GNOSTICISME EN CHRISTENDOM.
Het zijn altijd
de overwinnaars die over de geschiedenis van een conflict schrijven, en gedurende
2000 jaar zijn de orthodoxe opvattingen over de zogenaamde ketters beslissend geweest
voor de overgeleverde verhalen over de oorsprong van het christendom. Tot voor kort
beschouwden de meeste christenen de kerk uit de begintijd als een charismatische,
verenigde groep mensen, die door het leven van Jezus werden geïnspireerd en die allen
geloofden in dezelfde grondleringen. De ketters kwamen later, zo dacht men, toen
de apostelen en de generatie die hen hadden gekend waren gestorven.
Deze illusie
werd verstoord door twee van de belangrijkste archeologische vondsten van deze eeuw:
de Dode Zee rollen die in 1947 werden gevonden in de Qumran grotten bij de Dode Zee,
en de Nag Hammadi teksten, ontdekt in 1945 in Egypte. Terwijl de Dode Zee rollen
twijfel deden rijzen over Jezus als historische figuur en zelfs over zijn identiteit,
openden de Nag Hammadi teksten een heel nieuw perspectief op de vroegchristelijke
leefgemeenschappen.
Het duurde ongeveer dertig jaar voordat de Nag Hammadi teksten
werden vertaald en gepubliceerd. Deze vertraging werd veroorzaakt door eindeloze
intriges en manipulaties die weinig verheffend waren voor de daarbij betrokken wetenschappers.
Het is ook bekend dat toegang tot de teksten opzettelijk werd verhinderd omdat –
zoals men algemeen vermoedde – de orthodoxe christenen openbaring van feiten vreesden
die het geloof van hun aanhangers zouden ondermijnen. Zoals is gebleken was hun vrees
gegrond. Intussen zijn de literaire sluisdeuren over dit onderwerp geopend door duizenden
publicaties over de Nag Hammadi bibliotheek. En de strijd tussen historici en theologen
lijkt nog niet af te nemen.
Waar gaan deze teksten over en waarom zijn ze zo enorm
belangrijk? In ieder geval vinden we daarin eindelijk wat de gnostici zelf over hun
leringen zeiden en ook wat zij dachten over hun orthodoxe tegenstanders. Tot voor
kort was de beschikbare informatie hoofdzakelijk afkomstig uit geschriften van hedendaagse
geestelijken die de gnostici met alle voorhanden middelen bestreden: gedurende bijna
2000 jaar bewaarden en vereerden de orthodoxen geschriften, waarin gnostische geschriften
werden veroordeeld, en ze vernietigden die laatste ook. Het zal ons niet verbazen
dat de gnostici op hun beurt de orthodoxen als ketters beschouwden en zichzelf als
de ware gelovigen uitriepen.
Ook zien we dat de gedachte dat de vroegchristelijke
gemeenschap een eenheid vormde duidelijk een mythe is. De vermoedens van sommige
historici werden bevestigd: vanaf het begin was de kerk over belangrijke onderwerpen
sterk verdeeld. Wat velen verraste was het grote aantal evangeliën dat in de eerste
en tweede eeuw circuleerde. Die in de Nag Hammadi bibliotheek waren opgenomen, bevatten
denkbeelden over Jezus en zijn missie die opvallend verschillen van die in de evangeliën
die ongeveer een eeuw later als orthodox werden aanvaard. Daarom is twijfel gerechtvaardigd
over de authenticiteit van de vier canonieke evangeliën. Paul Johnson, redacteur
van de New Statesman (1965-1970), zegt in A History of Christianity hierover: ‘Wanneer
we ons richten op de vroegste bronnen van het christendom betreden we een vreselijk
oerwoud van tegenstrijdige leringen’. Natuurlijk schreven de meeste auteurs van de
evangeliën – christelijk of gnostisch – eerder over theologie dan over geschiedenis
en gedurende lange tijd werd de mondelinge overlevering waarschijnlijk als de meest
betrouwbare bron beschouwd.
Maar toen Irenaeus, bisschop van Lyon, aan het einde
van de tweede eeuw zijn beroemde werk schreef tegen wat hij ‘de zogenaamde gnostici’
noemde, was de mondelinge overlevering voorgoed verdwenen en, zo voegt Johnson eraan
toe, ‘wist Irenaeus, die zich beroepsmatig bezighield met het tot zwijgen brengen
van ketterijen en het vaststellen van de waarheid, niet meer over de oorsprong van
de evangeliën dan wij – in feite zelfs minder’.
De gnostische evangeliën werden door
hun auteurs vaak toegeschreven aan apostelen zoals Johannes, Jacobus, Petrus en Thomas,
en soms aan Maria Magdalena, Herodes en Pilatus. Andere werken van de gnostici werden
in verband gebracht met personages uit het Oude Testament zoals Abraham, Izaak, Jacob,
Adam, Eva, Seth, Henoch en anderen. Op goede gronden wordt echter aangenomen dat
veel van de gnostische esoterische leringen alleen mondeling werden overgedragen
en helemaal niet werden opgeschreven.
Daardoor konden ze door de orthodoxen niet
worden aangevallen en bleven ze een mysterie.
Het schijnt dat gnostische sekten –
onder tal van namen – dikwijls hun eigen bijeenkomsten hielden, maar veel gnostici
bleven bij de officiële kerk. Ze moeten al in een heel vroeg stadium aanwezig zijn
geweest en gedurende een lange periode werden hun denkbeelden niet officieel veroordeeld.
Voorzover we weten werden ze waarschijnlijk niet als onorthodox beschouwd en de vraag
is gerezen of gnosticisme en christendom niet in feite uiteenlopende takken van de
dezelfde boom waren.
De oorsprong van het gnosticisme wordt nu algemeen gezocht in
de voorchristelijke tijd. Terwijl zij allen misschien in naam christenen waren, bestonden
er christelijke en joodse gnostici, en er was ook een oudere heidense tak. Vooral
de laatstgenoemde bevatte elementen van Egyptisch hermetische denkbeelden, astrologische
leringen die tot Babylonische religieuze opvattingen kunnen worden teruggevoerd,
en platonische ideeën. De meeste sekten beleden een soort dualisme dat beslist Perzisch
was.
Bij bijna alle gnostici nam Jezus Christus een centrale plaats in, hoewel de
meesten van hen ontkenden dat Jezus werkelijk een mens was en dat hij daadwerkelijk
fysiek is gestorven. Sommige historici geloven dat de vroege, zogenoemde docetische
lering – dat Jezus niet een mens was maar een geestelijk wezen dat in verbinding
stond met de logos en iedere vorm kon aannemen – was gebaseerd op de schijnbare tegenstelling
tussen de historische Jezus en de Christus van het geloof. Het leven van Jezus op
aarde was zo vol vernederingen – zozeer het tegengestelde van zijn eerdere glorie
– dat het het eenvoudigste leek om de werkelijkheid van zijn aardse bestaan te ontkennen.
Aan de andere kant verwierpen de orthodoxen de gnostische visie dat Jezus alleen
voor het oog zichtbaar maar in werkelijkheid een geestelijk wezen was, en zij hielden
vol dat hij zoals de rest van de mensheid was geboren, in familieverband heeft gewoond,
honger, dorst en vermoeidheid heeft gekend, heeft geleden en is gestorven. Ze gingen
zelfs zover dat ze volhielden dat zijn lichaam uit de dood is opgestaan. Met andere
woorden, de orthodoxe overlevering bevestigt impliciet dat het lichamelijke bestaan
het wezenlijke in het menselijk leven vormt, terwijl de gnostici het materiële en
fysieke leven bijna geheel als het kwaad beschouwden en als een belemmering om verlost
te kunnen worden.
