EEN DOMINEE IN DE BOKSRING!
Krantenbericht:
De boksvereniging ,,Herman van 't Hof'' hield vrijdagavond wedstrijden voor A  B en C klassers in een meer dan volle zaal van het Hervormd Wijkcentrum aan de Spiegelnisserstraat.
 Een onverwacht slot had de ontmoeting tussen Van Loon en Nederveen (beiden school Oorschot), toen Van Loon, die een goede partij bokste, in de derde ronde vol op de kin werd getroffen. Hij ging neer en werd uitgeteld, terwijl bovendien Herman van 't Hof, die hem coachte, bij de zevende tel de handdoek in de ring wierp. De jury kende aan het eind van de avond één van de stijlprijzen niettemin aan Van Loon toe. De Nederlandse Hervormde predikant, ds Van Veldhuizen, die als voorzitter van ,,Herman van 't Hof'' en als bokspropagandist bij het jeugdwerk veel voor de bokssport doet, werd in de ring gehuldigd. Hem werden een ,,stijlprijs'' en bloemen aangeboden.

Wanneer wij de ,,Kringloop der Ziel'' van Jozef Rulof hebben gelezen -- een boek met de levensloop van een mensenkind dat eenmaal deze aardbol bewoonde -- zien wij bij herlezing van dat boek, dat een menselijk wezen dikwijls kan falen, maar toch daar komt alwaar hij God als zijn Schepper leert begrijpen.
Wanneer wij in een dagblad echter een dominee zien afgebeeld als beschermheer der bokskunst, is dit wel bedroevend, wanneer een geestelijk leider zich verlaagd tot die graad van verval, dat hij zijn onkunde der Christelijke leer wil vertolken in de ring.

De kerkelijke terugval in de grondbeginselen der Christelijke leerstellingen, is thans zo groot geworden, dat men zijn toevlucht zoekt in een stoffelijke graad van dierlijke gevoelens, om de terugkeer der afvallige kerkgangers te bekoren zich wederom te wenden tot de kerk, die als gangmaker der edele bokskunst Christus wil verheerlijken door een prachtige goed gerichte knock-out.
Zover zijn wij dan uiteindelijk afgedaald in de vertolking van het Evangelie van Christus, dat wij geen middelen te zot vinden om Zijn Heerlijkheid te bespotten en Zijn Evangelie te verkwanselen voor wat potsemakerij.
In deze eeuw van technische grootheid, in deze eeuw van de atoomleer kan de geestelijke leider niet meer meegaan met de ontwikkeling der ontleding der stoffelijke stelsels en ziet hij zich genoodzaakt zich te wenden tot de allerlaagste graad der menselijk hartstochten om vandaar uit het Evangelie te vertolken.
C. J. V. S.
 
                                  HET PROBLEEM VAN DE KERKEN. I
 Een probleem -- wat in feite geen probleem is -- wordt hier behandeld door Alice A. Bailey. In doelbewuste stellingen geeft zij haar inzichten. Inzichten, welke aan duidelijkheid weinig te wensen overlaten.
 In een inleidend woord in haar boek ,,Problemen der mensheid'' lezen we over dit onderwerp: De nieuwe wereldgodsdienst zal belemmerd worden door hen die aan de letter van de Bijbel geloven, de bekrompenen en door de theologen van alle godsdiensten ter wereld, door hen die zullen weigeren de oude interpretaties en methoden los te laten, die met hun hart hangen aan de oude leringen en de voorstellingen daarvan onder de mensen, alsmede door hen die de nadruk leggen op de vormen op riten en ceremoniën, op ritueel en op pracht en praal, op autoriteit en op het oprichten van stenen gebouwen in deze dagen van gebrek en behoefte en van uiterste nood voor de mensheid (Opgemerkt wordt dat het boek in 1944 werd geschreven.)
 
De Katholieke Kerk wordt hier geconfronteerd met haar grootste kans, doch ook met haar grootste crisis. Het Katholicisme is gebaseerd op overoude traditie, zelfbewust wat betreft kerkelijke autoriteit, uiterlijke rituelen en vormen vinden er weerklank, maar zij is -- niettegenstaande het feit dat zij een wijdverbreide en weldadige filantropie beoefent -- in het geheel niet in staat haar kinderen vrij te laten.
Het vraagstuk van de vrijheid van de menselijke ziel en haar individuele verhouding ten opzichte van de Immanente en de Transcendente Godheid is het geestelijk probleem voor alle wereldgodsdiensten in de huidige tijd. De kerken dienen niet langer hun gezag en hun interpretaties tussen God en de mens te stellen. De tijd hiervoor is thans voorbij. Dit vraagstuk is gaandeweg, in de loop der eeuwen, tot aanzien gekomen en ging gepaard met de groei van het menselijk intellect en het zelfbewustzijn van de mens. Het vraagt thans zeer dringend om een oplossing.
Zonder het onderwerp ook maar enigszins te maskeren, gaat de schrijfster verder:

Ik baseer mij op het bestaan van God, op het bestaan van Christus, op het bestaan van de mensen hun geestelijke benadering van de goddelijkheid, op het bestaan van de onsterfelijkheid van de Geest, op het bestaan van een geestelijk gelegenheid en op het bestaan van de betrekking van de mens tot God en tot zijn medemensen. Ook zou ik de nadruk willen leggen op de evolutionaire voorstelling van de waarheid en haar voortdurende aanpassing aan de behoeften van de mensheid in elke periode van de geschiedenis.
Ik tracht zeer bepaald te bewijzen dat de kerken niet alleen gefaald hebben om de mensen in grote getale tot God te brengen, of om de wereldoorlog (1940-1945) af te wenden, maar dat zij (uitgezonderd een zeer kleine minderheid) de neiging tonen te vervallen in de oude slechte wegen, in de oude versleten theologieën en leerstellingen en in de materialistische autoritaire methoden, die het falen van de kerken betekenden.

Ik heb er geen belang bij het christendom aan te vallen. Het christendom kan niet worden aangevallen, het is een uitdrukking -- in wezen, zo nog niet in feite -- van de liefde Gods, immanent in het door Hem geschapen heelal. De kerken echter hebben zich in alle opzichten blootgesteld aan aanvallen en de meeste denkende mensen weten dit, helaas vormen deze denkende mensen een kleine, maar snel in aantal toenemende minderheid en deze denkende minderheid zal -- wanneer ze tot een meerderheid is gekomen -- de ondergang van de kerken betekenen en de verspreiding van het ware christendom bevestigen.
Laten wij het beeld zo ruim mogelijk bezien. Mag ik u om geduld vragen, terwijl ik het onderwerp ontvouw? Wilt u uw mening even aanhouden totdat u gelezen heeft wat ik te zeggen heb? Wilt u dan uw opeengehoopte vooroordelen en de activiteit van uw afweerneigingen in bedwang houden, totdat u met mij het onderwerp van alle kanten bestudeerd heeft? Dat is alles wat ik vraag. Duidelijkheidshalve en opdat de reeks van feiten en mogelijkheden duidelijk voor uw denken mag uitkomen, ga ik dit onderwerp als volgt onderverdelen, te beginnen met het meest onaangename en betwistbare en met een toon van hoop, van doelstelling en van visie tot slot.

I Het falen van de kerken.
Zoudt u in alle oprechtheid en in het licht van het wereldgebeuren willen beweren, dat de kerken geslaagd zijn?
II De huidige gelegenheid van de kerken.
Herkennen de kerken deze gelegenheid?
III De essentiële waarheden die de mensheid behoeft en intuïtief aanvaardt.
Welke waarheden zijn dit?
IV De regeneratie van de kerken.
Is regeneratie mogelijk?
V De nieuwe Wereldgodsdienst.
(De punten II tot en met V nemen we niet in behandeling, belangstellenden verwijzen wij naar het boek.)

Thans is de wereldoorlog voorbij, de toestand is veranderd, de onmiddellijke behoefte van de mensheid treedt duidelijk naar voren en even duidelijk zijn de stappen die de kerken zich voorstellen te nemen om aan die behoefte tegemoet te komen -- de georganiseerde politieke beïnvloeding van de naties, zoals dit het geval is met een groep in Geneve, het wederopbouwen van de kerken, campagnes voor ledenwerving en nieuwe geloofsbelijdenissen in dezelfde oude bewoording.
Het schijnt daarom van belang te zijn, dat wij de toestand nauwkeurig onder ogen zien zoals zij is en dat wij die waarheden die essentieel zijn voor de mens zijn vooruitgang en verlichting, isoleren en dat wij die waarheden die tot controversen aanleiding geven en onbelangrijk zijn, elimineren, ook is het nodig dat wij de weg tot redding vaststellen die de kerken moeten volgen, indien de kerken en de kerkmensen werken en denken zoals Christus deed, dan zal de verlossing van de mensheid verzekerd zijn.  Bovenal is het van belang dat een visie wordt gegeven die een visie zal zijn voor alle mensen, overal en niet eenvoudigweg een schone hoop van een sektarische groep of van een dweepzieke, zelfvoldane organisatie. Het is essentieel dat wij terugkeren tot Christus, tot Zijn boodschap en tot de levenswijze, waarvoor hij het voorbeeld gaf.

