ze volgens de voorspellingen juist omhoog hadden moeten gaan. Ook een tussentijdse scan gaf een duidelijke verbetering aan. Pacini: ‘Mijn oncoloog zei: “Ik weet niet wát ze daar doen, maar het werkt.”

Ondanks de toenemende belangstelling voor de therapie komt het onderzoek naar de behandeling met dendritische cellen nauwelijks van de grond. ‘Er valt niet veel geld te verdienen met dat onderzoek’, verklaart Gorter. ‘Je kunt er geen patent op aanvragen, omdat dendritische cellen lichaamseigen zijn. Daarom zijn farmaceutische bedrijven niet geïnteresseerd. Er zijn dan ook nooit klassieke, gerandomiseerde onderzoeken gedaan, omdat zulk onderzoek erg duur is.’ Gorter vermoedt dat zijn behandelwijzen, net als andere alternatieve moethoden, niet worden goedgekeurd door invloedrijke instanties als de Amerikaanse Federal Drug Administration, omdat ze de farmaceutische industrie hinderen. Artsen kunnen zelfs worden aangeklaagd wanneer ze de therapie wél toepassen.

En dat is precies de reden waarom Gorter in Duitsland is neergestreken. De flamboyante arts voelt zich beter thuis in een klimaat waarin hij zijn eigen gang kan gaan. Zoals hij zijn spijkerbroeken en bloemetjesoverhemden afzwoer toen ze in de mode kwamen en verruilde voor vlinderdasjes, zo kan hij in Duitsland ongestoord zijn eigen spoor trekken en experimenteren met nieuwe behandelmethoden. Gorter: ‘Duitse artsen genieten een unieke vrijheid die in de grondwet is vastgelegd. Onlangs nog hebben de twaalf rechters van het hoogste juridische gerechtshof in Karlsruhe unaniem besloten dat bevoegde artsen bij ernstig zieke patiënten volledige vrijheid van handelen hebben en dat verzekeringen de voorgeschreven therapie dienen te betalen.’

Daarom is het geen toeval dat liefst 1350 van de 1500 patiënten die Gorter jaarlijks behandelt uit andere windstreken komen en zijn uitgeweken naar Duitsland.
Door deze therapievrijheid zijn in Duitsland actieve artsen niet beperkt tot de standaardmethoden die de meeste artsen in Westerse landen hebben te bieden: opereren, bestralen of chemotherapie. In Duitsland worden nieuwe, maar ook klassieke geneeswijzen volop ingezet en naast elkaar gebruikt. Gorter maakt bijvoorbeeld veelvuldig gebruik van een antieke geneeswijze: hyperthermie of koortstherapie. Hypocrates zei al: ‘Geef me koorts en ik genees iedere ziekte.’

De therapie werd rond 1880 bij toeval herontdekt door de Amerikaanse arts, William Coley. Coley had een patiënt van wie hij zeker wist dat deze zou sterven. De man was al vijf maal aan tumoren in zijn nek geopereerd. De laatste operatie was niet volledig geslaagd en zijn toestand werd verder gecompliceerd door een ernstige huidziekte die met hoge koorts gepaard ging. De man overleefde de koorts. Nog opmerkelijker was dat de tumoren ook waren verdwenen.

Coley dook in de medische literatuur en ontdekte dat dit vaker voorkwam: zodra patiënten hoge koorts ontwikkelden, verdwenen de tumoren. Coley begon met succes te experimenteren met het kunstmatig opwekken van koorts bij kankerpatiënten. Hij deed dat door het toedienen van ziektebacillen. Soms spoot hij deze bacillen zelfs rechtsreeks in de ergste, niet te opereren tumoren, om ze meermalen binnen enkele uren als sneeuw voor de zon te zien verdwijnen.

Gorter: ‘Koortstherapie werkt fantastisch – alleen én in combinatie met andere therapieën. Wanneer je chemotherapie combineert met koortstherapie zul je minder bijwerkingen hebben van de chemo.’ Hij legt uit: ‘Kanker is een zogenaamde “koude ziekte” en verdwijnt in veel gevallen wanneer de lichaamstemperatuur stijgt. Het immuunsysteem werkt ook optimaal in geval van koorts. Het enige nadeel van Coleys therapie was, dat hij de hoeveelheid koorts niet nauwkeurig kon doceren. Inmiddels kunnen we dat wel met behulp van speciale bedden, waarin patiënten tot aan hun nek worden ingepakt en waar we de temperatuur gedoseerd, door middel van infrarode lampen, kunnen opvoeren tot ongeveer veertig graden.’

Wanneer Gorter kanker een ‘koude’ ziekte noemt, heeft hij het niet alleen over de temperatuur. ‘Het kenmerk van vele moderne ziekten is, dat ze afkoelend, slopend, verhardend en chronisch zijn. Tot voor kort werden vrijwel alle epidemieën – zoals bijvoorbeeld tbc, malaria en de griep – veroorzaakt door parasieten of bacteriën. Vooral na de Tweede Wereldoorlog zie je dat bacteriën steeds meer naar de achtergrond worden gedrukt. Ze zijn er nog wel, maar niemand sterft tegenwoordig nog aan een longontsteking. Maar wat komt ervoor in de plaats?

Slopende, degeneratieve ziekten die veelal worden veroorzaakt door virussen, zoals hepatitis (B en C). Het kenmerk van deze ziekten is verharding of sclerose. Wanneer virussen worden geïsoleerd, nemen ze de vorm van een kristal aan; het lijkt op fijn keukenzout.’
Negenennegentig procent van alle kankers is ook hard. Gorter: ‘Als je in de borst een knobbeltje kan indrukken – als het een beetje sponsachtig is – dan zeggen artsen: “We kijken het nog een maandje aan.” Wanneer het knobbeltje echter hard is en je nogal eens verkalking in het mammogram ziet, is dat uiterst verdacht en meestal kwaadaardig.’

Die verharding komt niet alleen tot uitdrukking in moderne ziekten als kanker, aderverkalking, MS en ME, maar volgens Gorter ook in onze waarden, normen en taalgebruik. Gorter: ‘In onze maatschappij word je niet goed betaald omdat je een warm hart hebt, maar omdat je een slim hoofd hebt. We moeten koel en efficiënt zijn en vooral niet teveel hartelijkheid en enthousiasme tonen. Wie dat wél doet, wordt al snel als een beetje gek of overdreven gezien. Het is een illustratie van onze tijd.’

Om die reden zijn zachtheid – of liefde – en warmte bij uitstek genezend voor kanker. Gorter vraagt zijn patiënten bijna altijd of ze nog ergens warm voor lopen, of ze nog een ideaal hebben: ‘Ik vraag ze: “Doet u nog wel eens iets voor andere mensen?” Velen kijken me dan aan en zeggen dat ze al tientallen jaren zo bezig zijn met hun werk dat ze al die tijd niets voor anderen hebben gedaan.’ 
Gorter weet uit eigen ervaring hoe helend enthousiasme, liefde en optimisme kunnen zijn. Toen hij op zijn zesentwintigste zelf een agressieve vorm van kanker met uitzaaiingen in de buik en longen kreeg, wist hij zichzelf te genezen.