Het conflict tussen het gnosticisme en wat later tot orthodoxie
uitgroeide, concentreerde zich tenslotte op het punt van de historische juistheid.
De orthodoxen hielden vol dat een geloof in de historische Jezus essentieel was voor
de verlossing van de mens. De gnostici daarentegen ontkenden deze zogenaamde historische
feiten, dan wel beschouwden deze als irrelevant voor hun verlossing.
Om hun verbitterde
strijd te begrijpen moeten we misschien kijken naar de sociale en politieke gevolgen
van de veronderstelde lichamelijke opstanding van Jezus. Hoewel het verschil ons
nu mogelijk als niet erg belangrijk voorkomt, was het voor het vroege christendom
van wezenlijke betekenis. We moeten in ogenschouw nemen dat volgens de overlevering
alle kerken hun gezag hadden ontleend aan een persoon die werkelijk getuige was geweest
van de opstanding. Volgens de katholieke overlevering was Petrus de eerste getuige,
hoewel zowel Marcus als Lucas Maria Magdalena als eerste noemden.
Daarom was Petrus
de rechtmatige stichter van de kerk en gaf hij dit gezag door aan zijn opvolgers.
Dit geloof is zo fundamenteel voor de katholieke theologie dat geen afwijkende opvatting
kon worden geduld zonder de legitimiteit van de hele kerkelijke hiërarchie van de
paus tot de gewone priester in gevaar te brengen.
Het gnosticisme dat elementen ontleende
aan vele bronnen beweerde te zijn gebaseerd op gnosis, het Griekse woord voor ‘kennis’,
of liever ‘inzicht’. Het is de bovenzinnelijke kennis van het doel van God, namelijk
verlossing. Deze verlossing wordt bereikt door de logos die Christus is. De opstanding
van Christus is een innerlijke geestelijke ervaring. De gnosis is de geheime wetenschap
die Jezus aan zijn directe volgelingen doorgaf om deze slechts te delen met diegenen
die voldoende geestelijke rijpheid bezaten.
Hoewel het moeilijk is om wegwijs te
worden in het ingewikkelde gnostische geloof, kan men enkele punten aangeven waarover
de meeste sekten het eens waren.
Deze houden het volgende in.
1) De godheid is –
evenals in het hindoeïsme en de theosofie – eeuwig, oneindig en absoluut. Deze gaat
in feite het bereik van het menselijk denken te boven. Stilte geeft er het beste
uitdrukking aan. Hij of Het schept niet in bijbelse zin – het maken van iets uit
niets. Hij laat uit zichzelf manifestaties als weerspiegelingen voortkomen, en onder
deze emanaties bevindt zich de schepper van de aarde en stoffelijke zaken, bekend
als de demiurg en gewoonlijk geïdentificeerd met Jehova uit het Oude Testament, de
God van Israël. Jehova zou een onvolmaakte, zelfs duivelse wereld hebben geschapen,
en hij zou het bestaan van de ware godheid niet kennen, en geloven dat hijzelf de
absolute leider van het universum is. Dus terwijl de God uit het Oude Testament werd
verworpen als de lagere godheid die de geheel duivelse stoffelijke wereld schiep
(en soms zelfs met Satan werd vereenzelvigd), openbaarde Jezus Christus de hogere
godheid, de Vader in ons.
2) De mens is een mengeling van geest en stof maar heeft
een vonk van het hoogste – het pleroma. Om verlost te kunnen worden moet de mens
worden bevrijd van zijn banden met de zichtbare wereld en zijn heersers, de planeetgeesten.
De weg tot zijn verlossing is gnosis – een mystieke, spirituele verlichting voor
de ingewijden, die hen in contact brengt met de gebieden van geestelijke werkelijkheden.
Dit proces wordt in de Nag Hammadi tekst The Gospel of Truth beschreven, waarin de
toestand van de mens krachtig wordt omschreven als leeg, onwetend en niet geneigd
zich te laten genezen door de verlossende openbaring van Christus. Veel gnostici
legden de nadruk erop dat onwetendheid – niet zonde in de orthodox christelijke zin
– het lijden van de mensheid veroorzaakt (zoals ook de boeddhisten geloven met wie
de gnostici nog meer grondleringen delen). De meeste gnostici geloofden dat de mens
moet ontwaken, zich bewust moet worden van de staat waarin hij verkeert en van de
mogelijkheid om verlost te worden.
Irenaeus was waarschijnlijk een van de eerste
theologen die begreep wat de inzet was van het conflict tussen het gnosticisme en
het christendom. De centrale vraag was of Jezus een historische figuur is geweest,
volkomen menselijk, die op aarde heeft geleefd, heeft geleden en is gestorven. Volgens
Irenaeus onderscheidde het christendom zich niet in de eerste plaats door een stel
leringen of een levensregel, maar door de verkondiging van een paar simpele feiten.
Deze feiten gingen over de mens Jezus, geboren tijdens Augustus Caesar, terechtgesteld
onder Pontius Pilatus en opgestaan uit de dood drie dagen later. Wie een van deze
feiten of alle drie ontkende was een ketter.
Johnson stelt in de proloog van zijn
boek de volgende vraag: ‘Is het mogelijk voor een christen over het christendom te
schrijven met de vereiste graad van geschiedkundige objectiviteit?’ De meeste christenen
hebben betoogd dat sceptische of kritische methoden van historisch onderzoek niet
zijn te rijmen met het christelijke geloof. Daarom hebben archeologische vondsten
als die van Nag Hammadi natuurlijk zo’n traumatische uitwerking op die christenen
die zich wanhopig aan hun geloof willen vasthouden. We kunnen daaraan toevoegen dat
ook duidelijk is waarom bij alle historische verslagen uit de eerste eeuwen, waaronder
de evangeliën, zoveel is ingelast en, zonder enige twijfel, daaruit is weggelaten.
Gedurende 2000 jaar christendom werden de christenen vaak verleid om de feiten te
plaatsen tegen de achtergrond van hun eigen vooropgezette theologische meningen.
De
verspreiding van het gnosticisme, die een hoogtepunt bereikte rond 135 – 160 n. Chr.
maar lang daarna nog doorging, was ongetwijfeld mogelijk omdat de orthodoxe beweging
eerst nog zwak was georganiseerd en haar overtuiging slecht omschreven. Toen zowel
de organisatie als de beschrijving van dat geloof verbeterde, verloor het gnosticisme
zijn invloed. En toen de kerk uiteindelijk de staatsgodsdienst werd en de actieve
steun van de keizer kreeg, werden gnostici en andere ‘ketters’ actief onderdrukt
en hun aanhangers vervolgd. Hoe het conflict zou aflopen is misschien nooit aan twijfel
onderhevig geweest, omdat het ongecompliceerde historische geloof van de orthodoxe
kerk een kant en klaar uitgangspunt vormde. Daarentegen waren de gnostici, waartoe
enkele van de voortreffelijkste geesten behoorden, in feite individuele denkers met
weinig theologische rechtlijnigheid en slecht georganiseerd.
Gnostici konden niet
op gezag aannemen wat anderen zeiden, behalve als een voorlopige maatstaf, totdat
men zijn eigen weg had gevonden. Hoewel gnostici zich in het algemeen niet terugtrokken
uit het sociale leven, volgden ze in feite een eenzaam pad. In het Evangelie van
Thomas prijst Jezus deze levenshouding: ‘Gezegend zijn de eenzamen en de uitverkorenen,
want u zult het Koninkrijk vinden. Want u komt daarvandaan en u zult daarin terugkeren’.