De kerkmensen moeten er aan denken, dat de menselijke geest groter is dan alle kerken en groter dan hun leringen. Op de lange duur zal de menselijke geest hen verslaan en triomferend ingaan tot Gods Koninkrijk, hen ver achter zich latend, terwijl zij binnentreden als een bescheiden deel van de massa der mensen. Gewichtig doende prelaten en leidende gestelijken hebben geen deel aan dat Koninkrijk. Christus heeft geen prelaten en kerkelijke leiders nodig. Hij heeft nederige leraren der waarheid en voorbeelden van het geestelijke leven nodig. Niets onder de zon kan de vooruitgang van de menselijke ziel, op haar lange pelgrimstocht van duisternis naar licht, van het onwerkelijke naar het werkelijke, van dood tot onsterfelijkheid en van onwetendheid tot wijsheid, tegenhouden. Indien de grote georganiseerde religieuze groepen der kerken in elk land, samengesteld uit alle godsdiensten, geen geestelijke leiding en hulp bieden, dan zal de mensheid een andere weg vinden. Niets kan de geest van de mens afhouden van God.

Het falen van de kerken.
Herinneren wij ons dat Christus niet gefaald heeft. Het menselijke element heeft gefaald en heeft Hem verworpen, Zijn bedoelingen verijdeld en de waarheid die Hij verkondigde verkracht. De theologie, de dogma's en de leerstellingen, het materialisme, de politiek en het geld, hebben een grote donkere wolk opgetrokken tussen de kerken en God, zij hebben de ware visie van Gods liefde buitengesloten en tot deze visie van een liefdevolle werkelijkheid en een levende erkenning van haar gevolgen, moeten wij terugkeren.
Is er enige kans, dat de kerken en de kerkmensen zullen luisteren naar wat ik te zeggen heb en dat een vernieuwing van het geloof zoals het in Christus was, zal terugkeren? Zijn er voldoende mensen met visie in de kerken, om de toestand te redden, een visie om aan de behoefte van de mens tegemoet te komen en geen visie van de groei en de uitbreiding van de kerken. Zulke mensen bestaan in elke godsdienstige organisatie, maar het is een jammerlijk en betreurenswaardig klein aantal. Zelfs aaneengesloten (wat jammer genoeg voorlopig onmogelijk is door verschillen in leerstelling), bieden zij een enigszins onbetekenende groep tegenover de georganiseerde macht, de materialistische praal, de gevestigde belangen en de fanatieke vastbeslotenheid van de reactionaire geestelijken van alle godsdiensten. Ik schrijf dit echter voor deze weinigen, omdat het gewoonlijk de worstelende minderheid is (in dit geval de minder denkende geestelijken) die de ware visie bewaken en haar tenslotte verwerkelijken: Zij zijn degenen die met de stervende, gefolterde mensheid langs de verzengende, vreugdeloze straten zwerven en die daardoor met scherp gevoel de noodzaak van de regeneratie van de kerken herkennen.

Onze godsdienstige podiums, onze kansels en onze godsdienstige periodieken en tijdschriften zijn vol met oproepen aan de mensen om zich weer tot God te keren en om in de godsdienst de uitweg uit de huidige chaotische toestanden te vinden.
Toch is de mensheid nooit tevoren zo geneigd geweest tot het geestelijke, of zich zo bewust van en beslist georiënteerd op de geestelijke waarden en op de behoefte aan geestelijke herwaardering en verwerkelijking. De oproepen die uitgezonden zijn moesten tot de kerkelijke leiders gericht zijn, tot de geestelijken van alle godsdiensten en tot de werkers voor de kerk, overal ter wereld, zij moeten terugkeren tot de eenvoud van het geloof, zoals dat in Christus is. Zij moeten herboren worden. Overal vragen de mensen om licht. Wie kan hun dat geven? Zij die zelf in de dichtste duisternis rondwaren? Opnieuw zijn het de blinden, die de blinden leiden!

Er zijn twee hoofdfactoren, die verantwoordelijk zijn voor het falen der kerken:
1. Bekrompen theologische verklaringen van de Heilige Geschriften.
2. Materiële en politieke idealen.
Door de eeuwen heen hebben de mensen in alle landen getracht hun persoonlijke religieuze interpretaties van de waarheid, van de Heilige Geschriften en van God, bij de grote massa ingang doet te vinden. Zij hebben de Bijbels van de wereld genomen en getracht deze uit te leggen, de daarin gevonden denkbeelden hebben zij door de zeef van hun eigen denkvermogens en hersens laten gaan en gedurende dit proces is de betekenis onvermijdelijk verzwakt. Hiermede nog niet tevreden, hebben hun volgelingen deze door de mensen ontwikkelde interpretaties aan de niet denkende aan de onwetenden opgedrongen. Elke godsdienst -- het Boeddhisme, het Hindoeïsme in zijn vele aspecten, het Mohammedanisme en het Christendom -- heeft een schare voortreffelijke denkers voortgebracht, die (gewoonlijk zeer oprecht) getracht hebben te begrijpen wat God verondersteld wordt gezegd te hebben: Die dogma's en leerstellingen geformuleerd hebben op de basis van wat zij dachten dat God bedoelde en hun woorden en denkbeelden zijn daardoor godsdienstige wetten en de onweerlegbare waarheden van ontelbare miljoenen geworden. Wat houden wij over bij de uiteindelijke analyse? De denkbeelden van de één of andere menselijke denker, weergegeven in de woorden van zijn tijd, traditie en achtergrond, over wat God heeft gezegd in één of ander geschrift, dat gedurende eeuwen onderhevig is geweest aan de moeilijkheden en de fouten die voortvloeiden uit de voortdurende bewerkingen -- bewerkingen die vaak gebaseerd waren op mondelinge lering.

De leerstelling van de woordelijke inspiratie van de Heilige Boeken der wereld (in het bijzonder van toepassing op de christelijke Bijbel) is heden volkomen ontzenuwd. (Lees hiervoor het eerste gedeelte van De Volkeren der Aarde, door Jozef Rulof geschreven.) Evenals de onfeilbaarheid van de uitleg. Thans wordt ingezien dat alle Heilige Boeken van de wereld gebaseerd zijn op armzalige vertalingen en dat niet één gedeelte ervan -- na duizenden jaren van vertalingen -- is zoals het oorspronkelijk was, indien het ooit bestond als een oorspronkelijk manuscript en in werkelijkheid niet de herinnering van de één of ander was van wat gezegd werd. Tegelijkertijd moeten wij in gedachten houden, dat de algemene strekking en het fundamentele onderricht, zowel als de betekenis van de symbolen, gewoonlijk juist zijn, ofschoon alweer de symboliek zelf aan een moderne vertaling onderworpen moet worden en niet aan een verkeerde interpretatie door onkunde. Wat ik tracht duidelijk te maken is, dat dogma's en leerstellingen theologie en dogmatische verklaringen, niet noodzakelijkerwijs de waarheid aanduiden zoals ze bestaat in het denken van God, met Wiens denken de meerderheid der dogmatische tekstuitleggers beweren bekend te zijn. Theologie is eenvoudig dat wat de mensen denken dat het denken van God is, zij maken zich daardoor tot God, omdat dit denken blijkbaar een open boek voor hen is.

Hoe ouder het Heilige Boek, hoe groter, noodzakelijkerwijs, de verdraaiing. De leerstelling van een wraakgierige God, de leerstelling van de vergelding in de één of andere mythische hel, de leer dat God alleen hen liefheeft die Hem in de bewoording van enige speciale theologische school verklaren, de symboliek van het bloedoffer, het zich toe-eigenen van het Kruis als een christelijk symbool, de lering over de Maagdelijke geboorte en de voorstelling van een toornige, alleen door de dood te bevredigen Godheid, zijn de ongelukkige resultaten van de mensen hun eigen denken, van zijn eigen haatdragende aard, van zijn sektarische afgescheidenheid (die wel aangemoedigd wordt door het Joodse Oude Testament, maar die in het algemeen bij de Oosterse godsdiensten niet gevonden wordt) en van zijn gevoel voor vrees, geërfd van zijn dierlijke aard, dit alles aangemoedigd en ingeprent door de theologie, maar niet door Christus, Boedhha of Shri Krishna.

De simpele, beperkte denkvermogens van de mensen in hun vroegere en huidige stadia van ontwikkeling, kunnen het denken en het doel van de Ene in Wie wij leven, bewegen en zijn, nu niet begrijpen en hebben dit nooit gekund: Zij hebben God in hun eigen bewoording verklaard. Wanneer de mensen daarom een dogma zonder nadenken aanvaarden, dan aanvaarden zij alleen maar het gezichtspunt van een ander feilbaar menselijk wezen en aanvaarden in het geheel geen goddelijke waarheid. De theologische seminarie moeten beginnen deze waarheid te onderwijzen en hun leerlingen te trainen zelfstandig te denken en te bedenken dat de sleutel tot de waarheid ligt in de éénmakende macht van vergelijkende Godsdienststudie. Alleen die beginselen en waarheden die universeel worden erkend en die in elke godsdienst gevonden worden, zijn waarlijk noodzakelijk voor de verlossing. De geboden waarheden van ondergeschikte en betwistbare aard zijn gewoonlijk onnodig of alleen van betekenis in zoverre zij de oorspronkelijke en essentiële waarheid ondersteunen.
(In een volgend artikel wordt het uiteenvallen van de vroeg christelijke kerk besproken.) 
 