Hij nam koortsbaden – iets wat hij niet zonder meer bij oudere patiënten aanraadt, omdat je er hevige hartkloppingen en na afloop lage bloeddruk van kan krijgen en er erg duizelig van kan worden. Ook besloot hij met nog meer vreugde en optimisme in het leven te staan. Nu weet hij: ‘Als je ergens warm voor loopt, heb je een motief om te leven. Uiteindelijk is dat dé manier om uit de vicieuze cirkel van verharding en verkoeling te stappen.’
Robert Gorter is te bereiken via Medical Center Cologne, Hohenstaufenring 30-32, 50674 Keulen, Duitsland,
telefoon (LET OP: ANDERS DAN IN PAPIEREN VERSIE VAN ODE) +49 (0)221 7886301.
N. N.

                                     VOOR EN NA DE DIAGNOSE.
Inleiding:
Vandaag, 23 mei 2006, is voor mij een bijzondere dag: ik heb gehoor gegeven aan de suggestie om dit boek te gaan schrijven. In eerste instantie streelt dat je ego, doch vrij snel daarna dringt de realiteit tot je door en realiseer je je de consequenties. Eigenlijk zou een dergelijk proces in algemene zin een ieder veelvuldig moeten overkomen, omdat met name dat ego, en die behoefte tot streling daarvan, slechts zelden leidt tot waardevolle bijdragen.

In het midden latend of het in dit geval van toepassing is, blijft evenwel overeind dat schrijven als zodanig een uiterst zinnig proces betreft. Het dwingt je om datgene, wat binnen de desbetreffende context naar jouw opvatting in eerste instantie relevant en vermeldenswaard is, nog eens op zijn merites te beoordelen en in het juiste perspectief te plaatsen.

In dit boek speelt echter ook een extra dimensie een rol, omdat het grotendeels mijn ervaringen als kankerpatiënt tot onderwerp heeft. In hoeverre zouden mijn ervaringen van enig nut kunnen zijn voor u, de lezer?

Uiteraard kan ik deze vraag voor u niet beantwoorden, maar misschien staat u mij toe mij daarbij wel speculatief op te stellen. Inherent aan mijn generatie (ik ben nu 69 jaar) is onder meer een vorm van gezagsgetrouw functioneren. Binnen die context valt tot op zekere hoogte ook onze houding en opstelling tegenover de medisch specialist te verklaren als deze ons overvalt met de diagnose kanker.

Ik spreek hier niet zozeer uit eigen ervaring - zoals hierna genoegzaam zal blijken - doch vanuit de contacten met de honderden, veelal terminale patiënten, die ik zo goed mogelijk tracht te begeleiden. Het is daarbij, als tegenstelling, in hoge mate verfrissend als ik mijn zonen en dochter - als representanten van een duidelijk andere generatie - zie functioneren in hun opstelling jegens de medische stand. Bovendien zijn lang niet al mijn generatiegenoten vertrouwd met internet en de daarop gebaseerde informatiebronnen.

Dat ik gehoor heb gegeven aan het verzoek tot schrijven is deels ingegeven door mijn eigen ervaringen na het in 1996 vernemen van de diagnose, resulterend in een grote verslagenheid, opstandigheid, onbegrip en berusting, gevolgd door een behoefte aan liefde, troost en handreiking, met uiteraard daarna een honger naar het vergaren van kennis omtrent het fenomeen kanker. Voor wat betreft het vergaren van kennis bespeurde ik reeds snel het nadeel van de specialisatie bij de medische stand, daar ik niet zelden het gevoel kreeg mij op een breder veld te hebben georiënteerd dan mijn gesprekspartner/behandelaar.

Voor een ander deel gaven en geven mij nog steeds de ervaringen, dagelijks opgedaan via contacten met medepatiënten vanuit de door mij opgerichte Stichting, de overtuiging dat de behoefte aan steun en begeleiding bij ons enorm is. Zeer essentieel daarbij is de factor liefde, waaraan ik daarom een apart hoofdstuk heb gewijd, en die heel treffend wordt geïllustreerd in een gisteren ontvangen e-mail. Ik citeer, met toestemming van de afzender, een enkele zin daaruit:

“Ik ben wel emotioneel, erg labiel in de zin van huilen als mensen lief voor mij zijn. En, oh Henk, wat zijn er vele lieve mensen; ik heb zoveel warmte en liefheid naar mij toe gekregen. Ik heb toch weer een beetje hoop dat er nog wel wat tijd voor mij inzit; blijkbaar zijn er in mij nog krachten, die voor vermindering van klachten kunnen zorgen.”

Vooralsnog aannemende, dat dit boek informatief zou kunnen zijn, resteert dan nog de niet onbelangrijke vraag in welke vorm het boek gegoten zou moeten worden en in welke schrijfstijl.

Wat de vorm aangaat - op de schrijfstijl kom ik straks - kies ik voor een indeling en een inhoudsopgave, die het de lezer mogelijk maken díe hoofdstukken over te slaan, die buiten de interessesfeer vallen, dan wel genoegzaam bekend terrein zijn.

Hoofdstuk 7 zal daarin een bijzondere positie gaan innemen, die ik reeds hier graag nader toelicht. Alhoewel ook daar de relatie met kanker onbetwistbaar is, kan ik niet aan de verleiding weerstaan om mijn grote zorgen te verwoorden over de wijze, waarop we onze kosmos geweld aan doen. Omdat de onderlinge verbanden legio zijn, zal dat tot gevolg hebben dat een breed scala aan onderwerpen de revue zal passeren.

De volgorde van de hoofdstukken heeft enig overleg gevergd. Gekozen is voor een benadering, waarbij in het eerste hoofdstuk wordt getracht enig inzicht te bieden in de omstandigheden, die de schrijver tot op zekere hoogte hebben gevormd, daarbij in dit bestek voorbijgaand aan ook andere factoren die uiteraard hun invloed hebben doen gelden.

Gegeven de onderwerpen die successievelijk aan de orde komen, geeft dit enig perspectief aan de aard van de genomen beslissingen in mijn recente verleden en de belichting van waaruit dit proces plaatsvond. Daarbij heeft natuurlijk ook mijn literatuurvoorkeur de nodige invloed uitgeoefend.

In het tweede hoofdstuk doe ik verslag van een greep uit vele - soms vanuit een zekere paniek - gekozen behandelingen, preparaten en wederwaardigheden als kankerpatiënt. Voorzover ik het vermag daarover zelf te oordelen, ben ik daarin openhartig en oprecht; zowel over mijzelf als patiënt als richting betrokken artsen en specialisten.


In het derde hoofdstuk staan voeding en aanverwante zaken in relatie tot kanker centraal.
In het vierde hoofdstuk besteed ik ruim aandacht aan de psyche in relatie tot kanker, waarbij ik niet schroom om ook onderwerpen als psychedelica en entheogenen ter sprake te brengen.
In het vijfde hoofdstuk breek ik een lans voor het fenomeen zelfgenezing; een benadering waaraan in mijn optiek te weinig aandacht wordt besteed. Voor diegenen, voor wie de bijbel hier het uitgangspunt dient te zijn, heb ik aan het slot van het hoofdstuk de daarop geënte leidraad toegevoegd.