En deze eenzaamheid vloeit voort uit het hoge belang dat de gnostici hechten aan
de eigen directe ervaring.
Veel gnostische leringen – vooral die over geestelijke
discipline – zijn niet opgeschreven. Deze werden alleen geschikt geacht voor de uitverkoren
kandidaat, van wie dikwijls werd verlangd dat hij jarenlang zijn energie en tijd
eraan gaf om zich daarvoor geschikt te maken. Het ligt voor de hand dat zo’n programma
van discipline slechts weinigen zou aanspreken. Terwijl belangrijke onderwerpen –
zoals de ‘Vader in ons’ en de gelijkheid van mannen en vrouwen in de kerkgemeenschap
– zovelen aanspraken dat het gnosticisme als een grote bedreiging voor de orthodoxe
kerk werd beschouwd, waren de ingewikkelde gnostische filosofie en haar strenge discipline
obstakels die verhinderden dat het gnosticisme een godsdienst voor de massa werd.
De
gnostici waren zeker geen partij voor de bijzonder efficiënte organisatie van de
officiële kerk. Evenmin konden ze wedijveren met de ongecompliceerde eisen die aan
de gewone gelovige werden gesteld en met de (te vele) aantrekkelijke rituelen als
de doop en de eucharistie. Natuurlijk bood de orthodoxe kerk de ingebouwde belofte
van verlossing voor hen die leefden en stierven in het geloof, omdat de kerk een
monopoly voor zich opeiste om deze verlossing te kunnen geven. De gnostici daarentegen
moesten hun verlossing ieder voor zich door eigen inspanningen tot stand brengen.
Wat
weten we van de gnostische praktijken? Ook hier moeten we ons hoofdzakelijk verlaten
op de verslagen van hun vijanden, die ertoe neigen te wijzen op excessen en te zwijgen
over gnostische deugden. Het lijkt echter waarschijnlijk dat het zeer individuele
karakter van gnostische denkbeelden het hen mogelijk maakte om hun geloof op vele
verschillende manieren te belijden. Daarom treft men er extremen aan zoals ascetische
excessen enerzijds en losbandigheid anderzijds. Dit alles verschilt misschien niet
veel van de christelijke gebruiken, hoewel de kerk natuurlijk zogenaamde excessen
niet zou goedkeuren.
Het gnostische geloof overleefde alleen als een rivier, die
werd gedwongen ondergronds te gaan en tijdens de Middeleeuwen en ook later in verschillende
vormen steeds weer naar boven kwam. Bijna alle christelijke mystici hadden duidelijk
herkenbare sporen van gnostische denkbeelden in hun opvattingen en velen van hen
balanceerden daardoor op de rand van orthodoxie. Met veel artiesten en filosofen
hadden ze gemeen dat zij allen gefascineerd waren door de figuur van Christus en
zich voortdurend bezighielden met christelijke symbolen. Ze bleken echter voortdurend
te botsen met de orthodoxie als instituut.
Een toenemend aantal mensen delen tegenwoordig
die ervaring. Ze kunnen het uiteindelijke gezag van de bijbel, de apostelen of de
kerk niet aanvaarden. Ze hebben sterk het gevoel dat hun geloof een steviger basis
moet hebben dan het gezag van feilbare mensen of historische gebeurtenissen, waarvan
de beschrijvingen elkaar zo sterk tegenspreken. Velen van hen zijn ervan overtuigd
dat de bron van alle kennis, alle wijsheid en alle mysteriën van het universum op
een of andere manier in henzelf ligt besloten – en voor hen toegankelijk is als ze
het leven, leven en weten en begrijpen, maar boven alles, hun lagere natuur beheersen.
Het is verleidelijk om de huidige onrust in de wereld te vergelijken met de situatie
aan het begin van dit tijdperk. De tijden waren toen even turbulent als nu; verwachtingen
over de ophanden zijnde komst van een Messias waren even gewoon als de verwachtingen
over een tweede komst nu; zelfaangestelde goeroe’s, leraren, profeten en verlossers
trokken toen net zoveel de aandacht; en zoals in die tijd zijn de oude geloofsovertuigingen
aan het verdwijnen: het oude heidense geloof verloor het van het christendom en het
christendom op zijn beurt verliest het nu van iets dat zich nog niet duidelijk heeft
uitgekristalliseerd.
Opnieuw doen oude gnostische ideeën de ronde; in een modern
jasje, maar herkenbaar in hun fundamentele helderheid. Opnieuw ligt de nadruk op
de eigen verantwoordelijkheid van het individu, dat zijn eigen waarheid vindt en
zich met zijn eigen zaken bezighoudt. Opnieuw is God innerlijk aanwezig zoals hij
natuurlijk altijd al is geweest – hij is niet langer daar ergens buiten ons.
Boven
alles groeit het besef dat we één zijn, dat de hele mensheid en alles om ons heen
tot één uitgestrekt organisme behoort waar samenwerking en wederzijdse hulp niet
alleen een ideaal is maar een ware noodzaak voor het welzijn, zelfs voor het overleven,
van allen.
Enige jaren geleden zag ik een artikel in een Nederlandse krant met als
kop: ‘Een nieuwe Europese religie? Misschien.’ Een grote groep conservatieve protestantse
theologen had gezamenlijk een verklaring gepubliceerd dat ze zich bedreigd voelden
door een nieuwe religieuze golf met een ‘heidens accent’. We geloven ook dat in deze
overgangstijd opnieuw voorchristelijke ideeën in onze gedachtewereld worden geïntroduceerd,
omdat het gnosticisme zelfs met al zijn excessen de elementen van de oude wijsheid
in zich had en nog heeft, waardoor het een eeuwige filosofie is die altijd terugkeert.
En wij geloven dat het verre van gevaarlijk is, en juist een nieuwe geestkracht en
een nieuwe hoop voor de mensheid kan aankondigen.
Hugo Oosterwijk.
DE WEDEROPSTANDING VAN DE GNOSTIEK.
Tijdens een van mijn
lessen cultuurfilosofie kwam een schilderij ter sprake van een herder met een schaap
in zijn armen. De herder is op weg naar een kudde schapen in de verte. Vroeger zou
praktisch iedereen meteen begrepen hebben wat hier uitgebeeld wordt: het verhaal
van de Goede Herder. Hedendaagse jonge studenten kennen dat verhaal echter meestal
niet. Dus vertelde ik over het schaap dat van de kudde afdwaalde, over de herder
die erachteraan ging en net zo lang zocht tot hij het verloren schaap gevonden had.
Daarna bracht hij het weer terug bij de kudde. En ik moest ook uitleggen dat het
beeld van de Goede Herder staat voor de God van de christenen, die niet aflatend
over al Zijn gelovigen waakt.
Waarop een studente uitriep: 'Wat een ellende zeg,
altijd zo'n herder achter je aan.'
Ze kreeg luide bijval van de andere studenten.
Ik mag dat wel, zo'n troep jonge honden met het hart op de tong.
Toen de rust hersteld
was vertelde ik hun dat er nog een andere en zelfs oudere versie van dat verhaal
bestaat die hun wellicht beter zou bevallen. Die was kwijtgeraakt, maar in 1945 weer
gevonden in de buurt van het dorpje Nag Hammadi in Egypte.