 
                                HET PROBLEEM VAN DE KERKEN II
 De mensen zijn heden vergevorderd met de verwerping van dogma's en leestellingen en dit is goed, juist en bemoedigend. Het betekent vooruitgang, maar tot nu toe hebben de kerken gefaald hierin het werk van de goddelijkheid te zie.
De verwrongen voorstelling van de waarheid heeft de mensheid geleid tot de formulering van een aantal dogma's, waarvan Christus klaarblijkelijk niets wist en -- mag ik wagen het zo te zeggen? -- Waarom Hij Zich nog veel minder bekommerde. Christus bekommerde er Zich alleen om dat de mensen zouden erkennen dat God liefde is, dat alle mensen kinderen van Eén Vader zijn en daardoor broeders en zusters, dat de menselijke geest eeuwig is en dat er geen dood is. Hij verlangde dat de Christus in ieder mens (het ingeboren Christus bewustzijn, dat ons één maakt met elkander en met Christus) in al zijn heerlijkheid zou voortbloeien. Hij onderwees dat dienstbetoon de grondtoon was van het geestelijk leven en dat de Wil van God geopenbaard zou worden.

Dit zijn niet de punten waarover het merendeel der commentators heeft geschreven. Zij hebben er ad nauscam over gediscussieerd, in hoeverre Christus goddelijk was en in hoeverre menselijk. Voorts over de aard van de Maagdelijke Geboorte, de doelmatigheid van Paulus als leraar van de christelijke waarheid, de aard van de hel, de verlossing door bloed en over de historische echtheid van de Bijbel.
De woorden en brieven van Paulus hebben evenveel zo niet meer aandacht ontvangen van de commentators dan de woorden van Christus en dezelfde onfeilbaarheid is hem toegeschreven, terwijl Johannes de enige schrijver was, die in het Nieuwe Testament het denken van Christus waarheidsgetrouw weergaf en begreep. Uit zijn brieven spreekt de liefde van Christus zonder leerstellige disputen.

Heden herkent het denken van de mensen het gloren van de vrijheid. Het realiseert zich dat ieder vrij moet zijn om God op zijn eigen manier te vereren. Indien dit juist is en indien men hierbij blijft, luidt dit de noodklok voor de theologie. Dit betekent niet dat (in de komende nieuwe eeuw) ieder mens een theologische school zal uitzoeken, waarbij hij zich verkiest aan te sluiten. Zijn eigen door God verlicht denken zal naar waarheid zoeken en hij zal deze voor zichzelf verklaren. De tijd van theologie is voorbij en die van de levende waarheid is met ons. Dit weigeren de orthodoxe kerken te erkennen. Waarheid is in wezen onbetwistbaar waar een strijdvraag optreedt, is de opvatting gewoonlijk van ondergeschikt belang en bestaat in hoofdzaak uit menselijke ideeën over de waarheid. De mensen zijn heden vergevorderd met de verwerping van dogma's en leerstellingen en dit is goed, juist en bemoedigend. Het betekent vooruitgang, maar tot nu toe hebben de kerken gefaald hierin het werk van de goddelijkheid te zien. Vrijheid van denken, het betwijfelen van de voorgelegde waarheden, een weigering om de leer van de kerken in de bewoording van de oude theologie te aanvaarden en een verwerping van opgedrongen kerkelijke autoriteit, zijn kenmerkend voor het geestelijk denken van de huidige tijd. Dit wordt door orthodoxe kerkmensen als een aanduiding van gevaarlijke neigingen en als een zich afkeren van God beschouwd en dientengevolge als een verlies van het gevoel voor goddelijkheid. Het duidt precies het tegengestelde aan.

Misschien even ernstig, door hun effect op talloze duizenden van het meer onwetende publiek, zijn de materialistische en politieke ambities van de kerken. Bij de oosterse godsdiensten is dit niet zo overduidelijk het geval, in de westelijke wereld verhaast deze neiging de ondergang van de kerken. In de oosterse godsdiensten heeft een noodlottige negativiteit overheerst, de verkondigde waarheden zijn niet voldoende geweest om het dagelijks leven van de gelovige te verbeteren of om de waarheden te verankeren, zodat ze creatief werken op het stoffelijk gebied. De uitwerking van de oosterse leringen is grotendeels subjectief en negatief, wat betreft het dagelijks leven. De negativiteit van de theologische uitleg van de Heilige Boeken van de Boeddhisten en Hindoes heeft het volk in berustende toestand gehouden, waar het nu langzaam begint uit te komen. Het Mohammedaanse geloof is, evenals het Christelijke, een positieve voorstelling van de waarheid, maar zeer materialistisch, beide geloven zijn strijdlustig en politiek geweest in hun activiteiten.

De grote westerse godsdienst, het Christendom, is bepaald objectief geweest in de voorstelling van de waarheid, dit was nodig. Ze is strijdlustig, fanatiek, grofmaterialistisch en eerzuchtig geweest. Ze heeft politieke doelstellingen verenigd met praal en ceremonie, met grote stenen gebouwen, met macht en een opgedrongen autoriteit van 'n zeer bekrompen aard.
De vroege Christelijke Kerk (die betrekkelijk zuiver was in haar voorstelling van de waarheid en in haar handel en wandel) viel tenslotte uiteen in drie delen: De Rooms Katholieke Kerk, die thans munt tracht te slaan uit het feit dat ze de Moederkerk was, de Byzantijnse of Grieks Orthodoxe Kerk en de Protestantse Kerken. Zij scheiden zich alle af op het punt van de leerstellingen en alle waren zij oorspronkelijk oprecht, zuiver en betrekkelijk rein en goed. Alle zijn zij sinds hun ontstaan geleidelijk in verval geraakt en thans kunnen wij de volgende droevige en ernstige toestand constateren:

1. De Rooms Katholieke Kerk onderscheidt zich door drie punten, die alle in strijd zijn met de geest van Christus:
a. Een door en door materialistische houding. De Kerk van Rome is een voorstander van grote stenen bouwwerken -- kathedralen, kerken, gestichten, kloosters voor monniken en nonnen. Om dit alles te bouwen is de politiek door eeuwen heen geweest het geld zowel bij de rijken als bij de armen uit de zak te kloppen. De God van de Rooms Katholieke Kerk is geld. Het is een zuiver kapitalistische Kerk en ze is machtig in de meer fascistische landen. Het in haar schatkisten verzamelde geld houdt een machtige kerkelijke hiërarchie in stand en zorgt voor de vele instellingen en scholen.
b. Eén ver reikend en ver vooruitziend politiek programma, waarin wereldlijke macht het doel is en niet het welzijn van de kleine man. Het huidige programma van de Katholieke Kerk heeft bepaalde politieke gevolgtrekkingen, haar houding tegenover het communisme heeft een kiem in zich voor een volgende wereldoorlog. De huidige politieke activiteit van de Katholieke Kerk maakt geen vrede, onverschillig onder welk mom zij voorgesteld wordt.
c. Een geplande politiek, waarbij het gros van de mensen in intellectuele onwetendheid wordt gehouden en door deze onwetendheid natuurlijk te vinden zijn onder de reactionaire en conservatieve machten die zo krachtig bezig zijn zich te verzetten tegen de nieuwe eeuw met haar nieuwe beschaving en meer verlichte cultuur. Blind geloof en volkomen vertrouwen in de priesters en in het Vaticaan worden beschouwd als geestelijke plichten.
 De Rooms Katholieke Kerk weerstaat verschanst en aaneengesloten elke nieuwe en evolutionaire voorstelling van de waarheid aan het volk: Zij wortelt in het verleden, maar groeit niet naar het licht, haar uitgebreide financiële hulpbronnen stellen haar in staat de toekomstige verlichting van de mensheid te bedreigen onder de dekmantel van een vaderlijke zorg en een kleurrijk optreden naar buiten, die een kristallisatie en een intellectuele domheid verbergen, die tenslotte onvermijdelijk tot haar uiteindelijke ondergang moet leiden.