In het zesde hoofdstuk staat de liefde centraal. Hoewel kanker door specialisten niet zelden moeizaam neutraal wordt aangeduid als een ‘ruimte innemend proces’, typeer ik het fenomeen liever als een ‘koude’ ziekte, waarbij liefde het adequate recept is. Dit moge het in het hoofdstuk ruimschoots gelegde accent daarop genoegzaam verklaren.

In het zevende hoofdstuk stel ik ons milieu voor een deel verantwoordelijk voor de progressie van kanker en stipuleer ik de noodzaak tot een snelle en radicale koerswijziging. Het is vijf minuten voor twaalf, zoals u onder meer ook zult constateren bij het zien van de film An Inconvenient Truth; een film, die u te denken zal geven en die de strekking van hoofdstuk 7 in hoge mate zal ondersteunen.
In het achtste hoofdstuk geef ik een - niet limitatief - overzicht van de ons ter beschikking staande begeleiding bij het verwerken van de diagnose kanker.

Ongeveer tien jaar geleden werd ik, als door de spreekwoordelijke donderslag bij heldere hemel, opgeschrikt door de diagnose kanker. Het zette mijn hele wereld op zijn kop en deze ervaring vormde aanleiding tot een wezenlijke herschikking van prioriteiten. Met name de emotionele en psychische effecten van dit proces kunnen leiden tot een niet geringe transformatie van instelling en karakter. Elke ziekte kan een enorme impact hebben, maar die wordt nog groter door het trauma van een beangstigende diagnose.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat mensen, die een confronterende diagnose te horen hebben gekregen, achteraf zeggen dat ze de lippen van de specialist wel zagen bewegen, maar nauwelijks iets gehoord hebben; je komt in een andere staat van bewustzijn. Door het niet-aflatende crisisgevoel dat die diagnose teweeg brengt, zoek je houvast; net als mensen die bij een ongeval ernstig gewond raken. Door letterlijk of figuurlijk door de specialist bij de hand te worden genomen en met gezag te vernemen, dat er nog mogelijkheden open staan, kun je enigszins gerust worden gesteld en kan de verlammende uitwerking van de boodschap doorbroken worden.

Zoals ik in dit boek zal proberen toe te lichten, bestaan er mogelijkheden, waarmee je het autonome zenuwstelsel zódanig kunt aanspreken, dat je een gewenste verandering teweeg kunt brengen; sterker nog, dat je je bedreigde orgaan kunt ‘toespreken’ en ‘moed inspreken’. Ik ga daar wat nader op in; later in dit boek kom ik er uitvoeriger op terug.

De uitvinder van de leugendetector, Cleve Backster, zette witte bloedcellen (leukocyten), verkregen via een uitstrijkje uit de mond van een proefpersoon, op kweek. Hij bracht deze kweek over naar een locatie op een afstand van 12 kilometer van zijn proefpersoon, plaatste de elektroden van de leugendetector in die kweek en sloot de proefpersoon op een andere leugendetector aan, waarna hij hem blootstelde aan aangrijpende, schokkende of hilarische televisiebeelden. Op de geëigende momenten begon de naald van de leugendetector van zowel de celkweek als de proefpersoon te zwiepen en bleef dat doen zolang de desbetreffende beelden daartoe aanleiding gaven.

Ook bij andere levensvormen bleken mentale effecten op afstand te kunnen worden bewerkstelligd: Cleve sloot elektroden aan op bladeren van een plant in zijn kantoor. Tot zijn verbazing constateerde hij, dat de naald van de detector wild op en neer danste op juist díe momenten waarop hijzelf een sterke emotionele reactie ervoer, ongeacht of hij in zijn kantoor was of daarbuiten. De bladeren van de planten reageerden zelfs nadat ze fijn gewreven waren en de resten over het oppervlak van de elektroden waren verdeeld!

Meer bekend en niet minder saillant is ook de interactie van bomen: bij een proef temidden van een groep bomen werd van een willekeurige boom een tak afgezaagd. Daaraan voorafgaand waren op de bladeren van omringende bomen elektroden aangelegd. Vanaf het ogenblik dat de zaag in de bewuste boom werd gezet reageerden de detectoren op de omringende bomen heftig en constant. Van een bepaalde boomsoort in Zuid-Afrika is algemeen bekend, dat deze over een uiterst effectief afweermiddel beschikt, dat berust op tannine en interactie: zodra giraffen zich op een al te gretige manier tegoed doen aan hun bladerdek, scheiden deze bomen een overmaat aan tannine, een bittere stof, af. Dit proces wordt echter niet alleen in gang gezet bij de bewuste bomengroep, doch geschiedt gelijktijdig tot in de wijde omtrek, hetgeen de giraffen noopt tot het verleggen van hun aandacht naar elders.

De meest directe, intense en dus ook evidente informatie wordt overgedragen tussen ‘dingen’ - in het onderhavige geval organen - die onderling deel uitmaken van een groter geheel. Bovendien bestaat er geen categorische scheiding tussen stof en geest! Stof en geest zijn verschillende aspecten van dezelfde werkelijkheid. Alle dingen in het universum hebben cognitie; het vermogen tot weten: moleculen ‘weten’ hoe ze zich moeten combineren tot cellen; cellen ‘weten’ hoe ze schadelijke indringers moeten benaderen; bomen ‘weten’ dat ze tannine moeten afscheiden om al te gretige giraffen af te schrikken; en het kwantum ‘weet’ of het zich zal tonen als golf of als deeltje.

Het probleem is evenwel, dat de meeste mensen zich er niet van bewust zijn dat je met een mentaal beeld het verloop van een ziekte (of een noodsituatie) drastisch kunt veranderen. Het Amerikaans Genootschap van Orthopedisch Chirurgen stelt in dit verband: bij hevige stress kan een nietszeggende opmerking of iets dat als grapje bedoeld is, zich in de gedachten van de patiënt vastzetten en een enorme schade veroorzaken.

Het bovenstaande geeft mij een mogelijkheid om terug te komen op de schrijfstijl. Wij zijn enerzijds allen deel van een groter geheel maar anderzijds wordt de meest directe, intense en dus ook evidente informatie overgedragen tussen entiteiten, die samen een collectiviteit vormen; neem de bomen, die onderling communiceren.

Het is dan ook mijn overtuiging, dat onze soort - de mens - zich in een zeer ver verleden bij haar communicatie niet van een taal bediend heeft. Naar analogie met bv. de overdracht van tv-beelden van zendstation naar mijn tv-scherm, waren mijn zeer verre voorouders in staat en gewoon om hun boodschap uit te zenden (ook over grotere afstand) en te projecteren op het denkbeeldige netvlies van hun ‘gesprekspartner’. Iedere fijne nuance van zijn of haar boodschap, behoefte of intentie kwam daardoor zonder ‘ruis’ bij de ontvanger over en gaf daarmee volledige duidelijkheid in wederzijdse ervaringen en bedoelingen.