Een boer, Muhammad geheten,
was in dat jaar bezig de vruchtbare aarde van een oud kerkhof in grote manden te
laden met de bedoeling die daarna over zijn eigen akker uit te gaan strooien.
Het
oude kerkhof - dat allang niet meer in gebruik was - lag in de buurt van een ruïne,
waarvan we ondertussen weten dat die van een klooster geweest moet zijn uit de eerste
eeuwen na Christus.
Tijdens zijn graafwerkzaamheden stuitte de boer plotseling op
een grote aarden kruik. Hij vroeg zich af wat zich daarin zou kunnen bevinden. Muhammad
vertelde dertig jaar later aan Gilles Quispel, hoogleraar aan de Universiteit van
Utrecht, zijn verhaal:
In december 1945 heb ik de kruik gevonden bij de berg Hamra
Dun. Rond zes uur 's morgens, toen ik aan het werk ging, vond ik deze kruik. En nadat
ik hem gevonden had, kreeg ik het gevoel dat er wat in zat. Dus bewaarde ik de pot,
en omdat het die ochtend koud was besloot ik hem achter te laten en later weer op
te halen om te kijken wat erin zat. In feite ben ik diezelfde dag nog teruggegaan,
en ik sloeg de kruik stuk. Maar eerst was ik een beetje bang, omdat er wel eens wat
in zou kunnen zitten - een jinn, een boze geest. Ik was alleen toen ik de kruik stuk
sloeg. Ik wilde wel dat mijn vrienden erbij zouden zijn. Nadat ik hem stukgeslagen
had, ontdekte ik dat er boeken in zaten. Ik besloot mijn vrienden op te halen om
het hun te vertellen. Wij waren met z'n zevenen en we beseften meteen dat dit iets
te maken had met de christenen. En wij zeiden dat wij er eigenlijk totaal niets aan
hadden - voor ons was het gewoon waardeloos. Dus heb ik het hier naar een geestelijk
leider gebracht en deze zei dat wij er werkelijk niets mee konden doen. Voor ons
was het gewoon rommel.
Dus heb ik het mee naar huis genomen. Sommige boeken zijn
verbrand en ik heb geprobeerd er een paar van te verkopen. Muhammad verdeelde de
boeken onder zijn vrienden.
Ze ontdekten al snel dat er handel in die boeken zat.
Een voor een verschenen ze op de zwarte markt van Egyptische antiquiteiten en langzaam
druppelden ze de westerse wereld binnen. Daar ontketenden ze niet minder dan een
sensatie onder westerse geleerden. Want dit waren manuscripten van oude en verloren
gegane teksten uit de eerste eeuwen na Christus!
Het heeft nog ongeveer dertig jaar
geduurd voordat al deze geschriften, althans wat er nog van over was, toegankelijk
werden voor internationaal wetenschappelijk onderzoek.
In 1977 verscheen een complete
vertaling in het Engels, in 1988 gevolgd door een verbeterde uitgaaf: 'The Nag Hammadi
Library.' (Voor de gegevens, zie Bibliografie)
Er is ondertussen ook een complete
Nederlandse vertaling verschenen van Jacob Slavenburg en Willem Glaudemans: 'Nag
Hammadi Geschriften 1 en 2.' (Voor de gegevens, zie Bibliografie)
Onder de 51 geschriften
die bij Nag Hammadi gevonden werden bevindt zich een tekst die wordt aangeduid met
de titel 'Het Thomas Evangelie.' Daarvan waren tot voor de vondst bij Nag Hammadi
alleen enkele fragmenten overgeleverd. In de kruik van Nag Hammadi bevond zich een
geheel compleet exemplaar. Daarin vinden we de volgende verrassende versie van het
verhaal van het schaap en de herder (Thomas 107):
Jezus zei:
Het koninkrijk is als
een herder die honderd schapen had.
Een van hen, de grootste, ging ervandoor.
De
herder verliet de negenennegentig
en zocht naar die éne,
tot hij hem vond.
En nadat
hij zich al die moeite had getroost
zei hij tegen het schaap:
Jij telt voor mij meer
dan die negenennegentig.
Het meest opvallende is wat hier ontbreekt: er wordt niet
gezegd dat de herder het schaap terugbrengt naar de kudde! Of het schaap nu wel of
niet naar de kudde terugkeert doet er dus kennelijk niet toe. Dat is althans niet
waar het hier om gaat.
Waar het wel om gaat is dat het verdwenen schaap door de herder
geprezen wordt en zelfs door de herder verkozen wordt boven de schapen die in de
kudde achterblijven: 'Jij telt meer voor mij dan die negenennegentig.' Het moge duidelijk
zijn dat de studenten zich in deze versie van het verhaal van het schaap en de herder
heel wel konden vinden.
Er is een wereld van verschil tussen een schaap dat weer
in de kudde opgenomen wordt, en een schaap dat geprezen wordt omdat het zijn eigen
weg verkiest te gaan.
In deze twee versies van het verhaal over een schaap dat ervandoor
gaat, is het fundamentele conflict getekend tussen de twee belangrijkste stromingen
onder de volgelingen van Jezus in de eerste eeuwen na hem.
De ene stroming is die
van het kerkelijk christendom waaruit de rooms-katholieke kerk is voortgekomen, met
de bisschoppen en de paus als de herders die hun kudde bewaken. Die stroming zal
ik hierna 'de kerk' noemen.
Ook de latere protestantse kerken horen daartoe.
De andere
stroming kennen we onder de naam 'gnostiek.' De aanhangers daarvan heten 'gnostici.'
De gnostiek is een vorm van spiritueel individualisme. Veel van de teksten die bij
Nag Hammadi werden gevonden behoren tot die stroming en ze bevestigen het verhaal
van het eigenwijze schaap.
De kerk heeft er met niet aflatende ijver naar gestreefd
de gnostiek uit de westerse cultuur te verwijderen. Ze is daar bijna in geslaagd,
op één kruik na, de kruik die bij Nag Hammadi gevonden werd.
De reactie van de studenten
tijdens de les cultuurgeschiedenis laat zien dat nu levende mensen zich niet meer
zo thuis voelen in de geborgenheid van een veilige kudde. En ook bleek duidelijk
dat er in die oude teksten uit Nag Hammadi dingen staan die hen wel aanspreken. Zij
zijn niet de enigen.
De opstanding uit de dood.
'Zijn er nog meer van dat soort verhalen?,'
wilden de studenten natuurlijk weten.
'Die zijn er', zei ik, 'en het verschil zal
je zeer verbazen.' Ik vertelde hun het verhaal van de opwekking van de dode jongeling:
Toen Jezus een stad naderde kwam er een begrafenisstoet de stadspoort uit. Het enige
kind van een weduwe was gestorven. Jezus werd bewogen door het verdriet van de moeder.
Hij raakte de baar aan waarop het dode kind gedragen werd en hij sprak: 'Kind, ik
zeg u, sta op!' Het dode kind ging overeind zitten en begon te spreken. (Lucas 7:11)
Hier wordt, zo lijkt het, een wonder beschreven. Maar wat zeggen de teksten uit de
kruik van Nag Hammadi daarvan?
In de gnostische stroming van het christendom verwijzen
de woorden 'dood' en 'levend' niet naar een toestand van het lichaam, maar naar een
toestand van de ziel.
Dat wil ik duidelijk maken aan de hand van een min of meer
hedendaags voorbeeld.