2. De Grieks Orthodoxe Kerk bereikte zulk een hoge graad van corruptie, zwendel, hebzucht en seksueel kwaad, dat deze tijdelijk onder de Russische revolutie afgeschaft werd. Dit was een wijs, noodzakelijk en juist besluit. Deze kerk legde de nadruk geheel en al op het materialisme, maar ze oefende nimmer (en zal dit ook nooit doen) zulk een macht uit als de Rooms Katholieke Kerk dit deed in het verleden. De weigering van de revolutionaire partij in Rusland, om deze corrupte kerk te erkennen, was wijs en gezond, zij deed geen schade, want het Godsbesef kan nimmer uit het menselijk hart verdreven worden. Indien alle georganiseerde kerken van de aarde zouden verdwijnen, dan zouden het Godsbesef en de erkenning en de kennis van Christus krachtig tevoorschijn komen als een frisse en nieuwe overtuiging. De kerk in Rusland is, zoals u weet, opnieuw officieel erkend en staat voor een nieuwe gelegenheid. Ik ga hier niet uitweiden over het heden van de kerk in Rusland, noch over haar huidige gedragingen. Tot nu toe vormt zij geen factor in het wereldbestel, maar er bestaat hoop dat zij uiteindelijk als een herboren en geestelijke kracht tevoorschijn zal komen. De eisen die haar omgeving aan haar stelt, zijn zeer zwaar en ze kan niet reactionair zijn zoals de kerken in andere delen der wereld dit kunnen zijn.

3. De Protestantse Kerken. De kerk, die onder de algemene verzamelnaam ,,protestant'' aangeduid wordt, onderscheidt zich door een veelvoud van afscheidingen, zij is afwisselend ruim, bekrompen, liberaal, radicaal en altijd protesterend. Zij omvat grote kerken zoals de Protestants Episcopale Kerk, de Methodistenkerk, de Kerk van Engeland, de Congregatiekerk, de Presbyteriaanse Kerk en vele andere grote en kleine kerken. Ook deze kerken onderscheiden zich door materiële doelstellingen. Zij zijn betrekkelijk vrij van de politieke vooroordelen die de Rooms Katholieke Kerk beïnvloeden, maar het is een krakelende fanatieke en onverdraagzame groep gelovigen. De geest van afgescheidenheid viert hoogtij, er is geen éénheid of samenhang tussen hen, maar gewoonlijk heerst er voortdurend een geest van afkeuring, een kwaadaardige partijgeest en een toename van honderden protestantse erediensten, een voortdurende voorstelling van een bekrompen theologie, die niets leert maar wel nieuwe twisten teweegbrengt over leerstellingen of over een kwestie van kerkelijke organisatie of procedure.

De Protestantse Kerken hebben een precedent gesteld met hun zeer scherpe tegenstellingen, waarvan de oudere kerken betrekkelijk vrij zijn door hun hiërarchische methode van bestuur en hun gecentraliseerd autoritair beheer. Hoe kan in de behoefte van de mensheid aan geestelijke leiding worden voorzien, wanneer de leiders der kerken in beslag genomen door wereldlijke aangelegenheden, wanneer in de Rooms Katholieke, de Grieks Orthodoxe en de Protestantse kerken de nadruk wordt gelegd op praal en ceremoniën, op grote kerken en stenen kathedralen, op gouden en zilveren communie stellen, op purperen baretten, op met juwelen bezaaide gewaden en op al de parafernalia, waar de kerkelijk gezindten zo van houden?

Hoe kunnen de stervende kinderen van de wereld en van Europa in 't bijzonder gered worden, wanneer Pausen en Bisschoppen oproepen om geld te schenken, teneinde kathedralen te bouwen en meer kerken op te richten, terwijl de bestaande kerken steeds meer leeg staan? Hoe kan er weer licht schijnen in het denken van de mensen, wanneer de geestelijkheid het volk in een staat van vrees houdt, voor zover zij de oude theologische uitleg en de oude wijzen om God te benaderen niet aanvaarden? Hoe kan in de geestelijke en intellectuele behoeften van de mensen voorzien worden, wanneer de theologische seminaries niets onderwijzen wat nieuw en geëigend is voor deze tijd, doch jonge mensen die alleen in de oude uitleggingen onderwezen zijn, uitzenden om de mensheid te leiden? Deze jonge mensen beginnen hun godsdienstige opleiding en voorbereiding voor het geestelijk ambt met zeer veel hoop en verheven idealen: Zij gaan uit in de wereld met weinig hoop, niet veel geloof, maar met een vastbeslotenheid om het ,,goed te doen'' en tot aanzien te komen in de kerk.

De vraag doet zich voor of Christus zich in de kerken zou thuis voelen, indien Hij weer onder de mensen verkeerde. De rituelen en ceremoniën, de praal en de gewaden, de kaarsen en het goud en zilver, de rangorde van pausen, kardinalen, aartsbisschoppen, kanukken en gewone rectors, pastoors en lagere geestelijken, zouden waarschijnlijk weinig belangstelling opwekken bij de eenvoudige Zoon van God. Die -- toen Hij op aarde was - geen plaats had om Zijn hoofd neer te leggen.

Wanneer ik deze aanklacht tegen de kerken schrijf, ben ik mij volkomen bewust van die grote en goede mensen, die diep geestelijke mensen, wier lot hen gebracht heeft binnen de beperkende muren van de kerk. In totaal zijn er zeer veel zulke mensen en zij zijn in alle kerken en godsdiensten. Hun lot is moeilijk. Zij zijn zich bewust van de omstandigheden en zij worstelen en streven een gezonde Christelijke en religieuze denkbeelden aan een zoekende en lijdende wereld te brengen. Zij zijn de ware zonen Gods. Zij zijn op de meest onaangename plaatsen gesteld. Zij zijn zich bewust van de verborgen verdorvenheid die het kerkelijk bouwwerk ondermijnd heeft en van de kwezelarij, zelfzucht, hebzucht en bekrompenheid die hen omringen.

Zij weten heel goed dat geen mens ooit verlost is door theologie maar alleen door de levende Christus en door het ontwaakte Christus bewustzijn in ieder mensenhart. Innerlijk verwerpen zij het materialisme in hun omgeving en zij zien weinig hoop voor de mensheid in de kerken. Zij weten heel goed dat de geestelijke werkelijkheden vergeten zijn tijdens de materialistische ontwikkeling van de kerken. Zij hebben hun medemensen lief en zouden het geld dat nu besteed wordt aan de instandhouding van het kerkelijk apparaat en de vaste lasten, willen aanwenden tot de schepping van die Tempel van God, die ,,niet met handen gemaakt, eeuwig in de hemelen'' is. Zij dienen die geestelijke Hiërarchie die -- ongezien en sereen -- achter alle menselijke aangelegenheden staat en zij voelen geen innerlijke band met enige uiterlijke hiërarchie. Het leiden van het menselijk wezen tot bewuste betrekking met Christus en die geestelijke Hiërarchie is voor hen het belangrijkste en niet de toename van het kerkbezoek en de autoriteit van onbeduidende mensen.
(Het derde deel wordt vervolgt met: Het Joodse Probleem.)
 
 
                            HET PROBLEEM VAN DE KERKEN III.
Het Joodse Probleem.
De Joden vormen een internationale minderheid, die zeer agressief en buitengewoon luidruchtig is. Ook vormen zij in vrijwel ieder land een minderheid. Hun probleem is derhalve uniek te noemen.
Dit probleem is zo oud en zo algemeen bekend, dat het zeer moeilijk is om er iets over te zeggen dat niet als een gemeenplaats klinkt, dat niet één of ander vooroordeel aanduidt (ten aanzien van de lezer) en dat voor alles bij de Joodse lezer, geen ongewenste reacties opwekt. Ik stel er echter hoegenaamd geen prijs op, alleen datgene te zeggen wat aanvaardbaar is, of dat met alle gezichtspunten overeenstemt, of een herhaling is van alles wat over dit onderwerp reeds eerder is gezegd. Er moeten dingen worden gezegd die niet zo algemeen bekend zijn en die slechts zelden tot uiting komen, of wel werden gezegd, maar dan alleen in een geest van kritiek en antisemitisme, in plaats van een geest van liefde, zoals thans mijn pogen is.

Laat ons een ogenblik de toestand van de Joden beschouwen zoals deze was, voor de vreselijke en onvergeeflijke aanval, die Hitler tegen hen lanceerde en voor de oorlog 1940-1945. Men kon de Joden in ieder land aantreffen en in ieder land eisten zij burgerrechten. Binnen hun geboorteland wisten zij hun eigen rassenkenmerken, hun eigen bijzondere wijze van leven, hun eigen nationale godsdienst (hetgeen ieders goed recht is) en een nauwe verbondenheid met hun rasgenoten volledig te handhaven. Andere groepen deden dit eveneens, maar op een veel kleinere schaal en deze werden uiteindelijk geabsorbeerd en geassimileerd door het land waarvan zij burgers waren. De Joden hebben steeds een natie in een natie gevormd, hoewel dit laatste in Engeland, Nederland, Frankrijk en Italië minder in het oog sprong dan elders. Als gevolg hiervan waren in deze landen geen sterke antisemitische gevoelens aanwezig.