De geleidelijke overgang naar het gesproken woord impliceerde een onmiddellijke verarming van de communicatie en gaf aanleiding tot een dienovereenkomstige mate van toenemend wederzijds onbegrip. Een proces, dat nog wordt versterkt als de ontvanger autonoom gaat interpreteren en daarbij feedback verzuimt; helemaal wanneer de zender zich aan taalverarming schuldig maakt.

Alhoewel mijn uitgever mij heeft verzocht bloemrijk taalgebruik zoveel mogelijk te vermijden, kan ik u zeggen, dat dit mij niet bij voortduring voor ogen zal staan.

De door mij opgedane ervaringen (tijdens en na de diagnose) waren er aanleiding toe de hiervoor reeds genoemde Stichting in het leven te roepen. Dagelijks tracht ik in grote oprechtheid, via e-mail - teneinde voor mij de emotionele belasting binnen de perken te houden - op de door patiënten opgedane ervaringen op een betrokken wijze te reageren, waarbij ik bijna dagelijks bijleer, de daarmee verworven inzichten in praktijk probeer te brengen en me mijn tekortkomingen daarbij realiseer. Op onze website wordt het onderwerp ‘Zelfgenezing’ het meest frequent geraadpleegd en daarmede kom ik dan terug op de inleiding van mijn boek. De suggestie werd geopperd om het fenomeen ‘Zelfgenezing’ van de website door middel van het schrijven van een boek een wat ruimere context te geven.

Een bijkomend aspect zou dan kunnen liggen in het bereiken van een wat breder publiek dan degenen, die hun informatie via internet vergaren. Tijdens de voorbespreking werd onder meer verwezen naar de angstwekkende toename van het aantal kankerpatiënten.

Vandaag, het is nog steeds 23 mei, lees ik in een landelijk ochtendblad een in dat opzicht markant redactioneel artikel:

“Kanker, jaarlijks krijgen in ons land 75.000 mensen deze diagnose te horen. Inmiddels is kanker doodsoorzaak nummer één onder mannen. De medische begeleiding voor deze patiënten is goed geregeld. Operatie, chemokuur of bestraling, alles wordt gedaan om de patiënt zo goed mogelijk te ‘genezen’ of om het leven te verlengen.

Heel anders is het in Nederland geregeld met de niet-medische begeleiding van kankerpatiënten. Volgens vele duizenden patiënten en nog veel meer naasten is deze opvang er gewoonweg niet. Uit verschillende onderzoeken - van onder meer het VU Medisch Centrum in Amsterdam en het Helen Dowling Instituut in Utrecht - blijkt dat ongeveer eenderde van de patiënten met kanker behoefte heeft aan psychosociale begeleiding van bv. een maatschappelijk werker, een psycholoog of een geestelijk verzorger.

’Meteen na de diagnose en tijdens het gehele behandeltraject zit je in een trein die maar doordendert. Patiënten en ook hun familieleden hebben in deze periode vaak absoluut geen ruimte om na te denken over het emotionele gevolg van de ziekte’, zegt Groosman, die zelf jarenlang oncologisch verpleegkundige is geweest. Pas enkele weken of zelfs soms maanden na de behandeling komen de vragen en de angst voor het terugkomen van de ziekte of voor de dood.’ Als de behandeling is afgelopen komt de patiënt in principe niet meer in het ziekenhuis.

Ik hoor van veel mensen dat ze dan niet weten waar ze naar toe kunnen. Deze mensen zitten vol met vragen en angsten. De patiënten hebben juist na een zware behandeling behoefte aan verwerking. Hun hele leven komt in een ander licht te staan. Alle relaties veranderen.”

In 1997 werden de leeftijdsgrenzen voor bevolkingsonderzoek aangepast, van 35 tot 55 jaar werd van 30 tot 60 jaar. Inmiddels gaan er stemmen op om de minimumleeftijd nog vérder te verlagen op grond van de recente ontdekking dat het seksueel overdraagbare HPV-virus de belangrijkste veroorzaker is van baarmoederhalskanker en ingegeven door de omstandigheid dat meisjes op steeds jongere leeftijd seksueel actief worden.

Tevens zijn er maatregelen nodig om de deelname aan het onderzoek te stimuleren, omdat 25% van de vrouwen het laat afweten, hetgeen wordt toegeschreven aan angst voor het onderzoek (en de uitslag).
Een oplossing wordt nu gezocht in het benaderen van de thuisblijvers met een ‘doe-het-zelf-uitstrijkje’: het toezenden dus van een thuistest. Vrouwen kunnen daarmee bij zichzelf een uitstrijkje afnemen en de test dan sturen naar een laboratorium, waar de aanwezigheid van een eventueel HPV-virus kan worden vastgesteld. Blijkt het virus aanwezig, dan kan het reguliere uitstrijkje bij de vertrouwde huisarts plaatsvinden.

De diagnose baarmoederhalskanker is voor elke vrouw een ramp, maar voor twintigers die kinderen willen is die extra groot. Ze verliezen hun baarmoeder en daarmede ook het gezin dat ze wensten. In Toronto is een operatietechniek ontwikkeld - en door gynaecologisch oncoloog Leon Massuger naar Nijmegen gehaald - die niet, zoals gebruikelijk was, de hele baarmoeder weghaalt, doch alleen het door kanker aangetaste deel.

Uiteraard kan dit slechts als de tumor nog niet te groot is. Nog tijdens de operatie wordt gecontroleerd of de snijvlakken vrij zijn van kankercellen. Van de dertig jonge vrouwen, die de afgelopen jaren op deze wijze in Nijmegen werden geopereerd, is een aantal alsnog zwanger geraakt. Omdat de baarmoeder als gevolg van de ingreep kleiner is, treden er eerder weeën op en de vrouwen moeten altijd via een keizersnede bevallen.

Wereldwijd sterven jaarlijks, voor zover er cijfers bekend (derde wereldlanden) en beschikbaar zijn, naar schatting 270.000 vrouwen aan baarmoederhalskanker en het is dan ook - ik citeer daarbij Michael Keefer van de universiteit van Rochester - een doorbraak, dat de Amerikaanse FDA haar goedkeuring heeft gehecht aan een vaccin, dat infectie door dat menselijke papillomavirus (oma = gezwel) voorkomt; het virus dat baarmoederhalskanker kan veroorzaken als het niet behandeld wordt. Het vaccin heet Gardasil (van MSD) en wordt toegediend in een serie van drie injecties over een periode van zes maanden.

Binnenkort zal er een tweede vaccin beschikbaar zijn, te weten Cervarix van GlaxoSmithKline (meer bekend als GSK), waarvan medio 2007 Europese registratie wordt verwacht.

Er zijn meer dan honderd verschillende menselijke papillomavirussen. Twee daarvan zijn echter verantwoordelijk voor circa 70 procent van de gevallen van baarmoederhalskanker. Gardasil bewerkstelligt immuniteit tegen vier verschillende HPV-virussen, waaronder de genoemde twee, en Cervarix tegen deze twee.