Zo'n anderhalve eeuw geleden, nog vóór de inzet van de vrouwenemancipatie
dus, bestond er in de westerse cultuur een duidelijk beeld over 'de vrouw.' Een vrouw
kon alleen maar voelen en niet denken. Ze had daarom de leiding nodig van een man,
want mannen kunnen wel denken, en die leiding moest een vrouw dus ook, voor haar
eigen bestwil, gehoorzaam accepteren. Zo'n typering van mannen en vrouwen noemen
we een rolmodel.
Stel, je wordt geboren met de biologische kenmerken van een vrouw.
Welk lot wachtte je als je anderhalve eeuw geleden geboren zou zijn?
De meeste mensen
om je heen zouden van je verlangd hebben dat je je voegde naar het rolmodel van de
vrouw uit die tijd.
Maar los daarvan heb je toch ook nog een individuele eigenheid.
Hoe zou je daar dan mee omgegaan zijn?
Als je als mens alleen maar vorm geeft aan
het rolmodel en niet aan je persoonlijke eigenheid, dan ben je volgens de gnostische
traditie een 'dode.' Dan besta je niet eens, zeggen sommige gnostische teksten. We
hebben voor zo iemand in het Nederlands een treffende typering: een 'dode diender.'
Zo iemand is niet zichzelf maar is zoals 'men' verlangt dat zij is. Het Evangelie
van Filippus zegt over zulke mensen (123e):
Ze hebben niet bestaan, bestaan niet
en zullen niet bestaan.
Als iemand ooit tot het inzicht komt dat zij tot dan toe
alleen maar een rolmodel heeft vormgegeven, dan zal zo iemand tegen zichzelf zeggen,
volgens het Evangelie van de Waarheid (29):
Ik besta als de schaduwen en de schijngestalten
van de nacht!
Maar als zo iemand dan 'tot zichzelf komt', dan wordt ze een 'levende'
in figuurlijke zin, dan staat ze op uit de figuurlijke dood.
Dan weet je ook wat
de zin van je leven is, want zo iemand:
Weet waar hij vandaan gekomen is en waar
hij heen zal gaan. Hij weet, zoals iemand die dronken was weer nuchter is geworden,
en, tot zichzelf gekomen, zijn zaken weer op orde heeft gesteld. (Waarheid 16)
Hier
zien we precies dezelfde tegenstelling als tussen het schaap dat teruggebracht wordt
naar de kudde, en het schaap dat z'n eigen weg gaat.
Het rolmodel van de vrouw is
een onderdeel van de collectiviteit en het is onpersoonlijk. Als je jezelf verliest
in de collectiviteit, de kudde, dan ben je een 'dode', zegt de gnostiek.
Alleen als
je 'woekert met je talenten', je persoonlijke eigenheid, ben je een 'levende.'
Als
individueel mens kun je dus tijdens je leven op aarde een proces doormaken waarbij
je, je ontwikkelt van een 'dode' tot een 'levende.' Dat is de opstanding in gnostieke
zin. 'De opstanding uit de dood' is de figuurlijke uitdrukking onder de gnostici
voor het 'tot jezelf komen.'
We moeten ons de opstanding verwerven in de tijd dat
we nog in deze wereld zijn, zegt het Evangelie van Filippus (63) daarover.
'Dus dat
gaat helemaal niet over wonderen!' riep een student verbaasd uit.
Heeft Jezus dan
geen wonderen verricht?
Nee, de gnostische opstanding uit de dood is geen wonder.
Dat gaat over een individueel proces dat elk mens kan meemaken. In de gnostieke traditie
wekt Jezus mensen tot leven door hen wakker te schudden, ze te leren hoe ze zichzelf
kunnen kennen. Hij leert hun hoe ze 'hun oorspronkelijk gelaat' kunnen hervinden
en de vervulling die dat zal opleveren:
Als je je oorspronkelijk gelaat ziet hoeveel
vreugde zul je dan ervaren! (Thomas 84)
Worden als een kind.
Hoe doe je dat, je oorspronkelijk
gelaat terugvinden, weer 'levend' worden? Het Thomas Evangelie (4) zegt daarover:
Een man, oud van dagen, zal niet aarzelen om een klein kind, zeven dagen oud, te
vragen naar de plaats van het leven, en hij zal leven.
Waarom naar de plaats van
het leven vragen aan een kind van zeven dagen? In de joodse samenleving waartoe Jezus
behoorde werden jongetjes op de achtste dag besneden. Althans, zo had Jahweh dat
bevolen:
Al uw mannelijke kinderen moeten als ze acht dagen oud zijn besneden worden.
Iedere onbesnedene moet uit zijn stam verwijderd worden. (Genesis 17:12)
Daarna was
het kind 'een besnedene' en leerde het zichzelf ook te ervaren als een besnedene.
Als je jezelf ervaart als 'een besnedene' ken je jezelf daarmee een identiteit toe
die deel is van een collectief, je voegt jezelf daarmee in de kudde van alle besnedenen.
Je zegt dan niet van jezelf: 'Ik ben die ik ben', maar 'Ik ben een besnedene.' Je
identificeert je dan met een rolmodel uit een cultuur.
Maar op de zevende dag, de
dag vóór de besnijdenis, is het kind nog zichzelf, het is nog geen 'besnedene.' Daarom
weet een kind van zeven dagen nog 'de plaats van het leven.'
Precies zo kan iedereen
die wil 'leven', in zichzelf op zoek gaan naar haar of zijn eigen kind, naar de oorsprong
in zichzelf, naar haar 'oorspronkelijk gelaat.'
Elk kind wordt onbevlekt ontvangen,
vinden de gnostici (het kind is dus onbevlekt, niet de moeder!), dat wil zeggen:
geboren zonder zonde. Elk kind komt ter wereld met een onaangetaste fundamentele
goedheid. Die noemen de gnostici de godsvonk. Kinderen zijn Gods erfgenamen, zeggen
gnostici: ze erven Gods goedheid. Elk mens kan in zijn leven steeds weer terugkeren
naar die fundamentele goedheid in zichzelf, naar 'het Koninkrijk dat in u is', om:
...van die plaats te proeven en er voedsel en groei van te ontvangen. (Waarheid 55)
Maar daar kan kennelijk ook anders over gedacht worden. In zijn Confessiones wijdt
Augustinus, één van de grote herders van de kerk, vier eeuwen na Jezus, en ook enkele
eeuwen na het Thomas Evangelie, vele pagina's aan het 'bewijs' dat kinderen al bij
hun geboorte door en door zondig zijn, omdat ze iets heel anders geërfd hebben dan
Gods goedheid, namelijk de erfzonde. Kinderen zijn dus al vanaf hun geboorte zondig,
ze zijn 'geboren in zonde', zelfs 'verwekt in zonde.'
Zondige kinderen hebben de
strenge tucht nodig van herders als Augustinus om binnengeleid te worden in het Koninkrijk,
met de kerk als toegangspoort. 'Dwing hen om binnen te gaan!' roept Augustinus vol
vurige ijver uit. Er is ons een polemiek overgeleverd tussen Augustinus en zijn tijdgenoot
Pelagius over de vraag wat er met kinderen gebeurt die kort na hun geboorte sterven.
Pelagius, die er gnostische opvattingen op na hield, was ervan overtuigd dat zulke
kinderen onmiddellijk terugkeren naar God, ook als ze niet gedoopt zijn. Augustinus
beweerde met klem dat zulke kinderen als ze niet gedoopt zijn meteen naar de hel
gaan en daar voor eeuwig blijven. Vanwege de erfzonde was dat zelfs hun verdiende
loon, vond hij.