In ieder land en door de eeuwen heen, hebben de Joden zich op de handel toegelegd en met geld gewerkt. Zij zijn beslist een volk van handelsmensen en stedelingen. Zij toonden weinig belangstelling voor de landbouw, in de laatste tijd echter met uitzondering van de Zionistische beweging in Palestina. Achtenzeventig procent van de Palestijnse Joden woont in Tel Aviv. Aan hun uiterst materialistische neigingen paren zij een sterk gevoel voor het schone en een artistieke inslag, die zeer veel aan de wereld van de kunsten heeft bijgedragen. Steeds zijn zij de beschermers geweest van het schone en zij hebben behoort tot de grote filantropen van de wereld, en dit laatste ondanks hun ongewenste en slinkse zakenpraktijken, die hen in de zakenwereld zo zeer gehaat en gewantrouwd hebben gemaakt. In wezen zijn zij en blijven zij een Oosters volk, wat men in het westen geneigd is te vergeten. Indien de westerse mens dit laatste besefte, zou hij zich realiseren, dat de oosterse benadering een van waarheid en rechtschapenheid en het gebruik en het bezit van geld, in hoge mate verschillen van de westerse benadering en hierin is een deel van de moeilijkheid gelegen. Het gaat niet zo zeer om de vraag wat goed of verkeerd is, als wel om verschillende maatstaven en aangeboren rasinstellingen, die in het gehele Oosten gedeeld worden.

De moderne Joden zijn ook het resultaat van vele eeuwen achtervolging en verplaatsing. Zij zwierven van land tot land en van stad tot stad en in de loop van deze omzwervingen hebben zij zich zeker levensgewoonten en denkwijzen eigen gemaakt, die wederom door de westerling niet worden erkend en die hij niet in aanmerking neemt. De Joden zijn bv. het resultaat van het eeuwen leven in tenten. Vandaar de onzindelijke indruk die zij verwekken temidden van elke samenleving waarin zij leven en welk feit de meer georganiseerde westerse mens (een holbewoner) weigert te erkennen. Zij zijn tevens het resultaat van hun eeuwenlange behoefte om ten koste van diegenen te leven waaronder zij verkeren, om de kansen welke zich voordoen te benutten, om datgene te bemachtigen wat zij begeren en om er voor te zorgen dat hun kinderen het allerbeste dat beschikbaar is krijgen, ongeacht of dit ten koste gaat van anderen. Zij klitten samen temidden van de vreemde rassen waarbij zij zich hebben aangesloten en bewaren zoveel mogelijk hun nationale religie, hun nationale ,,taboes'' en de oude landmerken. Dit laatste was voor hun bestaan tijdens de vervolging van het grootste belang. Zij waren gedwongen deze factoren zoveel mogelijk in hun oude vormen te bewaren, teneinde het bewijs te leveren aan andere Joden in nieuwe landen en steden, dat zij Joden waren zoals zij voorgaven.

Het is deze factor, die maakt dat zij het meest reactionaire en meest conservatieve ras in de wereld zijn. Reeds lang voor het Christelijk tijdperk bestond hun geschiedenis uit voortdurende verplaatsing en het woord ,,exodus'' hield en houdt hiermede nog steeds verband. Symbolisch gezien en in feite zijn zij de ,,zwervende Joden''. Voor wat zij nu zijn is dit in hoge mate verantwoordelijk. Hun raskenmerken namen een steeds meer uitgesproken karakter aan, tengevolge van niet te vermijden onderlinge huwelijken gedurende de afgelopen eeuwen en als gevolg van de nadruk, die door de orthodoxe Joden in het verleden op raszuiverheid werd gelegd. De jonge en moderne Jood legt hierop geen nadruk en heeft doorgaans geen bezwaar tegen een huwelijk met een niet Jood, doch dit is slechts een recente ontwikkeling, waarmee de oudere generatie in geen enkel opzicht akkoord gaat en het is thans welhaast te laat om hierin nog verandering te brengen, want de niet

Joden maken tegenwoordig in vele gevallen bezwaar.
De Joden zijn goede burgers, die de wet respecteren, zich vriendelijk en voorkomend gedragen en maar al te graag hun rol in het maatschappelijke leven vervullen. Onmiddellijk staan zij klaar met hun geld indien hierop een beroep wordt gedaan, maar zij blijven toch afgezonderd. De Getto neiging (om het zo maar te noemen), is overal waar te nemen, vooral in de grote steden van de verschillende landen. Door de eeuwen heen waren de Joden geneigd, met het oog op veiligheid en gemeenschappelijke welvaart, samen te hokken en elkander op te zoeken. De niet Joden waaronder zij verkeerden, moedigden deze neiging nog aan en op deze wijze ontstonden tradities, die nog overheersen. Gepaard hiermee en als gevolg van de apartheidspolitiek van de wereld der niet Joden, ontstonden afzonderlijke gebieden en steden in de verschillende landen, waarin geen Joden mochten verblijven, of eigendommen mochten kopen of er zich mochten vestigen. Hun neiging om ten koste van andere mensen te leven, terwijl zij in het land van hun vestiging, waar zij profiteren van de gewoonten, de cultuur en de beschaving, hun afgescheiden identiteit handhaven zonder werkelijk deel uit te maken van het nationale leven, heeft tot resultaat gehad, dat de Jood altijd vervolgd is.

Als ras is hij nergens bemind en de mensen zijn op hun hoede voor hem en zijn methoden.
Is het nog nodig erop te wijzen, dat dit algemene beeld dikwijls onjuist is waar het de individuele Jood betreft? In ieder land en op vele plaatsen treft men Joden aan, die zeer geliefd zijn bij allen -- Joden zowel als niet Joden -- die hen kennen, gerespecteerd door hun omgeving en die zeer gezocht zijn en even hoog en dikwijls hoger, worden aangeslagen dan menige niet Jood. Zij behoren tot de verheven geestelijke aristocratie van de mensheid en hoewel zij een Joods lichaam bezitten en Joodse namen dragen, scharen zij zich binnen de gelederen van mannen en vrouwen, afkomstig uit alle andere landen, die toebehoren aan de mensheid en nationale raskenmerken ontgroeid zijn. Deze mannen en vrouwen vertegenwoordigen als groep de hoop van de mensheid, de waarborg voor de nieuwe en betere wereld, die wij allen verwachten. Hun aantal neemt dagelijks toe. Een breed generaliseren van één of ander ras of land, gaat noodzakelijk ten koste van de enkeling, doch de mededeling die over het ras of het land in het geheel worden verstrekt, zijn juist, waar en verifieerbaar.

Ik zou u willen verzoeken het voorgaande in gedachten te willen houden en steeds ervan doordrongen te zijn, dat generaliseren voor zover het individu er bij betrokken is, immer onnauwkeurig is. De intellectuele verwaandheid van de Fransman, de zelfgenoegzame arrogantie van de Engelsman, de kinderlijkheid van de Amerikaan, alsmede de sadistische negativiteit van de Duitser, zijn alle karakteristieke aanklachten tegen deze rassen en toch zijn ze niet juist als ze op de enkeling toegepast worden. Er zijn zeer vele bescheiden Fransen, vele Engelsen met een minderwaardigheidscomplex, vele tot rijpheid gekomen Amerikanen en vele vriendelijke Duitsers en hetzelfde is van toepassing op de Joden.

De voornaamste factor welke verantwoordelijk is voor het feit dat de Joden zich van anderen hebben afgescheiden en die in hen een superioriteitscomplex geeft aangekweekt, dat zo kenmerkend voor hen is (onder een uiterlijk minderwaardigheidscomplex), is wellicht hun godsdienstig geloof. Dit geloof is één van de oudste ter wereld. Het is eeuwen ouder dan het Boeddhisme, ouder dan vele Hindoe godsdiensten en zeer veel ouder dan het Christendom. Er zijn hoofdpunten in dit geloof die de Joden zeer bepalend hebben gemaakt tot wat zij thans zijn. Het is een godsdienst van taboes, zorgvuldig geformuleerd, om de wandelende Jood te beschermen, als hij van de ene gemeenschap naar de andere dwaalde.

Het is een godsdienst met een uitgesproken materialistische inslag, die de nadruk legt op ,,het land overvloeiende van melk en honing''. In de tijd dat deze term gemeengoed was, was zij niet symbolisch bedoeld, maar vertegenwoordigde het doel van zijn reizen. De godsdienst wordt door een geest van afgescheidenheid beheerst. God is de God van de Joden. De Joden zijn Gods uitverkoren volk. Zij moeten stoffelijk rein gehouden worden en hun welzijn is van het allergrootste belang voor Jehova. Hun bestemming is Messiaans en Jehova is na-ijverig op hun contact met een belangstelling in andere volken of Goden. Deze goddelijke eisen hebben zij, als volk, gehoorzaamd, vandaar hun positie temidden van een moderne wereld.

Het begrip ,,liefde'' met betrekking tot andere mensen ontbreekt in de Joodse godsdienstige voorstelling, hoewel liefde voor Jehova met de nodige bedreigingen wordt onderwezen. Het idee van een toekomstig leven, afhankelijk van houding en gedrag ten opzichte van anderen en van juist handelen temidden der mensen, ontbreekt bijna geheel in het Oude Testament. Op onderricht over de onsterfelijkheid wordt nergens de nadruk gelegd. Verlossing is blijkbaar afhankelijk van het naleven van talrijke wereldse wetten en van regels die verband houden met lichamelijke reinheid. Dit laatste gaat zelfs zo ver, dat zij bepaalde winkels hebben opgericht waar aan deze regels de hand wordt gehouden en dat in een moderne wereld, waar wetenschappelijke methoden worden toegepast voor de zuiverheid van het voedsel. Al deze en nog andere factoren van minder belang, isoleren de Joden.