In Nederland wordt jaarlijks bij ongeveer 650 vrouwen baarmoederhalskanker ontdekt en sterven jaarlijks ruim 200 vrouwen aan deze kankervariant.

Aangezien baarmoederhalskanker in ontwikkelingslanden een frequente doodsoorzaak is, zou het gebruik van condooms nog meer moeten worden aangemoedigd. En dan niet alléén doordat deze condooms de overdracht tegengaan van het humaan papillomavirus; sperma bevat namelijk bestanddelen (prostaglandinen) die de groei van tumoren in de baarmoederhals bevordert.
Bron: vakblad Human Reproduction; S. Battersby van de University of Edinburgh

Het hiervoor genoemde bevolkingsonderzoek is nauw verwant aan een reeds tien jaar durende comparitie of prostaatkanker al dan niet vroegtijdig moet worden opgespoord via een periodiek bevolkingsonderzoek vanaf een nog nader te bepalen leeftijd. In 1994 is daartoe een Europese studie ingesteld met de naam European Randomised Study of Screening for Prostate Cancer. Pas in 2008 vallen daaromtrent uitkomsten te verwachten. Kijken we naar de cijfers, dan valt op dat in 1990 bij ongeveer 4.000 mannen prostaatkanker werd vastgesteld en in 2005 bij ongeveer 9.500. Uit deze cijfers valt nauwelijks een conclusie te trekken; het accent dient hier namelijk te liggen op het vaststellen van en niet op de aanwezigheid van prostaatkanker.

Als toelichting daarop moge gelden, dat ik mijn zoons – omzichtig - verzoek om periodiek hun psa te laten bepalen; mijn vader daarentegen heeft mij op die noodzaak nimmer gewezen, omdat de gedachte daaraan in zijn tijd geen usance was. Het is daarbij dan bovendien nog de vraag of ik mijn zonen daarmee een dienst bewijs. Vastgesteld is namelijk (Amerikaanse cijfers), dat de meeste mannen dood gaan met, maar niet aan prostaatkanker. Geconfronteerd worden met de diagnose leidt immers tot immense onrust, gevolgd door een nauwelijks te overwinnen wantrouwen ten aanzien van het functioneren van het eigen lichaam.

Let wel, het is geenszins mijn bedoeling om het hiervoor genoemde bevolkingsonderzoek hiermede ter discussie te stellen; daar geldt een geheel ándere invalshoek! Bij prostaatkanker ligt de essentie in de omstandigheid - en ik baseer mij hier wederom op gegevens uit de VS - dat slechts één op de zeventien mannen bij wie prostaatkanker werd vastgesteld ook aan deze ziekte sterft. Deels is dat inderdaad het gevolg van een vroege diagnose maar deels ook, omdat prostaatkanker in veel gevallen een ziekte is, waarmee de patiënt (heel) oud kan worden. Voeg daar dan nog aan toe de veelvoorkomende bijwerkingen van behandeling zoals incontinentie en impotentie, leidend tot een verminderde kwaliteit van leven.

Enige toelichting hierop geeft een in European Urology verschenen rapport (2006) over hoe Zweedse mannen de geestelijke en fysieke belasting ervaren van door behandeling veroorzaakte bijwerkingen (een stevig understatement) in relatie tot de optie om een behandeling te weigeren en korter te leven. Een patiënt met een recent gediagnosticeerde prostaatkanker kan namelijk kiezen uit een scala aan therapieën.

Uit dit onderzoek kwam naar voren, dat de bereidheid tot acceptatie van bijwerkingen erg varieert en nauwelijks genuanceerd is. Ik doel daarbij op het feit dat ze ofwel volledig bereid waren, ofwel geenszins. Daarbij werd fecale incontinentie als meest bedreigend ervaren! Ik geef u de cijfers uit dit onderzoek.

Bereidheid tot acceptatie van eventuele fecale incontinentie: 37%; urine incontinentie: 48%; gynaecomastie (borstvorming bij mannen): 53%; dieetbeperkingen: 55% en erectiele disfunctie: 64%.

Deze studie werd verricht in 2002 via een vragenlijst bij 591 mannen bij wie in 1999 prostaatkanker werd vastgesteld; 511 van hen reageerden.

Terug naar de aanleiding tot het schrijven van het boek. Wonderen zijn niet in tegenspraak met deNatuur, maar in tegenspraak met wat wij van de Natuur weten (Augustinus).

Corbin Harney spiritueel leider van de Soshonen, stelt dat het innemen van een kruidenpreparaat (of farmaceutisch middel) niet half zo veel effect sorteert als het gebruik van datzelfde middel, maar dan ondersteund door een bepaalde overtuiging, van welke aard dan ook. Hij doet die uitspraak hier binnen de context van het gebruik van een bepaald soort gras, dat heel effectief blijkt bij de behandeling van kanker onder indianen. Als ik hem mag citeren: Wonderen moet je toelaten in je hoofd, we moeten met de Geest meewerken.

Er blijkt een wisselwerking te bestaan tussen emoties, overtuigingen, innerlijke verbeelding en biochemische processen. Tijdens een tien jaar durend onderzoek onder 1300 personen, die daarvóór niet medisch gediagnosticeerd waren, kon, louter op grond van wat vooraf over hun karakter en emoties was vastgesteld en vastgelegd, met statistisch significante precisie worden voorspeld of iemand aan kanker zou overlijden (mensen met onderdrukte emoties; zie het onderwerp Ayahuasca) of aan een hartziekte (mensen die agressief en/of haatdragend zijn).

Zien we hier een relatie met de aard van het terminale verloop, daarnaast geldt evenzeer dat de reactie op een gebeurtenis net zo bepalend kan zijn voor je welzijn en welbevinden als de gebeurtenis op zich. U kent misschien het voorbeeld (van Deepak Chopra) van twee personen in dezelfde achtbaan: de een is doodsbang en maakt stresshormonen aan, die - na verloop van tijd - zijn immuunsysteem zullen verzwakken; de ander geniet en maakt een overdaad van chemische stoffen aan, onder andere interferon en interleukin, die het immuunsysteem juist versterken.

Als de reactie op een gebeurtenis even belangrijk is als de gebeurtenis zelf, dan zal iemands innerlijke respons op een crisis (in ons geval de diagnose) het zelfgenezende vermogen ofwel stimuleren, ofwel tegenwerken. Hier kom ik dan ook graag later uitvoerig op terug, want met name dat aspect vormde de belangrijkste beweegreden om via deze weg uw aandacht te vragen.

Enerzijds kan gesteld worden, dat gevoelens en gedachten niet alleen tot uitdrukking komen in onze geest, doch ook in ons lichaam; anderzijds manifesteert een lichamelijke ziekte of chemische onbalans zich niet alleen in ons lichaam, doch ook in onze geest. Die chemische onbalans heb ik met name mogen constateren en ervaren bij mijn moeder tijdens haar veelvuldige perioden van manische depressiviteit. Emoties zijn noch exclusief lichamelijk, noch exclusief psychisch, doch beide.