Hiermee is misschien wel het meest wezenlijke verschil getekend tussen
de gnostici en de gelovigen.
De gnostici gingen uit van de fundamentele goedheid
van de mens, eventueel verborgen en alsnog op te wekken. Wie meent dat het wezen
van de mens verbonden is met deze fundamentele goedheid kan zijn medemensen in vertrouwen
aan zichzelf overlaten, zal die zelfstandigheid zelfs willen bevorderen, omdat alleen
een mens die werkelijk zichzelf is die oorspronkelijke goedheid in zichzelf kan ervaren.
De kerk daarentegen vertrok vanuit de fundamentele zondigheid van de mens.
Een zondig
mens kan niet aan zichzelf overgelaten worden want dan gaat het fout. Die moet gecorrigeerd
en gestuurd worden. Daar is de kerk voor, als het genade-instrument van God.
Bij
een zondig mens hoort een heel ander kind dan het kind uit het Thomas Evangelie.
Daarom lezen we in Mattheüs 18:2-4:
Hij (Jezus) riep een kind bij zich en zette het
midden in de kring. 'Ik verzeker jullie', zei hij, 'het hemelse koninkrijk kom je
alleen binnen als je van gezindheid verandert en wordt als kinderen. De belangrijkste
in het hemelse koninkrijk is dus hij die zich zo onbelangrijk vindt als dit kind.'
Zo zie je in detail hoe een bevrijdende mensvisie, die van de gnostiek, subtiel omgezet
wordt in een ideologie die van gelovigen verlangt dat ze zich onbelangrijk vinden,
en zich dus nederig schikken in het kerkelijk gezag, want anders kom je niet in de
hemel.
(Later zullen we zien hoe ook de toevoeging 'hemelse' aan 'het koninkrijk'
ook een betekenisvolle verandering is. In Thomas 113 staat nadrukkelijk: 'Het koninkrijk
is uitgespreid over de aarde.' Het gnostieke koninkrijk is dus niet in de hemel.
De gnostiek heeft ook geen hel.)
Zoenoffer en symbolische vertelling.
'Maar in de
bijbel staat toch dat Jezus voor onze zonden aan het kruis is gestorven', merkte
een kennelijk toch enigszins kerkelijk geschoolde student op.
Inderdaad, volgens
de kerk heeft Jezus met zijn lijden en zijn dood plaatsvervangend geboet voor de
zonden van de mensheid. Alle mensen worden in zonde geboren en dankzij het zoenoffer
van Jezus kunnen de mensen hun relatie met God weer in het reine brengen. Die kerkelijke
visie heet 'de verzoeningsleer.' Voor vele christenen vormt de verzoeningsleer nog
steeds de kern van het christendom.
De verzoeningsleer bestaat uit twee componenten.
De eerste is de opvatting dat elke mens in zonde geboren is.
De tweede is het heilsplan
van God met de mensheid. Jezus zou, als Gods zoon en dus ook zelf God, vrijwillig
mens geworden zijn, om Gods heilsplan met de mensheid te voltrekken: zijn kruisdood
als zoenoffer. Het zoenoffer van Jezus is de plaatsvervangende boetedoening voor
de zonden van de mensheid. Daardoor kan de goede relatie tussen mens en God weer
hersteld worden.
De katholieke mis staat geheel in het teken van de verzoeningsleer.
De mis begint met een collectieve schuldbekentenis:
Mea culpa, mea culpa, mea maxima
culpa.
(Door mijn schuld, door mijn schuld, door mijn grote schuld.)
Meteen volgt
een smeekbede om vergeving:
Kyrië eleison, Christe eleison, Kyrië eleison.
(Heer,
ontferm u over ons, Christus, ontferm u over ons, Heer, ontferm u over ons.)
Daarna
viert men het zoenoffer in de eucharistie. Het brood is symbool van het lichaam van
Christus, de wijn is symbool van zijn bloed. Men zingt vervolgens:
Agnus Dei, qui
tollis peccata mundi, miserere nobis, dona nobis pacem.
(Lam van God dat de zonden
van de wereld wegneemt, ontferm u over ons, geef ons vrede.) Jezus is het 'Lam van
God', het offerlam. Brood en wijn zijn samen het symbool van het offer van zijn leven.
Het probleem van de vernieuwers binnen de rooms-katholieke kerk lijkt mij dat hun
eredienst geheel in het teken staat van de zondigheid van de mens en het zoenoffer
van Jezus. Met die rituele viering van de dood van Jezus zijn ze als het ware aan
de verzoeningsleer vastgeketend, terwijl die toch voor zeer veel hedendaagse praktiserende
katholieken niet meer als betekenisvol wordt ervaren.
Wat dat betreft lijkt het alsof
de protestantse kerken een veel grotere vrijheid tot vernieuwing hebben, waar hun
kerkbezoek toch vooral de dienst van het woord is. Maar merkwaardig genoeg ontstaan
de meeste vernieuwingsimpulsen binnen het christendom aan de basis van de katholieke
kerk (zeker niet van de hiërarchie!).
Voor de gnostici telt de verzoeningsleer helemaal
niet. Voor zover ze menen dat Jezus werkelijk aan het kruis gestorven is, vinden
ze dat gewoon een politieke moord. De hogepriesters vormden een buitengewoon machtige
kaste in de toenmalige joodse samenleving. Het is duidelijk dat deze priesters geen
boodschap hadden aan iemand die de gelovigen aanzet hun eigen weg te gaan, om terug
te keren naar het kind in zichzelf van vóór de besnijdenis.
Als het verhaal van de
opstanding van Jezus voor de gnostici al een betekenis heeft, dan is dat alleen als
de symbolische vertelling van het zielenproces van de mens die van een 'dode' weer
een 'levende' wordt.
Het opheffen van blindheid.
Maar Jezus genas toch ook blinden?
Dat waren dan toch wel wonderen?
Zeker, in het Nieuwe Testament wordt verteld hoe
Jezus blinden geneest, onder andere in het volgende verhaal.
Er zit een blinde man
te bedelen langs de weg. Jezus komt langs met een stoet volgelingen. De blinde bedelaar
ontdekt dat het Jezus is die aan hem voorbijtrekt. Hij roept naar Jezus. De volgelingen
van Jezus willen hem het zwijgen opleggen, maar Jezus heeft de bedelaar gehoord.
Hij gaat naar hem toe en vraagt wat hij wil. De bedelaar antwoordt: 'Ik wil ziende
worden.' Jezus zegt 'Word ziende', en dan kan de man weer zien.
Zo verteld lijkt
dit een wonderbaarlijke genezing van een lichamelijk blinde. Maar onder de gnostici
heeft 'blindheid', en ook 'zien', toch weer een geheel eigen betekenis. Wanneer is
daar iemand 'blind'? En wanneer is iemand 'ziende'?
Nemen we weer het rolmodel van
'de vrouw' in gedachten.
Wat was ook weer een dode? Als gnostici het over een dode
hebben dan spreken ze over iemand die zichzelf geheel identificeert met een rolmodel
uit de collectiviteit.
En wat is nu een blinde? Een blinde is iemand die oordelend
naar een medemens kijkt met een rolmodel als maatstaf, bijvoorbeeld naar een vrouw
met het rolmodel van 'de vrouw' in gedachten. Die oordelende blik vraagt niet naar
de eigenheid van de medemens, maar wil alleen weten of die ander wel of niet aan
het rolmodel voldoet. Als dat niet het geval is zal de ander daarop afgerekend worden.