Deze voorschriften worden nageleefd onverschillig hoe verouderd zij mogen zijn en hoeveel last zij aan anderen mogen veroorzaken.
 Deze factoren worden hier belicht, omdat zij de ingewikkeldheid van het probleem van de zijde van de Joden aantonen en tevens de irriterende wrijving veroorzakende aard verklaren voor de niet Joden. Deze irriterende factor vindt bij de Joden zelden of nooit erkenning. De christen van thans herinnert zich niet, dat de Joden de dood van Christus bewerkstelligden (volgens het Nieuwe Testament) en acht het evenmin van veel belang; veel meer is hij ertoe geneigd om zich te herinneren dat Christus een Jood was en zich er over te verwonderen, waarom de Joden niet de eersten waren om Hem voor zich op te eisen en lief te hebben.

Oneindig veel helderder staan hem de zakenmethoden van de Joden voor de geest en het feit dat de Joden, indien zij orthodox zijn, christenvoedsel onrein voor hen beschouwen en dat de Joden hun staatsburgerschap als secondair beschouwen aan hun rasverplichtingen. De christen beschouwt de Joden als volgelingen van een verouderde godsdienst. Hem boezemt de wrede en jaloerse Jehova van de Joden een hevige afkeer in en hij beschouwt het Oude Testament als de geschiedenis van een buitengewoon wreed en agressief volk, met uitzondering van de Psalmen van David, die bij alle mensen zeer geliefd zijn.

Dit nu zijn punten waarop de Joden bij geen enkele gelegenheid acht schijnen te slaan en juist deze dingen, alle tezamen genomen, hebben de Joden van de rest van de wereld afgezonderd, een wereld temidden waarvan zij willen leven en gelukkig willen zijn en waarin zij het slachtoffer zijn van een erfenis, die met goed gevolg gemoderniseerd zou kunnen worden. Op geen enkel gebied is het tevoorschijn treden van een nieuwe wereldgodsdienst meer urgent, dan in het geval van de Joden temidden van de moderne wereld.

Toch heeft God alle mensen gelijk geschapen. De Joden zijn mensen en onze broeders en zusters en alle rechten die de christenen genieten, dienen ook hun deelachtig te worden, rechten, die onvervreemdbaar en wezenlijk de hunne zijn. De christenen hebben dit vergeten en hun verantwoordelijkheid voor wangedrag en vreemde handelingen is groot. Gedurende eeuwen zijn de Joden door hun christelijke broeders en zusters als ongewenst beschouwd. Van plaats tot plaats werden zij opgejaagd en onophoudelijk zijn de Joden gedwongen her en derwaarts te trekken -- door de woestijn van Egypte naar het Heilige Land, vandaar (eeuwen later) naar de Vallei in Mesopotamië en vanaf die tijd in een gestadige opeenvolging van verplaatsing. Grote stromen van wandelende Joden, die onophoudelijk naar het Noorden, Zuiden en Westen trokken en een klein stroompje naar het Oosten.

Gedurende de Middeleeuwen werden zij door steden en landen verbannen, waarop een periode van betrekkelijke rust volgde, waarna de ontheemde Joden opnieuw in Europa in beweging komen, zonder tehuis, her en der zwervend (tezamen echter met vele duizenden van andere nationaliteiten), weerloos onderworpen aan een wreed lot, of minder weerloos, doch, georganiseerd door bepaalde politieke groeperingen met internationale en zelfzuchtige doelstellingen. In landen waar antisemitische gevoelens gedurende tientallen jaren praktisch niet bestaan hebben, ontstaat thans vijandschap. Zelfs in Engeland steekt het zijn afzichtelijke kop op, terwijl het in de Verenigde Staten een groeiende bedreiging vormt. Het is de taak van de christenen om aan de periode van vervolging eens en voor altijd een einde te maken. Het is de taak van de Joden om die stappen te ondernemen die niet de ergernis zullen opwekken van de christenen, temidden waarvan zij leven.

De nood onder de Joden is in deze tijd verschrikkelijk en ontzaglijk, maar het is nog oneindig dringender om een oplossing te vinden voor dit zeer oude probleem, dat de vrede van de landen door de eeuwen heen heeft verstoord. De verantwoordelijkheid van de niet Joden, gezien in het licht van de eis van menselijkheid, is essentieel. De geschiedenis van de vervolging der Joden door de christenen is een schokkend en afgrijselijk verhaal, alleen geëvenaard door de behandeling die de Joden hun vijanden lieten ondergaan, zoals verhaald in het Oude Testament. Het lot van de Joden in de wereldoorlog is een verschrikkelijk verhaal van wreedheid, marteling en massamoord en de behandeling van de Joden door de eeuwen heen, is één van de meest zwarte bladzijden in de geschiedenis van het mensdom. Hiervoor is geen excuus of vergoelijking aan te voeren en weldenkende christenen zijn zich hiervan overal bewust en eisen met nadruk dat aan deze vervolgingen een einde komt.

De geestelijke krachten van de wereld en de geestelijke leiders der mensheid (zowel degenen die op het uiterlijk gebied werkzaam zijn, als degenen die leiding geven van achter de innerlijke zijde van de sluier) zoeken een oplossing.
Deze oplossing zal echter eerst gevonden worden, wanneer de Joden zelf het probleem de baas proberen te worden en hun huidige politiek opgeven, die daarop is gericht, dat de niet Joden en de christenen al het werk verrichten, alle concessies doen, de oplossing van het vraagstuk alleen vinden en zonder medewerking van de Joden een einde maken aan de slechte toestand. Zonder ophouden en zeer luide brengen de Joden hun eis tot herstel en hulp te berde en zij verwijten de niet Joodse landen hun ellende. Voortdurend schieten zij tekort om die toestanden aan hun kant te erkennen die verantwoordelijk zouden kunnen zijn voor een deel van de algemene antipathie waarmee zij voortdurend worden geconfronteerd. Zij doen geen concessies aan de beschaving en aan de culturen temidden waarvan zij zich geplaatst vinden, doch staan er op een afzonderlijke plaats in te nemen. Zij richten verwijten tot de niet Joden voor hun isolatie, maar het feit blijft bestaan, dat hun als burgers gelijke kansen worden geboden in alle onbevoordeelde landen. Hun bijdrage tot de oplossing van dit oude vraagstuk is van materiële aard en getuigt van geen enkel psychologisch inzicht of een erkenning van de geestelijke waarden welke hierbij betrokken zijn.

Geen enkel vraagstuk kan tegenwoordig volledig langs materiële weg opgelost worden. Hieraan is het ras, als geheel genomen, ontgroeid. De onmiddellijke oplossing, die de Joden de wereld hebben aangeboden, bestaat uit de overdracht aan hen van Palestina -- een land dat zij vele eeuwen geleden ontruimd hebben en dat gedurende honderden jaren aan een ander ras heeft behoord, een land dat met geen mogelijkheid een Joodse bevolking tezamen met de tegenwoordige bewoners zal kunnen voeden, een land, welks bevolking dit denkbeeld heftig verwerpt en zou strijden om de Joden buiten de grenzen te houden, indien de grote mogendheden hun vestiging zouden wettigen. Dit betekent dus geen werkelijke oplossing. Het is een materiële eis, die gebaseerd is op valse beloften. Overal elders zou het Joodse vraagstuk onopgelost blijven, zelfs indien Palestina de oplossing zou betekenen voor de ontheemde Joden, daar de duizenden en nog eens duizenden Joden die in andere landen verblijven -- met antipathie bejegend door de hen omringende nationaliteiten en een ongeassimileerde groep blijvend -- het oorspronkelijke probleem slechts zouden blijven vertonen. Antisemitisme zou nog steeds een voedingsbodem vinden.

Men dient zich eveneens te herinneren, dat de Joden die zich in verschillende landen vestigden en het staatsburgerschap van deze landen voor zich opeisten, niet van plan zijn dit staatsburgerschap op te geven en naar Palestina te emigreren, zelfs indien dat mogelijk zou zijn. Een materiële oplossing zal niets oplossen. In diepere zin heeft het vraagstuk betrekking op de gehele kwestie van juiste menselijke verhoudingen. Het kan alleen op deze allesomvattende basis tot een oplossing worden gebracht. Eén en ander heeft te maken met de wisselwerking tussen volken van verschillend ras, die echter broederschap in de mensheid voorstaan.

Het brengt het gehele vraagstuk van zelfzuchtigheid en onzelfzuchtigheid, van achting en van rechtvaardigheid met zich mee en dit zijn factoren, die alle partijen dienen te beheersen. De Joden dienen hun aandeel in het veroorzaken van de antipathie, die hen overal vervolgt, te erkennen. De niet Joden dienen hun verantwoordelijkheid te aanvaarden voor de onophoudelijke vervolgingen en hen daarvoor schadeloos te stellen. De Joden verwekten en verwekken nog, antipathie en hiervoor is geen enkele noodzaak. Samenvattend zien wij: De Joden hebben, temidden van andere landen, een oude levenswijze in het leven geroepen. Als burgers, met al de rechten van het burgerschap, hebben zij een muur van taboes, gewoonten en religieuze regels om zich heen opgetrokken, die hen van hun omgeving scheidt en maakt dat zij zich niet assimileren.