Monocyten (bepaalde witte bloedcellen) spelen een centrale rol in het immuunsysteem en bevinden zich in ons gehele lichaam. Werd hun reikwijdte ooit als zeer beperkt beschouwd, inmiddels is bewezen dat ze de complexe intelligentie bezitten van hersencellen. Dit impliceert, dat de geest niet alleen in de hersenen is gehuisvest, maar deel uitmaakt van een uitgebreid communicatienetwerk dat zich uitstrekt over het gehele lichaam (met een verdere communicatie naar het nog te bespreken Akashaveld).

We kunnen daardoor niet alleen begrijpen waarom de geest deel heeft aan al die fysiologische beslissingen en gevolgen, maar wat ik vooral en met name hoop is, dat ik u via dit boek ontvankelijk maak voor het feit (en niet de mogelijkheid) dat zelfgenezing een realistisch doel kan zijn!

Spontane remissies en het fenomeen placebo vallen niet meer weg te denken. Bij een spontane remissie herstelt iemand van bv. een kankergezwel zonder aanwijsbaar medisch of klinisch ingrijpen, maar door een wezenlijke verandering van gedachten en overtuigingen van de patiënt. Bij een placebo-effect is sprake van het vermogen van een mens zijn of haar fysiologische welzijn te beïnvloeden door de gedachte.

Geldt als algemeen aanvaarde effectiviteit voor placebo’s 33%, voor gevallen van angina pectoris, bronchiale astma, herpes en maagzweren blijkt 70% ontvankelijk te zijn voor de suggestie dat het suikerpilletje genezend is. Uiterst markant binnen deze context is het onderzoek dat Deepak Chopra aanhaalt in het boek Gezond leven: twee groepen ontvangen een placebo als ‘medicijn’ tegen bloedende maagzweren. Bij de ene groep vergezeld van de aankondiging dat het ‘het beste medicijn tegen maagzweren van dit moment’ zou zijn: de placebo werkte in 70% van de gevallen uitstekend.

De andere groep kreeg te horen, dat ‘het medicijn experimenteel was’ en derhalve ‘de uitwerking nog niet bekend’: de placebo had ‘slechts’ bij 25% van de gevallen het beoogde resultaat. Bij een ander onderzoek veranderde zelfs de eerder klinisch aangetoonde werking van een bepaalde stof: van een bestaand medicijn, dat in feite in het laboratorium ontwikkeld was om misselijkheid op te wekken, werd door een medisch specialist tegenover de groep beweerd, dat het heel goed werkte tegen misselijkheid; een suggestie, die qua resultaat door de patiënten enthousiast werd omarmd!

Ik heb tot voor kort de overtuiging gehuldigd, dat het aan kanker overlijden van al mijn vroegere gezinsleden verklaard moest worden vanuit erfelijkheid. Alhoewel erfelijke belasting geenszins kan worden ontkend en ook, bij kanker, kan worden aangetoond, dient deze benadering wat te worden gerelativeerd; het is nog maar de vraag of ons genetisch materiaal bij de geboorte vastligt. Als je genen beschouwt als controlepaneel van een cel, is de celkern te vergelijken met de hersenen. Bruce Lipton, een celbioloog, ontdekte dat cellen zónder kern hun gedrag en reactie op de omgeving nog maandenlang voortzetten.

Als het niet de genen zijn, wat bepaalt het gedrag van de cel dan wél? Omdat genen zichzelf niet ‘aan’ en ‘uit’ kunnen zetten, kunnen we concluderen dat het DNA niet de leiding heeft, maar ‘slechts’ reageert door keuzes te maken, gebaseerd op onze perceptie van de omgeving. Er kan een signaal komen dat verandering gewenst of noodzakelijk is.

Als een cel stress ondervindt, maar niet over het genetisch programma (lees: gedrag) beschikt om daarmee om te gaan, dan kan die cel (naar we tegenwoordig ‘weten’) een bestaand genetisch programma herschrijven; die veranderingen in het DNA zijn dan mutaties. Zodra we een signaal uit de omgeving - al dan niet terecht - als stressvol ervaren, stelt ons lichaam zich in op protectie, tot onze genen aan toe. Gezondheid is dan een afspiegeling van onze perceptie van de omgeving (in de meest ruime zin). Dat betekent uiteindelijk dat je genen (en je lot) letterlijk bepááld worden door wat je denkt en voelt. Laten we dit eens projecteren op onze huidige, complexe en veeleisende samenleving.

Het autonome zenuwstelsel reguleert onder meer de hartslag, de spijsvertering en de hormoonproductie. Daarnaast reageert het op onder meer beelden, op indringende gesprekken, op levendige, emotioneel beladen beschrijvingen e.d. en heeft daarbij twee componenten: het sympatische en het parasympathische zenuwstelsel. Hier ligt de sleutel van de onderlinge verbondenheid tussen lichaam en geest. (Ik realiseer me hierbij het gevaar van terminologie bij het gebruik van het woord ‘geest’.)

Is het lichaam ontspannen en rustig, dan zorgt het parasympatische zenuwstelsel voor evenwicht, harmonie en genezing via de regulering van hartslag, ademhaling en bloeddruk. Wanneer we ons echter bedreigd voelen, neemt het sympatische zenuwstelsel het over en geeft het de opdracht tot afgifte van adrenaline, verhoogde hartslag, versnelde ademhaling en vergrote pupillen; een uiterst nuttige reactie voor onze verre voorouders.

Een overactivering van het sympatische zenuwstelsel is echter een aanslag op het lichaam en leidt tot verlaging van de immuniteit. Druk verkeer, nog te betalen rekeningen, werkloosheid, disharmonie met de omgeving e.d. leidt tot stress. Volgens een recent onderzoek in de VS is naar schatting 80% van de visites aan de huisarts gerelateerd aan stress. Het wordt dan ook de hoogste tijd, dat we gaan inzien welke rol we zelf bij onze genezing spelen!

Toch eist ook de erfelijkheid haar gerechtvaardigde plaats op. Erfelijkheid speelt in veel opzichten een belangrijke en soms beslissende rol in ons leven. Als we ons hier even beperken tot erfelijke aandoeningen dan kunnen markers zinvolle indicatoren vormen voor mogelijke toekomstige ontwikkelingen. Markers zijn onder meer specifieke herkenningspunten in het DNA in relatie tot een aandoening. Eitjes, die bij de vrouw zijn geoogst, kunnen in een reageerbuis in het laboratorium worden bevrucht met het zaad van een man.

Na drie dagen is een pré-embryo gevormd, opgebouwd uit acht cellen, blastomeren. Eén of twee daarvan worden met een minuscuul pipetje uit het omhullende zakje gehaald. Deze bevat(ten) alle genetische informatie (DNA) van het nog te ontwikkelen kind. Tot voor kort gebeurde de nu volgende genetische diagnose op slechts enkele tientallen ziekten, die snel en gemakkelijk te traceren zijn. Waarom?