Iemand die oordelend kijkt is blind voor het werkelijke zijn van de ander. Oordelende
ogen zien alleen hun eigen oordeel; ze zetten hun medemens in hun blik gevangen.
Er is echter ook een andere manier van kijken, namelijk met ogen van liefde.
Daarover
gaat de volgende tekst uit het Thomas Evangelie (5):
Jezus zei:
Zie wie voor je aangezicht
is, en hij die eerst voor jou verborgen was, zal tevoorschijn komen. Het opheffen
van de blindheid betekent onder gnostici: het leren zien van wat werkelijk is, met
ogen van liefde. Liefde oordeelt niet. Ogen van liefde zien iets heel anders dan
oordelende ogen.
Ogen van liefde zijn open en nodigen hun medemens uit zichzelf te
tonen.
Het opheffen van blindheid is - net als de opstanding uit de dood - in de
gnostische traditie geen wonder. Het is wezenlijk onderdeel van het gnostieke spirituele
pad, een persoonlijke ontwikkelingsweg die je als mens kunt gaan en waar je in vrijheid
voor kan kiezen.
Als gezegd wordt dat Jezus mensen van hun blindheid geneest, dan
betekent dat voor een gnosticus dat hij hun ogen opent voor het 'zien' van hun medemens
met ogen van liefde.
'Wanneer hij vindt zal hij verontrust zijn'
Wie zich in de teksten
van Nag Hammadi verdiept zal er niet aan kunnen ontkomen veel denkbeelden over het
christendom opnieuw te bezien.
De volgende tekst uit het Thomas Evangelie zou wat
dat betreft een waarschuwing kunnen inhouden (Thomas 2): Jezus zei:
Laat hij die
zoekt voortgaan met zoeken totdat hij vindt en wanneer hij vindt zal hij verontrust
zijn en verontrust zijnde zal hij zich verwonderen en hij zal koning zijn over het
Al.
De vondst bij Nag Hammadi nodigt ons uit, christenen en niet-christenen, de geschiedenis
van het ontstaan van het christendom zorgvuldig opnieuw te onderzoeken. Dat zal wellicht
tot verbazing en verontrusting leiden, maar het eindresultaat zou kunnen zijn dat
je beseft dat je de koning of koningin bent van je eigen koninkrijk, je eigen leven.
N.N.
DE FACTOR ANGST EN HET GELOOF!
In ons artikel ,,God
straft niet” hebben wij getracht aan te tonen, dat er wel een God van liefde, maar
niet een God van wraak en eeuwige verdoemenis bestaat. Wij hebben er de nadruk op
laten vallen, dat het een goedkope uitbuiting van een bepaalde noodtoestand betekent,
om deze van theologische zijde te doen voorstellen, als zijnde de verstoffelijking
van Gods toorn en wraak op de mens! De interpretatie van het Heilige en liefdevolle
evangelie van de Christus, wordt verkracht en bezoedeld door dit middeleeuwse standpunt
van diverse kerken.
Enige tijd geleden is er, eveneens in dit blad, een artikel verschenen
onder het opschrift ,, Is de kerk nog voor haar taak berekend?” Wat denkt ge er zelf
van, als ge uitspraken tegenkomt zoals deze, uit het Maandblad voor de Vrije Evangelische
Gemeente te Hilversum – de Bethelbode:
Het was een gezegende week, ofschoon de opkomst
veel groter had kunnen zijn, ook uit eigen gemeente. De getrouwen waren steeds weer
op hun plaats. En de anderen??? Ach, wij mensen zijn toch niet in staat daarin verandering
te brengen. Misschien dat nieuwe rampen een middel zouden kunnen zijn, hen met ons
te doen samenkomen. Dit weet ik wel, zij hebben veel gemist! Over rampen gesproken,
het is een jaar geleden, dat ons land werd opgeschrikt door de stormramp. Een jaar
geleden. Dagen van droeve herinneringen voor velen, die er zo nauw bij betrokken
waren. En voor ons?
Heeft het ons dichter bij God gebracht? En voor Nederland?? Men
hoort in deze dagen veel over dat, wat er toen geschiedde, maar hoort daar ook bij
de verootmoediging voor de Allerhoogste? Of hebben wij als volk van Nederland niets
geleerd? Dat zou vreselijk zijn en het is vreselijk. Slechts met beving kunnen wij
hieraan denken. O, dat men buigen wilde met een Jeremia, die zeide: ,, Wij hebben
overtreden, en wij zijn wederspannig geweest”, hoe groot zou dan de zegen der genade
zijn en het heil dat God over ons zou willen uitstorten. Maar men vraagt zich wel
eens af of dit mogelijk is. Bij de enkeling misschien, maar de massa schijnt immuun
te zijn geworden. Snelt in deze bedeling de dag der genade ten einde? God weet het.
Ons gebed is, ach Heer, ontferm U!!! Het avondgebed kleurt de wereldhemel. Wat zal
het zijn als uw dag komt. Dat die dag u niet onvoorziens overkomt!!!”
*****
Moeten wij nu werkelijk aannemen, dat al deze arme getroffen Zeeuwse families zo
slecht waren, dat zij zich de wraak van God op de hals hebben gehaald? Al deze eenvoudige,
goedhartige en vrome Zeeuwse mannen en vrouwen? En de kleine kinderen, hebben die
zich ook misdragen? En al die onschuldige dieren die zijn verdronken? Behoren die
ook tot de zondaars soms? Merkwaardig, dat God juist één van de meest godvruchtige
en ijverigste volken moest uitkiezen teneinde Zijn wraakgevoelens te bekoelen!
Moeten
deze eerlijke en hardwerkende gezinnen, die zulke verschrikkingen moesten doormaken,
nu werkelijk nog met de gedachte blijven rondlopen, dat dit alles Gods werk is geweest?
Moeten deze beste mensen, die in hun eenvoud niet eens weten wat werkelijke zonden
zijn, op de kop toe van hun dominees horen, dat zij zich deze ramp door hun eigen
wangedrag op de hals hebben gehaald? En verwachtte de dominee van deze mensen dan,
dat zij God zullen liefhebben met geheel hun hart en geheel hun verstand? Of is het
alleen voldoende, dominee, wanneer deze lieden slechts God vrezen? Zijt ge dan voldaan,
dominee? Weet ge dan zeker, dat ge hebt gehandeld volgens de wil van God? Weet ge
dan zeker, dat Christus zegenend achter u staat? Gij moet wel zeer zeker weten, dominee,
wat ge doet in deze! Wij, dominee, beven wanneer wij aan deze verantwoording denken!!
Ds D. Veldkamp, die de verantwoording draagt voor het door ons geciteerde artikel,
is ongetwijfeld een zeer hoogstaand man, die alleen het beste voor heeft met de mensen.
Wij zijn er van overtuigd, dat deze dominee alles doet om de mens tot God te voeren.
Niemand heeft het recht hieraan te twijfelen. Het is dan ook niet onze bedoeling
om deze mensen te vernederen of te beschimpen, integendeel. Wij hebben eerbied voor
een ieder, die zich inzet voor God en Christus en derhalve ook voor Ds Veldkamp.
Alleen kunnen wij ons niet verenigen met de wijze waarop deze theoloog God nader
tot de mensen meent te moeten brengen.
Zij – en er zijn er duizenden die dit doen
– brengen niet de liefde voor God in de harten van de mensen, maar de angst, ondanks
het feit, dat zulk een dominee dit heftig en verontwaardigd zou ontkennen. Helaas,
toch is dit zo. Zij beschadigen en verminken reine kinderzieltjes, door hen in aanraking
te brengen met de liefdeloze God uit het Oude Testament, die verdoemt, straft en
wreekt!