Deze toestanden nu moeten verdwijnen en zij moeten burgers worden, niet alleen in naam maar ook in feite. Er bestaat tegenwoordig geen probleem van een dergelijke belangrijkheid in de wereld. Een geheel volk van een apart ras, aparte godsdienst, doelstellingen, karaktereigenschappen en cultuur van een ongeëvenaard oude en zeer reactionaire beschaving, als minderheid in elk land verstrooid, plaatst ons voor een internationaal probleem. De Joden beschikken over grote rijkdommen en hebben zeer veel invloed.


In ieder land eisen zij het staatsburgerschap voor zich op, doch handhaven doelbewust  hun rassen identiteit. Zij veroorzaken tweedracht onder de verschillende landen, speciaal in deze tijd. Op geen enkele wijze trachten zij hun ingewikkeld probleem groots en harmonisch, met een zuiver psychologisch begrip of met consideratie voor hun niet Joodse omgeving, waarop zij onophoudelijk een beroep doen, aan te pakken. Zij geven slechts de voorkeur aan materiële oplossingen en verlangen voortdurend, op een bijna grove manier, van de niet Joden, dat zij de gehele schuld op zich nemen en een einde aan de moeilijkheden maken.

Daarnaast dienen wij rekening te houden met de lange en droeve geschiedenis van de vervolging der Joden door de niet Joden, veel voorkomend in de Middeleeuwen (indien wij niet verder terug gaan) en sporadisch voorkomend in de moderne tijden, die hun hoogtepunt bereiken in de gewelddadige behandeling van de Joden gedurende de wereldoorlog. Het was echter een behandeling die niet uitsluitend hen alleen betrof, doch ook ondergaan werd door de Polen, Grieken en de hulpelozen uit vele landen. Dit is een punt dat de Joden klaarblijkelijk vergeten. Zij waren niet de enigen die vervolgd werden.

De Joden vertegenwoordigden slechts twintig procent van de verstrooide personen in Europa.
Dezelfde droeve geschiedenis van christelijke wreedheid is ook van toepassing op het groeiende antisemitisme, dat zelfs in landen kan worden waargenomen die er relatief gesproken vrij van zijn gebleven. In zakenkringen is er een voortdurende discriminatie ten opzichte van de Joden. Op allerlei gebied nemen de beperkingen voor hen toe. De positie van de Joodse schoolkinderen in de Verenigde Staten bv. die onder discriminatie te lijden hebben en worden uitgejouwd en beschimpt, is schokkend om te overdenken. Ook doet zich het feit voor, dat geen enkel land, waar ook ter wereld, zijn deuren wenst open te stellen om de ongewenste Joden asiel te verlenen. Geen enkel land wenst hen bij honderden tegelijk binnen te laten.

Weldenkende mensen in ieder land zoeken naar een oplossing en zullen daarmee doorgaan en een oplossing zal gevonden worden. Dit zorgenkind van de Volkerenfamilie is een kind van de ene Vader en in geestelijk opzicht één met alle mensen waar ook ter wereld. De mensen weten dat er ,,noch Jood noch Griek is'', zoals Paulus het uitdrukte (die tweeduizend jaar geleden met hetzelfde vraagstuk werd geconfronteerd) en mannen en vrouwen uit beide groepen hebben voortdurend en in toenemende mate de waarheid van deze uitspraak bewezen.

Aldus is het vraagstuk van de Joodse minderheid openhartig behandeld, hetgeen veel kritiek zal verwekken, maar het is op deze wijze naar voren gebracht, gedrongen door liefde, in de hoop dat de Joden hun eigen verantwoordelijkheid zullen aanvaarden en zullen ophouden voortdurend met misbaar de christenen toe te roepen, dat zij het vraagstuk alleen moeten oplossen en tevens in de hoop dat zij met volledig geestelijk begrip zullen beginnen samen te werken en op deze wijze de duizenden christenen zullen bijstaan die hen oprecht wensen te helpen. Nooit tevoren was er een tijd waarin de christenen meer verlangend waren om datgene te doen wat rechtvaardig is ten aanzien van de Joden, of meer verlangend om hun probleem tot een oplossing te brengen en hun schadeloos te stellen voor alles wat zij hebben moeten verduren. Een gewijzigde innerlijke houding is aan beide zijden noodzakelijk, doch wel het meest bij de Joden. Er zijn tekenen welke er op wijzen dat deze nieuwe geestesgesteldheid groeit, zelfs al zal de juiste oplossing zeer veel tijd vergen. Er zijn tegenwoordig
Joden, die dezelfde mening zijn toegedaan als in het voorafgaande is uiteengezet.
N.N.
 
                                   DE GELEGENHEID VAN DE KERKEN,
                             HET  PROBLEEM VAN DE KERKEN (SLOT).
 Iets van grote betekenis heeft plaats gehad in de wereld. De geest van de vernietiging heeft over de aarde geraasd en heeft de wereld van het verleden en de beschaving die ons moderne leven beheerste in puin aan onze voeten achtergelaten. Steden en huizen zijn vernield, koninkrijken en regeerders zijn verdwenen, ideologieën en geliefde geloven hebben gefaald om in de behoefte van de mensen te voorzien en zijn bezweken onder de beproeving der tijden, gebrek en onzekerheid heersen algemeen, families en sociale groepen zijn uiteengerukt, elk land heeft zijn tol aan de dood betaald en miljoenen zijn gestorven als gevolg van de onmenselijke oorlogshandelingen. Globaal genomen heeft iedereen terreur, vrees en hopeloosheid betreffende de toekomst meegemaakt, iedereen vraagt zich af, wat die toekomst brengen zal en er is nergens zekerheid. De stem van de mensheid stijgt op naar de hemelen en vraagt om licht, vrede en zekerheid.

Sommigen zoeken het in de vorming van nieuwe ideologieën, anderen zoeken het langs politieke lijnen en hopen op steun en bevrijding door één of ander soort overheidsmaatregel of door een politieke richting of partij. Weer anderen verlangen het optreden van een leider en er zijn op dit ogenblik geen leiders waar ook, te vinden. Wat er aan leiderschap is, komt uit groepen van goed bedoelende mensen en van enkele staatslieden, die even verward zijn als diegenen die zij trachten te helpen. De grootte van de taak van wederopbouw, waar zij zich voor geplaatst zien, maakt hen bijna machteloos, want aan de orde is: De wederopbouw, de nieuw oriëntering en de heropvoeding van de gehele wereld.

Nog anderen, die geduldiger zijn, maken plannen voor nieuwe opvoedkundige werkwijzen en systemen, die zullen trachten de huidige generatie van kinderen voor te bereiden op het volle leven in de wereld van morgen, een wereld waarvan zij niets weten en waarvan de wazige omtrekken slechts vaag te zien zijn. Sommigen vervallen in een toestand van wanhoop, zij vluchten in de afzondering en wachten zo filosofisch mogelijk op de verlossing die de dood zal brengen, zij vragen slechts om wat voedsel, enige warmte, enkele boeken en voldoende kleding. Velen weigeren helemaal om te denken en vullen in plaats daarvan hun leven met weldadigheidswerk, met de problemen van de bittere armoede en haar opheffing en helpen -- in zoverre zij kunnen -- met het herstelwerk. Allen ondergaan de reactie van de naweeën van de oorlog en zij zijn niet vertrouwd met de vredestoestanden, omdat vrede nog nooit waarlijk gekend is en klaarblijkelijk nog ver verwijderd is.

Bovenal nemen talloze miljoenen mensen over de gehele wereld een diep geestelijke behoefte waar, zij zijn zich bewust van de aandrang van de geest en herkennen deze als zodanig. Zij mogen deze behoefte in vele vormen uitdrukken en vele verschillende terminologieën gebruiken, zij mogen in diverse richtingen uitzien naar de bevrediging van hun verlangens, maar overal is een verlangen naar hetgeen van groter waarde is dan dat wat het verleden bepaalde en er is nog een verlangen naar het tevoorschijn komen van die deugden, geestelijke impulsen en prikkels, die de mensen verloren schijnen te hebben en die tezamen het geheel vormen van de krachten die de mensheid voortstuwen naar geestelijk leven.

Overal zijn de mensen bereid het licht te ontvangen, ze zijn in afwachting van een nieuwe openbaring en een nieuwe beschikking. De mensheid is reeds zover gevorderd op het pad van de evolutie, dat deze verlangens en verwachtingen niet alleen in voorwaarden voor materiële verbetering worden uitgedrukt, maar in bewoording van een geestelijke visie, zuivere waarden en juiste menselijke verhoudingen. De mensen verlangen onderwijs en geestelijke hulp tezamen met de noodzakelijke vraag naar voedsel, kleding en de gelegenheid om in vrijheid te werken en te leven. Zij worden in grote delen der wereld bedreigd door honger en toch zijn zij met evenveel ontzetting bewust van de honger van de ziel.