Omdat het pré-embryo binnen 24 uur dient te worden teruggeplaatst om zich behaaglijk te kunnen nestelen. Waarop werd getest? Op geslachtsbepaling bij het vermoeden van een geslachtsgebonden aandoening; bijvoorbeeld bij jongetjes als de ziekte van Duchenne (een ongeneeslijke spierziekte) in het gezin of in de familie van de moeder voorkomt. Of op een specifiek gen bij aandoeningen waarvoor één gen verantwoordelijk is, zoals bij de ziekte van Huntington (hersenen). Ook, vanwege het grote overdrachtsrisico, op taaislijmziekte en op een zeldzame aandoening die tot spontane abortus leidt.

Op basis van in Nederland ontwikkelde onderzoeksprotocollen zijn bv. in Maastricht de afgelopen jaren zeventig kinderen geboren na genetisch testen van het embryo op ongeveer twintig aandoeningen. Momenteel gaat echter de aandacht uit naar een techniek die in potentie analyseert op enige duizenden erfelijke ziekten. In juli 2006 annonceerde het Guy’s and St.Thomas-ziekenhuis in Londen een nieuwe methode, zijnde een combinatie van twee al bestaande technieken. Ze brengen het DNA in kaart van een groot aantal familieleden van de toekomstige embryo-ouders, tot aan de grootouders toe, waarbij dan uiteraard wordt gezocht naar de specifieke herkenningspunten in het DNA; de markers. Gelijksoortige bij de niet-zieken en afwijkende bij familieleden met de specifieke, gezochte aandoening.

Vanuit die genetische voorbereiding kan dan, in de vereiste korte tijd, het DNA uit de embryoblastomeren op die specifieke markers worden onderzocht. Nu wéét je dus waar je naar moet zoeken! De techniek maakt snelle diagnose van afwijkende genen mogelijk, voor veel verschillende mutaties en aandoeningen, zónder die afwijking zelf in kaart te brengen.

Inmiddels heeft de Gezondheidsraad aan de minister van Volksgezondheid gerapporteerd, dat het hier een “ethisch verantwoorde diagnostiek betreft voor risico-ouders die een kind wensen; alleen toegepast voor ernstige, ongeneeslijke ziekten”.

Naast risico-ouders komen echter ook vrouwen in aanmerking die na vlokkentest of vruchtwaterpunctie al een of meerdere malen een afbreking van de zwangerschap hebben ervaren. De Gezondheidsraad acht een lijst met alle ernstige ziekten ongewenst! “Dat is te rechtlijnig en laat dan geen ruimte meer voor individuele situaties, voor overleg tussen specialist en ouders”.

Vanaf 2007 zal de KNOV, de beroepsvereniging van verloskundigen, landelijk spreekuren invoeren voor het geven van gezondheidsadviezen aan vrouwen met een kinderwens. Een loffelijk initiatief met als doel het terugbrengen van de babysterfte en het aantal aangeboren afwijkingen, aangezien bij gezonder gaan leven vóór de bevruchting veel complicaties kunnen worden voorkomen. Jaarlijks overlijden nu nog in Nederland tweeduizend baby’s vlak voor of net na de geboorte. In deze nieuwe opzet is de redenering als volgt:

Tijdens de eerste tien weken ontwikkelen zich de organen van het kind en wordt de placenta (!) aangemaakt. Echter …… de eerste zwangerschapscontrole vindt gewoonlijk plaats ná acht tot tien weken. Aangezien pas dan tijdens het spreekuur bij de verloskundige onderwerpen als roken, het gebruik van foliumzuur en het drinken van alcohol aan de orde worden gesteld, lopen we duidelijk achter de feiten aan! Als slogan om dit spreekuur tot een ingeburgerde usance te verheffen, is gekozen voor de ludieke zegswijze: ‘Eerst een verhaaltje en dan naar bed!’

Uiteraard valt hieronder dan eveneens de risicoselectie; als bij ouders in spe sprake is van lichamelijke aandoeningen of erfelijke ziekten, dan worden deze doorverwezen naar gynaecoloog of klinisch geneticus.

Tot slot van mijn Inleiding nog een opmerking over het toeval, dat mijn leven zo schijnt te beheersen. In mijn opvatting bestaat er in ons leven geen ‘toeval’. Er is een Meesterlijke regie, waarbinnen door ons, onder de bandbreedte van de ‘vrije wil’, kan worden geacteerd. Die regie is noodzakelijk om tijdens iedere volgende incarnatie díe omgevingscondities te construeren, die in uw specifieke geestelijke evolutie in elke actuele fase relevant zijn. Die vrije wil biedt ons de mogelijkheid tot kiezen en over die gemaakte keuzes leggen wij te gelegener tijd verantwoording af; in mijn visie tegenover onszelf.

Wat die omgevingscondities betreft het volgende:

U vraagt u – terecht - af wat het onderwerp reïncarnatie voor raakvlakken biedt met kanker? Het antwoord op die vraag hangt af van bv. religie, flexibiliteit in denken, de behoefte tot het zoeken naar mogelijke verbanden, het al dan niet geloven in het (voort)bestaan van een eeuwige en unieke ziel, het besef dat de mogelijk gewenste groei van een ziel zich niet kan voltrekken in slechts één leven met als noodlottig gevolg de hel (mocht deze al bestaan) of de hemel, etc.

Welnu, het is dan geenszins ondenkbaar, dat onze ziel de verwerking van de diagnose kanker heeft verkozen als middel tot groei. Feit is, dat deze diagnose ons niet onberoerd laat en niet zelden aanleiding blijkt te zijn om het (maatschappelijke) roer in vele opzichten om te gooien; een vergelijkbare situatie met mensen, die een ‘bijna-dood-ervaring’ hebben meegemaakt!

Waarom wijzen we, en met name vele religieuze leiders, die reïncarnatie dan zo krampachtig van de hand? Het antwoord ligt mogelijkerwijs in het slot van dit hoofdstuk. Laten we het eerst eens plaatsen in een historisch perspectief.

Het christendom verzekerde zich tegen de 4 e eeuw van de voorkeur en trouw van de massa’s van de westerse bevolking doordat het erin is geslaagd zijn boodschap af te stemmen op de niveaus van algemene onwetendheid uit die tijd. Boeken, die in de begintijd van de beweging en nog enige tijd daarna hoog in aanzien stonden, werden al vóór er twee eeuwen waren verstreken verdoemd en met geweld bestreden.

Verscheidene leringen, die in deze beginperiode groot respect genoten, zoals de leer over reïncarnatie en universele verlossing, werden later, tijdens het Concilie van Constantinopel in het jaar 533, door de kerk bij pauselijk onfeilbaar decreet officieel van de hand gewezen (met 3 stemmen vóór en 2 stemmen tégen). Deze veronderstelde onfeilbaarheid maakt uiteraard het in deze tijd herroepen ervan uiterst moeilijk en zou dan ook op andere terreinen consequenties geven.

Een aantal theologen stoorde zich destijds echter niet aan dit decreet; ik geef u enkele namen: Origenes, Sint Augustinus, mystici zoals Franciscus van Assisi, Jan Ruysbroeck.