Waarom kunt ge niet begrijpen, dominee, dat zulk een rein kinderzieltje even
gemakkelijk kan worden geknakt als een tere bloem in de lente? Waarom wilt ge zulk
een broos leven niet liefdevoller en bewuster in uw handen nemen? Gij wilt toch geen
brokken maken, dominee? Welnu, waarom houdt ge dan niet op met uw demagogie? Kijk
naar vele van uw collega’s die zich reeds vrij hebben weten te maken van de middeleeuwse
dogma’s van uw kerk! Deze dominees spreken alleen nog maar over een God die liefde
is. Neemt u een voorbeeld aan Ds Spelberg en houdt op met uw afbraak.
Gij breekt
af – ondanks dat dit niet in uw bedoeling ligt – en gij wilt toch tot de bouwers
worden gerekend? Breek met uw dag des oordeels gedachte. Voorlopig draait deze
planeet nog enkele miljoenen jaren door, net zo lang, totdat elk mens op aarde een
hoger bestaan heeft kunnen aanvaarden!
Aanvaard dominee: God straft zijn kinderen
niet, maar vangt hen allen in
liefde op, wanneer zij hiertoe gereed zijn! Dit ,,gereedmaken”
dominee, is ook uw taak. Bewijst u, dat ge deze grote taak verstaat en verbant u
de factor angst uit uw gemeente!
N.N.
DE PRIESTER-ARBEIDER
EEN SCHIJNPROBLEEM?
,,Priester zijn en arbeider zijn, zijn twee verschillende levensstaten,
die niet in één persoon kunnen worden verenigd zonder afbreuk te doen aan de zin
van het priesterschap. De priester is geroepen om zijn leven te wijden aan God en
aan de dienst de zielen; de arbeider vervult een ,,tijdelijke" taak. Deze beide functies
kunnen niet worden samengesmolten." Deze uitspraak is afkomstig van kardinaal Lienart,
aartsbisschop van Lille en werd tijdens een nieuwjaarstoespraak door hem ten gehore
gebracht ten behoeve van de geestelijkheid van zijn diocees.
Het artikel in ,,de
Volkskrant" waarin wij deze woorden tegenkwamen, droeg als opschrift: ,,Één der smartelijkste
problemen van onze tijd. Het Drama van de priesters onder de arbeiders". Uiteraard
was de strekking van het artikel van dien aard, dat de rooms-katholieke kerk in het
gelijk werd gesteld en de priesterarbeiders in het ongelijk; al werd tegenover deze
groep een minzaam beschermende en begrijpende houding gesuggereerd.
Het ligt niet
zo zeer in onze bedoeling om ons te willen mengen in de interne aangelegenheden van
de roomse kerk dan wel om recht te spreken en een lans te breken voor deze groep
werkende priesters die naar hun eerlijk en oprechte overtuiging God tot de arbeider
wil brengen -- aangezien de arbeider hun inziens niet tot God is te brengen -- en
hiervoor zeer veel opofferen.
Wij voelen oprechte bewondering voor de priester-arbeiders
die op schier heldhaftige wijze o.a. het hoofd bieden aan de sociale moeilijkheden
in Frankrijk en metterdaad het Christendom brengen onder de arbeidende klasse. Deze
priesterarbeiders hebben het reeds moeilijk genoeg zonder dat hun eigen bisschoppen
nu nog tegenover hen in plaats van achter hen te staan.
Wij kunnen als niet katholiek
de roomse kerk toch nimmer begrijpen. Wel kunnen wij trachten sympathiek en welwillend
tegenover haar te staan.
Wordt dit echter soms niet bijna onmogelijk gemaakt als
wij b.v. een pater Pauwels horen zeggen, dat Albert Schweitzer geen goed Christen
is en als wij lezen, dat een schitterende figuur als abbé Pierre een rebelse kapelaan
is en een ,,linkse" beoefenaar der Christelijke naastenliefde?
Waarom zo vragen wij
ons af, kan een priester ook niet tevens arbeider zijn -- als hij dat verkiest --
zonder afbreuk te doen aan zijn priesterschap! Zulk een houding dwingt juist respect
af bij de mensen die hij hierdoor weet te bereiken, nl. zijn medearbeider! Hij overbrugt
aldus de kloof die zich heeft gevormd in Frankrijk tussen kerk en arbeider!
,,De
priester is geroepen om zijn leven te geven aan God", zegt kardinaal Liénard. Zou
de kardinaal niet bedoelen, dat de priester is geroepen om zijn leven te wijden aan
DE MENS in opdracht van God!!! Is het verwonderlijk dat de kloof tussen kerk en arbeider
reeds zo groot is geworden, dat de priester zijn kerk moet uitlopen om de mens op
te zoeken, wanneer de priester alleen maar zijn leven wijdt aan God?
Wij vragen ons
af of God wel behoefte heeft aan een priester die een soortgelijke egoïstisch egocentrische
taak er op nahoudt??? De roomse kerk vormt het fundament van de oorspronkelijke kerk
van Christus.
Heeft de Christus zich echter ook in een tempel opgesloten om Zich
aan God te wijden, of is Hij juist onder de mensen gegaan en heeft Hij zich aan dezen
gewijd? Trouwens, wijden wij ons ook niet tevens aan God, als wij ons aan de mens
wijden? Kunnen wij ons eigenlijk wel aan God wijden buiten dit leven van God om?
Welk nut voor God en voor de maatschappij heeft eigenlijk een kluizenaar die zich
opsluit in zijn tempel en die net doet alsof het harde leven om hem heen hem niet
aangaat? Albert Schweitzer bidt niet vanuit een tempel tot God opdat de melaatse
negers zullen genezen, maar trekt er op uit en helpt God metterdaad! Dit is de ware
interpretatie van het Christendom zoals Christus het heeft bedoeld!!
De kardinaal
zegt verder, dat de arbeider slechts een ,,tijdelijke" taak vervult! De priester
soms niet? Zou een priester na zijn dood dan nog moeten doorgaan met zijn wijding
aan God? Heeft God dan deze priesters soms voor Zichzelf nodig??? Of zou de mens
na zijn dood nog en priester nodig hebben??
,,De Volkskrant" schreef verder: Alleen
van ,,menselijk" standpunt bezien lijkt het op het ogenblik alsof de kerk, zonder,
zoals men wel beweerd heeft, de arbeidersklasse de rug toe te willen keren, een apostolaatvorm
prijs geeft, die veel goede resultaten heeft opgeleverd en daarbij het risico loopt
de goodwill die zij zich onder het proletariaat heeft verworven weer te verliezen.
Inderdaad wil het ons ook voorkomen, dat dit ,,menselijke" standpunt volkomen juist
is. Wat meent de kerk dan voor een standpunt te kunnen en te mogen innemen? Een ,,onmenselijk"
standpunt? Of is zij zo verwaand, dat zij meent een Goddelijk standpunt te kunnen
innemen? Meent zij dit wel te kunnen dan is het niet moeilijk vast te stellen, dat
zij -- afgezien van haar grensoverschrijding in Goddelijke Zaken -- er volkomen naast
staat.
Is de Christus dan niet -- ook volgens haar -- de incarnatie van God? En is
het evangelie van de Christus dan voor haar niet duidelijk genoeg om te weten, dat
Hij altijd in Liefde dacht en ook handelde in het belang van de mens?!
N.N.