De grote tragedie ligt echter daarin, dat zij niet weten welke richting zij moeten inslaan of naar wiens stem zij moeten luisteren. De hoop in hen is geestelijk en onsterfelijk. Deze hoop en dit verlangen hebben de opmerkzaamheid van de Christus en zijn discipelen in de plaats waar zij leven, werken en waken over de mensheid, bereikt. Door welke macht zullen deze krachten van de geest werken voor het herstel van de wereld? Op welke wijze zullen de geestelijke Leiders van het ras de mens voorwaarts leiden tot groter licht en tot de gelegenheid van de nieuwe eeuw? Het mensdom ziet de Weg van de Opstanding voor zich. Wie zal de mensheid op die Weg leiden?

Zullen de georganiseerde godsdiensten en de kerken over de gehele wereld de gelegenheid herkennen en gehoor geven aan de oproep van Christus en aan het geestelijk verlangen van talloze miljoenen? Of zullen zij alleen maar werken voor het herstel van de organisaties en de kerken? Zal het organisatorisch aspect van de wereldgodsdiensten van meer betekenis zijn in het bewustzijn van de kerkmensen, dan de behoefte van het volk aan een eenvoudige voorstelling van de levensschenkende waarheid? Zullen de interesse en de macht van de kerken aangewend worden voor de bouw van de stoffelijke bouwwerken, het herstel van financiële zekerheid, de terugkeer in de vroegere staat van verouderde theologieën en het opnieuw bereiken van de wereldlijke macht en aanzien?

Of zullen de kerken de visie en de moed hebben om de oude slechte gewoonten op te geven en zich tot het volk wenden met de boodschap dat God Liefde is, en het bewijs van die liefde geven door hun eigen leven van eenvoudig liefdevol dienstbetoon? Zullen zij het volk verkondigen, dat Christus eeuwig leeft en zullen zij het volk vragen zich af te wenden van de oude leerstellingen van dood en bloed en Goddelijke verzoening en zich te concentreren op de Bron van alle leven en op de levende Christus. Die wacht om dat ,,meer overvloedig leven", waarop zij zolang gewacht hebben en waarvan Hij beloofde, dat het hun deel zou zijn, over hen uit te storten?

Zullen zij onderrichten, dat de vernietiging van de oude vormen noodzakelijk was en dat hun verdwijning de waarborg is, dat een nieuw, voller en onbeperkt geestelijk leven thans mogelijk is? Zullen zij het volk er aan herinneren, dat Christus zelf zei, dat men geen ,,nieuwe wijn in oude zakken kan doen"? Zullen de potentaten der kerken en de trotse geestelijkheid openlijk hun verkeerde en materiële doeleinden, hun geld en hun paleizen opgeven en ,,al wat zij hebben verkopen" en Christus volgen op het pad van dienstbetoon? Of zullen zij -- gelijk de rijke jongeling uit het Evangelieverhaal -- zich bedroef afwenden?

Zullen zij het beschikbare geld aanwenden om het leed te verzachten zoals Christus deed, om de kinderen te onderrichten over de dingen van het Koninkrijk Gods zoals Christus deed en een voorbeeld te stellen van eenvoudig geloof, vreugdevol vertrouwen en zeker weten van God zoals Christus deed? Kunnen kerkmensen van alle geloven op beide halfronden dat innerlijk geestelijke licht verkrijgen, dat hen lichtdragers zal maken en dat dit grote licht zal oproepen hetwelk de nieuwe en verwachte openbaring zeker brengen zal? Kunnen het kwade materialisme, dat de kerken hebben voorgestaan en het falen van hun vertegenwoordigers in het juist onderrichten van de mensen, weggevaagd worden? Deze omstandigheden waren verantwoordelijk voor de wereldoorlog (1940-1945).

Er had geen oorlog behoeven te zijn indien hebzucht, haat en afgescheidenheid niet algemeen op aarde en in de harten der mensen geheerst hadden. Deze noodlottige fouten konden bestaan, omdat de geestelijke waarden geen plaats hadden in het leven der mensen en dit was te wijten aan het feit dat deze geestelijke waarden eeuwenlang slechts een klein plaatsje innamen in het leven der kerken. De verantwoordelijkheid rust geheel en al bij de kerken.
 Ik spreek hier hoofdzakelijk tot de Roomse Kerk in de verscheidene landen van de wereld en ook tot die kerken, die lange tijd Staatskerken zijn geweest, doch die heden niet zo machtig zijn. De Roomse Kerk is als een enorme octopus, met zijn grijpende vangarmen in ieder land. De twee leidende organisaties in de wereld van heden, die fundamenteel parasitisch en materialistisch en politiek gevaarlijk zijn -- omdat zij internationaal zijn in hun strekking en invloed -- zijn de Rooms-katholieke Kerk en het orthodoxe Jodendom. Beide machtige groepen zijn reactionair, verouderd in hun methoden en theologieën en in hun benadering van het moderne leven en beide behoren bekeerd te worden tot een zuivere en onbesmette godsdienst. Beide groepen zijn, als nooit tevoren, een bedreiging voor de wereldvrede. De politieke Zionistische beweging en het intrigeren van het Vaticaan hebben geen plaats in het leven van de geest van de mens. Zij brengen de vooruitgang van de mensheid naar een meer verlicht gebied van waarachtig leven, in gevaar.

Na dit gezegd te hebben, zou ik u er nogmaals op willen wijzen, dat er grote en heilige Joden zijn en vrome aan Christus gelijke Rooms-katholieken. Christus was een Jood. Franciscus van Assisie was Rooms-katholiek, beiden vertegenwoordigen de liefde van God, dienstbetoon en eenvoud.
 Dit zijn de vragen waarvoor de georganiseerde kerken zich gesteld zien. Tegenwoordig zijn er in de kerken mensen die reageren op het nieuwe geestelijke idealisme, op de drang van de gelegenheid en op de behoefte aan verandering. Maar de gelegenheid wordt beheerst door reactionair denkenden. De grote bewegingen ten gunste van de reorganisatie van de kerken, die zich nu  over de verwoeste wereld ontwikkelen, blijven nog in handen van de kerken van de hoogwaardigheidsbekleders, synodes en conclaven.

De huidige internationale planning zou aanduiden dat de macht nog steeds bij de verkeerde mensen berust. Tegenover iedere vooruitziende, scherpzinnige denker die men in deze nationale en internationale groepen aantreft, zijn er vier of vijf die tot de oude orde behoren. Deze meerderheid van reactionaire mensen probeert de kerken opnieuw te maken tot wat zij voor de oorlog waren en de oude theologische voorstellingen te behouden. Zij maken de minderheid, het nieuwere type kerkmens met zijn visie op de nieuwe eeuw en de nieuwe en frisse interpretatie van de waarheid, onbetekend en machteloos. 

Hij wordt belemmerd door het gebrek aan financiële hulpbronnen. Het dode gewicht van de kerkelijke hiërarchie en van de reactionaire fundamentalist en theoloog, doet al zijn pogingen teniet. De vraag waarvoor de waarachtig geestelijke mens zich geplaatst ziet is: Zal ik in de kerk blijven waartoe ik door de omstandigheden behoor en doen wat ik kan, of zal ik de kerk verlaten en buiten de kerk werken?
In de protestantse kerken is er geen aanwijzing op een fundamentele verandering van houding op grote schaal ten opzichte van theologische lering of kerkbestuur. Alles wijst erop, dat de Roomse Kerk geestelijk niets geleerd heeft. En niets wijst erop, dat de grote Oosterse godsdiensten actief de leiding nemen om een nieuwe en betere wereld teweeg te brengen. Er is niet de minste aanwijzing dat de geest van Christus, de eenvoud van ware kennis en de helderheid van geestelijk denken, eraan toe zijn de naoorlogse, godsdienstige organisaties te beheersen. En toch wacht de mensheid. De mensheid wenst bovenal de zekerheid dat God bestaat en dat er een Goddelijk Plan is -- een Plan dat geschikt is voor de toestanden in de wereld en dat zowel hoop als kracht inhoudt.

De mensen willen de overtuiging dat Christus leeft, dat Hij Die komt -- op Wie alle mensen wachten -- komen zal en dat Hij geen Christen, Hindoe of Boeddhist zal zijn, maar aan alle mensen overal zal toebehoren. De mensen willen ervan verzekerd zijn, dat een grote geestelijke openbaring nabij is en niet kan worden tegengehouden en dat hun zowel een geestelijke als een materiële toekomst te wachten staat. De kerken worden geconfronteerd met deze vragen en met deze gelegenheid.
De waarheid vertoont zich eeuwig in een nieuwe gedaante en indien de kerkmensen op de oude symbolen bouwen, dan zijn zij ten ondergang gedoemd. De mensheid wil er niets van weten. De kerk staat voor het probleem om vast te stellen wat Christus plan was voor deze nieuwe ontstane wereld en welke waarheden de beloning vormen voor een periode of cyclus van lijden en crisis.
We besluiten hiermede het onderwerp: Het Probleem van de Kerken.
Alice A. Bailey. 
 

HOME.
PAGINA 3.