Enkele citaten in dat verband:

Origenes, een van de grootste kerkgeleerden, gezaghebbend voor de opbouw van de geloofsleer, was een besliste aanhanger van de reïncarnatieleer en duidde in vele plaatsen daarop. Ik heb er vier gevonden, waarvan ik er twee citeer:

Als men weten wil, waarom de menselijke ziel de ene keer het goede gehoorzaamt, de andere keer het kwade, moet men de oorzaak in een leven zoeken, dat aan het tegenwoordige voorafging.

Wij zijn verplicht steeds nieuwe en betere levens te volgen, hetzij op aarde, hetzij in andere werelden. Ieder van ons jaagt op deze wijze door een opeenvolgende reeks van levens heen naar de volmaaktheid en onze volkomen overgave aan God beduidt het einde van onze wedergeboorten.

Een citaat van Hieronymus:

De reïncarnatie werd vanaf de oudste tijden steeds aan een kleine schare uitverkorenen doorgegeven, maar die waarheid was niet bestemd voor de grote massa.

Nagenoeg alle oorspronkelijke denkers die een aandeel hadden geleverd in de opbouw van de nieuwe beweging - haar feitelijke pioniers en leiders - waren al vóór de 4 e eeuw tot ketter verklaard en beschimpt door degenen die zich van de kerkelijke teugels hadden meester gemaakt.

De mystieke en allegorische methode tot het interpreteren van de Schrift, zoals deze in het begin nog door Paulus en andere eminente geleerden als Clemens van Alexandrië en Origenes werden toegepast, werden verdrongen door een volledig letterlijk en historisch interpreterende benadering. Het gehele proces van drastische verandering scharnierde om de cruciale beslissing de oude, esoterische wijsheid van het paganisme (het voorchristelijke christendom waarover zowel Eusebius als Augustinus schreven) te nemen en haar een exoterisch karakter te geven, hetgeen wil zeggen eenvoudig, open en doorzichtig voor de onwetende, analfabetische massa.

Zo werd de originele leer van Jezus Christus, die o.a. opgeschreven is in de rollen van de Dode Zee, aangepast aan de theoloog, in plaats van de theoloog aan de leer.

Het werd een doorslaand succes. Er moest echter zowel in praktische als in intellectuele zin een zware tol voor worden betaald. Het ironische is echter, dat de Kerk zich later toch genoodzaakt zag terug te vallen op de paganistische Aristoteles en diens leraar Plato, teneinde haar theologische kaartenhuis te redden. Het monumentale werk van Thomas van Aquino (het fundament van de R.K.-leer en gebaseerd op de geschriften van Aristoteles) laat hierover geen twijfel bestaan.

Wat heeft dan de Kerk bewogen om, kort na het jaar 533, reïncarnatie met klem af te wijzen?

Omdat de Kerk met behulp van de angst zielen moest zien te winnen, en te behouden.

Er bestaan veel religies die op angst gebaseerd zijn; religies die de Schepper voorstellen als iemand die aanbeden en gevreesd moet worden. Het kwam ook door angst dat onze samenleving veranderde van een matriarchaat in een patriarchaat; met alle kwalijke gevolgen van dien!

Reïncarnatie kon echter aan die angst geen voeding geven; in een dergelijk concept kreeg je immers ‘na deze keer nóg een kans, en daarna nogmaals …..; doe het zo goed als je kunt, beloof jezelf dat je het beter zult gaan doen, en ga zo door!’

Het is niet ondenkbaar dat de kerken op die afwijzing van de leer van de reïncarnatie zullen terugkomen. Enerzijds, omdat die afwijzing in onze huidige tijd niet meer functioneel is; het kerkbezoek is - met uitzondering van de kleinere religies - überhaupt dramatisch teruggelopen.

Anderzijds, omdat de kerk signalen afgeeft van minder starre opvattingen dan voorheen. Was tot voor kort de scheppingsgedachte gebaseerd op een creatie in zes dagen, we gaan nu, getuige recente initiatieven van Paus Benedictus, in de richting van het Intelligent Design; de opvatting, die een ‘ontwerp’ achter het leven op aarde vermoedt.

Een evolutie, ontworpen en dus voorzien door Goddelijke (kosmische) krachten van een omvang, grootsheid, harmonie en schoonheid, die nog volledig buiten ons menselijk bevattingsvermogen ligt. En, al kunnen we dit niet in zijn volle omvang bevatten, des te meer is het onze plicht deze schepping te conserveren; een oproep, die ik met kracht tracht te ondersteunen en te bepleiten in hoofdstuk 7.

Bovendien geeft het concept van die evolutie ook ruimte voor de ontwikkeling van nieuwe soorten, hetgeen zelfs in onze huidige tijd nog blijkt plaats te vinden.

Terugkomend op die minder starre opvattingen: wellicht gaan we met Paus Benedictus een nieuwe koers varen. Het onzalige - aardige term in dit verband - concept van het ‘voorgeborchte’ staat inmiddels in Vaticaanstad al ter discussie; althans de ‘onderafdeling’ daarvan, waar de zielen der onschuldige doodgeboren of vroeg gestorven - dus ongedoopte - kinderen nu zouden vertoeven. Een internationale commissie van theologen zal zich hierover buigen.

Voor de leek lijkt dit een vrij eenvoudig discussiestuk, want noch voor het afwijzen van de reïncarnatie, noch voor dit concept van voorgeborchte (geïntroduceerd in de dertiende eeuw) is er in de bijbel een aanwijzing te vinden.

Overigens hebben we het hier slechts over één van de twee wachtkamers, te weten het limbus infantium. Over het limbus patrum zijn nog geen mededelingen gedaan en blijven dus de dáár huisvesting verleende groten als Mozes, Homerus, Ovidius en vele anderen nog in het ongewisse over hun toekomst. Door omstandigheden buiten hun schuld konden zij destijds nog niet in Jezus Christus geloven en hadden daardoor geen toegang tot hel noch hemel.

Vanuit een welbegrepen eigenbelang hoop ik het nog mee te maken dat ook het bestaan van de hel ter discussie komt.

Ter afsluiting nog dit: Conform een uitgangspunt van literatuurbeschouwingen, zo stelde Michaël Zeeman eens in de Volkskrant, mag een boek niet worden lastig gevallen met de eigenaardigheden van zijn schrijver en dient het geheel onafhankelijk te worden beoordeeld van de biografie of de overtuigingen van de auteur ervan. Het is dan ook mede om die reden, dat ik in dit boek onbekommerd inzage geef in een deel van mijn jeugd en hier en daar mijn opvattingen kenbaar maak.

Tevens probeer ik uit te dragen, dat de weliswaar almachtige Schepper van onze kosmos geenszins verantwoordelijk kan worden gesteld voor het bestaan van kanker; als medeschepper was, en is dit nog immer: onze eigen inbreng.
Henk Trentelman.
Het boek is te bestellen via:





 




 

 

www.voorennadediagnose.nl

 

trentelman@voorennadediagnose.nl

PAGINA 2.
HOME.